1 Timoteüs
INLEIDING
1.a. titel en karakter
De naam van deze bijbelboeken is 1 en 2 Timoteüs. De apostel Paulus stuurde hem twee brieven. Sinds de achttiende eeuw worden ze samen met de Brief aan Titus Pastorale of Herderlijke Brieven genoemd. Daarmee is het karakter van deze brieven wel goed weergegeven. Hun onderwerp is inderdaad de zorg voor Gods gemeente (1 Tim. 3:5). Ze gelijken sterk op elkaar, ze gaan over dezelfde moeilijkheden, kenmerken zich door dezelfde eigenaardigheden op taalkundig gebied en stemmen overeen in godsdienstige en zedelijke opvattingen. Dit bevestigt de gedachte dat ze van één auteur zijn. Zijn eerste zorg is dat de gemeente zal blijven bij de gezonde leer. In dit licht moeten ook zijn opmerkingen gezien worden over de vervulling van de ambten van opziener en diaken. Voortdurend klinkt het krachtige vermaan om overeenkomstig het evangelie te leven. Zij die buiten zijn moeten de goede werken van de christenen zien en de mogelijkheid om te smaden worden ontnomen. In 1 Tim. krijgt de betekenis van de vrouw in de gemeente bijzondere aandacht.
Het doel van alle vermaning is liefde uit een rein hart, uit een goed geweten en een ongeveinsd geloof (1 Tim. 1:5).
1.b. achtergrond
De achtergrond wordt gevormd door het leven van de gemeente van Christus als een nog jong verschijnsel in de religieuze wereld van een antieke grote stad als Efeze in Klein-Azië in de tweede helft van de eerste eeuw. De jonge gemeente wordt getoetst in een religieuze, culturele smeltkroes in een tijd dat de tweede generatie moet aantreden. De apostelen gaan heen, hun woord moet blijven. Daarom komt het aan op betrouwbare mannen die het evangelie bewaren en bekwaam zijn anderen te onderrichten. Er zijn er genoeg die zich als leraars aandienen, maar afwijken in de leer en ook niet ‘leven in alle godsvrucht en waardigheid’ (1 Tim. 2:3). En vele mensen hebben een zwak voor verschillen en haarkloverijen. En vele zogenaamde leraars zijn aangegrepen door geldzucht, ze maken van het evangelie een winstobjekt. In dit alles speelt ook de confrontatie met joodse opvattingen en levenspraktijken een wat verborgen rol. In de tweede brief zijn dezelfde zaken aan de orde.
In die situatie is het duidelijk dat de gemeente broodnodig goede leiding behoeft. Daarom geeft Paulus talrijke aanwijzingen. Timoteüs moet uitzien naar mensen die goed onderlegd zijn in de Schriften, evenwichtig van karakter, rustig te midden van vele woelingen en goede omgangsvormen hebben. Zulke mensen kunnen als opzieners en diakenen dienen. En voor hen is voluit van toepassing wat Paulus als een altijd geldige vermaning schrijft aan Timoteüs: ‘Bewaar door de Heilige Geest het goede dat u is toevertrouwd’ (1 Tim. 1:14). Er moet voortdurend gewaakt en gestreden worden voor het geloof, en daarbij komt het aan zowel op de gezonde leer als op het ware christelijke leven. Aan de vruchten wordt de boom gekend. Goede werken van verloste mensen gelden als een goede reuk van Christus.
