‘Niet alle boeddhisten mediteren, niet alle hindoes zijn vredelievend’
Het beeld van hindoeïsme en boeddhisme in schoolboeken voor het voortgezet onderwijs in
Inleiding
In deze bijdrage wil ik aandacht besteden aan het beeld van hindoeïsme en boeddhisme zoals dat te vinden is in een aantal boeken die op het moment regelmatig worden gebruikt in het voortgezet onderwijs in .
In zijn aanhangers van zowel hindoeïsme als boeddhisme te vinden. Hindoes herleiden hun achtergrond meestal tot de cultuur van India, vaak via Suriname of soms via Indonesië, hoewel er in Nederland ook groepen westerlingen zijn die gewoonten en geloofspraktijken navolgen die hun oorsprong hebben in India. Sommige van deze westerse volgelingen interpreteren hun levenswijze als gerelateerd aan het hindoeïsme; slechts in zeldzame gevallen zullen zij zichzelf ook daadwerkelijk als hindoes zien. In Nederland zijn wel bewegingen aanwezig die in principe westerlingen werkelijk initiëren als hindoe, zoals de Arya Samaj en de Ramakrishna Mission, maar de groepen westerse bekeerlingen zijn doorgaans klein. Guru’s als Satya Sai Baba en Shri Shri Ravishankar hebben eveneens hun volgelingen in , zowel onder Surinaamse hindostanen en Indiërs als onder oorspronkelijke Nederlanders. Uiteraard zijn er, ten slotte, ook de aanhangers van de International Society for Krishna Consciousness (beter bekend als Hare ’s), die voor het merendeel bestaan uit westerlingen. Maar veel Hare Krishna’s beschouwen zichzelf niet als hindoe, hoewel een aanzienlijk deel van hun ideeën teruggaat op Indiaas gedachtegoed.
In het geval van het boeddhisme bestaan er in de eerste plaats boeddhistische gemeenschappen in die afkomstig zijn uit verschillende Aziatische landen. Maar het boeddhisme trekt heden ten dage ook veel westerlingen, van wie enkelen zichzelf beschouwen als bekeerde boeddhisten die de ‘Nobele Dharma’ navolgen. Anderen beschouwen zichzelf niet als bekeerd, maar als ‘sympathisant’ of ‘supporter’ van de Dharma.
Zowel hindoeïsme als boeddhisme komen nergens ter wereld voor in wat vaak wordt beschouwd als een ‘zuivere vorm’ of iets van dien aard, hoewel veel moderne bekeerlingen, in het bijzonder bekeerlingen tot het boeddhisme, tegenwoordig een dergelijke zoektocht naar een ‘zuivere religie’ aangaan. Men heeft dan vaak het idee dat wanneer het boeddhisme wordt ontdaan van alle ‘tradities’ en regionale voorstellingen er een soort ‘oerboeddhisme’ overblijft dat overeen zou komen met de oude leer van Siddhartha Gautama zelf. Modem boeddhisme is wat dit betreft ‘oud-boeddhisme’, althans in de voorstelling van moderne bekeerlingen en sympathisanten. Bij richtingen die voortkomen uit het hindoeïsme valt bij een dergelijke zoektocht vaak de term ‘Vedisch’, met veelal de implicatie van oeroud en aansluitend bij het oude ‘zuivere’ gedachtegoed van India. De term ‘Vedisch’ lijkt een soort kwaliteitsgarantie met zich mee te brengen.
In tegenstelling tot wat er in het westen vaak wordt vermoed is het juist belangrijk te constateren dat beide religies in Azië altijd zijn ingebed in een lokale cultuur: een dorp, een stad, een regio en een land. De religies beïnvloeden deze dorpen, steden, regio’s en landen en zij beïnvloeden op hun beurt ook weer de religies. Bovendien zijn beide religies altijd verbonden met bepaalde talen waarin de religieuze concepten en de interacties tussen verschillende personen worden uitgedrukt. Er zijn talen die dienen als canonieke talen voor deze religies en deze talen bereiken vaak een grote gelovigen. Tegelijkertijd zijn er ook de lokale talen van een samenleving waarin de religieuze gevoelens of interacties worden geuit. Zowel hindoeïsme als boeddhisme zijn in dit verband, zoals ze zich in Azië voordoen, misschien net zo goed ‘cultuur’ als dat ze ook ‘religie’ zijn – zo wordt althans vaak gesteld. Het zijn ‘levenswijzen’, ‘filosofieën’, ‘geloofsovertuigingen’, ‘gewoonten’, manieren van kleden en spreken enz. Dit maakt de taak van een schrijver van een introductie over het hindoeïsme of boeddhisme gecompliceerd. We kunnen tegenwoordig bovendien aanhangers van beide religies in vinden en dit impliceert dat de ‘religieuze andere’ naast ons woont. Daarmee is zijn of haar religie – of wellicht beter: religieuze cultuur – lokaal verankerd en vaak is dit dan in een vorm die zelden of nooit precies op die manier in een standaard onderwijsboek (waarin de algemene kenmerken van een religie worden geschetst) te vinden is. Als er niet al sprake is van een ‘Nederlands hindoeïsme’ of een ‘Nederlands boeddhisme’, dan zijn deze op zijn minst in gevorderde stadia van ontwikkeling.
De schrijver van een inleiding in Aziatische religies staat dan ook voor een zeer ingewikkelde taak. De zaken kunnen zelfs nog complexer worden als de hindoeïstische of boeddhistische buurman hetzelfde standaardboek gaat lezen en het beeld van wat het hindoeïsme of boeddhisme zou moeten zijn vergelijkt met het hindoeïsme waar hij of zij daadwerkelijk mee leeft of dat hij navolgt. Het boek wordt dan misschien terzijde gelegd als ‘onjuist’, maar het ook onderdeel worden van het persoonlijke hindoeïsme of boeddhisme van die persoon. De verklaringen die het boek geeft voor bepaalde gebruiken kunnen dan ook onderdeel worden van zijn of haar persoonlijke relaas. Dit probleem doet zich vaak voor bij aanhangers van een religie die in een ander land wonen, ver weg van het land waar de religie oorspronkelijk werd gesticht. Donald Lopez schetst bijvoorbeeld hoe jonge Tibetanen die inmiddels in de Verenigde Staten of in India wonen, als ze bij gelegenheid wel eens terugkeren naar Tibet duidelijk maken aan Tibetaanse monniken die daar zijn geboren, geïnitieerd en onderwezen, dat hun religieuze gebruiken incorrect zijn omdat zij niet in overeenstemming zijn met de leer van gemoderniseerde Tibetaanse monniken in de Verenigde Staten – om maar niet te spreken van westerlingen die bekeerd zijn tot het Tibetaanse boeddhisme.
