Menu

Premium

Spreuken

Overzicht

Het boek Spreuken is een verzameling van verschillende collecties spreuken en gedichten. Sommige hebben een eigen titel of kopje, zoals ‘Spreuken van Salomo’ of ‘Woorden van Lemuël’. In andere gevallen geeft een inleiding aan dat een nieuwe collectie begint, zoals in 22:17-21:

22:17

Buig je oor en luister naar de woorden van de wijzen

en richt je hart op wat ik weet.

In het voorafgaande gedeelte komen we maar een paar keer een tweede persoon tegen, en nog minder vaak een eerste persoon die spreekt. Door dit contrast is het dus duidelijk dat een nieuw deel begint.

De afzonderlijke eenheden zijn niet alleen herkenbaar aan kopjes, maar ook aan de literaire vormen. Twee verschillen vallen meteen op. Sommige collecties bestaan uit korte spreuken van één versregel, andere uit langere spreuken of gedichten. Verder zijn er beschrijvende teksten, maar ook teksten waarin een eerste persoon anderen (de aan-gespro-kenen) onderricht. Op basis van de Hebreeuwse tekst, waarop alle moderne Nederlandse vertalingen gebaseerd zijn, kunnen we de verschillende collecties in Spreuken onderscheiden (zie schema volgende pagina).

Het derde deel heeft niet een titel zoals de andere, maar we kunnen er op grond van 22:17 de titel ‘woorden van de wijzen’ aan geven. Een andere naam is ook mogelijk: verderop komen nog andere termen zoals ‘raadgevingen’ en ‘betrouwbare woorden’ voor.

De inleiding op het eerste deel (1:1-7) is uitgebreider dan de andere kopjes en inleidingen, en geeft een algemeen overzicht van soorten spreuken, en voor wie en waarvoor ze bedoeld zijn. Bijvoorbeeld:

1:2

om wijsheid en onderricht te leren

en om verstandige woorden te verstaan

1:6

om te verstaan spreuk en beeldspraak

woorden en raadselen van wijzen

Overzicht van Spreuken

Spreuken

kopje of inleiding

I.

1:1-9:18

Spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël

II.

10:1-22:16

Spreuken van Salomo

III.

22:17-24:22

Buig je oor en luister naar de woorden van de wijzen

IV.

24:23-34

Ook deze zijn van de wijzen

V.

25:1-29:27

Ook deze zijn spreuken van Salomo, die de mannen van Hizkia, de koning van Juda, hebben bijeengebracht

VI.

30:1-33

Woorden van Agur, de zoon van Jake, uit

VII.

31:1-31

Woorden van Lemuël, de koning van , waarmee zijn moeder hem vermaande

Van de vier termen uit 1:6 worden er twee in de kopjes van de collecties gebruikt: spreuken en woorden (van wijzen). De twee collecties die het kopje ‘spreuken van Salomo’ hebben, bestaan uit een speciaal soort spreuk, namelijk de losse spreuk van één versregel met twee lijnstukken of cola. De andere collecties bevatten amper dit soort spreuk, maar juist diverse andere uiteenlopende literaire vormen. Het lijkt in 1:6 te gaan om literaire aanduidingen waarbij het ene deel deze, het andere deel die vormen heeft. Deze eerste verzen zijn dus een inleiding op het hele boek. Dat betekent dat de eerste collectie niet een eigen kopje heeft. Net als in 22:17 begint deze collectie met een oproep om te luisteren.

1:8

Hoor, mijn zoon, het onderricht vanje vader

en verwerp de onderwijzing vanje moeder niet.

Omdat ‘onderricht’ en ‘wijsheid’ een treffende typering zijn van de inhoud van deze collectie, zou het kunnen zijn dat 1:2 (‘om wijsheid en onderricht te leren’) naar dit eerste deel verwijst.

Het boek Spreuken bestaat dus uit afzonderlijke collecties, maar er is wel enige literaire structuur in het boek als geheel. Allereerst is er de inleiding die de verschillende collecties met elkaar verbindt. Zo grijpt 1:6 vooruit op de verschillende te gebruiken literaire vormen, ‘spreuken’ en ‘woorden van wijzen’. Daarnaast vormen het eerste en laatste deel een soort raamwerk om de andere delen. In beide collecties spelen vrouwelijke figuren een grote rol, in tegenstelling tot de rest van het boek. De sterke vrouw van 31:10-31 doet denken aan vrouwe wijsheid uit 1-9: beiden zijn kostbaarder dan koralen (8:11/3:15 en 31:10). Bovendien gaat het in beide collecties om onderricht van ouders (1:8 vader en moeder; 31:1 moeder) aan hun kinderen. Ook is het mogelijk dat de tweeëntwintigregelige les van hoofdstuk 2 een raamwerk vormt met de alfabetische lofrede (ook tweeëntwintig verzen) van 31:10-31.

