Menu

Premium

God of de Mammon, maak je geen zorgen

Preek bij Jesaja 49: 13-18 en Matteüs 6:24-34

Gehouden op 26 februari 2017 in Lobith

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

De Bergrede begint met de zaligsprekingen. Jezus kijkt de kring van zijn leerlingen rond, maar ook van de hele schare die steeds weer op hem afkomt. Hij zegt: zalig wie arm is, wie hongert, wie dorst; zalig wie zachtmoedig is, wie vrede sticht; zalig jullie, die worden vervolgd omwille van het Koninkrijk. Zo bouwt hij in de lijn van Mozes en van David de nieuwe gemeente van God op: voor jullie is het evangelie, voor jullie is het Koninkrijk, jullie zijn de kinderen van God.

Sluit Jezus daarmee iemand uit? De rijke misschien, de hardvochtige, de geweldenaar? De man of vrouw die innerlijk verteerd wordt door haat of jaloezie? Nee. Ik ben gekomen voor de zieken, en niet voor de gezonden, zegt onze Heer tegen de Farizeeën (Matteüs 9:12). Hij was er en is er, voor wie een helper nodig heeft, voor wie is gaan dwalen, voor wie verloren is geraakt. Kom tot Mij, klinkt het telkens weer, bij jou wil Ik wonen, bij jou wil Ik zijn; hier is mijn juk – het is zacht; hier mijn last – ze is licht (vgl. Matteüs 11:28-30, Lucas 19:5, Johannes 4:1-26). Ook de grootste misdadiger mag deze lichte last van het evangelie dragen, hoe bezwaard hij ook is – net als de allerzwakste mens die niets meer dragen kán. En als je weet in die kring welkom te zijn, dan zul je ook iets van dit evangelie ervaren, vergeving vinden, kracht vinden, zul je Jezus vinden in heel zijn menselijkheid, zoals Hij was vanaf den beginne. Wat er dan gebeurt, als het goed is, is dat je zorgen over je bestaan, nee, nooit helemaal zullen verdwijnen, maar komen te staan in het daglicht van het Koninkrijk.

Wat kunnen we niet bezorgd zijn! Zorgen waarmee je opstaat, zorgen waarmee je naar bed gaat, zorgen die zelfs doorwerken terwijl je slaapt. En helemaal niet pas als je groot bent, ook als je klein bent kun je zorgen hebben, of wanneer je midden in de puberteit zit. We groeien, en de zorgen groeien met ons mee, maar eigenlijk blijven we altijd dezelfde kleuter die zich zorgen maakt – en ja, waarover eigenlijk?

Doe ik het goed? is een zorg die we allemaal kennen. Doe ik het goed in de ogen van mijn vader en moeder? In de ogen van mijn juf, mijn baas, mijn collega’s, mijn vriendjes? Doe ik het goed in de ogen van mijn liefje? En in de ogen van God? Dat kan aan je vreten. Zie ik er leuk uit? Wat een gepieker dat alleen al niet met zich mee brengt! Ik ben toch niet te dik, te dun? Te lang, te kort? Zit mijn haar wel goed? Kijk ik wel vriendelijk genoeg? Of misschien juist te lief? Wat ben ik toch een stuntelaar… Doe ik wel mee? Word ik gezien? En ook gekend? Ongetwijfeld een van de belangrijkste zorgen die we hebben: ik lig er toch niet uit? De klas, het gezin, de vriendengroep, de maatschappij? Wie erbuiten valt, valt hard. Ach, en als je dat dan eenmaal denkt, dan zie je het ook overal bevestigd.

We zitten vol met zorgen, en Jezus spreekt ervan. En toch is er iets wat in onze tekst opvalt: de troost die Jezus hier biedt, is niet de troost dat het allemaal wel goed zal komen. Hij zegt niet: misschien maak je je zorgen om je dochter, nu ze opeens met onduidelijke verschijnselen is opgenomen, maar het komt vast goed met haar. Hij zegt niet, en laten we daar even goed op letten: je hoeft je geen zorgen te maken, want God zal je hier uithalen, of Hij zal het goedmaken, vertrouw maar op Hem. Leg al je zorgen maar bij God. Wat nu juist opvalt is dat Hij helemaal niet psychologisch en begripvol op de zorgen van mensen ingaat, om hen vervolgens te troosten! Slechts twee zorgen onderscheidt Jezus, namelijk de zorg van het leven, wat je zult eten en drinken, en de zorg van het lichaam, wat je zult aantrekken. Van beide dingen zegt Hij: ze zijn je zorgen niet waard.

