Bij Jesaja 7,10-17, Romeinen 1,1-7 en Matteüs 1,18-25
Op deze vierde zondag van de Advent zien we hoe Matteüs en Paulus elk op eigen manier omgaan met het gegeven dat Jezus enerzijds een mens onder mensen is en anderzijds komt van de heilige Geest. Matteüs maakt daarbij gebruik van de Septuagintavertaling van Jesaja 7,14 om het wonderbaarlijke van Jezus’ geboorte te kunnen onderstrepen. Maar wat betekende de belofte van ‘Immanuel’ eigenlijk in de oorspronkelijke context van de profeet Jesaja?
Jesaja 7,10-17 voert ons naar een politiek zeer gespannen tijd in Juda. Aram en Israël willen Juda dwingen mee te doen met een coalitie tegen Assyrië. In die situatie heeft de profeet Jesaja koning Achaz gemaand het hoofd koel te houden (vs. 4) en opgeroepen geloof of vertrouwen te hebben (vs. 9). Daarop volgt een oproep aan Achaz: vraag om een teken. Deze durft dat echter niet aan en verzint een vrome uitvlucht: ik zal de Ene niet testen!
Als Achaz niet om een teken wil vragen, dan zal de Eeuwige zelf wel een teken geven: ‘De jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuel noemen.’ Over welke jonge vrouw gaat het? En wie kan bedoeld zijn met haar zoon? Velen gaan ervan uit dat het om een zoon van Achaz zelf moet gaan. Wordt dan Hizkia bedoeld? Een aantrekkelijke gedachte. Maar dit botst zeer waarschijnlijk met de chronologie van de koningen van Juda. Toch gaan de meeste uitleggers ervan uit dat we hier te maken hebben met een koninklijke geboorte, als bevestiging dat de belofte uit 2 Samuel 7,12-14 nog steeds geldig is. De ‘boter en honing’ uit vers 15 verwijzen waarschijnlijk niet naar overvloed maar juist naar een tijd waarin het land door oorlogsgeweld geteisterd is. Door die tijd van nood zal ook Immanuel moeten gaan.
Kata sarka, kata pneuma
Paulus spreekt in zijn doorgaans als echt beschouwde brieven alleen in Romeinen 1,3 over Jezus als een afstammeling van David. Dit is hoe we Jezus beschouwen ‘naar het vlees’ (Gr.: kata sarka). Dat er in het Jodendom een levende verwachting was van een zoon van David blijkt onder meer uit de rollen van Qumran (4Q174 3,10vv).1 Velen nemen aan dat Paulus zich in Romeinen 1,3 aanpast aan het Joodse deel van zijn gehoor in Rome. Dat is echter nog maar de vraag. Is het voor Paulus niet vanzelfsprekend dat Jezus een zoon van Israël is? Vergelijk verderop in de Romeinenbrief waar het in 9,5 heet ‘Het is het volk dat van de aartsvaders afstamt en waaruit Christus is voortgekomen’. Daar komt bij dat vers 2 (‘het evangelie … dat al bij monde van zijn profeten in de heilige geschriften is beloofd’) allereerst slaat op vers 3, over Jezus als ‘voortgekomen uit het nageslacht van David’, met waarschijnlijk een onuitgesproken toespeling op de David-belofte van 2 Samuel 7,12-14.
Als we verzen 3 en 4 van Romeinen 1 samen lezen gaat het waarschijnlijk om twee verschillende wijzen van kijken naar Jezus: één vanuit de voorgeschiedenis in Israël, een manier van kijken waarin het menselijke van Jezus volop tot uiting komt, en één beschouwingswijze die inzet bij Gods Geest (Gr.: kata pneuma) en bij Gods handelen in Jezus’ opstanding. Zo wordt het beoogde gehoor in Rome direct uitgenodigd om in déze Christus zowel een zoon van Israël te zien als degene in wie de Geest scheppend aanwezig is geweest.
Door de heilige Geest
In het allereerste vers van zijn evangelie heeft Matteüs Jezus al benoemd als ‘Zoon van David’. ‘Overzicht van de afstamming’ (NBV21, Gr.: biblos geneseoos) noemt hij de lijst namen die dan volgt. De laatste in deze lijst is Jozef, ‘de man van Maria’. Jozef is een afstammeling van David, vergelijk ook vers 20 waar een engel hem aanspreekt met ‘zoon van David’. Door zijn huwelijk met Maria mag hij weliswaar gedacht worden als degene die Jezus een davidische afstamming geeft, maar zijn biologische vader is Jozef niet. Als in vers 18 Jezus’ ‘afkomst’ (NBV21, Gr.: genesis) wordt beschreven blijkt hoe dat denkbaar is. Maria, verloofd met Jozef, blijkt zwanger te zijn van de heilige Geest. Zo zal Jezus ter wereld komen zonder enige tussenkomst van welke mannelijke potentie dan ook. Zo liggen de zaken bij Matteüs dus geheel anders dan bij Paulus. De apostel der heidenen spreekt onbekommerd over een davidische afstamming van Jezus en benoemt de Geest als het erom gaat dat Jezus ook Zoon van God is, de opgestane. Matteüs echter heeft de Geest nodig als de verwekker van Jezus.
Immanuel
In dat verband klinkt in Matteüs 1,23 het eerste van de twaalf vervullingscitaten uit Matteüs: het citaat van Jesaja 7,14. De evangelist wordt daarbij geholpen door het feit dat de Septuaginta het Hebreeuwse almah (‘jonge vrouw’) heeft vertaald met het Griekse woord parthenos (‘maagd’), terwijl het Hebreeuwse participium (‘is zwanger’) in de Griekse vertaling een futurum is geworden (‘zal zwanger zijn’). Zo maakte de vertaling van de Septuaginta het mogelijk Jesaja 7,14 te lezen als een voorzegging van de geboorte van Jezus.
Met dit vervullingscitaat krijgt Jezus er in feite een extra christologische titel bij. De naam van het kind, ‘Immanuel’ (Hebreeuws voor ‘God is met ons’) wordt nu op Jezus toegepast. Het is een titel die verder niet meer gebruikt wordt, maar die meeklinkt in de slotzin van het evangelie: ‘Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’ Dit gegeven mag ons op deze vierde Adventszondag uitnodigen om brede lijnen te trekken door heel het Matteüsevangelie.
1. F. G. Martínez en A. van der Woude, De Rollen van de Dode Zee. Kampen: Ten Have, 20072, p. 704.