Menu

None

Kerstverhaal: De arme houthakker

Een alternatief kerstverhaal van Wicher Schuurman

Illustratie van een houthakker in het bos met achter hem de kerststal met Jozef en Maria en het kindje Jezus
(bron: AI)

Al ruim tien jaar schrijft Wicher Schuurman alternatieve kerstverhalen. De redactie van Theologie.nl had het voorrecht om te mogen grasduinen door zijn persoonlijke kerstverhalenarchief én om er een met jullie te delen. Laat je meevoeren in de wereld van de arme houthakker die, ondanks zijn weerzin tegen gezapige kerstpraat, toch in een bijzonder liefdevolle situatie belandt.    

Er was eens een arme houthakker. Want arme houthakkers doen het altijd goed in sprookjes. Maar deze houthakker had het extra slecht getroffen. Alle andere houthakkers hadden tenminste nog kinderen waar ze niet genoeg geld en eten voor hadden om voor te zorgen. En als ze die kinderen dan kwijt probeerden te raken in het bos, waren die kinderen altijd slim en hardnekkig genoeg om weer terug te komen, meestal met een heleboel goud of edelstenen. Zulke kinderen had deze houthakker niet. Hij had helemaal niets, behalve zijn bijl en een huisje dat hij van boomstammen had gemaakt en dat precies groot genoeg was voor hem alleen. Nou, er was nog één ander ding wat de houthakker had. Hij had een kerstgedachte. Deze kerstgedachte ging ongeveer als volgt: “Wat heb ik aan een feest van samenzijn als ik helemaal niets en niemand heb?” Het was niet zo’n hele vrolijke kerstgedachte. Eerlijk gezegd was het helemaal geen echte kerstgedachte, want de meeste kerstgedachten gaan over iets leuks, zoals vrede op aarde en de redding van de wereld. Maar de arme houthakker had niet zoveel op met nobele gedachten. Die helpen je niets als je helemaal alleen bent. En om wat afleiding te vinden hakte hij nog een stelletje bomen om. Met gemak, want bomen omhakken had hij al zo vaak gedaan dat het hem haast geen moeite meer kostte. Toen hij naar boven keek om te zien hoe de boom om zou vallen, zag hij dat de lucht betrok met donkergrijze wolken. Sneeuwwolken, zag hij. “Nee, hè”, dacht de arme houthakker, “Net nu ik dacht dat kerst al miezerig genoeg was, gaat het ook nog eens sneeuwen.” En sneeuwen ging het. Die nacht viel er maar liefst 25 centimeter sneeuw.

Wat heb ik aan een feest van samenzijn als ik helemaal niets en niemand heb?

‘s Ochtends stond de houthakker in alle vroegte op, zoals hij gewend was. Toen hij naar buiten keek, zag hij dat de hele wereld wit was, precies waar hij al bang voor was. De houthakker trok zijn extra hoge laarzen aan en liep naar de rand van het bos. Daar lag een groot grasveld dat overliep in het heuvellandschap daarachter. Toen de houthakker aan de rand van het bos kwam zag hij voor zich het grasveld liggen, bedekt met een maagdelijk, onaangeraakt sneeuwdek. Zo ver hij kon zien zag hij een uitgestrekte witte vlakte. Het leek als een uitnodiging van de natuur om de watten bijeen te vegen en er warme matrassen en dekbedden van te maken. Het was een prachtig, vredig gezicht. Althans, dat zouden wij gedacht hebben. Maar de arme houthakker werd kwaad toen hij dat hypocriete sneeuwdek daar zag liggen doen alsof er niets aan de hand was. Met z’n arrogante maagdelijkheid. De houthakker ademde een paar keer wild in en uit en zette het toen op een lopen, dwars door de sneeuwvlakte heen. Hij rende kriskras door de sneeuwvlakte om de onaangeraaktheid kapot te maken. Met elke stap dacht de houthakker bij zichzelf: “Had je nou wat? Met je onschuld!” Steeds zei hij dat soort dingen en steeds luider zei hij ze. Tot hij ten slotte schreeuwend door de vlakte rende: “Er is heus wel van alles aan de hand! En dat de sneeuw hier komt om alles gezellig te bedekken verandert daar niets aan!” Buiten adem kwam hij weer terug bij het punt waar hij begonnen was met rennen. Hij voelde zich opgelucht, want hij had eens goed de waarheid gezegd, en de waarheid doet alle mensen goed.