Meer subtiele verbanden tussen de verschillende collecties zijn te vinden in de volgorde en plaatsing van bepaalde onderdelen. Bijvoorbeeld: het allereerste vers van de tweede collectie, de Spreuken van Salomo, luidt als volgt:

10:1

Een wijze zoon brengt zijn vader vreugde

een dwaze zoon is een zorg voor zijn moeder.

Hiermee gaat dit vers meteen verder met de tegenstelling tussen Wijsheid en Vrouwe Dwaasheid die in hoofdstuk 9 uitgewerkt werd. Daarnaast is het vast geen toeval dat hier, net als in het eerste vers van de eerste collectie (1:8), de relatie van een zoon tot zijn vader en moeder aan bod komt.

Ondanks zulke verbanden en bepaalde thematische overeenkomsten blijft de literaire samenhang tussen de afzonderlijke delen beperkt. Daarom kun je de afzonderlijke delen ook op zichzelf lezen.

Spreuken 1-9: Wijsheid en onderricht

Wie voor het eerst Spreuken 1-9 gaat lezen ziet gauw door de bomen het bos niet meer. Steeds weer kom je vergelijkbare vermaningen tegen, en als je niet goed oplet ontgaan jede verschillen tussen de gedichten. Of je hebt niet goed door waar het ene gedicht eindigt en het volgende begint. Nu en dan stuit je op een verrassend gedicht met sprekende beelden, zoals de beschrijving van de onverstandige jongeman die zich op straat door een vreemde vrouw laat oppikken. De lezer van deze collectie gedichten moet op verschillende aspecten letten. Een paar ervan worden duidelijk aan de hand van de eerste twee verzen van deze collectie.

1:8

Hoor, mijn zoon, het onderricht vanje vader

en verwerp de onderwijzing vanje moeder niet;

1:9

want die zijn een liefelijke krans om je hoofd,

en een ketting om je hals.

Herhalend parallellisme

Aan de opmaak van de moderne Nederlandse vertalingen is te zien dat we met dichtkunst te maken hebben. Het overgrote deel van Spreuken bestaat uit tweeledige verzen, waarbij het tweede versdeel in balans staat met het eerste. De parallellie tussen de versdelen lijkt in de oudhebreeuwse dichtkunst nergens zo consequent doorgevoerd als in Spreuken. In deze eerste collectie van Spreuken komen we vooral één bepaalde vorm van parallellie tegen: het tweede versdeel is een herhaling van het eerste. Hetzelfde wordt gezegd met andere woorden. Met allerlei middelen zorgt de dichter er voor dat de herhaling niet automatisch of te monotoon wordt. In 1:8 speelt de dichter met tegenstellingen tussen mannelijk en vrouwelijk, en tussen positief en negatief. In het Hebreeuws is ‘onderricht’ net als ‘vader’ mannelijk, en ‘onderwijzing’ net als ‘moeder’ vrouwelijk. Bovendien kiest de dichter er voor om een positief gebod ‘hoor’ te variëren met een verbod waarin een ontkenning voorkomt, ‘verwerp niet’, terwijl die toch hetzelfde uitdrukken. De vertaling van 1:9 wekt de indruk dat de dichter wel geslaagd is in zijn synonymie, maar dat de twee versdelen wat lengte betreft uit balans zijn geraakt. In het Hebreeuws is dat niet zo: de dichter heeft juist variatie aangebracht door na de vijf korte woordjes van het eerste versdeel, twee lange Hebreeuwse woorden voor het tweede versdeel te gebruiken.

Leerdichten

Vergelijkbare formuleringen als die in 1:8-9 komen we telkens in de eerste zeven hoofdstukken tegen. Steeds staat ‘mijn zoon’ (in 4:1 ‘zonen’) als eerste of tweede woord van een aanhef, die de zoon oproept om acht te slaan op het onderricht van zijn vader (in 2:1-2 is de structuur ingewikkelder, maar in principe hetzelfde). De meeste van deze oproepen lijken op elkaar, maar geen twee zijn precies gelijk. Vergelijk bijvoorbeeld de volgende twee verzen:

4:20

Mijn zoon, schenk aandacht aan mijn woorden

neig je oor naar mijn uitspraken.

5:1

Mijn zoon, schenk aandacht aan mijn wijsheid

neig je oor naar mijn inzicht.

Zo lijken ook 1:8 en 6:20 erg op elkaar, net zoals 2:1 en 7:1. De aanhef wordt dan gevolgd door een reden waarom men naar deze woorden moet luisteren, ingeleid door ‘want’. Er valt veelvoor te zeggen om deze aanhef steeds te zien als het begin van een nieuw onderricht van een vader aan zijn zoon. Op die manier kunnen we in Spreuken 1-7 tien leerdichten onderscheiden.

