Menu

Laden Evenementen

21 december 2025 Vierde zondag van de Advent

21 december 2025

Vierde zondag van de Advent

Bij deze dag

Rorate coeli. ‘Druppelt, hemelen, van boven en laten de wolken gerechtigheid doen neerstromen: de aarde opene zich opdat het heil ontluike’ (Jes. 45,8a, NBG51).

Voor het gevoel van veel mensen zal het vandaag al Kersfeest zijn, toch is de kleur in de kerk vanmorgen een sober en ingetogen paars: het is nog Advent. ‘De hemel verhaalt van Gods majesteit, het uitspansel roemt het werk van zijn handen (…) toch wordt er niets gezegd, geen woord gehoord, het is een spraak zonder klank’ (Psalm 19,2-4). Er is een verwachtingsvolle stilte. Het is een hardnekkig misverstand, dat de tijd van Advent een hoopvol en geleidelijk toegroeien is naar het Kerstfeest. Alsof de lichtjes die wij aansteken, vanzelf en vanzelfsprekend, het licht naderbij zullen brengen. Het zit diep in onze genen om in de donkere dagen van de winter even te ontsnappen in een midwinters sprookje. Advent is het stilstaan bij de komende, het komende, bij verwachting, leven met hoop op een wending ten goede. ‘De jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuel noemen’ (Jes. 7,14). De zwangerschap van Maria is uit de Geest. En daarmee staat zij in een lange traditie, zegt het Matteüsevangelie, het boek van de wording, de genesis van Jezus.

Jaar A | Paars
ot
Jesaja 7:10-17
ap
Psalmen 24
ep
Romeinen 1:1-7
ev
Mattheüs 1:18-25
Liedsuggesties

Een naam zwanger van een belofte

Bij Jesaja 7,10-17, Romeinen 1,1-7 en Matteüs 1,18-25

Op deze vierde zondag van de Advent zien we hoe Matteüs en Paulus elk op eigen manier omgaan met het gegeven dat Jezus enerzijds een mens onder mensen is en anderzijds komt van de heilige Geest. Matteüs maakt daarbij gebruik van de Septuagintavertaling van Jesaja 7,14 om het wonderbaarlijke van Jezus’ geboorte te kunnen onderstrepen. Maar wat betekende de belofte van ‘Immanuel’ eigenlijk in de oorspronkelijke context van de profeet Jesaja?

Jesaja 7,10-17 voert ons naar een politiek zeer gespannen tijd in Juda. Aram en Israël willen Juda dwingen mee te doen met een coalitie tegen Assyrië. In die situatie heeft de profeet Jesaja koning Achaz gemaand het hoofd koel te houden (vs. 4) en opgeroepen geloof of vertrouwen te hebben (vs. 9). Daarop volgt een oproep aan Achaz: vraag om een teken. Deze durft dat echter niet aan en verzint een vrome uitvlucht: ik zal de Ene niet testen!

Als Achaz niet om een teken wil vragen, dan zal de Eeuwige zelf wel een teken geven: ‘De jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuel noemen.’ Over welke jonge vrouw gaat het? En wie kan bedoeld zijn met haar zoon? Velen gaan ervan uit dat het om een zoon van Achaz zelf moet gaan. Wordt dan Hizkia bedoeld? Een aantrekkelijke gedachte. Maar dit botst zeer waarschijnlijk met de chronologie van de koningen van Juda. Toch gaan de meeste uitleggers ervan uit dat we hier te maken hebben met een koninklijke geboorte, als bevestiging dat de belofte uit 2 Samuel 7,12-14 nog steeds geldig is. De ‘boter en honing’ uit vers 15 verwijzen waarschijnlijk niet naar overvloed maar juist naar een tijd waarin het land door oorlogsgeweld geteisterd is. Door die tijd van nood zal ook Immanuel moeten gaan.

Kata sarka, kata pneuma

Paulus spreekt in zijn doorgaans als echt beschouwde brieven alleen in Romeinen 1,3 over Jezus als een afstammeling van David. Dit is hoe we Jezus beschouwen ‘naar het vlees’ (Gr.: kata sarka). Dat er in het Jodendom een levende verwachting was van een zoon van David blijkt onder meer uit de rollen van Qumran (4Q174 3,10vv).1 Velen nemen aan dat Paulus zich in Romeinen 1,3 aanpast aan het Joodse deel van zijn gehoor in Rome. Dat is echter nog maar de vraag. Is het voor Paulus niet vanzelfsprekend dat Jezus een zoon van Israël is? Vergelijk verderop in de Romeinenbrief waar het in 9,5 heet ‘Het is het volk dat van de aartsvaders afstamt en waaruit Christus is voortgekomen’. Daar komt bij dat vers 2 (‘het evangelie … dat al bij monde van zijn profeten in de heilige geschriften is beloofd’) allereerst slaat op vers 3, over Jezus als ‘voortgekomen uit het nageslacht van David’, met waarschijnlijk een onuitgesproken toespeling op de David-belofte van 2 Samuel 7,12-14.

