Menu

None

Nooit heb ik niets met U

Wat heb je als kind meegekregen over God? Dat vroeg Henk Veltkamp aan vijfentwintig Nederlanders van wie ik vermoedde dat ze iets met God hebben. Daarna vroeg hij verder. Wat daarvan heb je achter je gelaten? En wat is er, hoe dan ook veranderd misschien, op de één of andere manier altijd met je meegegaan? We delen graag 2 van deze interviews: met Stef Bos en Heino Falcke.

“God houdt van mij.”

In gesprek met Heino Falcke

Heino Falcke (Keulen, 1966) is hoogleraar astrofysica aan de Radboud-universiteit in Nijmegen. Grote bekendheid kreeg hij bij zijn presentatie, in 2019, van het eerste beeld ooit van een zwart gat, met dank aan vele collega’s en radiotelescopen wereldwijd. Eind 2020 verscheen daarover zijn boek Licht in de duisternis. Zwarte gaten in het universum en wij.

“Dat eeuwige conflict tussen geloof en wetenschap, waar je altijd maar weer over leest, is in werkelijkheid een fabeltje, dat het tijdperk van de secularisering sinds de negentiende eeuw maar al te graag verbreidt. Tegenwoordig zien historici dat allemaal veel genuanceerder.” (Licht in de duisternis)

Als ik ‘God’ zeg, wat roept dat spontaan bij u op?
Oorsprong. Schepper. Heelal. Oerknal. Onvoorstelbaar groot.

Wat vindt u in uw vroegste geheugen als eerste herinnering, associatie of gevoel aan of bij God?
Groot. Ver. Een God op afstand. Ook komt er een vage herinnering boven aan een kerkdienst. Naast mijn opa zit ik, achterin, kan nauwelijks boven de banken uit kijken. Er hangt een sfeer van ‘dit is belangrijk’. Maar ook wel op afstand.

Wie vertelden u, als kind, over God?
Daar heb ik geen scherpe herinneringen aan. Wel vage beelden, Jezus-verhalen, plaatjes op zo’n flanelbord. Mijn moeder, heel actief in onze kerk. Ook beelden van bij opa en oma in de keuken van hun stadsboerderij, samen aan tafel. Opa bidt heel lang, voor familie en vrienden, voor alles en iedereen. Leest uit de Bijbel, en daarna een blaadje van de scheurkalender. Elke dag zo’n kleine Hausandacht.

Wanneer kreeg geloven voor u iets persoonlijks?
Dan ben ik inmiddels een jaar of veertien, vijftien. Van onze kerk kreeg ik de vraag of ik mee wilde helpen in de leiding van de kinderkerk. Dus ja, toen begon ik zelf verhalen uit de Bijbel te vertellen, uit te leggen en er met de kinderen over te praten. Toen werd het ook voor mijzelf wat concreter, tastbaarder en voelbaarder. We kregen een soort toerusting tijdens een weekend, een klein groepje jongeren met de dominee. Veel met elkaar gepraat, goede gesprekken, maar verder niks spectaculairs of zo. Ook niet echt zo diep gelovig. Maar die maandagochtend, weer thuis, werd ik wakker met het sterke besef: God is er. God is liefde. En God wil iets van mij.

Geen bliksemflits uit de hemel of trompetgeschal?
Nee. Zelfs geen hoorbare stem. Het was meer een innerlijke gewaarwording. Voor mij heel belangrijk, als een openbaring. Juist dat gewone, dat het zo in stilte ging, maakt het voor mij geloofwaardig. Een eureka-moment. In mijn boek noem ik in dat verband de bekende liedregel uit Amazing Grace: How I was blind but now I see.

Ik zoek het er even bij, U schrijft daar, op bladzijde 155: “Dit ogenblik, waarop iemand de ogen opengaan, waarop iemand een waarheid heel onmiddellijk ervaart, is ongelofelijk waardevol – uit het donker naar het licht komen en een nieuwe waarheid te mogen onderkennen, is een van de kostbaarste ervaringen in ons leven.”
Heel kostbaar, zeker. Na die maandagmorgen ben ik op zoek gegaan. Begonnen om elke dag uit de Bijbel te lezen. Actief geworden in het kerkelijk jeugdwerk, en meegedaan met een nieuwe Bijbelkring.