1.c. schrijver en lezer
De brieven staan op naam van Paulus. Toch zijn ze anders van stijl en inhoud dan de brieven aan de gemeenten van Rome, Korinte, enz. Het blijft ook moeilijk de gegevens over het werk van Paulus in de Handelingen der Apostelen te verbinden met die van deze brieven. De eerste brief schreef Paulus vanuit Macedonië, de tweede vanuit zijn gevangenschap in Rome, kort voor zijn einde. Velen veronderstellen dat Paulus na de Handelingen nog een reis naar het oosten heeft gemaakt en vervolgens te Rome weer in gevangenschap raakte. Vast staat dat Paulus met Timoteüs zeer goede betrekkingen onderhield. Dat is op te maken uit de Handelingen en uit niet minder dan negen andere brieven van de apostel. Paulus hield van Timoteüs als een vader van zijn kind. Dit krijgt nog diepere betekenis door het feit dat Paulus hem heeft besneden. Paulus had zo groot vertrouwen in hem dat hij hem ook opdroeg een heel moeilijke situatie in Korinte op te lossen, hoewel dat niet gelukte.
Als Paulus zijn einde nabij weet, verzoekt hij Timoteüs dringend naar hem over te komen (2 Tim. 4:9). Het verschil in stijl van deze brieven met die van de andere brieven kan een gevolg zijn van de verschillende hulpkrachten van wie Paulus gebruik placht te maken. Hij schreef lang niet alles eigenhandig. Het echt paulinische geluid ontbreekt in elk geval niet, zie bv. 1 Tim. 1:1-2, 15; 2: 4vv;2Tim. 1:1-11, 15-18, 2:1-13,4:9-21.
Paulus richtte zijn brieven dus aan Timoteüs. Timoteüs was zoon van een griekse vader en een joodse moeder. Zij was een vrome, gelovige vrouw, die samen met haar moeder Timoteüs de Schriften leerde kennen. Tijdens Paulus’ eerste reis kwam hij te Lystra of Derbe tot het geloof in Jezus als de Messias. Op zijn tweede reis werd hij Paulus’ medewerker. Toen Paulus deze brieven schreef, verbleef Timoteüs op aanraden van Paulus te Efeze om daar de gemeente te leiden. De brieven bewijzen zijn sterke afhankelijkheid van Paulus. Intussen moeten we beseffen dat de brieven direct het leven van de gemeente zozeer aangaan, dat we ook haar voor eerste lezer van de brieven mogen houden.
1.d. datering
Met vrij grote zekerheid is 2 Timoteüs gedateerd. De schrijver geeft in 2 Tim. 4, 6 een aanwijzing. Hij verwacht zijn einde. De dood van Paulus wordt doorgaans gedateerd in het einde van 66. Kort tevoren schreef hij 2 Timoteüs. 1 Timoteüs is evenalsTitus waarschijnlijk in Macedonië geschreven tijdens Paulus’ laatste reis door het zendingsgebied van Klein-Azië en Griekenland, na zijn eerste gevangenschap in Rome. Als hij deze reis maakte, nadat hij ook nog Spanje had bezocht, is het jaar 65 het meest aannemelijk.
1.e. leidende gedachten
Centraal uitgangspunt is het evangelie dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaren te behouden. Hij heeft Paulus in zijn genade getrouw geacht om hem in de bediening te stellen. De opdracht om bij het evangelie te volharden vertrouwt Paulus nu aan Timoteüs toe. Zie 1 Tim. 1:15,2:5,3:16, 4:10, 6:20; 2Tim. 1:8-12.
Dit dringt te meer daar de gemeente wordt geconfronteerd met dwaalleer. Ook dit thema keert regelmatig terug, ziel Tim. 1:3-11,4:1-6, 6:2b-10; 2 Tim. 3:1-13.
In zo’n situatie wordt het duidelijk dat het van groot belang is hoe de gemeente Gods wordt geleid. Zo komt de taak van ambtsdragers en gemeenteleden in het oog: 1 Tim. 3:1-13, 5:17-22,6:2b-10; 2 Tim. 2:24,25. We horen ook hoe mannen en vrouwen zich in de samenkomst van de gemeente, die ook ‘gebedskring’ is, zullen gedragen, 1 Tim. 2:8-15. De vrouw die weduwe wordt, krijgt uitvoerig aandacht, 1 Tim. 5:1-16.
