Menu

Premium

De betekenis van het verleden in het hedendaagse debat over jongensbesnijdenis: ‘Social imaginaries’ en het geval van Paulus

In de zomer van 2012 barst in verschillende Europese landen discussie los over jongensbesnijdenis, als gevolg van een uitspraak van de regionale rechtbank in Keulen. In het geval van een islamitische jongen die op vierjarige leeftijd is besneden, oordeelt dit hof dat besnijdenis een schending is van de lichamelijke integriteit. Hoewel in de discussie die volgt juridische argumenten over de integriteit van het lichaam en de vrijheid van godsdienst een prominente rol spelen, wordt ook de lange geschiedenis van jongensbesnijdenis door verschillende deelnemers aan het debat naar voren gebracht, om de huidige tegenstellingen te belichten.De columnist Giles Fraser van de Britse krant The Guardian bekritiseert bijvoorbeeld de uitspraak van het Keulse hof omdat die blijk zou geven van een gebrek aan historisch besef: ‘It is because the Cologne court had so little sense of history that it made such a ridiculous and offensive decision. Voor sommigen is de veroordeling van besnijdenis pijnlijk en aanstootgevend, omdat deze in hun optiek lijkt plaats te hebben in een historisch vacuüm.Hoewel de geschiedenis van besnijdenis verschillende millennia omvat, is er in het debat speciale aandacht voor de periode van de tweede eeuw vóór tot de tweede eeuw na het begin van onze jaartelling. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de reactie van rabbijn Jonathan Sacks in de Jerusalem Post, die zich met betrekking tot het Keulse hof afvraagt of het zich wel realiseerde dat een verbod op besnijdenis al eerder is ingevoerd ‘by two of the worst enemies the Jewish people ever had, the Seleucid ruler Antiochus IV and the Roman emperor Hadrian, both of whom set out to extinguish not only Jews but also Judaism?’. Het lijkt in deze verwijten niet zozeer te gaan om het ontbreken van concrete historische kennis, maar eerder om het ontbreken van inzicht in de betekenis die de geschiedenis volgens deze critici kan hebben voor de beoordeling van de praktijk van besnijdenis.Een dergelijke geschiedsopvatting die een sociale praktijk fundeert, wordt door de godsdienstsocioloog Charles Taylor aangeduid als een ‘social imaginary’: een vorm van sociale verbeelding die ten grondslag ligt aan concrete praktijken en die op zijn beurt weer in die praktijken, in dit geval besnijdenis, tot uitdrukking komt.

Lees het gehele artikel als PDF

Nieuwe boeken