Hij rende kriskras door de sneeuwvlakte om de onaangeraaktheid kapot te maken.

Ster in de sneeuw
(bron: AI)

Terwijl de arme houthakker nog wat nahijgde, draaide hij zich om naar de vlakte waar hij zojuist doorheen gerend was. Daar zag hij tot zijn verbazing dat zijn sporen in de sneeuw een figuur hadden achtergelaten. En dat figuur had de vorm van een enorme ster. De houthakker had helemaal niet bewust geprobeerd in de vorm van een ster te lopen, maar de ster zag eruit alsof hij welbewust en met vaste hand door iemand in de sneeuw was getekend. “Typisch…”, mompelde de houthakker. En net toen hij zijn schouders op wilde halen zag hij in de verte twee stipjes. Een kleine en een grotere. Hij bleef staan om te kijken wat dat was, en terwijl de stipjes dichterbij kwamen zag hij dat het een man was en een zwangere vrouw op een ezeltje. Toen het stel er bijna was hoorde de arme houthakker de man in zichzelf mompelen: “Waarom hangt die ster niet gewoon boven Betlehem, zoals normaal. Lopen wij hier een beetje door de sneeuw te zeulen…” De arme houthakker zag dat ze, hoewel ze door de sneeuw liepen, geen sporen achterlieten, zodat de ster onbedorven in de sneeuw bleef staan. “Wie zijn jullie?”, vroeg de houthakker. “Wij zijn Jozef en Maria”, antwoordde Jozef. “En Jezus,” voegde Maria wrijvend over haar hoogzwangere buik toe, “maar dat weet hij zelf nog niet.” “Tuurlijk wel,” reageerde Jozef speels, “de engel heeft toch al gezegd hoe het kind heet. Dan zal het kind, dat God zelf is, zelf toch wel weten hoe het heet?” “Laten we er nu maar geen theologische discussie van maken, Jozef. Daar komt nog tijd genoeg voor.” De arme houthakker bekeek het stel en wist niet goed wat hij er op moest zeggen. Toen zei Jozef: “Wij zijn eigenlijk op zoek naar een herberg om in te overnachten.”

“Ik heb geen herberg”, antwoordde de arme houthakker. “Daar waren we al een beetje bang voor,” antwoordde Maria, “maar een arme stal is ook goed, hoor.” “Ik heb ook geen stal.” Daar leken Jozef en Maria wel een beetje door verrast. “U hebt geen stal? Weet u dat heel zeker?” “Dat weet ik heel zeker. Ik heb geen stal nodig, want ik heb ook helemaal geen dieren om in een stal te doen. Ik ben immers houthakker. Het spijt me, maar ik kan jullie niet helpen.”

Het spijt me, maar ik kan jullie niet helpen.