[1]
Op dezelfde manier kunnen hindoes uit een forse vervreemding ervaren als zij worden geconfronteerd met religieuze hindoe gebruiken in als ze daar op vakantie zijn, al dan niet in combinatie met een pelgrimage of bezoek aan het dorp waar ze oorspronkelijk vandaan komen. Zij kunnen wat in tempels ‘zuiver’, ‘rein’ of ‘puur’ wordt genoemd alsnog beschouwen als behoorlijk ‘vies’ en deze belangrijke hindoe concepten verwarren. Soms hoor je zelfs zeggen dat de Indiase hindoes alles ‘zijn vergeten of hebben verwaarloosd’, terwijl in de ‘zuivere’ traditie is voortgegaan. Zelfs als de reis goed is voorbereid, bijvoorbeeld door het lezen van allerlei boeken over en het hindoeïsme, er alsnog een grote confrontatie volgen met lokale gebruiken die hen even vreemd aandoen als niet-hindoe bezoekers die voor het eerst bezoeken. Deze gebruiken zijn echter onderdeel van het hindoeïsme en zowel de Indiase hindoes als de hindoes uit zijn hindoes; ze leven alleen in een andere culturele context.
Nu wordt het hindoeïsme niet alleen gevonden in ; de religie van in Indonesië wordt ook vaak aangeduid als hindoeïsme, ‘Hindoe Bali’. Ondanks de naam, echter, kunnen de gebruiken in Bali sterk verschillen van die in . Juist vanwege de naam ‘hindoe’ verwachten bezoekers aan Bali en vaak soortgelijke rituelen, geloofsvoorstellingen enzovoorts aan te treffen. Dit maakt de taak van de schrijver van een introductie voor het voortgezet onderwijs nog ingewikkelder.
In het geval van het boeddhisme verschillen de rituelen en religieuze gebruiken van Aziaten die in wonen enorm van die van bekeerde of bij het boeddhisme betrokken Nederlanders. Allerlei soorten rituelen gericht op het overdragen van verdiensten aan overleden familieleden bijvoorbeeld zijn voor Aziatische boeddhisten vaak belangrijker dan meditatie en dat is juist de bezigheid waar westerlingen het boeddhisme bij uitstek mee associëren. In Azië mediteert slechts een minderheid van de boeddhisten.
De boeken
Het meest gangbare boek dat in het voortgezet onderwijs in wordt gebruikt heet Hindoeïsme en Boeddhisme, Wegen naar verlossing (uitgeverij Nijgh & Versluys, 2003; hier afgekort als WNV). Het boek is geschreven door een groep van zeven auteurs. Het is onderdeel van een serie genaamd ‘Wereldreligies’ die op zijn beurt weer een onderdeel is van de serie ‘Van horen zeggen’, bedoeld voor niveau 3 en 4 van HAVO/VWO. In de eerste twee hoofdstukken van het boek wordt het hindoeïsme besproken als ‘Een eeuwige orde’ en ‘Een religie om te doen’. De hoofdstukken drie en vier gaan over het boeddhisme. Hoofdstuk drie draagt de naam ‘Een religie zonder goden’, hoofdstuk vier heet ‘Een stijl van leven’. In de inleiding van het boek wordt de cyclische manier van denken behorend bij Aziatische religies vergeleken met de cycli die in de natuur kunnen worden gevonden. De ontwikkeling van het hindoeïsme en veel van de kernconcepten van deze religie worden in het boek direct verbonden aan deze natuurlijke cycli.
Verschillende boeken uit de serie Religieuze Levensbeschouwingen (uitgeverij Damon) zijn gewijd aan de grote wereldreligies. Naast introducties over religiositeit in het algemeen zijn er afzonderlijke boeken over christendom, jodendom, islam, hindoeïsme en boeddhisme. Het deel over hindoeïsme werd in 2004 gepubliceerd (hier afgekort als RL Hindoeïsme). Het eerste hoofdstuk introduceert het hindoeïsme, hoofdstuk twee behandelt het hedendaagse en zijn paradoxen. Deel drie gaat over de Indiase cultuur. In hoofdstuk vier wordt een inleiding gegeven in enkele van de fundamentele concepten van het hindoeïsme: bijvoorbeeld Dharma, Karma, Samsara, Atman, Brahman en Moksa. De wereld van de goden wordt behandeld in hoofdstuk vijf, Yoga en hindoeïsme in worden besproken in de hoofdstukken zes en zeven. Voorts is er een lijst met namen en concepten toegevoegd.
Het boek over het boeddhisme werd in 2003 gepubliceerd (hier afgekort als RL Boeddhisme). Hoofdstuk een gaat over de studie van het boeddhisme en wat nu eigenlijk precies boeddhisme genoemd mag worden. Hoofdstuk twee introduceert het boeddhisme bij de lezers. Hoofdstuk drie behandelt de historische Boeddha, hoofdstuk vier de Dharma, hoofdstuk vijf de Sangha. Hoofdstuk zes legt de drie ’s uit, de drie voertuigen van het Boeddhisme en Zen, dat beschouwd wordt als de meest populaire vorm van boeddhisme in het Westen. Vervolgens is een lijst met namen en concepten toegevoegd.
Beide bovengenoemde boeken zijn geschreven door Joost van Iersel. Er wordt uitgebreid aandacht besteed aan opdrachten, de manier waarop het materiaal moet worden bestudeerd, en de ‘technieken van omgang met het onderwerp’. Beide boeken hebben bijbehorende handleidingen die gebruikt kunnen worden door docenten. Mijns inziens zijn deze beide boeken werkelijk uitzonderlijk: uitdagend en in een aantrekkelijke stijl geschreven. De opdrachten en instructies voor de docenten zijn diep doordacht.