Als we verzen 3 en 4 van Romeinen 1 samen lezen gaat het waarschijnlijk om twee verschillende wijzen van kijken naar Jezus: één vanuit de voorgeschiedenis in Israël, een manier van kijken waarin het menselijke van Jezus volop tot uiting komt, en één beschouwingswijze die inzet bij Gods Geest (Gr.: kata pneuma) en bij Gods handelen in Jezus’ opstanding. Zo wordt het beoogde gehoor in Rome direct uitgenodigd om in déze Christus zowel een zoon van Israël te zien als degene in wie de Geest scheppend aanwezig is geweest.

Door de heilige Geest

In het allereerste vers van zijn evangelie heeft Matteüs Jezus al benoemd als ‘Zoon van David’. ‘Overzicht van de afstamming’ (NBV21, Gr.: biblos geneseoos) noemt hij de lijst namen die dan volgt. De laatste in deze lijst is Jozef, ‘de man van Maria’. Jozef is een afstammeling van David, vergelijk ook vers 20 waar een engel hem aanspreekt met ‘zoon van David’. Door zijn huwelijk met Maria mag hij weliswaar gedacht worden als degene die Jezus een davidische afstamming geeft, maar zijn biologische vader is Jozef niet. Als in vers 18 Jezus’ ‘afkomst’ (NBV21, Gr.: genesis) wordt beschreven blijkt hoe dat denkbaar is. Maria, verloofd met Jozef, blijkt zwanger te zijn van de heilige Geest. Zo zal Jezus ter wereld komen zonder enige tussenkomst van welke mannelijke potentie dan ook. Zo liggen de zaken bij Matteüs dus geheel anders dan bij Paulus. De apostel der heidenen spreekt onbekommerd over een davidische afstamming van Jezus en benoemt de Geest als het erom gaat dat Jezus ook Zoon van God is, de opgestane. Matteüs echter heeft de Geest nodig als de verwekker van Jezus.

Immanuel

In dat verband klinkt in Matteüs 1,23 het eerste van de twaalf vervullingscitaten uit Matteüs: het citaat van Jesaja 7,14. De evangelist wordt daarbij geholpen door het feit dat de Septuaginta het Hebreeuwse almah (‘jonge vrouw’) heeft vertaald met het Griekse woord parthenos (‘maagd’), terwijl het Hebreeuwse participium (‘is zwanger’) in de Griekse vertaling een futurum is geworden (‘zal zwanger zijn’). Zo maakte de vertaling van de Septuaginta het mogelijk Jesaja 7,14 te lezen als een voorzegging van de geboorte van Jezus.

Met dit vervullingscitaat krijgt Jezus er in feite een extra christologische titel bij. De naam van het kind, ‘Immanuel’ (Hebreeuws voor ‘God is met ons’) wordt nu op Jezus toegepast. Het is een titel die verder niet meer gebruikt wordt, maar die meeklinkt in de slotzin van het evangelie: ‘Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’ Dit gegeven mag ons op deze vierde Adventszondag uitnodigen om brede lijnen te trekken door heel het Matteüsevangelie.

1. F. G. Martínez en A. van der Woude, De Rollen van de Dode Zee. Kampen: Ten Have, 20072, p. 704.

Anders gedaan

4e van de Advent

Bij Jesaja 7, 10-17 en Matteus 1, 18-25

(Inleiding zie 30 november)

Aansteken vierde adventskaars

Dit zegt Jesaja:

‘Er komt een dag…
Kijk! De jonge vrouw is zwanger,
ze kan elk moment bevallen
en noemt het kind Immanuel:
God-met-ons.

Zoet is hij, hij eet boter en honing
Sterk is hij, hij kiest voor het goede
en tegen het kwaad.
Hij is het teken,
God is met ons.
Hij zal zijn:
God-met-ons.’

Gebed bij opening Schrift

God-met-ons, dat is de naam waarop we ons vandaag richten.
Een naam die moed geeft, die doet verwachten.
En een naam die ons doet zoeken,
want, God, waar vinden we U?
Wij bidden dat wij ook in deze tijd
de tekenen zullen zien en vertrouwen
die wijzen op uw toekomst,
die wijzen op keuzes die wij kunnen maken, ten goede,
die wijzen op wat al begonnen is met Hem, Uw Zoon.
God, wees met ons, dat wij Uw Woord horen en zien.
Amen.

Beeld

Het schilderij L’anxiété de Saint Joseph van James Tissot laat prachtig een Jozef in vertwijfeling zien.

Actueel

Troost – voortleven

Er zijn altijd mensen bij als er iemand uit onze bekendenkring begraven moet worden. Iemand zonder huis, met een roerig leven, soms heeft de familie lang geleden afstand genomen of wil op het moment van overlijden de verantwoordelijkheid voor het afscheid niet dragen. En er zijn ook overlijdens waar de familie warm en liefdevol erbij blijft tot het einde en daarna.

Maar hoe dan ook, nooit gaat iemand alleen. Want zelfs als iemand het lastig had en ingewikkeld gedrag vertoonde voor zijn omgeving, dan nog gaat een kind van God terug naar zijn Schepper, en verdient hij of zij met eer en liefde gedragen te worden.

Laatst mochten wij van de straat er niet bij zijn, niet afscheid nemen van een geliefde en bekende dame op straat. Sommige familieleden hadden zoveel moeite met de levensstijl van hun overleden zus, en met de mensen die daarbij hoorden, dat ze het op het allerlaatst niet konden hebben, hun aanwezigheid.

We herdachten haar op ons eigen moment. Met foto’s, kaarsen, liederen en vooral verhalen. Want ze zal herinnerd worden in verhalen over wie ze was. Onze eigen verhalen in onze eigen taal. Ze gaan niet alleen over gebruik, slechte contacten en afglijden. Ze gaan over vriendschap, grappen en trouw.

Invalshoek

Het dauwt

Er is een opvallende overeenkomst tussen onderzoeksverslagen en geboortekaartjes. Beide zijn tekstvormen waarbij mensen een voorkeur hebben voor de passieve vorm. Er is onderzoek gedaan… Er is geboren… Maar dat onderzoek is door iemand gedaan. En de boreling is door iemand gebaard. Het teken waarover Jesaja 7,14 spreekt noemt deze handelende persoon wel. Zij zal baren en een naam geven. Dit is niet alleen een kwestie van taal. Door hen niet te noemen, worden mensen onzichtbaar gemaakt in een verhaal, in de geschiedenis. Dit geldt trouwens niet alleen voor mensen. We zeggen dan wel dat het regent (sneeuwt, hagelt), maar ook dat komt ergens vandaan. Dat is wel het mooie aan de naam van deze zondag: je kunt de actieve vorm gebruiken. Dauw hemel, wolken regen heil (LB 368b)!

Lied onder de loep

LB 437 – Kom tot ons, scheur de hemelen, Heer

‘Rorate caeli’, zo luidt de naam van de vierde Adventszondag. De aloude introïtusantifoon grijpt terug op Jesaja 45,8: Dauw hemelen! In strofe 2 van LB 437 worden deze eerste twee woorden van de Jesajatekst letterlijk genoemd. Ook in andere coupletten zijn verwijzingen naar Jesaja te vinden. De tekst wordt toegeschreven aan Friedrich Spee von Langenfeld (1591-1635), een Duitse priester die behoorde tot de Jezuïetenorde. De Nederlandse vertaling is van Ad den Besten. De Duitse tekst verscheen in 1622 als ‘O Heiland, reiss die Himmel auf’ in een boekje van Von Spee. Een jaar later vond het lied ingang in een rooms-katholiek liedboek en in combinatie met de huidige melodie verscheen het in 1666. De componist is onbekend. Het meest in het oog springend is het ritme van de melodie. Korte en lange noten wisselen elkaar af. Aan het einde van de regels 1, 2 en 4 wordt die volgorde omgedraaid. Het is een krachtige melodie die goed past bij het indringend roepend karakter van de tekst.

Kansen voor gebed

Om mensen die niet gezien worden, die in de schaduw moeten staan van hen ‘die er echt toe doen’, die in de geschiedenis die machthebbers schrijven niet voorkomen: kleinen, geminachten, onderdanig gemaakten. Om mensen die bijdragen aan een betere wereld in de stilte, in de luwte, geen mens die het weet. Om wie vergeten worden roepen wij om ontferming: laat uw dauw het stof van hun herinnering afspoelen.