In deze leerdichten spreekt een vader tot zijn zoon, maar de dichter zorgt voor afwisseling en levendigheid door regelmatig anderen sprekend op te voeren. Een goed voorbeeld vinden we meteen in het eerste leerdicht:

1:10

Mijn zoon, als zondaarsje proberen te verleiden

geef dan niet toe als ze zeggen:

1:11

‘Ga met ons mee, laten we loeren op bloed

laten we de onschuldige zomaar belagen.’

Het leerdicht gaat nog verder met de woorden van de zondaars. Er zijn nog meer voorbeelden van zulke aanhalingen. In een leerdicht vertelt de vader aan zijn zoon wat zijn eigen vader hem eens zei, maar hij vertelt ook letterlijk wat hij de vreemde vrouw die de jongeman versierde hoort zeggen.

Wijsheidsliederen

Een speciale vorm van dit literaire middel vinden we in drie wijsheidsliederen. Hierin roept niet de vader zijn zoon op om te luisteren, maar introduceert de dichter een vrouwelijke figuur Wijsheid die luidkeels en openlijk het woord richt tot alle toehoorders. In Spreuken 9 heeft ze een tegenhanger, Vrouwe Dwaasheid.

Formeel zijn de drie wijsheidsliederen van de leerdichten onderscheiden. Alle drie introduceren ze de Wijsheid, zeggen ze waar ze roept, en vervolgen ze met de directe rede, bijvoorbeeld zoals in 1:20 en volgende:

1:20

De Wijsheid roept luid, buiten op straat

op de pleinen verheft ze haar stem.

1:21

Op de hoeken van straten staat ze te roepen,

bij de ingang van de stadspoorten neemt ze het woord:

1:22

Hoe lang nog, onverstandigen, houdenjullie van onverstand?

Hebben spotters genoegen aan hun spotternij?

Hebben dwazen een hekel aan kennis?’

Maar ook in de leerdichten wordt bij voortduring zó over de wijsheid gesproken alsof zij een vrouw is. Zo kun je haar liefhebben, omarmen, en zegt 4:9, heel anders dan 1:9,

4:9

Zij {Wijsheid) legt om je hoofd een lieflijke krans

en verschaft je een prachtige kroon.

De lezer zal opmerken dat aan de andere kant het verschil tussen de vreemde vrouw, de onbekende die met haar woorden verleidt, en de gepersonifieerde dwaasheid, Vrouwe Dwaasheid van 9:13, amper te herkennen is. Het lijkt erop dat de dichter opzettelijk met deze ambiguïteit speelt. Het lange gedicht 7:6-23 dat opgenomen is in het leerdicht 7:1-27komt meteen na het leerdicht 6:20-35 dat waarschuwt tegen overspel en ontucht. Daarom ben je geneigd om 7:6-23 ook te zien als een schets van een overspelige vrouw. Maar wie het raamwerk van deze beschrijving leest, en dan vooral 7:4-5 en 25-27, raakt aan het twijfelen: gaat dit gedicht nog steeds over overspel en ontucht, of eigenlijk over dwaasheid?

Tweedelingen

Bij het lezen stuit je als vanzelf op de motieven die steeds gebruikt worden. Voortdurend hanteert de dichter het beeld van de weg of het pad, dat gecombineerd wordt met tegenstellingen zoals die tussen wijsheid tegenover dwaasheid, leven tegenover dood, recht tegenover krom.

Maar de dichter werkt ook opzettelijk met tweedelingen in de vorm van sommige gedichten. In het dubbelgedicht van de Wijsheid en de Dwaasheid vormen 9:1-6 en 9:13-18 een prachtig tweeluik. Bij eerste lezing vallen misschien alleen de meest duidelijke en oppervlakkige tegenstellingen op, maar als je nauwkeuriger leest dan zie je alle subtiele nuances die de dichter in zijn schilderingen aanbrengt. De zes verzen er tussen in lijken dit beeld te verstoren, maar grijpen terug op de terminologie van de leerdichten. Het gaat hier om een opzettelijke invoeging: het onderricht van de vader (of leraar) wordt geplaatst tussen de uitnodigingen van de Wijsheid en de Dwaasheid.

Een ander voorbeeld van een gedicht waarin de tegenstellingen ook in de vorm tot uiting komen is Spreuken 2. De eerste helft bestaat uit de aansporing de wijsheid te volgen. Kwaad bestaat niet in deze eerste helft; alleen wijsheid, kennis en inzicht. De tweede helft verwijst juist naar die vormen van kwaad waartegen men dan beschermd is.