Heeft u beelden van God, als kind, als de tiener met de ervaring waarover u zojuist vertelde, en nu?
(na lange stilte) Ik heb altijd geprobeerd om het tweede van de Tien Geboden serieus te nemen: maak je geen beelden van God. Wel heb ik de ervaring van een aanvankelijk afstandelijke God die steeds dichterbij komt. Dat is voor mij tegelijk ook de God die in Jezus aan het kruis genageld wordt. Die daar hangt, als doelwit van alles wat Hij aan haat en weerstand oproept. Dan besef ik: eigenlijk hang ik daar zelf ook. Elk jaar weer, op Goede Vrijdag, word ik diep geraakt door de Godverlatenheid van Jezus. Ik moet dan ook bijna altijd huilen.

U werd als kind en als puber vaak gepest. Daar moet u onder geleden hebben.
Ja, dat is ook zo. Ze zagen me als zo’n computernerd die het liefst thuis zat. Maar eigenlijk was het ook omdat ik nooit zomaar meedeed om het meedoen. Ik was ook toen al iemand die alles wat er zomaar om me heen geroepen wordt, in twijfel trekt, en zich een eigen mening probeert te vormen. Nee, ik was niet bepaald de meest populaire jongen van de klas.

Een gemakkelijke prooi en doelwit.
Ja, maar ik weet ook nog heel goed hoe ik eens werd aangevallen door een jongen die een stuk groter was dan ik. Die heb ik toen, ook al moest ik huilen, flink teruggeslagen. Daarna had ik vanbinnen wel een beetje rust, moet ik eerlijk zeggen. Dat geweld geen oplossing is klopt kennelijk niet altijd. (lacht) Niet dat het pesten toen voorbij was, hoor, en meer sympathie had ik er ook niet door verworven, maar misschien wel respect. Ik heb in die tijd ooit eens voor mezelf een zwarte lijst gemaakt met daarop alle namen van wie ik haatte.

Een gepeste jongen die toch probeert te blijven geloven …
Nou, daar heb ik wel mee geworsteld. Ik herinner me – misschien was ik geïnspireerd door die oude film De tien geboden, waarin Charlton Heston als een woedende Mozes de twee stenen tafelen tegen de rotsen te pletter smijt – dat ik eens met de Bijbel in mijn hand stond, trillend van woede, en bereid was om die met geweld in de hoek te smijten. Afgelopen! Weg met die handel!

En toen?
Weer zo’n stem. Nee, niet hardop, zo’n stem vanbinnen die zei: Geef me nog even een kans. Sla me open en kijk dan goed. Goed, ik ben gaan zitten, heb mijn Bijbel geopend, en kwam terecht in Johannes 15 waar Jezus zegt: “Ze hebben mij vervolgd, dus zullen ze ook jullie vervolgen.” Je bent wel ín deze wereld, maar niet helemaal ván deze wereld. Precies de woorden die ik op dat moment nodig had. Later heb ik dat trucje nog wel eens geprobeerd, maar op die manier heeft ’t nooit meer gewerkt. (lacht)

We kwamen hier op naar aanleiding van mijn vraag naar beelden van God. In uw boek trof mij in dat verband de uitspraak: “De enige volledige beschrijving van God is God zelf.” U voegt daaraan toe: “Ieder die meent te weten wie God is – of wie niet –, heeft Hem of Haar klaarblijkelijk niet goed begrepen.” U koestert, begrijp ik, een diep wantrouwen jegens iedereen die zegt: ik zal je wel eens even precies vertellen wie en hoe God is.
Klopt.

Maar toch blijf ik erop puzzelen dat de enige volledige beschrijving van God God zelf zou zijn. Als ik een wandeltocht ga maken, heb ik wel profijt van een kaart van dat gebied, ook al weet ik dat die kaart niet het gebied zelf is.
Precies. We hebben absoluut kaarten nodig. De Bijbel is zo’n kaart die ons helpt om God een beetje ‘in kaart te brengen’. Onontbeerlijk. Maar zelfs als je alles zou kunnen weten en begrijpen wat in de Bijbel over God gezegd wordt, heb je God zelf nog steeds niet helemaal kunnen begrijpen. God stijgt daar altijd bovenuit. God past gewoon niet in onze kleine hoofden. Maar des te belangrijker is het dus om met God in relatie te staan.

Hoe bedoelt u?
Nou, het enige wat je van God zou moeten weten is: God houdt van je. Je bent geborgen in Zijn hand, in dit leven en daarna. Als dat alles is wat je van God weet, dan weet je evenveel als iemand die levenslang theologie heeft gestudeerd.