Wat nu? Eten, drinken, kleding – het zijn wel de meest elementaire zaken van het leven – en het gaat toch wel ver om daarvan te zeggen: maak je niet druk. Ja, als Jezus zou zeggen: of je nou slagroom hebt of niet, een lekker stuk oude kaas of een jong afleggertje uit plastic, daar zou ik me nou niet echt zorgen over maken; hoofdzaak is je hebt te eten – ja, dat zouden we, met enig gemor, begrijpen. Of als Hij zei: moet je nu echt de nieuwste Nikes? Hoofdzaak is toch dat je warme en droge voeten hebt. Akkoord. Maar Jezus zegt dat niet. Hij maakt geen verschil tussen noodzakelijk levensonderhoud en overbodige luxe. Juist over die allereerste levensbehoefte, dat wat ieder mens nodig heeft en wat nota bene niet eens elk mens hééft, zegt Hij: maak je geen zorgen. Immers:

Wie van jullie kan door zich zorgen te maken, ook maar één el aan zijn levensduur toevoegen?

(Matteüs 6:27)

Het is alsof Jezus zegt: piekeren heeft geen zin. Je leeft er geen dag langer door. Er zijn andere krachten die hierover beslissen. Wat is er toch met je, ziel, dat je altijd zo bezorgd bent? En hoe rijker je bent, hoe meer zorgen je je nog gaat maken. Stop ermee, gooi die zorgen uit het raam. Hoe komt Hij hierbij?

Niemand kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon (vs 24).

Zo begon onze lezing. Jezus slaat meteen een wig in elk hart dat overloopt van zorgen. Hij maakt pijnlijk duidelijk dat er onder, achter en in al onze zorgen nog een heel andere vraag speelt die ons verwart en beangstigt. Maar die ook helderheid en nieuwe ruimte biedt. Want waar ligt ons hart, waar onze schat, wie is onze heer: God of de mammon? Niemand kan twee heren dienen; dus als je God dient, kun je niet de mammon dienen, en als je de mammon dient, dien je God niet. Het klinkt even stellig en beslissend als opgewekt en troostvol. Vraag je je eens af, in al je gepieker: op wie vertrouw ik? Wie geloof ik? Ja, wie heeft jou in de greep, en wie is jouw dienst waard: God, in de hemel, die de hongerigen voedt en de naakten kleedt, dus de Heer die zijn volk niet verlaat en vergeet, nog minder dan een vrouw haar zuigeling vergeet of het kind dat zij droeg, zoals Jesaja zegt? (vgl. Jes. 49:15) Is Hij, de HEER, de ware God, en dus ook jouw God? Of mammon, de god van het bezit, die zijn eigen kinderen vastbindt en zelfs opeet, door ze steeds weer met hun neus te drukken op eten, drinken, kleding als een onverzadigbare macht. Daarom, als het gaat om die primaire zaken van het leven, gaat het allereerst om de vraag: wie dien ik nu feitelijk met lijf en goed?

Niemand kan zich aan eten en drinken onttrekken, en ook niet aan hoe hij eruitziet. De vrijheid om daar boven te staan hebben we niet. We moeten allemaal eten en drinken; elk mens moet aan die wet gehoorzamen. Maar wie is dan onze God? Hij, die ons tot gevangene heeft gemaakt van fast food en slow food, van stoere broek of hippe schoenen, van lijf en uiterlijk – en dat is een macht waarvoor je bereid bent veel uit te geven, ja, soms zelfs je leven er voor op het spel te zetten. Is die macht onze eigenlijke God – of is dat de hemelse Vader die meer van ons houdt dan van alle vrije vogels, en meer dan van de bloemen op het veld die bloeien alsof het niets kost – nou, wie? Vraag het niet aan uw hart of geweten of uw geloof, maar vraag het aan uw lichaam.