Een ander populair boek is geschreven door Ton Vink (uitgeverij Damon): Indiase levensbeschouwing (hier afgekort als: IL). Het is onderdeel van een serie genaamd Levensbeschouwingen, gepubliceerd in 2000. Het boek beslaat. zeven hoofdstukken: 1. India tot heden, 2. Geschiedenis van het Indiase denken, 3. Indiaas denken thematisch beschouwd (de onderwerpen in dit hoofdstuk zijn de vier levensstadia; de vier levensdoelen; het kastensysteem; Karma, reïncarnatie en Moksa; de wegen naar Moksa; het zelf, ziel en Atman; Maya, illusie of waarheid?; Goed en Kwaad), de wereld van de Indiase goden; festivals, feesten en gewoonten; traditionele dans en muziek; hindoeïsme in Nederland. Op het eind is een lijst met belangrijkste concepten toegevoegd.
In de meeste boeken wordt uitvoerig aandacht besteed aan de verschillende manieren waarop een boek worden bestudeerd. De nadruk ligt hier niet zozeer op de manier van het bestuderen van religie, als wel op de verschillende manieren van het bestuderen van dit boek in het bijzonder. Er zijn veel instructies voor opdrachten, er zijn studie strategieën en in sommige gevallen zijn er zelfs grote puzzels die kunnen worden ingevuld zodat op het einde een opzienbarende uitspraak van bijvoorbeeld Mahatma Gandhi verschijnt. Deze verschillende strategieën voor bestudering zijn onderdeel van modem onderwijs en zullen in dit artikel niet de primaire nadruk krijgen. Bovendien bevatten niet alle boeken dit soort aanwijzingen. Ze maken het onderwijsmateriaal wel aantrekkelijk voor de leerlingen.
Zeer recent, in 2007, verscheen het boek Perspectief, godsdienst en levensbeschouwing voor de tweede fase (uitgeverij Thieme-Meulenhoff; hier afgekort als P). Dit fraai uitgevoerde boek is geschreven door een groep van vijf auteurs en bestaat uit twee delen. Het eerste deel behandelt zes thema’s in zes hoofdstukken: ‘Je lichaam’, ‘Je leven’, ‘Relaties’, ‘Wat is geluk?’, ‘Agressie en geweld’, ‘Vrijheid… blijheid?, Waar of niet’. Deel twee besteedt aandacht aan de wereldreligies, in wat heet het ‘beschrijvend’ deel en hierin komen jodendom, christendom, islam, hindoeïsme, boeddhisme en humanisme aan bod. Uiteraard is de aandacht per religie relatief kort. Aantrekkelijk in de beschrijving van de verschillende religies is dat de ‘ander’, de anders- gelovende, ook letterlijk aan het woord komt in de vorm van een interview
met een aanhanger van de religie in kwestie. Dit geeft het geheel een levendige indruk in vergelijking met een schets waarbij alles in een ver verleden lijkt te hebben gespeeld. In het geval van het hindoeïsme gaat het om een modem hindostaans meisje, bij het boeddhisme gaat het om een bekeerde vrouw van Nederlandse afkomst.
Wegen naar wijsheid, een volledige methode filosofie en levensbeschouwing van de hand van Ton Vink is eveneens in 2007 verschenen (uitgeverij Damon; hier afgekort als WNW). Net als de vorige methode omvat dit boek een veelheid aan onderwerpen; hindoeïsme en boeddhisme maken alleen deel uit van het eerste hoofdstuk dat aandacht besteedt aan oosterse filosofie. De andere hoofdstukken behandelen: seksualiteit en samenleving, humanisme, evolutie en schepping, burger van en taal. Het boek is voorzien van een aantrekkelijk werkboek waarin allerlei opdrachten kunnen worden uitgewerkt. Het is mooi uitgevoerd, met humor geschreven en ook met humor geïllustreerd.
Illustraties
Alle boeken zijn rijkelijk geïllustreerd met allerlei soorten foto’s en plaatjes uit Azië. We zien vaak hindoes of boeddhisten die hun rituelen uitvoeren of afbeeldingen van hindoegoden of boeddha’s. Veel van dit materiaal is erg mooi en het maakt de boeken bijzonder aantrekkelijk. In het geval van het hindoeïsme zijn de plaatjes uit en in Indonesië schijnbaar willekeurig vermengd aangezien er geen verdere informatie over volgt. In het algemeen worden veel van de afbeeldingen gegeven zonder specifieke informatie. De relatie tussen de gebruikte foto’s en de onderwerpen van de tekst op dezelfde pagina, blijft vaak, maar niet altijd, onduidelijk. Als er al informatie over de foto’s wordt gegeven dan is deze informatie in veel gevallen eenvoudigweg verkeerd. Saillant is ook dat dezelfde afbeeldingen in verschillende boeken worden gebruikt maar in een compleet andere context of met andere informatie. Voor een beginnende student die werkelijk geïnteresseerd is in het onderwerp is dit vanzelfsprekend opvallend, zo niet ronduit verwarrend.
[2]
De afbeeldingen, in het bijzonder die waarbij verdere informatie ontbreekt, dragen bij aan het beeld van Aziatische culturen als ‘exotisch’ of zelfs ‘vreemd’, en het is uiteraard de vraag of dit hu wel is wat een boek zou moeten nastreven.
Bij het doornemen van de boeken komt men ook opzienbarende inconsistenties tegen en zelfs fouten. De foto in IL (58) wordt beschreven als een altaar ter ere van Krishna. Dezelfde foto wordt in RL Hindoeïsme (61) gebruikt, alleen daar wordt het geheel beschreven als een altaar ter ere van Krishna en Shiva. Er zijn een Linga en een Nandi stier op de foto te zien terwijl er ook een ingelijste afbeelding van Shiva als half man/half vrouw, Ardhanarishvara, aan de muur hangt, versierd met een bloemenslinger. Er is ook een kleine afbeelding van Ganesha te zien. Het gaat gewoon om een altaar gewijd aan Shiva en zijn familie, zoals we in WNW (13) kunnen lezen. Veel afbeeldingen zijn afkomstig uit een algemene introductie tot de Indiase cultuur geschreven door Henri Stierlin (diverse uitgaven, onder meer: Taschen, Librero). Een afbeelding van een miniatuur schilderijtje toont ons een grote figuur in geel begeleid door drie kleinere figuren gekleed in wit, rood en geel (IL 46). Een vierde persoon wordt op de achtergrond getoond als zittend in een boot met een vogelkop. De centrale grote persoon is een Ksatriya volgens de informatie die bij de afbeelding is gegeven. Hetzelfde plaatje wordt gegeven in RL Hindoeïsme en beschreven als een afbeelding van een Ksatriya. De afbeelding is afkomstig uit een populair Nederlands boek genaamd ‘Boeddha’ (uitgegeven door ‘de Geïllustreerde Pers’ in 1971, p. 8). Het onderschrift bij die illustratie vertelt ons dat de grootste figuur op de afbeelding gedacht wordt een Rigvedische god te zijn in de dracht van een Ksatriya. Niets echter op de afbeelding ons ervan overtuigen dat de afgebeelde persoon hier inderdaad een Ksatriya is, noch een god. Ik meen dat de informatie eenvoudigweg gekopieerd is uit de originele publicatie uit 1971.