Indeling

De precieze indeling van Spreuken 1- verschillende gedichten en liederen is omstreden, vooral als het gaat om hoofdstukken 3, 4, en bij de vraag of hoofdstuk 7 een vervolg is op 6:20-35. Sommige vertalingen gebruiken witregels om grotere scheidingen in gedichten aan te geven, maar erg consequent of literair verantwoord is dit niet. Als hulp volgt een indeling van de gedichten van Spreuken 1-9, samen met een voorstel voor een indeling van deze gedichten in strofen en stanza’s. Het laatste is grotendeels overgenomen van Jan Fokkelman, Dichtkunst in de bijbel. Eén schuine streep scheidt strofen, een dubbele scheidt stanza’s:

strofen {/) en stanza’s (//)

1:1-7

Proloog

2-4/5-7

1:8-19

Leerdicht 1

8-9/10-12/13-14 // 15-16/17-19

1:20-33

Wijsheidslied 1

20-21/22-23/24-25 // 26-27/28-30/31-33

2:1-22

Leerdicht 2

I: 1-2/3-4 // 5-6/7-8 // 9-11

II: 12-13/14-15 // 16-17/18-19 // 20-22

3:1-20

Leerdicht 3

1-2/3-4/5-6/7-8 // 9-10/11-12 // 13-15/16-18/19-20

3:21-35

Leerdicht 4

21-22/23-24/ 25-26 / / 27-29/30-3 2/33-35

4:1-9

Leerdicht 5

1-2/3-4/5-6/7-9

4:10-19

Leerdicht 6

10-11/12-13 // 14-15/16-17/18-19

4:20-27

Leerdicht 7

20-22/23-25/26-27

5:1-23

Leerdicht 8

1-2/3-4/5-6/7-8/9-11/12-14 // 15-17/18-19/20-21/22-23

6:1-19

Waarschuwingen

1-2/3a-d/4-5 // 6-8/9-11 // 12-13/14-15 // 16-19 //

6:20-35

Leerdicht 9

20-22/23-24 // 25-26/27-29 // 30-31/32-33/34-35

7:1-27

Leerdicht 10

1-3/4-5 // 6-7/8-9 // 10-11/12-13/14-15/16-17 // 18-20/

21-23 // 24-25/26-27

8:1-36

Wijsheidslied 2

1-3/4-5/6-7/8-9/10-11 // 12-14/15-16/17-19/20-21 //

22-23/24-26/27-29 // 30-31/32-33/34-36

9:1-18

Wijsheidslied 3

1-3/4-6 // 7-9/10-12 // 13-15/16-18

Spreuken van Salomo (10:1-22:16 en 25:1-29:27)

De eigenlijke ‘Spreuken van Salomo’ die meer dan de helft van het boek uitmaken, vinden we vanaf hoofdstuk 10. Wat meteen opvalt is de aparte literaire vorm. Bijna al deze meer dan vijfhonderd spreuken bestaan uit één vers met twee versdelen of lijnstukken. Anders dan de leerdichten van hoofdstukken 1-9, of de ‘woorden van de wijzen’ in 22:17-24:34, richten deze spreuken zich niet direct tot een aangesprokene, maar geven beschrijvingen waaruit de hoorder of lezer zelf de strekking halen. Bijvoorbeeld: in de leerdichten wordt ‘mijn zoon’ opgeroepen om te luisteren (zoals in 1:8 ‘Hoor, mijn zoon, het onderricht van je vader’), maar in de spreuken wordt degene die wel of niet luistert beschreven:

15:5

De dwaas verwerpt het onderricht van zijn vader,

maar wie een berisping ter harte neemt wordt verstandig.

Tegengesteld parallellisme

Met dit voorbeeld hebben we meteen een tweede groot verschil te pakken. We zagen dat in Spreuken 1-9 tegenstellingen tot uitdrukking gebracht worden op het niveau van strofes of grotere gedeelten van het gedicht; op versniveau is er vooral sprake van een herhalend parallellisme.

In bijna de helft van de ‘spreuken van Salomo’ vinden we ook zulke tegenstellingen. Maar omdat de literaire vorm maar één vers groot is, wordt die tegenstelling uitgedrukt in de twee versdelen. Het tweede versdeel herhaalt niet het eerste, maar geeft in veel spreuken een tegenstelling aan. In de Nederlandse vertalingen zijn deze verzen met zo’n tegengesteld of antithetisch parallellisme gemakkelijk te herkennen door het woordje ‘maar’ dat de vertalers vaak aan het begin van het tweede versdeel gebruiken. De lezer moet weten dat het Hebreeuws hier geen apart woordje ‘maar’ heeft, maar gewoon een verbindingswoordje dat je ook met ‘en’ zou kunnen vertalen. De tegenstelling zit in de versdelen als geheel.