Meer heb je niet nodig?
Nee. Ook al is het natuurlijk interessant om meer over God en de Bijbel te leren. Maar ook dat is nooit meer dan een heel klein stukje van Hem of Haar.

God is geen man?
Nee, dat is natuurlijk ook maar een beeld. In sommige situaties misschien een goed beeld, je mag God best als Heer aanspreken, als je daarbij maar beseft hoe eenzijdig dat beeld is. In Genesis staat dat wij als man en vrouw naar Gods beeld gemaakt zijn, en daarin dus God weerspiegelen.

Alles wat wij over God weten te zeggen is dus altijd ‘bij benadering’.
Ja, en ook dat kun je leren van de natuurwetenschap. Een model is nooit meer dan een benadering van de werkelijkheid. Modellen zijn belangrijk, maar ze zijn nooit de werkelijkheid zelf. Geen enkel model beschrijft de werkelijkheid ooit volledig.

U krijgt nogal eens de vraag, ook van uw collega’s: hoe kun je nu natuurwetenschapper zijn en ook geloven? Of, zoals dan vaak gezegd wordt: ‘en toch’ geloven? Verwachten ze dan eigenlijk dat u een soort Godsbewijs levert, dat ze vervolgens weer gaan ontkrachten?
Niet dat er geen argumenten zouden zijn voor het bestaan van God. Die zijn er, en goede ook. Maar als antwoord op zo’n vraag, hoezo natuurwetenschapper en gelovige, helpen ze geen steek verder. Op dat vlak ligt het nu eenmaal niet.

Wat antwoordt u dan?
Dat God van mij houdt. Dat ik God als houvast ervaar, dat ik God vertrouw, daar ja op zeg.

Nog een citaat uit uw boek: “Het verlangen om het verborgene te willen zien is een menselijke oerbehoefte, die diep in ons verankerd ligt. Als wetenschapper geloof ik alleen wat ik zie, maar voor ik iets kan willen zien moet ik er eerst in geloven.”
Leuk dat u die zin noemt! Ik heb een paar van dat soort zinnen in mijn boek verstopt, en u bent de eerste die deze gevonden heeft!

Het mooie eraan vind ik dat het eerste lid van die zin door al uw collega’s onderschreven zal worden: “Als wetenschapper geloof ik alleen wat ik zie”, maar waar zij dan een punt zullen zetten, zet u een komma, en vervolgt: “maar voor ik iets kan willen zien moet ik er eerst in geloven.”
Even kijken hoe ik die zin in het Duits geschreven heb. Hier heb ik ’m: “Als Wissenschaftler glaube ich nur was ich sehe, aber ich muß erst daran glauben daß ich irgendwann sehen werde.” Dat klopt beter bij wat ik bedoel. Voordat je iets kunt zien moet je het willen zien. En voordat je ’t wilt zien, moet je geloven dat het überhaupt mogelijk is om te zien. Dus je moet gemotiveerd zijn om te zien. Elke wetenschapper begint met een hypothese, waar weer een geloof achter staat dat het ook echt zo zou kunnen zijn. Ook wetenschappers worden vaak gedreven door een overtuiging, een geloofsovertuiging, dat bepaalde zaken zijn zoals ze zijn. Daar begint het mee, en vervolgens bedenk je hoe je dat dan kunt gaan uitzoeken. Zo gaat het in de wetenschap. In het geloof werkt dat volgens mij op een vergelijkbare manier.

Een laatste citaat: “Wie het aandurft om vragen te stellen die de grenzen van de natuurwetenschap overschrijden, kan niet om God heen.” Daarmee zegt u nogal wat!
Natuurlijk kun je ook zeggen: natuurwetenschap heeft niets met God te maken, want ik beperk mij strikt tot natuurwetenschappelijke vragen. Maar als je, bijvoorbeeld bij de oerknal, aan de grenzen van je kennen komt en toch verder na wilt denken over de diepe en fundamentele vragen die dat oproept, dan kom je aan een grens. En bij die grens wil je dan toch, zo vergaat het mij in elk geval, proberen te kijken naar wat daarachter ligt.