Geschiedenis en samenleving
Als de historische ontwikkeling van het hindoeïsme wordt besproken, beginnen de meeste introducties met de komst van de Arische groepering waarvan wordt aangenomen dat deze heeft plaatsgevonden rond 2000 v.C.
[3]
[4]
Dat deze theorie recentelijk onderwerp van veel discussie is geworden, wordt door de auteurs verder niet vermeld. Deze theorie die stelt dat de hindoes die zichzelf als ‘Arya’ benoemen niet oorspronkelijk van Indiase grond stammen maar van elders zouden komen, bijvoorbeeld uit Centraal Azië, ervaren veel Hindoes als kwetsend. Het beeld van de ‘Ariërs’ moet worden bijgesteld en zo ook het idee van de ‘invasie’. Toch is het tot op heden overigens nog steeds het meest waarschijnlijk dat Sanskriet en Sanskriet sprekende groeperingen van elders migreerden naar . Het is echter wel erg onwaarschijnlijk, dat de ‘Ariërs’ waar ze dan ook vandaan mogen komen, India binnen kwamen op strijdwagens en dat zij aldus het Indiase continent ‘wonnen’ van de minder ontwikkelde bewoners zoals de Dravidiërs. Toch vinden we in onze.studies rond dit onderwerp nog steeds het idee van een tamelijk gewelddadig oer- verleden van het Indiase subcontinent, gevolgd door periodes van consolidatie. In een geval vinden we zelfs een beschrijving van de oorspronkelijke bewoners als‘slecht bewapend’:
Rond 1500 v.Chr. deden er zich gebeurtenissen voor die de toenmalige cultuur langs de oevers van de Indus voorgoed veranderden. De Ariërs, een oorlogszuchtig volk uit het gebied van Perzië (het tegenwoordige Iran) vielen Noord India binnen en liepen de slecht bewapende en vredelievende bevolking volledig onder de voet. Na deze veroveringen hebben zij zich voorgoed in heel India gevestigd en zich vermengd met de oorspronkelijke bevolking. (WNV 7)
Als deze beschrijvingen zouden zijn gevonden in een studie van het begin van de twintigste eeuw zouden deze woorden begrijpelijk zijn geweest; het boek werd evenwel uitgegeven in 2003 en mag best enige aandacht besteden aan de nieuwe ideeën op dit gebied. Het moderne zelfbeeld van veel eigentijdse hindoes is nu eenvoudigweg weggelaten en met respect voor de moeilijke keuzes die een scnrijver van een boek voor middelbaar onderwijs hier moet maken, mag men zich afvragen of dit wel een goede keuze is. Net zoals eerder is gesteld dat modem boeddhisme vaak oud boeddhisme is, precies zo heeft het zelfbeeld van moderne hindoes vaak te maken met de beeldvorming van wat zich in het verre verleden zou hebben voltrokken. De kwestie rond de ‘Arische invasie’ is hier heel belangrijk en talloze websites besteden hier uitvoerig aandacht aan, al dan niet vanuit politieke motieven. In een ander boek (IL 9) worden de inwoners van de steden van de Indus cultuur verondersteld Dravidiërs te zijn, wat wel zou kunnen maar helemaal niet zeker is. Zij werden bedreigd door veranderingen in het klimaat, maar ook door de invasie van Ariërs, zo wordt gesteld.
De Indiase origine van de Veda en de Ariërs is van groot belang voor het zelfverstaan van de Indiërs. Er is nu eenmaal verschil tussen de geschiedenis zoals deze zich historisch voltrok en de geschiedenis ‘waarmee men leeft’ – een verschijnsel dat binnen religies vaak te vinden is. De meeste studies besteden slechts beperkte aandacht aan verdere historische ontwikkelingen. De term ‘Sanatana Dharma’ wordt gebruikt, de ‘eeuwige wet’, maar wat deze term exact impliceert en waarom deze werd gekozen wordt nagenoeg nooit uiteengezet. De Arische invasie, keizer Asoka, en de consolidatie van de grotere hindoe traditie lijken te resulteren in een soort stabiele, gefixeerde en onveranderlijke hindoeïstische en boeddhistische samenleving. Deze ontwikkeling lijkt haar hoogtepunt te bereiken in het hindoe kastenstelsel dat in de meeste boeken voorgesteld wordt als stabiel en onveranderlijk, het onwrikbare fundament van de hindoe samenleving. Het wordt beschreven als een ‘Arische’ instelling par excellence. Nu is dit inderdaad waar: het systeem wordt binnen beschouwd als ‘Arisch’. De meeste boeken herleiden het systeem tot de verklaring die ervoor wordt gegeven in de Purushasukta hymne van de Rigveda. Daar wordt gesteld dat de Brahmanen ontsprongen uit de mond van het oorspronkelijke oerwezen en wit gekleurd zijn. De Ksatriya’s kwamen voort uit de armen en zijn rood. De Vaishya’s ontstonden uit zijn buik en zijn groen (er is een geval waarin gezegd wordt dat hun kleur bruin is, WNV8). De Shudra’s zijn zwart en Worden verklaard voort te komen uit de voeten van het oerwezen. Absurd is de stelling in WNV (8) dat omdat de Shudra’s ontsprongen zijn uit de voeten van Purusha zij niet alleen voorbestemd zijn de andere Vama’s te dienen, maar bovendien om de voeten te wassen van de leden van de andere Vama’s. In WNV (8) wordt de invasie van de Ariërs direct gevolgd door de beschrijving van het kastenstelsel. Het kastenstelsel wordt in dit boek beschouwd als kenmerkend voor de Arische samenleving. Het feit dat in eerste instantie vreemde of andere groepen kunnen worden opgenomen in het kastensysteem en kunnen worden ‘gehindoeïseerd’ wordt nergens vermeld. Er zijn veel momenten waarop wordt benadrukt dat het kastensysteem onrechtvaardig is, oneerlijk en onderdrukkend. Sociale mobiliteit is onmogelijk vanwege het kastenstelsel, zo wordt gesteld.