Vooral in Spreuken 10-15 en 28-29 ligt die tegenstelling ook op het vlak van de woorden. Als in hoofdstuk het eerste versdeel ‘rechtvaardig’ voorkomt, dan is het bijna zeker dat in het tweede versdeel ‘goddeloos’ gebruikt wordt. Hetzelfde geldt voor ‘wijs’ en ‘dwaas’, of ‘arm’ en ‘rijk’. In vertaling komt dit tegengesteld parallellisme soms wat sja-bloonachtig of monotoon over. Niet elke spreuk is even subtiel. Toch hebben de meeste spreuken wel iets verrassends: op basis van het eerste versdeel kun je het tweede niet precies voorspellen. Je zou bijvoorbeeld na het eerste versdeel van 15:5 (zie boven) zelf het tweede versdeel kunnen aanvullen: ‘maar de wijze neemt de berisping van zijn moeder ter harte’. Maar ook in vertaling kun je zien dat in deze spreuk in het tweede versdeel niet alleen de begrippen tegengesteld zijn, maar ook onderwerp en werkwoord omgedraaid zijn. Tegenover ‘de dwaas’ staat niet ‘de wijze’, maar ‘degene die een berisping ter harte neemt’, terwijl het tegenovergestelde van ‘dwaas’ in de werkwoordsbepaling ‘is verstandig’ terugkomt. In het Hebreeuws is dat één woord, dat zowel ‘is verstandig’ (zo NBG) als ‘wordt verstandig’ (Willibrordvertaling) betekenen. Hiermee bevat de spreuk nog een derde tegenstelling, namelijk die tussen een toestand van ‘dwaas zijn’ en een proces van ‘verstandig worden’.

Ordening van de spreuken

In deze twee collecties ‘spreuken van Salomo’ gaat het om verzamelingen spreuken die min of meer op zichzelf staan. Maar ze zijn niet zomaar willekeurig achter elkaar gezet. Steeds weer kom je kleinere of grotere groepjes spreuken tegen die iets gemeenschappelijks hebben. Zo zijn in 16:10-15 vijf spreuken die over koningen gaan bij elkaar gezet, en gaan elf van de eerste twaalf verzen van hoofdstuk 26 over de ‘dwaas’ (het Hebreeuws gebruikt steeds hetzelfde woord, maar de NBG-vertaling varieert met ‘dwaas’ en ‘zot’). In de eerste collectie spreuken (10:1-22:16) heb je min of meer twee groepen. In hoofdstukken 10-15 is minstens drie kwart van de spreuken antithetisch, waarbij de lezer voortdurend op de tegenstellingen ‘rechtvaardig’ en ‘goddeloos’, en ‘wijs’ en ‘dwaas’ stuit. Vanaf hoofdstuk 16 is nog maar één kwart van de verzen antithetisch, en komen die tegenstellingen veel minder vaak voor. In plaats daarvan heb je meer spreuken die betrekking hebben op het alledaagse leven, zoals bijvoorbeeld:

18:18

Het lot brengt geschillen tot bedaren

en haalt zelfs de machtigen uit elkaar.

De overgang tussen beide hoofddelen wordt gevormd door 15:25-16:11 waar in twintig verzen dertien keer de naam van jhwh genoemd wordt (tegen 42 keer in de overige 355 verzen).

Naast het antithetisch parallellisme zijn er in de twee collecties ‘spreuken van Salomo’ ook andere vormen voor de spreuk. Het Hebreeuwse woord voor spreuk, masjal, heeft te maken met ‘gelijk zijn’ of ‘vergelijken’. Dit komt duidelijk naar voren in die spreuken die twee of meer zaken met elkaar vergelijken.

De gelijkenis

Sommige spreuken hebben twee versdelen waarvan de eerste een beeld uit het alledaagse leven presenteert, terwijl de tweede een rake vergelijking geeft die soms een morele uitspraak bevat. In de meest uitgebreide vorm begint het eerste versdeel met ‘zoals’, en het tweede met ‘zo’.

26:2

Zoals een mus wegfladdert, zoals een zwaluw vliegt—

zo een ongegronde vloek: hij komt niet uit.

Meestal ontbreekt in het Hebreeuws het ‘zo’, en vaak ook nog het ‘zoals’. De twee versdelen zetten dan twee beelden naast elkaar, waarbij de hoorder zelf de vergelijking moet ontwaren.

11:22

Een gouden ring in een varkenssnuit;

Een mooie vrouw zonder verstand.

25:25

Koel water voor een dorstige keel;

en een goede tijding uit een ver land.

Vaak hebben de Nederlandse vertalingen woordjes als ‘zoals’, ‘als’ of ‘dat is’ toegevoegd, waarbij helaas soms ook de volgorde van de twee versdelen is omgekeerd. In sommige gevallen zetten ook de vertalingen de twee beelden naast elkaar, en moet de lezer zelf zich afvragen of hier sprake van een opsomming of van een vergelijking is. Zo vertaalt bijvoorbeeld de Willibrordvertaling:

26:20

Als er geen hout meer is gaat het vuur uit.

Als er geen lasteraar meer is, houdt de ruzie op.

maar mag je dit ook opvatten als:

26:20

Zoals het vuur uitgaat als er geen hout meer is,

houdt de ruzie op als er geen lasteraar meer is.