U schrijft ook: “Een geheel van God ontdane natuurkunde acht ik zelf onmogelijk.”
Tenzij je je beperkt tot niet-fundamentele vragen. Maar dan beperk je de natuurkunde eigenlijk ook. Als je niet dóór mag vragen, bedoel ik. Als je niet probeert de grenzen op te zoeken, doe je ook jezelf als wetenschapper in zekere zin tekort. Opzoeken van grenzen hoort bij mijn vak.

Welke werkelijkheid vertegenwoordigt God in uw leven van nu?
Hoe bedoelt u?

Voordat we spraken over geloven, denken en wetenschap vertelde u over die heel persoonlijke gewaarwording ooit: “God houdt van mij.” Hoe is dat besef van Gods liefde in uw dagelijkse leven van nu aanwezig, en hoe werkt het daarin door?
Soms meer, soms minder. De laatste tijd vaak minder, omdat ik het zo druk heb, en dat zit mij niet lekker. Maar toch, het is altijd wel een basaal houvast, waar ik ook altijd weer op kan terugvallen. Ook als ik over de toekomst nadenk, of over mijzelf. Ook bij wat mij dwarszit, of waar ik bang voor ben. Ik denk veel na, probeer ook veel door te denken, en beland dan toch altijd weer bij God. (lange stilte) Geloven is voor mij ook loslaten. Mijzelf en wat mij zo intens bezighoudt, ook over kunnen geven aan God. Zo van: ik heb mijn best gedaan, en nu leg ik het in Uw hand. Het is ook bidden.

Wat betekent bidden voor u?
Mij bepalen, en laten bepalen, bij anderen. Overgave aan God ook. Verwachtingen, hoop uiten. Bidden is ook activiteit. Niet alleen maar stilzitten en niks doen. Mijn grootmoeder kon in haar laatste levensjaar, ze was boven de negentig, niet veel anders meer dan in haar stoel zitten. Weet je wat ze dan soms zei? “Maar ik kan nog bidden.” Dat vind ik zo’n mooie uitspraak! Dat drukt ook zo’n belangrijke waarde uit die we als mens hebben. Als ik oud ben, zal de maatschappij mij afschrijven. Niet nuttig meer. Maar ik kan nog bidden! Wauw!

Wie zijn voor u belangrijke gidsen op uw levensweg?
Mijn grootouders waren belangrijk voor mij, ook als voorbeeld. Ik denk nu ook aan een jeugdleider, vroeger in onze kerk, die mij erbij haalde, me aanmoedigde om dingen uit te zoeken, en me ook de ruimte gaf waarin mijn geloof zich kon ontwikkelen. Ook ontmoetingen met medegelovigen op allerlei plaatsen waar ik kom. Vaak heel inspirerend. Soms ook heel dicht bij huis, zoals na de hereniging van beide Duitslanden, de ontmoeting met gelovigen uit de voormalige DDR. Zulke geëngageerde, gemotiveerde, gelovige mensen!

U bent naast uw werk als hoogleraar astrofysica ook lekenvoorganger in uw kerkelijke gemeente in Frechen. Hoe is dat zo gekomen?
Zoals ik vertelde, heb ik vroeger veel jeugdwerk gedaan. Begonnen met de kinderkerk, daarna kampen georganiseerd, jeugddiensten gehouden in onze kerk. Ik werd voorzitter van een door onszelf opgerichte jeugdvereniging. Toen vroeg onze dominee mij: “Wil je lekenvoorganger worden?” Op mijn vijfentwintigste ben ik begonnen met een tweejarige opleiding daarvoor.

Hoe was uw eerste ervaring als voorganger?
In mijn eerste preek voor de gemeente probeerde ik de mensen te bereiken door het persoonlijk te maken en ook iets over mijzelf te vertellen. De mentor die mij begeleidde vond dat maar niks en gaf me een slechte beoordeling. Hij vond dat je niet zo persoonlijk mocht preken. (lacht) Gelukkig kreeg ik van de kerkgangers wél positieve reacties.

Zit er ergens in uw hoofd een lied of een dichtregel die iets wezenlijks verwoordt voor uw geloof?
Nee, maar wel een verhaal uit de Bijbel. Elia, die net een burn-out heeft gehad, en dan in een grot op de Sinaï God ontmoet. Niet in het geweld van storm of aardbeving, maar in … hoe staat dat in de Nederlandse vertaling?