Om de eigen aard van de kaste te beschermen zijn er voor de kastenleden veel regels en verplichtingen op het gebied van religieuze reinheid en in het sociale verkeer. De leden van een bepaalde kaste trouwen bijvoorbeeld alleen met elkaar. Ze gaan bijna niet met leden van andere kasten om. Ook eten ze bij voorkeur alleen onder elkaar en ze oefenen bijna altijd hetzelfde beroep uit. (WNV 8)
Dat hindoes van verschillende kasten niet met elkaar omgaan is absurd. Het iseen idee dat men in het Westen over hoort, maar dat in de praktijk van heel anders ligt. Sterker nog, het is voor veel hindoes mogelijk om teeten in een restaurant waar een Brahmaanse kok werkt, omdat men als lagerewel degelijk voedsel dat door een hoger iemand is bereid mag eten. VeelBrahmanen werken als kok en niet als ‘priester’. De identiteit die het resultaat zijn van lidmaatschap van een kaste, het wederzijdse begrip van eikaarsgebruiken, kledingswijze en manier van leven worden nergens beschreven.
Lidmaat van een dergelijke kaste (‘jati’) wordt bepaald door géboorte, dat was vroeger zo en is nu nog zo. Je hebt daar als individu geen enkele zeggenschap over en, nog belangrijker, je kunt er ook nooit iets aan veranderen. Je kaste blijft je kaste. De beroepen die voor een bepaalde kaste openstaan liggen vastf Een beroepskeuzetest is dus niet meer nodig!) Gecombineerd met de ver doorgevoerde verdeling in subkasten krijgt het systeem zo een krachtige greep op het individu: wiens vader kapper was, wordt ook kapper, wier moeder de openbare toiletten reinigde, gaat dat ook doen. (IL 47)
Het verband tussen kaste en beroep wordt sterk benadrukt. Vaak wordt gesteld dat alleen Brahmanen priesters kunnen worden. Dit is beslist niet waar, het hangt ervan af welke godheid vereerd wordt; hoge goden hebben Brahmaanse priesters, lagere goden niet. Bovendien, zo wordt gezegd, mocht een Shudra – waarmee wordt bedoeld iemand die niet van een Arische kaste is maar geen Dalit – de recitatie horen van de Veda, dan werd er gesmolten lood gegoten in de oren van de arme ziel (IL 46). Deze toespeling misschien gevonden worden in enkele orthodoxe teksten, maar we kunnen met zekerheid betwijfelen of dit verwijst naar een werkelijk geaccepteerde handelingswijze. Het refereert in ieder geval niet naar de gangbare handelingswijze. Zo nu en dan kunnen we ons afvragen of de Dharmashastra’s werkelijk verwijzen naar algemeen geaccepteerde manieren van handelen; zij zouden wel eens eerder kunnen verwijzen naar hoe de praktijk zou moeten zijn in uiterst orthodoxe ogen, niet hoe deze nu daadwerkelijk is. Wreedheden jegens lagere kasten worden evenwel geregeld verdedigd met de woorden van de Dharmashastras. Veel van de Pillais en Mudaliyars van Zuid India zijn echter Shudra’s en de Brahmanen verrichten vedische rituelen voor hen, wat volgens de Dharma geschriften strikt genomen misschien niet altijd zou zijn toegestaan. De Pillais en Mudaliyars luisteren zonder restrictie naar de Vedische liederen. Brahmaanse priesters die dienen als Pujari’s in de tempels kunnen het zich niet veroorloven om al te selectief te zijn en dat zijn ze ook zeker niet omdat ze voor hun inkomen ook afhankelijk zijn van de pelgrims die zich melden in de tempel en ook min of meer de verplichting hebben Puja’s uit te voeren voor pelgrims van wat voor kaste dan ook.
Uitvoerige aandacht wordt besteed aan de positie van de Dalits. Mahatma Gandhi. wordt in sommige boeken geprezen om zijn pogingen de situatie van de lage kasten te verbeteren. In andere gevallen wordt hij ervan beschuldigd het kastensysteem helemaal niet te hebben afgeschaft, omdat hij het beschouwde als een essentieel deel van de Indiase cultuur.
Sommige boeken beëindigen de geschiedenis van het hindoeïsme in simpelweg met Mahatma Gandhi en gaan verder met het hindoeïsme in . Recente ontwikkelingen in waarbij het hindoeïsme meer en meer betrokken raakt bij politiek en fundamentalisme worden grotendeels genegeerd.
Vaststaande ideeën: Boeddhisme
Als het aankomt op het beeld van het boeddhisme komen we veel vastgeroeste ideeën en vooroordelen tegen, hoe positief deze vooroordelen ook mogen zijn.
[5]
Boeddhisme is populair in het Westen en belangstelling voor het boeddhisme lijkt bijna te getuigen van ‘goede smaak’; het lijkt welhaast onderdeel te zijn van een moderne evenwichtige spirituele identiteit. Er zijn tegenwoordig boeddhistische manieren om het huis in te richten, er is boeddhistisch koken en er worden boeddhistische opvoedingsmethoden ontwikkeld. We komen verschillende schattingen tegen van het aantal aanhangers van het boeddhisme in : ‘Indien we de niet-georganiseerde meetellen komen we op een totaal aantal van 400.000 boeddhisten (!)’, volgens de Boeddhistische Omroep Stichting.