De ‘beter dan’ vergelijking

Andere spreuken vergelijken twee zaken met elkaar waarbij het één als ‘beter’ wordt beoordeeld ‘dan’ het ander. De meeste van deze spreuken zijn herkenbaar aan het ‘beter dan’ patroon.

21:9

Beter te wonen op de hoek van het dak,

dan samen met een twistzieke vrouw in huis.

19:1

Beter een arme die zich onberispelijk gedraagt

dan een man met slinkse woorden die dwaas is.

Dit soort spreuken zou uit het dagelijks leven kunnen komen. Je treft dan ook dezelfde of vergelijkbare spreuken in de collecties ‘spreuken van Salomo’. Vergelijk bijvoorbeeld 21:9 met 21:19 en het bijna identieke 25:24 (alleen het Hebreeuwse woordje voor ‘te’ ontbreekt), of 19:1 met 28:6.

Raadsels en getallen-trap-spreuken

Spreuken 1:6 noemt ‘raadsels’, maar het is niet helemaal duidelijk welke spreuken ‘raadsels’ zijn. Je kunt je van sommige eerste versdelen indenken dat ze als raadsel zijn gesteld, terwijl het tweede versdeel het antwoord geeft. Dat zou bijvoorbeeld kunnen met een vraag als ‘(Wat is als) een gouden ring in een varkenssnuit?’ (11:22).

Meer verwantschap met het raadsel vind je in de getallen-trap-spreuken die niet in decollectie ‘spreuken van Salomo’, maar wel in de woorden van Agur (én elders in de Hebreeuwse Bijbel) gevonden worden. Spreuken 30 heeft een hele serie zulke spreuken die ingeleid worden met het schema van minstens twee opeenvolgende getallen (meestal twee-drie, of drie-vier). Soms gaat het gewoon om opsommingen, waarbij de opeenvolgende getallen het idee van volledigheid uitdrukken. Een aantal keren gaat het om de verrassende wending van het laatste element. Van dit soort getallen-trap-spreuken kun je je goed voorstellen dat ze raadsel en oplossing zijn:

30:29

(Raadsel:) Deze drie hebben een statige tred,

vier een statige gang.

30:30

(Oplossing:) De leeuw, de held onder de dieren,

die gaat voor niemand aan de kant;

30:31

de haan, de bok,

en de koning, vergezeld van zijn krijgsvolk.

Hiermee verwant zijn de spreuken die in het eerste versdeel twee zaken noemen, en in het tweede versdeel een derde die de vorige overtreft. Een duidelijk voorbeeld is 27:3:

27:3

Steen is zwaar en zand weegt

maar de ergernis over een dwaas is nog zwaarder dan die twee.

Hierbij kun je je afvragen of deze spreuk misschien een uitwerking van een raadsel is (‘Wat is zwaarder dan steen, en wat weegt meer dan zand?’) of een verkorte getallen-trap-spreuk (‘Deze twee zijn zwaar; drie wegen veel’).

Eén- en tweeregelige spreuken

Spreuken 25:1 heeft het over het verzamelen van spreuken van Salomo, maar niet alle spreuken uit de twee collecties hebben dezelfde achtergrond. Van sommige spreuken kun je je gemakkelijk voorstellen dat ze in het dagelijks leven gebruikt werden. Andere, zoals de spreuken over rechtvaardigen en goddelozen, wekken de indruk een meer didactische oorsprong te hebben. Dit verschil is van invloed op de literaire vorm.

Bijna alle spreuken bestaan uit twee versdelen. Soms geeft het tweede versdeel de pointe, maar even zo vaak is het eerste versdeel ook denkbaar zonder het tweede. Een duidelijk voorbeeld van het laatste is 11:2:

11:2

Komt hoogmoed, komt oneer

maar bij nederigen is wijsheid.

Het eerste versdeel heeft in het Hebreeuws klankrijm en assonantie: ba zadon wayavo qalon, met alleen a en o klanken, en ook nog een eindrijm op -on. Daarom men zich dit deel ook als zelfstandig voorstellen. Het tweede versdeel geeft een creatieve wending, onder andere door een woordspel tussen qalon ‘oneer’, dat te maken heeft met ‘weinig voorstellen’, en ‘nederigen’. De strekking van de spreuk als geheel is dat hoogmoedigen vernederd zullen worden, maar dat degenen die van zichzelf nederig zijn wijs zijn. Dit vers is een vande voorbeelden waarbij het heel goed mogelijk is dat een oorspronkelijk éénregelige spreuk uitgebreid is tot een tweeregelig vers. We kunnen dit vers vergelijken met nog een ander:

13:10

Door hoogmoed brengt een leeghoofd ruzie

maar bij hen die zich laten adviseren is wijsheid.