Met die woorden draaide de houthakker zich om, om weg te lopen. “Wacht,” riep Jozef, “u kunt toch niet zomaar weglopen. Wij zijn Jozef en de maagd Maria, de onschuld zelve.” “Ga toch weg met je onschuldige maagdelijkheid. Ik geloof niet in sprookjes. En al helemaal niet in sprookjes die gaan over een baby die geboren wordt en doet alsof er dan niets meer aan de hand is. Vriendelijk bedankt!” En daar ging de houthakker. “Tjonge, die moet een beroerd leven gehad hebben, dat hij zo harteloos doet”, zei Jozef tegen Maria. Maar aan de blik van Maria zag hij dat ze graag wilde dat hij toch nog zou proberen hulp van de arme houthakker te krijgen. “Meneer de arme houthakker, wacht nog even! Het is zo koud buiten en Maria staat op het punt om te bevallen. Ze is uitgerekend op 25 december en dat is morgen. Ze is nog nooit een dag te vroeg of te laat bevallen. U kunt ons toch niet buiten laten staan?” “Ik heb helemaal niets en ik kan en wil u niet helpen”, was het barse antwoord. “Maar u bent toch houthakker? Dan heeft u toch, neem ik aan, hout? Zouden we daarvan niet een klein stalletje kunnen bouwen?” Na nog wat vragen en onderhandelen ging de arme houthakker akkoord met het bouwen van een stalletje voor Jozef en Maria, maar meer ook niet. Jozef wilde aanbieden om mee te helpen met bouwen, maar toen hij zag met welk gemak de houthakker de bomen opstapelde, vroeg hij: “We verwachten vanavond nogal wat gasten, zou u de stal misschien toch wat groter kunnen maken, zodat iedereen erin past?” Dat kwam de houthakker wel uit, omdat hij dan minder hoefde te zagen, dus maakte hij er een flinke stal van. Maria en Jozef waren erg dankbaar voor de moeite die de houthakker voor ze gedaan had en nodigde de houthakker van harte uit die nacht op kraamvisite te komen. De houthakker moest er niets van weten en zei dat hij liever voor de rest van de tijd met rust gelaten wilde worden. En dat ze, wanneer ze daaraantoe waren mochten gaan zonder afscheid te nemen. Jozef vroeg: “Arme houthakker, wat heb je toch allemaal mee moeten maken in dit leven dat je zo bitter bent?” “Niets!”, antwoordde de houthakker, “Ik heb niets, en ik heb al helemaal niets meegemaakt!” Maria fluisterde Jozef toe dat de houthakker het er waarschijnlijk niet over wilde hebben en dat ze het pastorale gedeelte misschien maar aan de herders over moesten laten, later die nacht.

Ik heb niets, en ik heb al helemaal niets meegemaakt!

Maria en Jozef gingen het zich gemakkelijk maken in de, meer dan anders, toch wel comfortabele stal. “Zijn je weeën al begonnen?”, vroeg Jozef. Dat waren ze nog niet, dus besloten Jozef en Maria maar vast een dutje te doen, want die nacht zou er waarschijnlijk niet veel meer van terechtkomen. En ja, hoor, even voor twaalven begonnen de weeën en niet veel later, want zo gaat dat in sprookjes, was het kindeke Jezus geboren. Jozef holde naar de houthakker om hem het blijde nieuws te vertellen, maar de houthakker had er geen oren naar. Een zuinig gefeliciteerd en het dichtslaan van de deur was zijn enige reactie. Jozef liep terug naar Maria en zei: “Met die kerel is echt wat aan de hand, wat een negatieve energie!”
“Laat hem maar, Jozef, Jezus weet er wel raad mee.”
“Dat geloof ik”, antwoordde hij. “Ik hoop dat de herders ons wel kunnen vinden in dit verlaten oord.” Maar hij had het nog niet gezegd of hij hoorde de houthakker verderop schreeuwen: “Ga weg met jullie wandelende wattenstaafjes! Als je herrie wilt maken, doe je dat maar in de stal!” En kort daarop kwamen de herders met hun kudde bij de stal aan: “Vrolijke herbergier hebben jullie uitgekozen, dit jaar! Maar gefeliciteerd, hè!” “Bedankt, het lijkt wel of het steeds erger wordt! Maar ik zie dat jullie je schapen meegenomen hebben, dat doen jullie toch anders niet?”, zei Maria hartelijk. “Ach, nee, maar met al die sneeuw wilden we ze niet alleen laten.” “Geen probleem, de stal is groot genoeg.” En dat was hij, want de schapen pasten er ruimschoots in. “En nu maar wachten op de wijzen, die jongens zijn ook altijd laat.”

En nu maar wachten op de wijzen, die jongens zijn ook altijd laat.