Inhoud van de brief
Schrijver, lezer, groet 1:1,2
Dwaalleraars 1:3-11
Gods genade aan Paulus 1:12-20
Voorschriften 2:1-15
Opzieners en diakenen 3:1-16
De taak van Timoteüs 4:1-16
De weduwen 5:1-16
De oudsten – vermaningen 5:17-6:20
Het gevaar van de rijkdom 6:2b-21
VERKLARING
Schrijver, lezer, groet 1:1-2
De roeping van Paulus lezen we in Hand. 9:15, 13:2, 3. Hij noemt God zelf onze Heiland (1), Redder, vgl. 2:3. Van Hem gaat het heil uit. Weerkerende lofprijzing onderstreept dit, vgl. 1:17, 6:16. Christus (1) vaak vóór de naam Jezus in deze brieven, ook in 1:15, 2:6, 6:13; 2 Tim. l:9v en ook Tit. 2:11, 14. De naam Christus is in deze brief steeds verbonden met de naam Jezus, behalve in 5:11. Onze hoop (1) is de verschijning van onze Here Jezus Christus, 6:14; Tit. 2:13, 3:7; 1 Petr. 1:3. Mijn waar kind (2) noemt Paulus Timoteüs omdat hij door zijn verkondiging tot geloof is gekomen, vgl. 1 Kor. 4: 15. Barmhartigheid (2) is naar joods gebruik aan de bekende zegebede toegevoegd tussen de woorden genade en vrede, zo ook in 2 Tim. 1:2. Bedoeld is barmhartigheid in Gods oordeel.
Dwaalleraars 1:3-11
Geen andere leer (3) mag worden gebracht. Paulus geeft direct aan waarom Timoteüs in Efeze moet blijven, hij moet geen andere leer toestaan. Paulus spreekt van fabels (4) lett. mythen en geslachtsregisters die daarmee verband houden, fantasieën met oudtestamentische elementen, vgl. de wet in 1:7. Het is spelen met de heilsfei-ten. De dwaalleraars vergeten het doel van de vermaning en jagen dat niet na, (5) liefde krachtens het geloof in Christus. Leraars der wet (7) willen zij zijn, maar ze gaan voorbij aan het doel van de wet, het aanwijzen en afwijzen van tastbare zonden, vgl. 1:9 en 10. Dat past bij de gezonde leer (10) waarvan het kenmerk is dat die overeenstemt met het evangelie dat de zalige God Paulus heeft toevertrouwd, 1:11. Het is heil brengend en ge-zondmakend, vgl. 4:6, 16, 6:1, 3; 2 Tim. 4:3; Tit. 1:9,2: 1,7, 10.
Gods genade aan Paulus 1:12-20
Ik breng dank (12). De Here heeft hem uitverkoren om zijn Naam te verkondigen (Hand. 9:15). Hij dankt in het bijzonder voor de kracht die hij ontving. Het was immers een opdracht die alles vroeg. Bediening (12) lett. diakonia, dienst. De Here wilde hem gebruiken als een goed instrument. Hoewel (13) het alleen genade was dat hij dienen mocht. Het was zeker niet zijn eigen wil. Godslasteraar (13) was hij ook door zijn ontkenning dat Jezus Gods Zoon was, vgl. Mar. 14:64. Onwetendheid (13) door ongeloof. Geloof en liefde (14) daarin ervoer Paulus de overvloed van de genade in Christus. Getrouw (15) is Gods Woord, betrouwbaar. Gekomen (15): Jezus zei zelf: De Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden, Luc. 19:10. Behouden (15) is redden van het oordeel van God over de zonde. Een eerste plaats (15): Een woord als dit wijst toch direct naar Paulus als schrijver van de brief, vgl. ook 1 Kor. 15:9. Hij is een voorbeeld (16) van genade, lett. schets. Ook in een belijdenis over zijn persoon klinkt het vertrouwen door dat de gemeente zal groeien. Eer en heerlijkheid(17) . Paulus is zo vol van Gods goedheid dat hij Hem telkens moet prijzen. Hij looft de enige God als Koning der eeuwen (17). Hij dient in het Koninkrijk van God. In vers 18 neemt hij zijn gedachtengang van vers 3 weer op. Hij vertrouwt de opdracht van het Evangelie aan Timoteüs toe naar de profetieën (18). Ook Timoteüs is door God aangewezen evenals Paulus zelf, vgl. Hand. 13:2. In deze wereld heeft de dienst altijd het karakter van strijd(18) . Timoteüs moet de moed niet laten zakken, anders komt zijn geloof en geweten in gevaar en lijdt zijn geloof schipbreuk (19) op de klippen van twijfel en verwarring. Paulus gaf zulke schipbreukelingen over aan de satan, ook 1 Kor. 5:5. De uitdrukking gaat terug op Job 2:6. Hij heeft over genoemde personen, wellicht in de naam van Jezus, lichamelijke ziekte afgeroepen, om hen te louteren. Het is geen definitieve vloek. Ook hen wil hij redden. Ze moeten het lasteren (20) afleren, lett. blasfemie dat de loochening kan inhouden van Jezus als de Christus.