Wij moeten eten en drinken, en daar mogen we van genieten, en er op zijn tijd ook iets moois, iets feestelijks van maken. We mogen er leuk uitzien, ieder naar zijn eigen aard, om te zijn wie je bent, met lichaam en ziel. Maar wat daarin overtuigt, wat ons daarin doet stralen, is de innerlijke vrijheid geen sloof en slaaf te zijn van mijnheer mammon en zijn laatste mode, maar zonder zorg te kunnen zeggen: Is het leven niet meer dan voedsel, en het lichaam niet meer dan kleding? (vs 25) Hoe zouden we ooit kunnen sterven, als we dit niet onder ogen zien? Wanneer we niet meer durven denken, hopen, vermoeden, dat leven meer is dan wat we eten en hoe we eruit zien – zijn we dan onze vrijheid niet al kwijt? We zien de vogels in vrijheid vliegen, maar zitten zelf gevangen in een kooi.

Zoek liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden (vs 33).

Hoe goed lijkt Jezus ons dan te kennen. Want let er ook op wat Jezus niet doet. Hij piekert er niet over, van ons te eisen dat wij nu bij wijze van geloofsbelijdenis gaan kiezen tussen God en mammon. Want kun je je eigenlijk wel van de mammon bevrijden? Nee, dat kunnen we niet. We zouden de macht van de mammon volkomen onderschatten, als we zouden menen ons eenvoudig aan hem te kunnen onttrekken door nu openlijk voor God te kiezen. Dan zouden we, geloof ik, ook niets van Jezus en zijn Bergrede hebben begrepen.

Jezus is meer dan een profeet: hij is onze geneesheer. En een geneesheer redt ons lichaam en niet onze ziel. Natuurlijk ziet Jezus ons aan met erbarmen, in heel onze gevangenschap van kleding, van voedsel, van onze seksualiteit, niet te vergeten; van onze status en gezondheid; heel die lijfelijkheid waarin wij eigenlijk verstrikt zijn. En natuurlijk ziet Hij hoe onze zielen daarin verloren gaan, ja, hoe wij hierin sterven, geofferd worden aan de mammon die ons altijd weer weet te vinden. En toch laat Jezus ons hierin leven, als om ons juist te sparen. Hier ligt iets van het geheim van ons mens-zijn voor God in zonde. En dan wordt die zin ‘niemand kan twee heren dienen’ van een absolute eis, die ongetwijfeld alleen nog maar extra zorgen met zich mee zal brengen, tot een ontzagwekkende troost, waarin God ons genadig aanziet. En stamelend zeg je: al dien ik de mammon, toch dien ik mijn Heer op wie ik hoop, in wie ik vertrouw, in wie ik geloof. Ik weet, hoe ik in al mijn zintuigen met handen en voeten ben gebonden aan deze wereld, en ik geniet er zelfs van, als een vogel zonder geweten – maar ik geloof er niet in. Ja, ik geloof dat juist ik er pas echt van kan genieten, omdat ik weet van het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid. Zijn koninkrijk dat ik overal mag zoeken en overal kan vinden, en daarom straal ik als een bloem. Ik kan mij van de mammon niet bevrijden. Het zou misschien wel mijn dood zijn. Toch waag ik het te zeggen, dat ik God dien. Want de wig die Jezus drijft in mijn hart, bevrijdt mij van mijn zorgen. Nu leer ik onderscheiden. En dan is het toch alsof de mammon mij loslaat. Zie, God eist geen vrijheid van ons. Maar Hij schenkt ons die.

Is een mens ooit helemaal vrij van zorgen? Nee, dat is hij niet. Een vogel kent geen zorgen, een bloem evenmin. De mens wel. Dat hoort bij het leven dat God ons schenkt. Maar een mens die weet te onderscheiden tussen God en mammon, en die het koninkrijk zoekt, leert deze zorgen lief te krijgen als niet meer dan zijn dagelijkse zorgen, ja, als zijn leven zelf. Een lichte last, die van vrijheid spreekt. Want daar lopen Jezus’ strenge woorden over God en mammon op uit:

Maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt wel voor zichzelf. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen last (vs 34).

Zo is het christelijk leven. De mammon als een onverslaanbare macht wijkt. Zijn totale greep is gebroken. Wat blijft zijn onze dagelijkse zorgen en het koninkrijk van God. Amen.

De twijfel kan zich niet van de twijfel bevrijden, ook niet door zichzelf voor te houden niet meer twijfelen te willen

Karl Barth

—————————————————————————————————————————-

Deze preek is opgenomen in Preken na Pasen. Cahier 3, Wessel ten Boom. Uitgegeven in eigen beheer, 2020. Dit cahier is te bestellen bij de auteur, tegen betaling van € 5 verzendkosten. Neem hiervoor via e-mail contact op, zie de website van Wessel ten Boom.

Nieuwe boeken