Menu

Premium

Preekschets Kerstnacht – Matteüs 2:10

Toen zij de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde

Matteüs 2: 10 (HSV)

• Schriftlezing: Matteüs 1: 18 – 2: 12

• Thema: Hemellicht trekt zoekende zielen

Liturgisch kader

Doorgaans wordt de geschiedenis van ‘De wijzen uit het oosten’ gelezen met Epifaniën. Dit hangt samen met de kerkelijke neiging, de beschreven gebeurtenissen zoveel mogelijk binnen onze historische kaders te plaatsen. Het lijkt dan meer voor de hand te liggen de aanbidding door de wijzen zich (geruime) tijd na Jezus’ geboorte voor te stellen. Voor de evangelist doet dit niet zo ter zake. En ook in de kerkelijke overlevering (zoals die bijvoorbeeld tot uitdrukking komt in het overbekende ‘Nu zijt wellekome’) wordt de komst van herders én wijzen onbekommerd pal na elkaar gesitueerd. In kindervertellingen, kerstspelen en dergelijke zien we hetzelfde. Kerstavond biedt daarom een schitterende gelegenheid om juist ook dit verhaal naar voren te halen. Het tijdstip van de viering (het is in ieder geval donker) versterkt de zeggingskracht van een verhaal over schitterende hemellichten.

Het al genoemde ‘Nu zijt wellekome’ mag niet ontbreken in de liturgie. Ook ‘Prijs de Heer die herders prijzen’ (NLB 468) zet herders en (in dit geval) koningen broederlijk naast elkaar. Psalm 72: 5 en 6 brengen het element van de profetie in de liturgie.

Uitleg

Het is opmerkelijk dat Matteüs direct na zijn versie van het geboortebericht van Jezus focust op buitenlanders die op zoek gaan naar de Joodse koning, juist de evangelist die schrijft voor een voornamelijk Joods gehoor. Terwijl bij Lucas het omgekeerde gebeurt: deze evangelist voor de volkeren verhaalt niets over de wijzen, maar accentueert de ontdekking van het Kind binnen de kring van het Joods volk. Het vermoeden dat deze twee evangelisten hun insteek op elkaar hebben afgestemd is nauwelijks te onderdrukken.

We moeten onder ogen zien dat er twee kampen zijn in de benadering van deze vertelling: de een ziet haar als louter legendarisch, de ander als waar gebeurde historie. Voor dat laatste spreekt dat de toenmalige wereld zwanger was van messiaanse verwachtingen en dat ook in het buitenland soms met name ontwikkelingen in het Joodse volk met interesse gevolgd werden. Zo blijkt onder de Romeinen bij Tacitus en Suetonius bekendheid met de Joodse Messiasverwachtingen. De magiërs (zo de NBV) zijn het best te plaatsen als wetenschappers uit Mesopotamië, sterrenkundigen. Hun wetenschap was ingebed in religieus-filosofische overtuigingen. Zij kunnen bekend geweest zijn (via de Israëlitische diaspora) met Joodse voorzeggingen, specifiek die uit Numeri 24:17. Ook uit de eigen traditie kan deze Bileamsspreuk bewaard gebleven zijn, er van uitgaande dat de waarzegger Bileam een legendarische grootheid was. Evenals Bileam waren de wijzen mensen die de hemel observeerden en enorme kennis bezaten van de bewegingen van sterren en planeten. Veel meer dan vroeger is tegenwoordig bekend over astronomische data zoals conjuncties (samenstanden van planeten) en maanstanden. Deze kennis kan worden ingeschakeld naast die van de klassieke geschiedschrijving. Het staat vast dat in de periode 2 – 3 v. Chr. een groot aantal unieke conjuncties plaatsvond. De wijzen zullen uit deze verschijnselen hebben opgemaakt dat er in Juda een koning geboren zou worden (of zijn) van wereldbetekenis.

De diepe vreugde waarvan sprake is in vers 10 wordt gewekt door het opnieuw verschijnen van het hemellicht dat de wijzen op het spoor had gezet naar Jeruzalem. Het was niet vanzelfsprekend dat het opnieuw te zien zou zijn. In Jeruzalem is hen – aan de hand van de profetie – de weg gewezen naar Bethlehem. Dat hen daar opnieuw het hemellicht opgaat is voor hen een verrassende bevestiging dat de God van Israël een wereldwonder tot stand brengt.

Aanwijzingen voor de prediking

De prediker kan direct bij het hart van de hoorder proberen te komen door diens gang door het donker naar deze kerstnachtdienst in verband te brengen met het nachtelijke reizen van de sterrenkundigen (in het oude oosten werd vaak ‘s nachts gereisd: je kon je op de sterren oriënteren). Ook wat betreft het motief om op pad te gaan kan een parallel getrokken worden: het is bij de wijzen ‘de drang naar het licht, dat hen geen rust laat’ (zo Noordmans, met verwijzing naar Jesaja 60). Zij verwachten een ontdekking van wereldbelang te gaan doen; maar uiteraard is dat voor hen ook een persoonlijk belang. Is er bij veel kerkgangers niet een soortgelijke hang naar licht – een in dit verband ongedefinieerd begrip dat heel algemeen kan staan voor ‘’s werelds hoogst verlangen’. Juist op deze avond komen relatief veel zoekenden. Mensen die er besef van hebben dat de duisternis van deze wereld niet hoort te winnen en dat de bron van waarachtig licht (toch) in de kerk te vinden is. Matteüs laat zien – in de traditie van wet en profeten- dat Gods hart uitgaat naar alle volkeren. De wereldgeschiedenis is niet slechts decor van de heilsgeschiedenis. De HEER houdt de volkeren in het oog is uit op hun heil, en het uitverkoren volk Israël is geroepen om dit naar buiten toe duidelijk te maken. Zo is het nog steeds.