De vertalingen interpreteren het Hebreeuws niet op precies dezelfde manier, maar zowel in 11:2 als in 13:10 gaat het eerste versdeel over hoogmoed, waartegenover het tweede versdeel wijsheid stelt. De twee tweede versdelen verschillen maar in één woord (‘nederigen’ in 11:2 en ‘hen die zich laten adviseren’ in 13:10). In het Hebreeuws lijken deze twee verschillende woorden erg op elkaar: als je de letters van het ene woord verwisselt krijg je het andere. De ene spreuk moet de andere beïnvloed hebben: hetzelfde (bijna, maar net niet helemaal) tweede versdeel is aan een eenregelige spreuk over hoogmoed toegevoegd.

Woord en aantal

Het aantal spreuken dat bijeen is gebracht is niet toevallig. De eerste collectie ‘spreuken van Salomo’ (10:1-22:16) bestaat uit 375 verzen. Dit is de getalswaarde van de naam Salomo die in het Hebreeuws geschreven wordt met de vier letters sj (= 300), l (= 30), m (= 40), en h (=5). In de tweede collectie, waarvan de titel zegt dat ze verzameld zijn door de mannen van Hizkia, is het niet zeker of het aantal verzen bewust gepland is. Er zijn 137 verzen met zo’n 130 spreuken, wat min of meer overeenkomt met de getalswaarde van de naam Hizkia (getalswaarde 130). Hier is de optelsom niet zeker omdat het aantal spreuken niet helemaal overeenkomt met het aantal verzen, en de naam Hizkia ook op andere manieren gespeld en dus geteld worden (resulterend in 136, 140 of 146).

Woorden van Wijzen (22:17-24:34; 30-31)

De meeste ‘woorden van de wijzen’ verschillen van de leerdichten, wijsheidsliederen en spreuken van Salomo. De aanduiding ‘woorden’ is een verzamelterm voor de meest uiteenlopende literaire vormen. Bovendien is geen van de vier collecties (22:17-24:22; 24:23-34; 30; 31) een literaire eenheid. In deze collecties kom je vooral drie verschillende literaire vormen tegen, namelijk ‘raadgevingen’ (22:17-23:28; 24:1-22; 31:2-8), ‘getallen-trap-spreuken’ (30:7-33; zie korte bespreking boven), en acrostichische gedichten (23:29-35; 24:1-22; 31:1031).

Raadgevingen

Van 22:17 tot en met 23:28 lezen we korte raadgevingen die net als de leerdichten (hoofdstuk 1-7) gericht zijn tot ‘mijn zoon’. Ze verschillen van de meeste leerdichten door hun kortere lengte en door de grotere afwisseling van thema’s. De Nederlandse vertalingen proberen om met behulp van witregels verschillende blokjes raadgevingen thematisch af te bakenen. Veelal bestaan de raadgevingen (zoals ook een aantal in Spreuken 3) uit een bevel gevolgd door een reden. Die reden wordt soms met ‘want’ ingeleid, maar in andere gevallen moet de lezer zelf beseffen dat de spreuk die na het bevel komt er toe dient om het bevel te ondersteunen. Bijvoorbeeld:

22:28

Verleg de aloude grens niet

die je voorvaderen instelden.

22:29

Zie je iemand die bekwaam is in zijn werk?

Hij zal in dienst staan van koningen;

niet zal hij in dienst staan van onaanzienlijken.

De meeste raadgevingen zijn opgebouwd uit twee verzen en vier versdelen. Daarin lijken ze op de Egyptische ‘Wijsheid van Amenemope’ waarmee vooral het begin van de ‘woorden van de wijzen’ grote overeenkomst vertoont.

Acrostichische gedichten

In de meest gewone vorm van acrostichische gedichten begint elk vers (of soms versdeel of strofe) met een verschillende letter, en staan die letters in alfabetische volgorde. Zulke gedichten hebben dus tweeëntwintig verzen, overeenkomend met het aantal letters van het Hebreeuwse alfabet. Omdat zulke gedichten kenmerken hebben die maar gedeeltelijk in een vertaling weergegeven kunnen worden, wijs ik op een paar bijzonderheden.

Een voorbeeld van een gewoon alfabetisch acrostichisch gedicht is Spreuken 31:10-31, het ‘Loflied op de sterke vrouw’. De dichter begint niet alleen elk volgende vers met de volgende letter van het alfabet, maar speelt ook met de namen van de letters. De Hebreeuwse letter jod is een variant vanjad, ‘hand’, en de volgende letter kaf betekent ook ‘hand’. In 31:19-20 (dejod en kaf verzen) beginnen de verzen met deze woorden ‘haar handen’, ‘haar hand’, terwijl het andere woord in het tweede versdeel gebruikt wordt. Zo begint ook 31:26 (het pe vers) met het woord pe, ‘mond’.

