Menu

Filters

Auteur

Hoofdthema

Pleinen

Soort materiaal

Andere bronnen

Premium

‘Jullie zijn mijn getuigen’

De perikoop uit Jesaja is een vrij ontoegankelijke tekst. De Nieuwe Bijbelvertaling grijpt behoorlijk in om de tekst enigszins begrijpelijk te maken. Het grote verschil met de meer letterlijke Naardense Bijbel of Herziene Statenvertaling valt meteen op. Het is ook wel belangrijk om te begrijpen waar deze perikoop over gaat. De tekst is er belangrijk genoeg voor. Deze legt daarnaast een stevige bodem onder de bekende woorden uit het evangelie, Matteüs 5:13-16.

Basis

Amos’ hartzeer voor Israël

Sommige lezers openen een boek, bekijken de inhoudsopgave, lezen het begin en bladeren daarna door tot aan het slot. Zij willen weten hoe het verhaal afloopt of het betoog eindigt. Het loont om dat ook bij het boek Amos te doen. Het begint immers met grimmige beelden en harde woorden van een tegen Israël boze brullende JHWH (1:2–3:2). Die blijken zich in het hele geschrift onafgebroken door te zetten. Het is bijzonder interessant te kijken hoe het aan het einde met dit kwaad volhardende Israël afloopt. Het eindigt met nauwelijks te geloven mooie en euforische beelden (9:11-15)! Kan of moet Amos nu gekwalificeerd worden als een onheils- of een heilsprofeet?

Premium

Verheug je – God is barmhartig

Onze zondag belicht Gods barmhartigheid, verwijst dus naar de tweede zondag na Pasen, Misericordias Domini, ‘de Goedertierenheid des Heren’ (Psalmen 33:5b). In de oudtestamentische tekst laat de Eeuwige zich in zijn toorn aanspreken op zijn trouw en zijn imago voor de volken. Maar toorn is niet nodig als achtergrond van Gods barmhartigheid. De nieuwtestamentische tekst nodigt uit, zonder over Gods toorn te reppen, om te delen in Gods vreugde. Deze zondag legt dus ook verband met de vierde zondag in de Veertigdagentijd, Laetare, ‘Verheug je’ (Jesaja 66:10).

Basis

Net zo trouw als Abraham

In Nehemia 9:5 roepen Levieten, nadat het volk Israël uit het boek van de wet van JHWH hun God is voorgelezen, het volk op om te staan en JHWHte zegenen. Een lang zegengebed volgt (9:6vv). Onduidelijk is echter waar dat waar eindigt. In 9:37 met de woorden: ‘Daarom zijn wij in grote benauwheid’ (NBG’51)? Of moet daar toch in elk geval 10:1[1] nog bij gerekend worden: ‘Op grond van dit alles sluiten wij een vast verbond en stellen het op schrift, en onze oversten, onze Levieten, onze priesters zetten hun zegel eronder’ (NBG’51)? De wij-groep van het gebed houdt namelijk niet op met spreken.

Nieuwe boeken