Bij Johannes 11,1-4(5-16)17-44
Op de vijfde zondag van de Veertigdagentijd staat met uitzicht op Pasen toepasselijk de opwekking van Lazarus op het leesrooster. Bijna heel hoofdstuk 11 van Johannes is eraan gewijd. Dit verhaal komt niet voor bij de andere evangelisten. Omgekeerd schrijft Johannes niet over de dochter van Jaïrus of de jongeman van Naïn. Het terugroepen van Lazarus uit de dood is het laatste van Jezus’ tekenen, vóór het ultieme teken van Gods macht over leven en dood in de verrijzenis van Jezus zelf.
De verhaallijn wordt min of meer onderbroken door een ‘commentaar’ op de gebeurtenissen in de vorm van gesprekken. In Johannes 11,6-16 is dat de samenspraak van Jezus en de leerlingen, waarin Jezus de waarschuwing om niet naar Judea te gaan vanwege gevaar voor zijn eigen leven weerspreekt, en Tomas de medeleerlingen motiveert om dan toch maar mee te gaan naar Betanië, om ‘samen met Hem te sterven’. Dit gedeelte lezen is deze zondag facultatief, maar door het over te slaan wordt wel een angel uit het verhaal gehaald: Jezus’ eigen leven, en dat van de leerlingen, is in het geding – het gaat om dood en leven, getuige ook de opmerking van de auteur in deze passage in vers 13. De opwekking van Lazarus wordt verderop door de hogepriesters geduid als een gevaar, omdat steeds meer mensen in Jezus zouden gaan geloven en feitelijk wordt door hen dan Jezus’ doodvonnis uitgesproken ( 11,47-53).
Twee zussen
Het tweede gesprek is tussen Jezus en Marta, de zus van Lazarus, over de opstanding. Marta wordt als eerste genoemd onder de drie vrienden van Jezus (11,5). Zowel Marta als haar zus Maria en andere rouwenden zien de komst van Jezus als ‘te laat’ (11,21.32.37), maar Marta belijdt tegenover Jezus haar geloof in de verrijzenis op de laatste dag (11,24) en haar geloof in Hem als de Messias, de Zoon van God, degene die in de wereld komt (11,21-27; vgl. Deut. 18,15.18).
De andere zus van Lazarus is Maria, die door de schrijver bekend wordt verondersteld als de vrouw die Jezus’ voeten balsemde, maar dat vertelt Johannes pas een hoofdstuk later (12,1-8). In datzelfde hoofdstuk achten de hogepriesters ook Lazarus een gevaar, omdat door hem veel mensen in Jezus gaan geloven (9-11), en ze overwegen hem te doden. Een zinloos plan, want inmiddels is duidelijk geworden, door de opwekking van Lazarus, dat Jezus’ macht (Gods macht, 11,22.25.27.40-42) sterker is dan de dood.
Lazarus, Marta en Maria zijn ook bekend uit het Evangelie van Lucas. Ze zijn daarin niet tegelijk in beeld. Lazarus is de hoofdfiguur in de parabel van de rijke man en de arme Lazarus (Luc. 16,19-31). Marta en Maria komen voor vrij aan het begin van Jezus’ reis naar Jeruzalem (10,38-42). Jezus komt bij hen op bezoek, waarbij Marta de rol van gastvrouw vervult (zie ook Joh. 12,2) en Maria aan Jezus’ voeten zit en naar Hem luistert (Luc. 10,38-42). Dat vrouwen in vroeger tijd afhankelijk van mannen of ondergeschikt zouden zijn blijkt absoluut niet in deze passage. Marta en Maria hebben hun eigen rol, en een eventuele man in huis, mogelijk hun broer Lazarus, wordt nergens genoemd.
Ook bij Johannes hebben de zussen een zelfstandige rol. Maria woont met Marta in Betanië en pas na de vermelding van haar balseming van Jezus’ voeten volgt dat de zieke Lazarus haar broer is. Hij heeft een passieve rol: hij is ziek, hij sterft en wordt begraven. Hij moet uit het graf geroepen worden, komt naar buiten en vervolgens beveelt Jezus dat zijn doodskleden losgemaakt moeten worden en men hem moet laten gaan. Het lijkt een voorafbeelding van de gebeurtenissen rond het lege graf van Jezus zelf, met het grote verschil dat daar een actieve verrezen Jezus wordt verondersteld. Petrus en Johannes vinden alleen de doeken waarin Jezus begraven was in het lege graf en Jezus spreekt zelf Maria (van Magdala) aan (Joh 20,1-18).
Geloof in het leven
Vanaf het begin blijkt Jezus’ vertrouwen in de opstanding. Hij stelt dat de ziekte van Lazarus niet op de dood uitloopt (11,4). Door zijn late beslissing naar Lazarus te gaan heeft Hij diens dood niet voorkomen, zoals beide zussen en ook sommigen van de Joden opmerken (21.32.37). Zelf legt Jezus dit uit als iets dat het geloof van de leerlingen ten goede zal komen (15). Ook in het gesprek met Marta, die haar vertrouwen in Hem en God uitspreekt: ‘Ik weet zeker dat U alles aan God kan vragen en dat Hij het U geeft’, antwoordt Hij: ‘Je broer zal opstaan.’ Het geloof van Marta in de opstanding op de laatste dag beantwoordt Hij met één van de zeven ‘Ik ben’-uitspraken in het Johannesevangelie: ‘Ik ben de opstanding en het leven.’ Na de ontmoeting met Maria en geconfronteerd met het weeklagen van de rouwenden wordt het ook Hem te veel en gaat Hij naar het graf van Lazarus. Vier dagen ligt Lazarus er al in, méér dan de drie dagen die Jezus zelf in het graf zal zijn. Lazarus is echt gestorven, wat onderstreept wordt door de angst van Marta voor de lijkgeur (39).
Kenmerkend is dat Jezus vervolgens bidt en de Vader dankt voor het verhoren van zijn gebed ‘opdat de mensen geloven dat de Vader Mij gezonden heeft’ en zo zijn eigen zending door de Vader benoemt. Het gaat niet om Hem, maar om de Vader. Dat de dood niet het laatste woord heeft illustreren de woorden van Jezus als Lazarus uit zijn graf naar buiten komt. Hij, Lazarus, moet losgemaakt worden van de doeken van de dood die om hem heen hangen, zodat hij kan gaan, de dood achter zich latend: ‘Maak hem los en laat hem gaan.’