Het was inderdaad al diep in de nacht toen de wijzen aankwamen bij het huis van de houthakker. Ze klopten aan en toen de houthakker opendeed zeiden ze: “Excuus dat we wat laat zijn, de reis was iets langer dan normaal.” De houthakker was door de wijzen uit zijn slaap gehaald en antwoordde chagrijnig: “En wie zijn jullie dan wel?” “Wij? Wij zijn de drie wijzen.” “Drie wijzen? En wat mag dat voorstellen?” “Nou ja, strikt genomen zijn we mystieke sterrenwichelaars, maar wijzen klinkt toch wat lekkerder.” “En wat moeten jullie van me?” “We zagen de ster staan ten teken van de geboorte van de Grote Koning.” “Jullie zijn niet wijs, verderop moet je wezen, in de stal.” Vervolgens trokken de wijzen naar de stal, terwijl de houthakker bij zichzelf dacht: “Nu zal het toch wel afgelopen zijn met die onzin?”

Maar dat was het niet. In de stal was het ondertussen gezellig geworden en het rumoer drong door tot het huisje van de houthakker, waardoor hij niet kon slapen. Boos stapte hij op de stal af, deed de deur open en vroeg luid: “Kunnen jullie niet wat zachter zijn? Het is al vervelend genoeg dat jullie me lastigvallen met jullie onzinnige verzoek om een stal, maar laat me tenminste rustig slapen.” Het rumoer viel direct stil en het duurde even tot een van de herders vroeg: “Heeft u dan geen kerstgedachte?”
“Ja, ik heb wel een kerstgedachte: wat heb ik aan het feest van het samenzijn als ik helemaal niets en niemand heb?”
“Oh, maar dat is toch helemaal geen kerstgedachte. Ten eerste is het niet helemaal waar, want je hebt een prachtige stal en wij zijn hier allemaal om feest met je te vieren, maar bovendien is kerst helemaal niet het feest van het samenzijn. Het is het feest waarbij alles wat niet goed is in de wereld wordt bedekt door een kindje, geboren uit een maagd, onschuldig als de sneeuw. En als het kindje de wereld later weer verlaat als volwassen man, neemt hij alle ellende met zich mee, hier oneindig ver vandaan. Dat is toch een heerlijke gedachte?”
“Dat zou het zijn, als het niet zulke klinkklare onzin was.”
“Arme houthakker, wat heb jij in dit leven meegemaakt, dat je zo verbitterd bent geraakt?”
“Niets. Ik heb niets! En de wereld is een puinhoop. Praatjes over maagdelijke sneeuw die alles bedekt veranderen daar helemaal niets aan.”
“Je gelooft niet dat het waar is?” “Misschien dat sneeuw alles wel bedekt, maar daaronder zit dezelfde dorre winterse grond en die komt gewoon terug als de sneeuw smelt.”
“Dat klinkt inderdaad niet echt als een kerstgedachte.”
“Precies, dus als jullie me nu zouden willen laten slapen, graag!” Op het moment dat de houthakker dit gezegd had, werd het aardedonker in de stal. En daarna schenen door de kiertjes in het hout dunne reepjes licht naar binnen. Het was een fel, maar vriendelijk licht.

Het was een fel, maar vriendelijk licht.

De houthakker en de andere aanwezigen liepen naar buiten en zagen in de lucht een enorm engelenkoor, dat de hemel volledig verlichtte. Nu begonnen de engelen te zingen over de komst van het kerstkind. Het was een uitbundig en vrolijk lied, met een ondertoon van droefheid en afscheid, die hoort bij het verwisselen van de hemel voor de aarde. De houthakker merkte dat hij door het lied van de engelen mild gestemd raakte en dat de droevige ondertoon in het gezang resoneerde in zijn hart. Zodra de engelen waren begonnen te zingen verlichtten ze niet alleen de hemel, maar ook de hele aarde. Het licht was zo volop aanwezig, dat er van nacht geen sprake was.

Het licht was zo volop aanwezig, dat er van nacht geen sprake was.