[6]
Het werkelijke aantal boeddhisten is echter veel lager, maar het tellen van het aantal boeddhisten in is, zoals eerder aangegeven, bijzonder moeilijk. Over het algemeen zijn veel westerlingen bezig met het boeddhisme of boeddhistische leringen zonder zich te bekeren tot de religie. Er zijn in veel ‘sympathisanten’ van het boeddhisme. Een aantal van de bestaande positieve vooroordelen worden aangehaald in WTV (62):
‘ Volgens Ria Kloppenborg, hoogleraar godsdienstwetenschappen aan de Rijksuniversiteit Utrecht, spreekt het boeddhisme aan omdat het de persoonlijke verantwoordelijkheid van het individu centraal stelt. ‘Anders dan de kerkelijke instituten waarop veel gelovigen kritiek hebben, omdat deze met allerlei regels greep op hen trachten te houden, kent het boeddhisme geen dogma’s.’Het boeddhisme benadrukt ook dat iemand de ideeën van de Boeddha pas kan accepteren nadat hij er kritisch over heeft nagedacht. Woordvoerders van de twee grootste boeddhistische verenigingen in Nederland, de Stichting Rigpa en het Maitreya Instituut, verklaren de populariteit uit het feit dat het boeddhisme antwoord geeft op levensvragen, zonder dat er een god aan te pas komt. Niemand hoeft zijn eigen religieuze overtuiging op te geven, want het boeddhisme botst niet met een katholieke, hervormde of Joodse achtergrond. Het gaat ook goed samen met de wetenschap, wat de grote belangstelling onder studenten verklaart. (WTV 62)
Wederom vinden we het idee dat boeddhisten het bestaan van god of goden ontkennen, een idee dat men vaak benadrukt ziet bij westerse boeddhisten. In WNV wordt het boeddhisme zelfs ‘een religie zonder goden’ genoemd. Het Aziatische boeddhisme kent meestal talrijke goden, maar zij zijn niet het ultieme. Uiteindelijke bevrijding bestaat niet uit het zich mengen in het goddelijke of iets dergelijks.
[7]
Het beeld dat men van het boeddhisme heeft is veelal positiever dan dat van het hindoeïsme. Het boeddhisme zou namelijk in overeenstemming zijn met het moderne, wetenschappelijke denken en daardoor de hedendaagse mens zeer aanspreken. Het hindoeïsme wordt tegenwoordig vaak geassocieerd met het onderdrukkende kastensysteem zoals boven vermeld, en met sociaal onrecht en ongelijkheid die het resultaat zijn van de dominante positie van de Brahmaanse structuren van de samenleving. Bovendien wordt de positie van de vrouw binnen het hindoeïsme vaak sterk bekritiseerd. Bij het hindoe huwelijk denkt men toch vaak allereerst aan het gearrangeerde huwelijk, een relatie die de twee echtelieden wordt opgedrongen door de ouders. Ook is er de last van de bruidsschatten die zo nu en dan uitmonden in moorden. Een van de boeken haalt zelfs een beschrijving aan van een Sati ritueel daterend uit de zestiende of vroeg zeventiende eeuw (IL 13), de meest extreme vorm van onderdrukking van vrouwen. Sati is echter tegenwoordig zeer zeldzaam. Het wordt vaak zo voorgesteld dat hindoes dit alles accepteren omdat zij onderdeel zijn van een vaststaande eeuwige Dharma, waarin alles is zoals het is. Verzet wordt beschouwd als onreligieus en zal uitlopen op slecht Karma, zo lijkt het tenminste.
Over het algemeen gesproken is het beeld van het boeddhisme positiever, zoals geïllustreerd wordt door de beschrijving van modem boeddhisme hierboven. Boeddhisme wordt vaak een ‘religie zonder dogma’s’ genoemd, als het al beschouwd worden als een ‘religie’. Wellicht zegt deze stelling meer over wat moderne westerse mensen willen zoeken in hun eigen spirituele leven dan dat het iets toevoegt aan onze kennis over het boeddhisme in het algemeen. Of het boeddhisme al dan niet dogma’s heeft is een kwestie van verdere studie, maar ideeën over Karma, de vier Nobele Waarheden, dat alles wat bestaat onderworpen is aan Duhkha (‘onvolmaaktheid’), dat god niet het ultieme is, zijn allemaal dogma’s of toch ideeën die er erg dicht bij in de buurt liggen. Het feit dat de Dalai Lama, zonder enige twijfel de sterkste bepleiter van de edele Dharma in deze tijd, af en toe benadrukt dat het niet noodzakelijk is om zich te bekeren tot het boeddhisme om hem na te volgen lijkt hier een grote invloed te hebben. Het boeddhisme wordt boven alles geassocieerd met tolerantie, vrede en vegetarisme. Dit betekent echter niet zo veel voor het boeddhisme dat we kunnen vinden in Azië. De beeldvorming rond het boeddhisme in het westen vindt zijn oorsprong vaak in de ideeën en gedachten van niet-Aziaten. We zien hier vaak nog de wensdromen van westerlingen die meenden in het boeddhisme de ideale religie van de toekomst aan te treffen. De ideeën en geïdealiseerde voorstellingen die men zich in het Westen van het boeddhisme maakt zijn veelal ontstaan aan het einde van de negentiende eeuw toen mensen als Madame Helena Blavatsky en Colonel Henry Olcott, nadat ze in Amerika de basis hadden gelegd voor het Theosofisch Genootschap, naar Azië trokken om daar het ‘boeddhisme te beschermen tegen de dreiging van het christendom met zijn missionarissen’. In het boeddhisme zag men in die tijd een ideale niet dogmatische levensbeschouwing, die in overeenstemming zou zijn met de empirische natuurwetenschappen en met de toenmalige psychologie. Bovendien zou het in het boeddhisme altijd gaan om vrede en andere hoge idealen. Deze ideeën zijn tot op de dag van vandaag terug te vinden.
