Derde zondag van Pasen
OT: Jesaja 43,1 -12 Psalm: Psalm 116,10- 19 EV: Johannes 21,1 -14 Epistel: 1 Petrus 1,17 -23 Overig: Alternatieven: Hebreeën 4,14 -5,10, Psalm 110, Genesis 14,(1)10-20
OT: Jesaja 43,1 -12 Psalm: Psalm 116,10- 19 EV: Johannes 21,1 -14 Epistel: 1 Petrus 1,17 -23 Overig: Alternatieven: Hebreeën 4,14 -5,10, Psalm 110, Genesis 14,(1)10-20
De opdracht die Jezus aan Petrus geeft in het slot van het Evangelie volgens Johannes, heeft veel vragen opgeroepen in de receptiegeschiedenis ervan. Daarbij draait de controverse om de bijzondere rol die Petrus al dan niet toebedeeld krijgt onder de leerlingen – en de mogelijke gevolgen daarvan voor Petrus’ opvolgers, de bisschoppen van Rome. De tekst gaat echter over meer dan over de relatieve posities van Jezus’ leerlingen – in deze perikoop naast Petrus ook de geliefde leerling. Met name staat de vraag van navolging überhaupt centraal.
1 Petrus 2,1-10 zet het voorafgaande voort en beschrijft hoe de gemeente in de diaspora Godsvolk is. De perikoop bedient zich daarbij niet alleen van een elegant Grieks en een serie uitdagende beelden en concepten, maar ook van een manier van denken die diepgeworteld is in de traditie van Israël en daaruit tegelijkertijd elementen opdiept die ook hen die in de verstrooiing in Christus de toekomst van Gods volk zien, perspectief op hun identiteit, waarde en waardigheid geeft.
De meeste exegeten zijn het er wel over eens dat Johannes 21 een latere toevoeging is. De vraag is dan: Wat wordt hier inhoudelijk toegevoegd aan het vorige hoofdstuk? In welke lacune wordt hier voorzien?