Niet voor de eerste keer staan ze tegenover elkaar: God en Farao. Een titanenstrijd. Farao, aan de top van de piramide; zoon van de RaRa’s, de goden van Egypte; de godenzoon die hemel en aarde verbindt en de maatschappij aan zijn voeten heeft. Daartegenover een God die geen naam heeft dan een onuitsprekelijke, JHWH, de Ene, die van zichzelf zegt: Ik ben reddend tegenwoordig. En naast die onuitsprekelijke nog onuitgesproken God staat zijn vertrouweling, die zegt: Ik kan niet spreken. Spreken tegenover niet kunnen (willen?) spreken én niet (kunnen? willen?) horen.