‘Het gefluister van een zachte bries.’ En in een oudere vertaling: ‘het suizen van een zachte stilte’.
Die ‘zachte stilte’ is mooi. In het Duits is het vertaald met ‘ein sanftes, leises Säuseln’, maar dat maakt eigenlijk nog teveel geluid. Het kan tussen God en mij zó stil zijn, dat de stilte spreekt.

2 december 2020

“In Vlaanderen ontdekte ik hoe protestants ik ben, en in Kaapstad hoe Nederlands.”

In gesprek met Stef Bos

Stef Bos (Veenendaal, 1961) volgde na zijn opleiding tot geschiedenisleraar de theateropleiding in Antwerpen. Hij speelde toneel, werkte voor radio en tv, en groeide zo uit tot zanger van zijn eigen lied. Hij woont in België en Zuid-Afrika.

“Muziek (…) kan je woordeloos verbinden met een soort rode draad die door alle tijden loopt. Daar zit voor mij de wezenlijke inspiratie, daar komen de noodzakelijke liederen uit voort. Iemand als ik probeert ze alleen maar vorm te geven, maar de essentie hangt in de lucht en is van alle tijden. Wanneer je jezelf niet in de weg zit, kan er in je verbeelding van alles gebeuren.” (Mijn onmacht woont in woorden, 2015)

Ik zeg ’God’. Wat komt er dan het eerst bij u boven?
Het beeld dat ik als kind had: zo’n heel lieve man met een lange witte baard op een wolk. En als ik nu weer even kijk naar dat oude beeld, dan komt er ook iets terug wat me ontroert.

Wat is dat?
Dat die lieve man nota bene naar mij kijkt!

Gezien worden.
Precies. En nu draaf ik gelijk maar even door, want uw vraag nodigt mij uit om iets te zeggen over wat best lastig te verwoorden is. We hebben het hier immers over iets, een dimensie of hoe zal ik ’t noemen, iets wat in wezen niet op formule te brengen is. Ik ben heel veilig opgegroeid. Dat heeft mij, denk ik, mét dit oude beeld ook dit vertrouwde gevoel meegegeven. Want godsdienst is verbeelding. Dus ja, het eerste wat bij mij opkomt, is iets wat safe is, liefdevol, wat het goede met mij voorheeft. Dat moet ook alles te maken hebben met mijn ouders, mijn gevoel dat ze er altijd waren, dat ik op hen terug kon vallen.

Heel veilig.
Laatst had ik een vreemde droom. Ik reed, ergens boven Antwerpen, in een trein door de lucht. Precies op de plek waar ik zat, brak die in tweeën. Het voorste stuk denderde door en verdween uit zicht. Ineens zat ik met de wind om m’n kop voorin dat achterste deel tegen de wolken aan te kijken. Ik keek naar beneden en zag dat er stukken rails ontbraken. Dat gaat mis, schoot door me heen. Toen er helemaal geen rails meer waren, kukelde ook dat stuk waarin ik zat, naar beneden. Ik viel, en kwam terecht in een vangnet, gespannen tussen de oude berk en de appelboom achterin de tuin bij mijn ouderlijk huis in Veenendaal.

Wat een fantastisch beeld!
En toen werd ik dus wakker. Van mijn meeste dromen begrijp ik niets, maar hier durf ik, als Jozef voor de farao, wel iets te duiden. Dat ik het nest waar ik uit kom, altijd in me meedraag.

Altijd een vangnet.
Laatst had ik voor tv een gesprek met een jongen die bij zijn geboorte door zijn ouders, beiden verslaafd, was afgestaan. Ineens begrijp ik dan weer hoe de start van je leven de toon kan zetten. Als je zó zonder vangnet in de wereld wordt gezet, probeer dan maar eens te overleven.

En dat komt allemaal boven als ik hint naar God.
Kijk, als de vraag mij zo rechtlijnig gesteld wordt als soms gebeurt, zo van: Stef, geloof jij in God en dat Jezus Zijn zoon is, nou ja, op die manier doet het er voor mij niet toe. Al zulke theologische proposities zijn best interessant om bij een goede pint over te discussiëren. Maar de essentie waar het om gaat, is natuurlijk het gevoel. En dat heb ik. Wat ik als kind heb meegekregen, heb ik altijd behouden, en dat heeft dáár mee te maken. Zelfs al zou het in mijn leven helemaal mislopen, dan nog weet ik dat ik gezien word. Dat is voor mij een soort vertrouwen waardoor het ook altijd wel goed komt.

Zoiets als de kern?
Ja, die duikt ook steeds weer op, ook al zie je d’r vaak niks van. Geeft niet, want het leven is een reis en hoort dat ook te zijn. De ene keer ben je onderweg naar Damascus en word je met blindheid geslagen, zal ik maar zeggen, een andere keer ga je met een paar makkers in een bootje het meer van Galilea op en verzuip je bijna. Onderweg gebeurt er altijd van alles. Dat kan je behoorlijk veranderen, aan de buitenkant tenminste. Dat voel ik ook wel bij het ouder worden. Ook deze coronatijd vraagt erom dat we ons herdefiniëren. Soms begrijp ik niets van wat er allemaal gebeurt, dan moet ik daar weer mijn weg in vinden. Maar die kern in mij, ja, die wordt dan wel flink door elkaar geschud, maar die is flexibel. En op enig moment leer ik ook wel weer door die kern heen naar het leven te kijken.

Voorop uw boek ‘Mijn onmacht woont in woorden’ staat een mooie foto van een jongen van een jaar of vijf, met stekeltjeshaar. Ik neem aan dat u dat bent. Waar is dat jongetje gebleven?
Die heeft u zojuist met uw vragen wakker gekust.

Wie leerde u bidden?
Mijn moeder heeft mij al heel jong de kracht van verbeelding meegegeven. Om ’s avonds in bed een soort gesprek over de dag met jezelf te voeren, en dat dan ook heel vanzelfsprekend naar boven te transponeren. Alleen die schoonheid al, dat je iemand in vertrouwen kunt nemen! Want dat jongetje had natuurlijk ook allerlei rare angsten, variërend van iets engs onder je bed tot dat je pappa en mamma er ineens niet meer zouden zijn. Nou, dan kwam die man met die witte baard dus ijlings toesnellen in een soort Zorro-kostuum. God kan angst genereren, daar ken ik helaas ook nare voorbeelden van, maar God kan gelukkig ook angst wegnemen.

Kwamen er, toen die jongen ouder werd, ook andere beelden van God?
(denkt lang na) Dat eerste beeld is geleidelijk aan opgelost en niet vervangen. Want, zoals Antoine de Saint-Exupéry zijn kleine prins laat zeggen: “Het wezenlijke is voor de ogen onzichtbaar” – of denk aan Mozes bij de brandende braambos –: God is onbenoembaar. Bij mijn opgroeien werd die man op de wolk onzichtbaar, ongrijpbaar ook. Of zoals ik dat later leerde noemen: taoïstisch paradoxaal. Jezus heeft voor mij ook zoiets taoïstisch. Hij slaat je de waarheid die je ontdekt meende te hebben, steeds weer uit handen. Er is geen vaststaande waarheid. Het belangrijkste weten dat je aan het eind van je leven kunt hebben, is volgens mij dat je eigenlijk maar heel weinig weet.

Wat betekent de dood?
Die is helemaal niet zo’n eindpunt. Want ik ben niet een los stukje, maar deel van een veel groter geheel. Niet dat ik persoonlijk voortleef of terugkom – mijn vrouw denkt daar anders over –, maar ik ga op in dat grote geheel waar ik ook vandaan kom.

U schrijft ergens dat uw moeder u een belangrijke les over de dood heeft meegegeven.
Op haar sterfbed liet ze ons als kinderen zien hoe sterven zoiets is als een manier van achterblijven in de gedachten van anderen. Nou ja, dat besefte ik natuurlijk ook pas achteraf. Maar als ik met dood te maken krijg, blijkt mijn angst ervoor verdwenen te zijn. Ik vroeg aan mijn stervende moeder: “Waar ga je naartoe?” Ze antwoordde: “Naar mijn vader.” En liet daarbij in het midden wie ze bedoelde, haar aardse of haar hemelse vader. Ze wilde ons zeggen: ik ga naar waar ik vandaan kom. Zij was voor mij de eerste van heel dichtbij die overleed, en de manier waarop was voor mij een zegen. Zo heb ik de dood in mijn leven een plek leren geven. Hoe verdrietig haar dood ook was. Dat afscheid … ik moet er ook nu weer vaak aan denken, want het is toch godgeklaagd hoe we in het begin van corona mensen in hun uppie dood hebben laten gaan, zonder degenen die hun leven zin en betekenis gaven. Ik dacht laatst nog: mijn moeder had dat nooit gepikt. Die was door alle muren heen gebroken. Ze had het hele kabinet bij kop en kont gepakt en de Noordzee in geflikkerd, om daarna tegen ons te zeggen: en nu een stevige omhelzing.

In uw boek met dat jongetje voorop schrijft u: “In mijn beste momenten ben ik er bijna niet meer. Ik word dan deel van een groter geheel, een zin in een eindeloos verhaal.” Is dat uw levensfilosofie geworden?
Ja, daarin zit mijn rustpunt. Maar dat is pas van na m’n veertigste. Daarvóór dacht ik nog dat ik het hele boek was. Inmiddels ben ik gaan begrijpen hoe het werkt: hoe kleiner je wordt, des te groter de ruimte om je heen. Kijk, in de muziekwereld waarin ik leef, kan het ego een behoorlijk grote rol spelen met al z’n ijdelheid. Maar voor mijn werk blijkt dat tamelijk destructief te zijn. Ik kan m’n ego wel aan het werk zetten, maar dan komt er niks van betekenis uit. Het echte werk, dat verzint zichzelf, en passeert via mij. Ik heb gemerkt dat het mij goeddoet om bewust in dat grote geheel te willen staan. Dan blijkt er juist veel meer mogelijk te zijn dan wanneer ik zelf die hele ruimte moet vullen. Ik ben God niet. Dat lijkt mij trouwens ook wel het vermoeiende van God zijn, om die hele ruimte te moeten vullen.

Misschien leeft daarom in de joodse mystiek van de kabbala ook wel de gedachte van tzimtzum, dat God zich bij de schepping terugtrekt om zo ruimte te maken voor het geschapene.
Lijkt mij heel wijs. Klein worden en wachten op wat er tot je komt.

Ergens schrijft u: “Voor mij is de Bijbel niet meer dan een boek. Een prachtig boek, maar ik begrijp niet waarom aan de psalmen niet De Steen van Bram Vermeulen is toegevoegd, of een gedicht van Toon Tellegen.”
Zo’n derde testament had er al lang moeten komen. Het is toch onvoorstelbaar dat God na de eerste eeuw van onze jaartelling geen inspiratie meer gehad zou hebben?

Wie zijn in uw leven belangrijke gidsen geweest?
Mijn ouders natuurlijk. En daarna vooral de literatuur. Met echt lezen ben ik pas laat begonnen. Michel Oukhow, mijn leraar literatuur aan de theateropleiding in Antwerpen, een man van Russische afkomst – ik noem hem soms mijn tweede vader – zette mij op dat spoor. Wil je het leven leren kennen? Duik dan Dostojewski maar eens in. Ook Nietzsche, verscheurend als hij is, niet voor niets door Thomas Mann de filosoof met de hamer genoemd, heeft mij, van nature een man van het midden, veel geleerd. Voor mij is hij een taalbokser die mij alle hoeken van de ring laat zien. Zijn Zarathoestra lees ik als een soort remake van het Nieuwe Testament. Nietzsche zegt: “Wie mij volgt heeft mij niet begrepen.” Dat zou Christus gezegd kunnen hebben. Kierkegaard is ook fascinerend. Van Herman Hesse las ik laatst Narziss und Goldmund weer eens, en moest opnieuw huilen, net als dertig jaar geleden. Nou, dat heb ik maar heel zelden bij een boek. Zulke schrijvers zijn gidsen die mij leren leven, misschien wel juist doordat ze geen antwoorden geven, maar de vragen stellen waar het op aankomt. Hun boeken las ik niet om te weten, maar omdat ze tot mij spreken. En die gesprekken gaan nog altijd door.

Nu ook?
Ja, want wat mij zo goeddoet in een gesprek zoals wij nu hebben, is dat het echt ergens over gaat. Over visie, over hoe je in het leven staat. We leven in zo’n vreemde tijd, en dan bedoel ik corona. Er worden aan alle kanten, ook hier in Zuid-Afrika, wel allerlei maatregelen genomen, maar er zit geen visie op leven en maatschappij onder. Er wordt alleen maar pragmatisch beleid gevoerd. Wat zouden we gezegend zijn met leidersfiguren die écht perspectief kunnen en durven bieden! Wat willen wij met onze samenleving? Hoe zullen wij leven? Willen we vooral elk risico uitbannen? En wat betekent de dood dan voor ons? Zonder spiritueel kader zijn we doodsbang voor zulke fundamentele vragen.

En dat mist u?
Het lijkt wel of de afgelopen twintig, dertig jaar elke vorm van visie of spiritualiteit op een heel laag pitje is gezet en verdacht is gemaakt. Om een voorbeeld te noemen: Hier in Zuid-Afrika worden per jaar 19.000 mensen vermoord. Dat wordt dan als een soort natuurverschijnsel geaccepteerd, terwijl nu met corona, bij tot nu toe heel wat minder doden, de meest draconische maatregelen worden getroffen zonder ook maar de minste reflectie over wat dit voor ons als samenleving betekent. Daardoor missen we een geweldige kans om eindelijk eens het echte gesprek met elkaar te gaan voeren over wat goed is voor mens en samenleving.

Ergens schrijft u: “De reden dat ik deels in België woon, is waarschijnlijk dezelfde als waarom ik naar Afrika ben gegaan: om me los te weken van waar ik vandaan kom.”
Nou, dat is dan alweer een poosje geleden! Inmiddels ben ik er wel achter gekomen dat ik eigenlijk gewoon weer op weg ben naar waar ik vandaan kom. Kijk, hier uit het raam hebben we zicht op de Tafelberg. Maar mijn eigen biotoop is toch echt de Gelderse Vallei en de Amerongse Berg. Met het ouder worden kom ik er steeds meer achter hoe vast ik zit aan waar ik vandaan kom. Mijn leven is een omweg. Laatst schreef ik een nummer, De Weg, heel vrolijk, met als refrein: De omweg is veel mooier en duurt langer, je ziet veel meer langs een weg die je niet kent. Dat is dus de ironie én de schoonheid van het leven. Na zestig jaar kom ik erachter dat hoe langer ik in andere landen bivakkeer, hoe meer ik blijk te horen bij die plek waar ik vandaan kom. Wees dus wie je bent, want daar liggen je mogelijkheden, en probeer niet een ander te worden. In Vlaanderen ontdekte ik hoe protestants ik ben, en in Kaapstad hoe Nederlands.

Hoewel Afrika mij toch echt wel anders lijkt dan Veenendaal.
Met een vriend trok ik dwars door de Serengeti. Ineens zagen we zo’n vijftienduizend zebra’s op ons afkomen, om een rivier over te steken. Heel die massa komt voor die rivier tot stilstand. Gevaar. Behalve de stroming ook krokodillen. Wij besluiten te wachten, om te zien wat er gebeurt. Anderen reden door, die waren kennelijk alleen maar hun big five aan het afvinken. Terwijl het toch stukken interessanter is om een mestkever te spotten die de drol van een neushoorn voor zich uit rolt. Na een paar uur zien we hoe de voorste zebra’s beginnen te bewegen. Zo’n beweging van twijfel: zullen we gaan of niet? En als we gaan, steken we dan hier de rivier of daar? Ondertussen staan er dus nog vijftienduizend soortgenoten achter hen te wachten. Dan, ineens, gaat er één de rivier in. “Dat is de Mozes-van-dienst”, zei ik tegen m’n vriend. Een fractie later komt heel die horde in beweging en gaan ze allemaal. Fantastisch! Zoiets, dat raakt mij.

Tegelijk is het ook wel een mooie metafoor voor waar we ’t zojuist over hadden. Corona vraagt om ingrijpende veranderingen in onze manier van leven. Maar we aarzelen, durven de rivier niet over. We willen zo snel mogelijk terug naar het oude. Tot er een echte leider met visie opstaat en wenkt: kom!
Kijk, zo komt m’n verhaal gelijk ook weer bij mij terug!

U schreef een lied waarin God zegt: “Er is teveel van mij gemaakt wat ik helemaal niet ben.” Ik citeer daar ter afsluiting nog een paar regels uit: ”Ik zal u zeggen wie ik ben / Ik ben de wolken en de wind / Het vuur dat eeuwig brandt / Ik ben de stroming / De zee / Ik ben het grenzeloze land / Onvoorspelbaar / Ik ben niet wat je denkt.”
En dat heb ik nog wel geschreven in opdracht van de NCRV. Wat zouden ze vijftig jaar geleden daar van geschrokken zijn! De tijden zijn wel veranderd.

12 januari 2021


Henk Veltkamp. Nooit heb ik niets met U. Gesprekken over God. Utrecht: KokBoekencentrum, 2021. 255 pp. €21,99. ISBN 9789043536554.

Nieuwe boeken