In de preek kan er bij stilgestaan worden, dat God zich van voor ons ongebruikelijke en onbekende methoden kan bedienen om mensen te trekken. Om hen op zoek te brengen en op hun zoektocht verder te helpen. Dat kunnen zelfs methoden zijn die ons tegen de borst stuiten. Magie en astrologie worden elders in de Schrift verboden maar in evengoed schriftuurlijke getuigenissen van eerder, Bileam, en later, de wijzen, schroomt de HEER toch niet soms in taal uit die sfeer te spreken. Daarin schuilt ook een stuk goddelijke ironie: wapens waar demonische machten graag naar grijpen, kan God met gemak tegen die machten inzetten. Zo hoeven wij ook in onze eigen tijd niet vreemd op te kijken als de HEER langs verrassende en voor ons opzienbarende routes mensen op zijn spoor zet. Overigens mag bedacht worden, dat de hemellichamen in hun bewegingen wel degelijk een klok-functie vervullen. Hoewel het speculatieve gissen naar goddelijk orakel daarin niet geoorloofd is, loopt alles wel naar Gods bestel. Ook dit aspect kan in de preek benoemd worden: God heeft al vóór alle eeuwen bepaald wanneer Hij zijn Zoon in de wereld zou brengen. Hij wist bij welke conjuncties het zijn tijd was. Het is ook evangelie, dat zijn onwrikbaar voornemen beslist wordt uitgevoerd. Dat was zo in de Kerstnacht, dat zal zo zijn op de dag van de Heer, ‘als de hemelsferen met luid gedreun zullen vergaan’ (2 Petrus 3: 10) bij Jezus’ wederkomst.

Uitvoerig mag de diepe vreugde worden geschetst die de wijzen vervulde. Daarbij moet verdisconteerd worden, dat dit vooral vreugde is omdat de profetische boodschap die zij meekrijgen in Jeruzalem op waarheid blijkt te berusten. Het gaat dus nu niet meer alleen meer om die ster als zodanig. Het is een soort Entdeckerfreude van mensen die merken dat ze met de Heilige Schrift van het heilige volk op het goede spoor komen, vanuit een geestelijk duister naar het goddelijk licht. Deze kerstnachtdienst zal zijn doel bereiken, wanneer de bezoeker/deelnemer die met een zekere verwachting gekomen is, tenminste de vreugde mag proeven geestelijk op goed spoor te zitten met deze kerkgang/deelname. Zelfs al moet hij later nog veel meer gaan ontdekken, namelijk aan het Kind zelf. De vreugde van de wijzen in vers 10 is nog maar een begin: laat zij een vonk zijn die aanzet vormt voor een laaiend vuur!

Ideeën voor kinderen en jongeren

Kinderen en jongeren krijgen in toenemende mate te maken met leeftijdgenoten uit andere culturen, van andere religie en wereldbeschouwing. Het is mooi als je hen kan laten zien, hoe God juist ook hen die zo anders zijn op het oog heeft. Het Kerstgeschenk is niet een kadootje dat je voor alleen voor jezelf moet willen houden.

Ze mogen ook leren zien, hoe respectvol de Schrift over deze buitenlanders met hun voor Israël vreemde ideeën spreekt. Ook nu kunnen ‘vreemdelingen’ op het spoor van Gods waarheid zitten.

De diepe vreugde van de wijzen kan uitgelegd worden aan de hand van het begrip ‘voorpret’. Dat is goed duidelijk te maken voor kinderen. Je kunt al heel blij worden over iets waarvan je nog bij lange na niet weet wat het in werkelijkheid zal worden. Zo kun je blij zijn met Kerst (lichtjes, sfeer, gezelligheid) zonder al echt begrepen te hebben wie en wat het kind is: maar de grootste blijdschap is het nog niet. Die vind je naarmate je het Kind meer leert kennen.

Geraadpleegd

  • W. Bleij, Kinderdiensten deel 2, Amsterdam z.j., 55 – 64.

  • K. Bornhäuser, Die Geburts- und Kindheitsgeschichte Jesu, Gütersloh 1930, 45-49.

  • J. Finegan, Handbook of biblical chronology, Princeton 1964.

  • J. Gnilka, Das Matthäus-evangelium, Freiburg.Basel.Wien 1986.

  • F.W. Grosheide, Het heilig evangelie volgens Mattheus I, Amsterdam1922.

  • W.A. Hoek, H.F. Kohlbrugge. De onheilige heilige, Amsterdam 1964, 120-121(uit Kohlbrugge’s ‘Wozu das alte Testament’).

  • O. Noordmans, Zondaar en bedelaar, Amsterdam 1946, 82 – 87.

  • F. Rienecker, Das Evangelium des Matthäus, Wuppertal/Giessen 1983.

Nieuwe boeken