Men hoeft echter niet zo goed onderlegd te zijn in de Aziatische geschiedenis om oorlogen te ontdekken die op zijn minst zijn uitgevochten in de naam van de edele Dharma van Siddhartha Gautama en werden gelegitimeerd door de Sangha hoewel er altijd natuurlijk ook andere redenen waren voor de oorlogén; misschien wel ‘echtere’ redenen op het gebied van politiek en handel bijvoorbeeld. Boeddhistische monniken legitimeerden echter zeer geregeld oorlogen. Een reden voor het beginnen van een oorlog kon bijvoorbeeld de zoektocht naar heilige relikwieën, overblijfselen van het lichaam van de Boeddha, zijn. Een andere reden kon zijn de zoektocht naar heilige geschriften of de behoefte om alle mensen te bekeren tot één bepaalde vorm van boeddhisme. In bijvoorbeeld viel koning Anuwrahta de stad Thaton van het Mon volk binnen om een heilige Pali canon te verkrijgen van de koning van de , genaamd Manuha. Anuwrahta werd bekeerd tot het Theravada boeddhisme door de monnik Shin Arahan die Sri Lanka had bezocht en daar bekeerd was tot wat werd gezien als de ‘zuivere vorm’ van de Dharma. Zo waren er ook religieuze oorlogen tussen de vijfde Dalai Lama van en verschillende andere Tibetaanse denominaties. Inde zeventiende eeuw werd de Shabdrung uit verjaagd door de vijfde Dalai Lama onder meer vanwege ideologische verschillen. De Shabdrung zocht zijn toevlucht in de regio waar zijn denominatie van Drigungpa tot op heden bestaat. De Roodhoed denominaties van het Tibetaanse boeddhisme worden tegenwoordig, op een enkele uitzondering na, vooral gevonden in de grensgebieden van , omdat zij moesten vluchten uit centraal voor de agressieve overheersing van de Gelugpas, de Geelhoeden. Ook in Japan zijn er veel oorlogen geweest tussen verschillende kloosters. Als het gaat over het vegetarisme en het niet schaden van levende wezens waarmee het boeddhisme vaak wordt verbonden; is het goed te bedenken dat de meeste boeddhisten geen vegetariërs zijn, ook de monniken en de nonnen niet. De Boeddha heeft een instructie gegeven dat de monniken moeten eten wat hen aangeboden wordt, vegetarisch of niet. De traditie wil dat een neef van de Boeddha, Devadatta, eens opperde dat de monniken vegetariërs zouden moeten zijn, maar de Boeddha ging tegen dit voorstel in omdat deze regel donateurs die de Sangha ondersteunden in verlegenheid kon brengen. Voor veel moderne boeddhisten, maar zeker niet voor alle, vegetarisme evenwel toch onderdeel zijn van hun Dharma gebruiken.
De afwezigheid in het boeddhisme van een straffende of belonende god wordt door westerlingen die geïnteresseerd zijn in het boeddhisme vaak gevoeld als een soort opluchting. Het mag dan waar zijn dat een persoonlijke straffende of belonende god ontbreekt in de meeste vormen van boeddhisme, hoewel Yama nog altijd heerst over zijn strikte gerechtshof, maar Karma dienst doen als een strenge vervanging. Karma heerst en beloont of straft als ging het om een van de natuurwetten; Karma lijkt wel een soort ‘spirituele zwaartekracht’. In Azië kunnen de leden van de Sangha even star zijn als de kerkelijke dienaren in het Westen. Bovendien wordt het boeddhisme meestal geassocieerd met emancipatie en bevrijding van onderdrukten. De vrouwvijandige houding van het boeddhisme en de houding tegenover het lichamelijke in het algemeen wordt meestal simpelweg genegeerd óf door de vingers gezien in de westerse representatie van het boeddhisme. De Boeddha wordt meestal geassocieerd met bevrijding en verzet tegen het kastensysteem. Het dan wel waar zijn dat de Boeddha het belang van het kastensysteem ontkende binnen zijn eigen Sangha en dat hij de Brahmanen vaak wees op de irrelevantie van geboorte, maar hij lijkt nergens de regels van het kastenstelsel te-hebben ontkend buiten .de Sangha. Bovendien stelde hij in zijn gemeenschap de regel in datde nonnen altijd onder de monniken stonden. Dit heeft tot gevolg- dat een non die dertig jaar in het klooster zit ondergeschikt is in rang aan een jongetje dat gisteren net is geïnitieerd. Het kan zijn dat de Boeddha deze regel niet persoonlijk heeft ingesteld en dat deze het gevolg is van de latere Indiase ascetische traditie die nogal anti-vrouw was, maar dé traditie stelt nu dat hij hem zelf heeft verwoord en daarmee leven de boeddhisten in Azië.
We kunnen dan ook terecht zeggen dat er veel verbeelding meespeelt in wat het boeddhisme volgens veel westerlingen zou moeten zijn en dat dit zeer geregeld ver verwijderd is van wat we in Azië aantreffen.
Wat we over het boeddhisme in de boeken terugvinden lijkt veelal te zijn gebaseerd op het beeld van het boeddhisme zoals het wordt voorgesteld in de studies uit het begin van de twintigste.eeuw. Het boeddhisme zou ‘atheïstisch’ zijn, ‘rationeel’, het is ‘humaan’, het is niet ‘dogmatisch’ en het ‘verlost uit alle lijden’. Een gelijksoortig achterhaald idee gevonden worden in één van de boeken (IL 34,35): alle boeddhisten zouden een negatieve houding ten opzichte van het leven te hebben. Dit is precies wat bepaalde strikte christelijke groepen, gezien vanuit een heel specifiek perspectief, het boeddhisme nadragen.
Het zelfbeeld van hindoes en boeddhisten
In de meeste van de boeken ontbreekt het zelfbeeld van hindoes en boeddhisten, hoe zij zelf hun religie beschrijven en ‘er in leven’.
[8]
Zo wordt bijvoorbeeld in een geval gesteld dat veel Aziaten meedogenloos armoede en lijden in het huidige leven toeschrijven aan karmische gebreken in het verleden en dat dit de oorzaak is dat er geen gevoel voor ethiek wordt aangetroffen in het hindoeïsme en het boeddhisme. Ethiek ontbreekt, zo wordt gesteld, omdat het Indiase denken altijd gericht is op verlossing (moksa) (IL 61). Bovendien:
Het boeddhisme is hier ook duidelijk: het doel van het morele leven heeft niets te maken met het verbeteren van leven en wereld, dat doel ligt in het ontsnappen aan het allesdoordringende kwaad van het bestaan.(IL 62)
In de meeste boeken is helaas te vaak te lezen dat hindoes en boeddhisten onveranderlijke starre ideeën aanhangen, hoe zij anderen beoordelen en hun vastliggende, stabiele levens , alles accepterend wat het leven hen brengt. Het is tenslotte hun eigen schepping, hun eigen schuld (‘eigen schuld, dikke bult!’wordt zelfs een keer gesteld, IL 54), het resultaat van ontelbare eerdere handelingen. ‘Onrechtvaardigheden bestaan niet meer, want alles is zoals het moet zijn’ (IL 55). Daarom moet ook niemand veranderingen aanbrengen in de samenleving (IL 55). Natuurlijk men deze ideeën wel eens tegenkomen in Azië, maar normaal gesproken zijn er vele andere meningen en houdingen. Men bijvoorbeeld talrijke ideeën tegenkomen op dit gebied waarbij er relaties worden gezocht met de rol van de koning die rechtvaardig moet regeren en oog dient te hebben voor de noden en moeilijke posities van zijn onderdanen. De rechtvaardige koning is een Dharmaraja of Cakravartin en zijn regering mondt als vanzelf uit in welzijn en welvaart. Verzet tegen onrechtvaardigheid was in Azië in het verleden vaak te vinden en dat gaat door tot de dag van vandaag..