Wel acrostichisch, maar slechts gedeeltelijk alfabetisch zijn drie andere gedichten met tweeëntwintig verzen of versdelen. In Spreuken 2, met een tegenstelling tussen verzen 1-11 en 12-22, gebruikt de auteur maar twee letters om het gedicht te ordenen. Als we afzien van de aanhef ‘mijn zoon’ in 2:1, dan beginnen de drie stanza’s van de eerste helft van het gedicht met alef, de eerste letter van het alfabet (2:1. 5. 9), en de drie stanza’s van de tweede helft met lamed, de twaalfde letter (2:12. 16. 20). Voor een deel is dit spel of kunst, maar auteurs lijken met zulke alfabetische verzen van tweeëntwintig verzen ook volledigheid te willen uitdrukken. Dat zien we zeker in hoofdstuk 2. Dit gedicht was mogelijk vroeger veel korter, maar het is zo uitgebreid dat het nu alle hoofdthema’s van Spreuken 1-9 bevat: het zoeken naar wijsheid en het ontkomen aan de slechte weg en de vreemde vrouw.

Spreuken 23:29-35 is een tweeëntwintigregelig spotdicht met veel woordspelen en let-terspelen over drank, dronkenschap en katers. De Willibrordvertaling geeft een aardige indruk van de zeggingskracht. Het gedicht begint met de kater (acht versdelen die beginnen met lamed) en eindigt met het voornemen er weer op uit te gaan (beginnend met alef), terwijl midden in de vermaning staat: ‘kijk niet naar de wijn’ (ook een alef vers) die de cyclus van een kater, weer drinken, een nieuwe kater onderbreekt. De lezer wordt voor de keus gesteld: waar begin je mee? Met de alef van ‘kijk niet’, of de alef van ‘ik ga er weer op uit’.

Tot slot is het ook mogelijk dat 24:1-22 een onvolledig en iets in het ongerede geraakt acro-stichisch gedicht is. Verzen 1, 3, en 5 beginnen met alef, bet, gimel, en het is waarschijnlijk dat we resjvan vers 7 door dalet moeten vervangen. Als je al deze verzen (24:1-22) als één gedicht ziet, dan kun je vers 12 als het poëtische èn theologische middelpunt van het gedicht lezen.

intertekstualiteit

Veel afzonderlijke verzen vertonen overeenkomsten met andere bijbelgedeelten. Bijvoorbeeld: Spreuken 1:16 is identiek aan Jesaja 59:7, en de verschillende spreuken over tweeërlei maten die zulke praktijken duiden als een gruwel voor de Heer doen denken aan Deutero-nomium 25:13-16. Directe literaire afhankelijkheid is moeilijk aan te tonen in het geval van losse spreuken.

Eén of ander intertekstueel verband is er tussen Spreuken 22:17-23:28 en de oudere Egypische ‘Wijsheid van Amenemope’ die bestaat uit 30 hoofdstukken met grotendeels vierregelige strofen. Spreuken 22:20 gelezen worden als ‘een dertigtal (woorden) heb ik voor je opgeschreven’, en de relatie tussen de twee collecties raadgevingen blijkt ook uit de volgorde en inhoud van deze verzamelingen. De lezer mag zelf Spreuken 22:17-18; 2223; en 24-25 vergelijken met de eerste strofen van de eerste drie hoofdstukken van de Wijsheid van Amenemope in een vertaling van Jaap van Dijk:

III

9-12

Leen uw oren, luister naar wat wordt gezegd,

wees erop gespitst het te begrijpen.

Het is goed het in uw hart te bewaren,

maar schadelijk is het voor wie het veronachtzaamt.

IV

4-7

Wacht u ervoor de arme te bestelen

en de zwakke (van zijn rechten) te beroven.

Steek uw hand niet uit om iemand die ouder is in te palmen

en leg geen beslag op iemand die aanzienlijker is.

V

10-13

Begeef u niet in geredetwist met de heetgebakerde

en provoceer hem niet met woorden.

Houd u in tegenover de vijandige, buig u voor de aanvaller,

houd u slapend tegenover (zijn) woorden.

Van een heel andere aard is de literaire tocht van Vrouwe Wijsheid en Vrouwe Dwaasheid door de Bijbelse en na-bijbelse literatuur (Wijsheid duikt weer op in Sirach 24 en 51 en in Wijsheid 8; Vrouwe Dwaasheid in ‘De Verlokkingen van de Slechte Vrouw’, een wijsheidslied uit Qumran, 4Q184). Ten slotte moet gewezen worden op de opmerkelijke overeenkomst tussen Spreuken 31:10-31 en Sirach 51:13-30. Beide zijn acrostichische gedichten ter afsluiting van een wijsheidsboek; beide bezingen een vrouw; en net als Spreuken 31 heeft Sirach 51 de handen en de mond in dejod, kaf, en pe verzen.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken