Bij Jesaja 43,9-12, Psalm 112, 1 Korintiërs 2,1-5 en Matteüs 5,13-16
In de eerste lezing is sprake van een vergadering van naties. Net als in een vergadering van de Verenigde Naties gaat het om een zaak van wereldbelang. In de Verenigde Naties ging het aanvankelijk om economische en politieke samenwerking om een derde wereldoorlog te voorkomen. Later kwamen daar vele onderwerpen bij: mondiale gezondheid, universele mensenrechten, het wereldwijd uitbannen van armoede, het bereiken van basisonderwijs voor alle mensen, het tegengaan van sterfte, de redding van het klimaat en daarmee de planeet.
Maar hier, in Jesaja 43, stelt God zelf een eis aan de vergadering van de volken. Er moeten betrouwbare getuigen geleverd worden, opdat ieder die hen hoort zal zeggen: ‘Het is waar!’ (vs. 9). Een vergadering kan immers bijdragen aan de oplossing van grote problemen, maar een voorwaarde is wel dat wat er gezegd wordt ook waar is. De wereldvrede en andere grote zaken zoals de redding van de volken zijn niet gebaat bij leugens of halve waarheden en onbetrouwbare getuigen.
Ware getuigen
Maar wie van hen – bedoeld zijn de volken en hun getuigen – kan het juiste woord spreken, zodat iedereen zal zeggen: Dit getuigenis is waar? Op die vraag geeft de Heer zelf het antwoord: ‘Mijn getuigen zijn jullie, en mijn dienaar, die Ik uitgekozen heb’ (vs. 10). Het meervoud slaat op de aartsvaders en profeten aan wie de Heer heeft bekendgemaakt dat Hij alle volken zou behouden en dat Hij met hen en hun nakomelingen zou zijn, waar zij ook zouden gaan of staan. Het enkelvoud duidt waarschijnlijk op de profeet Jesaja zelf, aan wie de Heer de boodschap heeft bekendgemaakt van redding van zijn volk uit de ballingschap. God geeft Israël een taak te midden van alle volken, en zegt zoveel als: in de vergadering van alle volken zal jullie getuigenis omtrent de toekomst van de wereld waarachtig zijn en de volken zullen die als waar aannemen. Want de redding van generaties of volken die God eertijds aan de aartsvaders en jullie profeten bekend heeft gemaakt is later meermaals daadwerkelijk gebeurd.
Helaas wordt tegenwoordig in de vergadering van volken niet altijd een waarachtig getuigenis afgelegd, althans niet een getuigenis dat alle volken ertoe brengt om te zeggen: ‘Het is waar!’ Hoe komt dat? Het woord van een mens kan vluchtig zijn, ingegeven door eigenbelang of door het voordeel op korte termijn. Op zulke getuigenissen kunnen de volken de wereldvrede moeilijk bouwen.
Een betrouwbaar mens
Wat nodig is, is het woord van een betrouwbaar mens. Iemand zoals de persoon die als voorbeeld wordt gesteld in Psalm 112. Iemand die ontzag heeft voor de Heer. Want zo staat het in deze antwoordpsalm twee keer, en dus met nadruk: ‘Zijn gerechtigheid houdt stand voor eeuwig’ (vs. 3 en 9). En: ‘Hij staat voor altijd onwrikbaar, de rechtvaardige blijft men eeuwig gedenken’ (vs. 6).
Ook Paulus beschouwt zichzelf als een betrouwbare getuige. De boodschap die hij verkondigt, zo legt hij uit in 1 Korintiërs 2,1-5, overtuigt niet door zijn welsprekendheid of wijsheid, maar door de kracht van de Geest. Het is wel wijsheid, maar niet die van deze wereld en haar machthebbers (vs. 6). Het is een wijsheid die zijn oorsprong heeft in het besluit van God vóór alle tijden om zijn luister (Gr.: doxa) met ons te delen (vs. 7). Dát maakt zijn getuigenis betrouwbaar.
Mensen die in de vergadering van de volken getuigen van de waarheid blijken betrouwbare getuigen te zijn, wanneer hun boodschap iets weergeeft van de stralende luister van God die Hij deelt met degenen die Hij heeft geschapen. Zij vertellen de waarheid als zij zeggen dat deze bedreigde aarde dezelfde is als degene die God heeft uitgekozen om zijn licht op te laten schijnen.
Wiens licht?
In de Bergrede vertelt Jezus hoe belangrijk het is om te getuigen van dit bijzondere licht dat God heeft gedeeld met zijn uitverkorene. Dat delen van het licht door God met de mens is als het aansteken van een lamp. Die moet je niet onder de korenmaat stellen, maar op een standaard, zodat hij licht geeft voor de mensen. Hetzelfde geldt voor een stad op de berg. Die kan niet verborgen blijven (Mat. 5,14-15).
In Jesaja 43,12 zegt God: ‘Jullie zijn mijn getuigen in de vergadering van de volken’. In Matteüs 5,14 zegt Jezus iets wat daarop lijkt: ‘Jullie zijn het licht voor de wereld’. Daar had net zo goed kunnen staan: jullie zijn ‘mijn’ licht, namelijk: ‘het licht waarmee ik jullie heb aangestoken’. Dat Jesaja en Paulus in de lezingen naar voren komen als personen die in staat zijn om de volken te overtuigen, komt omdat uit hun getuigenis blijkt dat God niet minder dan in het verleden in het heden de toekomst van de volken veilig stelt. Als Jezus zegt: ‘Jullie zijn het licht’, wijst dat op hetzelfde. Volgens Augustinus (Sermo 54) wijzen die woorden niet op de getuigen zelf, op hun wijsheid en woorden, maar, via hun goede daden, op God. Want wanneer de mensen hun daden zien en die beschouwen als licht voor de wereld, zullen zij eer bewijzen niet aan de getuigen, maar aan Degene van wie zij zien dat Hij dit licht in hen heeft ontstoken. Ook het zout der aarde (Mat. 5,13) deugt nergens meer voor als het de smaak heeft verloren. Want uit zichzelf is het niet in staat om te zouten. Daarvoor ontbreekt het aan kracht. Dus ook hier geldt: zout der aarde zijn jullie, maar: voor zover de kracht van God in jullie is.
Het betrouwbaar bericht voor de volken luidt dus: de bewijzen, die getuigen van redding, zijn geleverd in het verleden, door de Ene.