De gestereotypeerde andere. ‘Wij en zij’
Er is veel zorg besteed aan het onderwijsmateriaal dat hier is besproken en ik denk dat er ook aantrekkelijke lessen kunnen worden verzorgd met deze boeken. Helaas bestaan toch nog te veel van de beelden in de schoolboeken uit stereotypen of clichés. De exotische ‘andere’ duikt nogal eens op. Het beeld van het hindoeïsme neigt geregeld – niet altijd overigens
[9]
– naar de negatieve kant. De hindoe is niet geïnteresseerd in zijn of haar individuele leven, zo lijkt het. Er is eerder sprake van een universeel collectief waarin zijn of haar leven zich afspeelt en hij of zij is tevreden of accepteert tenminste dat het leven onderdeel is van een onveranderlijk kosmisch proces. Verzet of protest worden niet gezien als onderdeel van deze processen aangezien dit verzet tegen de Dharma zou impliceren, tegen de natuurlijke, eeuwige orde der dingen.
lijkt extreem verontreinigd te zijn en haar inwoners accepteren lethargisch de wijze waarop de dingen zijn, arm als ze zijn en onderworpen aan de begerige, starre en nare orthodoxe Brahmanen. De individuele hindoe lijkt deel te zijn van een groep even weids als de oceaan waarin het individu ten ondergaat. Het enige wat de arme hindoe rest is deze positie te accepteren. Het Westen aan de andere kant is materialistisch en sluit de ogen als het om het spirituele gaat, zo kunnen we lezen:
In ons westers ménsbeeld onderscheiden we lichaam, geest en.ziel. De ziel leidt binnen deze eenheid tegenwoordig eën kommervol bestaan. We erkennen alleen het bestaan van wat we kunnen meten. En onze ziel kunnen we niet meten. Onze geest bestaat eigenlijk ook niet. En dus storten we ons met overgave op ons lichamelijk bestaan. Een ander woord daarvoor is ‘materialisme’. In het mensbeeld van het Indiase denken voert echter de geestelijke (spirituele) dimensie absoluut de boventoon. (IL 59)
Een besef van geschiedenis lijkt te ontbreken in Azië: er wordt weinig tot geen aandacht besteed aan individuele personen of hun omstandigheden, er is geen ‘historisch besef, zo wordt gesteld (IL 17).
[10]
Dit staat in schril contrast met de moderne Indiase historiografie. Romila Thapar bijvoorbeeld besteedt in haar recente studie’over de Indiase geschiedenis uitgebreid aandacht aan de wijze waarop het traditionele beeld van de geschiedenis in zijn weerslag heeft op de Indiase cultuur.
[11]
In feite kunnen we zeggen dat veel van de in de boeken gegeven informatie achterhaald is èn niet langer in overeenstemming is met de gegevens van recenter onderzoek. Er zit veel reconstructie tussen en ook veel van de voorstellingen kloppen niet of niet helemaal of ze zijn nooit geweest zoals ze worden voorgesteld.
Het beeld van het hindoeïsme zou hindoe studenten in het klaslokaal dwingen zich te verdedigen tegen een soort beeldvorming, hoe onbedoeld dit ook moge zijn. Medestudenten kunnen gemakkelijk tot de conclusie komen dat hindoes ontzettend vreemde mensen zijn die, als zij de krijgen, hun weduwen verbranden en arme meisjes dwingen tot gearrangeerde huwelijken. Heilige koeien eten het weinige voedsel op dat op de kale akkers groeit, de mensen creperend achterlatend op de straten. Alle Aziaten, accepteren dit omdat het allemaal voortkomt uit Karma. Er is niet zoiets als ethiek, er is geen compassie omdat we oogsten wat we hebben gezaaid.
Het beeld van het boeddhisme is over het algemeen positiever maar. hier vinden we veel wensdromen. De negatieve kanten van het hindoeïsme worden extra aangedikt, de negatieve kanten van het boeddhisme worden meestal weggelaten, waarschijnlijk omdat we in het Westen tegenwoordig een heel positieve houding hebben ten opzichte van de edele Dharma, die verondersteld wordt geen ‘religie’ te zijn, maar eerder een ‘filosofie’ of iets dergelijks. Ondertussen vinden we in sommige gevallen dat boeddhisten geacht worden een negatieve levensvisie te hebben omdat zij het aardse leven niet als de ideale staat van bestaan beschouwen. Elke bestaansvorm, is tenslotte diep doorweven met Duhkha, doorgaans geïnterpreteerd als ‘lijden’ in plaats van als ‘onvolmaaktheid’, dat alles wat leeft kenmerkt.
Als het aankomt op de beschrijvingen van veel van de instituties binnen het hindoeïsme en boeddhisme worden de canonieke teksten veel te vaak als norm genomen, en niet de daadwerkelijke praktijk van de religie. De positie van de teksten in de Aziatische religies in sommige instanties geheel anders zijn dan in het christendom. Hindoes en boeddhisten leven met een tekst, maar zij leven niet altijd volgens de instructies van de tekst. Deze onevenwichtigheid wordt in sommige teksten zelfs uitgelegd en het ook onderdeel zijn van de instructie die de tekst geeft. In de beschrijvingen van het kastensysteem bijvoorbeeld vinden we veel te vaak de schriftelijke instructies van de Dharmashastra’s in de boeken, in plaats van wat het kastenleven feitelijk is. Dit is de oude discussie betreffende wat mensen geloven en wat zij doen.
Over het algemeen zijn er te veel ‘Oost-West constucties’ ondanks de pogingen van de schrijvers om de kloof tussen de twee werelden te overbruggen, in het bijzonder in de introductie van hun studies. Het is nogal paradoxaal om in de introducties de overeenkomsten tussen Oost en West benadrukt te vinden, en vervolgens in de rest van de boeken een weerslag te zien. van de opvallende verschillen en vreemde gewoonten. Ik schrijf dit overigens met alle begrip voor de schrijvers van dit soort onderwijsmateriaal want zij moeten ongelooflijk moeilijke keuzes maken om tot coherent onderwijsmateriaal te komen.