Traditie, oraliteit en schriftelijkheid in Marcus 5:21-43 parr. (haemorrhoissa et filia jairi)
Met de typisch protestantse nadruk op het Woord – vaak wordt dan bedoeld: het geschreven Woord, de Bijbel – kunnen veel hedendaagse lezers niet meer zo uit de voeten: ‘Ik ben geen lezer, teksten zijn aan mij niet besteed’.1 Soms wordt gedacht dat dat vroeger anders was en dat christenen vanaf het eerste uur fervente Bijbellezers waren; of dat het lezen van teksten toen minder urgent was omdat de verhalen mondeling werden doorgegeven en men bo-vendien over een fenomenaal geheugen beschikte.