Toen, uit het niets, begonnen er dampen van de aarde op te stijgen. Eerst langzaam en voorzichtig als een mysterie, maar later hevig en ondoordringbaar als een mist. De arme houthakker keek verbaasd om zich heen en zag dat ook de herders en de wijzen verwonderd waren door wat er gebeurde. Hij hoorde zelfs Jozef tegen Maria fluisteren: “Kerst is elk jaar een verrassing, maar dit heb ik toch nog nooit meegemaakt!” Inmiddels begreep de houthakker dat de mist bestond uit de sneeuw die opsteeg naar de hemel. En waar de sneeuw verdween zag hij hier en daar een kleurig bloemetje verschijnen, of een groen stukje struik of gras. Het gezelschap liep, met het kindje in hun midden, naar de rand van het bos, waar het grasveld begon. Daar zagen ze dat alle sneeuw verdwenen was en dat het veld gonsde van leven en van vrolijkheid. Totaal anders dan het de dag daarvoor. Een van de herders stootte de arme houthakker aan en zei: “Achteraf misschien toch niet zo’n onzin?” De houthakker wist niet goed wat hij moest zeggen en glimlachte flauwtjes. “Goedemorgen”, zei een van de wijzen. Dat was een wijs iets om te zeggen, want de nacht was er niet meer. Een andere wijze opperde dat de tijd gevlogen had en dat ze snel op pad moesten omdat ze anders te laat zouden komen. Jozef, Maria en de herders bleven nog even om wat uit te rusten in het heerlijke lentezonnetje. Na enige tijd zeiden ook Maria en Jozef dat ze maar weer eens moesten gaan. “Beste arme houthakker,” sprak Maria, “hartelijk bedankt dat we van je gastvrijheid gebruik mochten maken!” “Maar ik ben helemaal niet gastvrij geweest. In mijn bitterheid heb ik jullie slecht behandeld. Gastvrijheid! Een van de hoogste eigenschappen van God die juist op zijn eigen wereld niet gastvrij werd ontvangen!”, protesteerde de houthakker. “Laten we er nu maar geen theologische discussie van maken,” opperde Maria, “dat doet niet ter zake. Wij zijn erg blij dat je ons in een stal hebt laten overnachten, terwijl je geen stal had. We hebben van de wijzen geschenken gehad: goud, mirre en wierook, we zouden die graag aanbieden als teken van onze dankbaarheid.”
“Maar nee, dat zijn geschenken voor het kerstkind!”
“Die is nog maar een baby, die heeft niets aan dat soort dingen. Jij kunt ze beter gebruiken. Bovendien, volgend jaar krijgt hij toch nieuwe.”
En zo kreeg de arme houthakker kostbaarheden, waardoor hij nooit meer arm hoefde te zijn. Tegen de herders zei hij: “Ik heb een mooie, grote stal en een uitgestrekte weide in de buurt. Zouden jullie het niet zien zitten hier te blijven met jullie kuddes? Het zou de eenzaamheid wat kunnen verlichten.” “Oh, nee, wacht,” voegde hij er haastig aan toe: “Jullie moeten natuurlijk weer weg om volgend jaar naar het kerstkind op weg te gaan.” “Welnee,” zei een herder uitbundig, “er zijn nog meer dan voldoende andere herders en schapen om komende jaren naar het kerstkind te gaan. We blijven graag. Misschien kunnen we nog eens doorpraten over wat je nou zo dwarszat. Het zou je goed kunnen doen.” Dat deed het hem inderdaad en ze leefden nog eeuwig en gelukkig.

Wicher Schuurman (1986) studeerde aan de Schrijversvakschool Groningen met als hoofdrichtingen Toneel en Scenario. Dit jaar verschenen van zijn hand onder andere ‘God en Mensen’ en ‘Blij dat je betaald hebt’. Naast zijn schrijfwerk is hij actief bij een kleinschalige jeugdzorgaanbieder.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Wil je op de hoogte blijven van Theologie.nl? Schrijf je dan in voor onze wekelijkse nieuwsbrief. Daarin selecteren we de mooiste, nieuwste en scherpste artikelen van de week. Ook houden we je op de hoogte van nieuwe boeken, speciale events en De theologie podcast. 

Word lid van Theologie.nl 

Wil je meer artikelen kunnen lezen over boeken, levensvragen, maatschappelijke thema’s en spiritualiteit? Word dan lid van Theologie.nl en sluit een basisabonnement af voor slechts €4,17 per maand. 

Nieuwe boeken