Voorschriften 2:1-15
Paulus heeft de samenkomsten van de gemeente op het oog in de volgende vermaningen. Smekingen (1). De gemeente komt allereerst samen om te bidden. Stil en rustig leven (2), niet gehinderd door revolutie, oorlog of vervolging. Het doel van het leven is godsvrucht (2), eerbied, geloof, omgang met God. Waardigheid (2) is een omgangswijze in het persoonlijk verkeer. Heiland (3) zie l.T. Gods reddingswerk is ook nu het belangrijkste. Alle mensen, Joden zowel als Grieken, mannen, vrouwen, jong en oud, vrij en onvrij. De tussenmuur is afgebroken, Ef. 2:14. Behouden (4), gered. Waarheid erkennen (4) is de wijze van het behouden worden. Dit erkennen is gelijk aan bekering. Eén God (5), voor allen, voor Joden, Grieken en alle anderen. Eén Middelaar (5) met nadruk één. Jezus verzoent God en mensen op de wijze zoals hier staat aangegeven. Losprijs (6) om slaven vrij te kopen. Hier wordt aangeduid de vrijheid die Jezus geeft. Getuigd (6) op de juiste, door God gestelde tijd. Na pinksteren wordt het evangelie aan allen verkondigd, vgl. Ef. 2.
Leermeester (7), Hebr. rabbi, een ambtsaanduiding, zie 2 Tim. 1:11, in geloof en waarheid (7), dat is: in de kracht van geloof en waarheid.
Ik wil (8), dit vers sluit aan bij vs 1. Met iedere plaats (8) is bedoeld iedere plaats van samenkomst, waar dan ook. Zonder toorn (8) in slechte zin, Ef. 4:26, 31 en 5:14-33 en Op. 2:1-7, waar over het zedelijke leven van Efeze wordt geschreven. Waardig, zedig, ingetogen (9) leven wordt in het bijzonder hier van vrouwen gevraagd. Zie dit tegen de achtergrond van de Artemis-cultus in Efeze, een vruchtbaarheidscultus waarin de vrouw een belangrijke rol speelde, vgl. ook 5:16, 13. Haarvlechten (9) zie Rom. 13:14. Goede werken (10) zie 5:10. De vróuwen hebben eigen mogelijkheden tot goede werken. Onderdanigheid (11) bij het onderricht (11) betekent gehoor geven aan de apostolische leer, dus willen leren, het evangelie aannemen. Onderrichten, onderwijzen herinnert aan het zendingsbevel in Mat. 28:19. Dit verband is van belang bij de interpretatie. Hier gaat het over de samenkomst van de gemeente, vgl. Tit. 2:3 waar een andere situatie zich voordoet, waarin de vrouwen wel mogen onderrichten. Ook in de joodse synagoge mocht een vrouw niet onderrichten. Gezag hebben (12) heersen, Gen. 3:16. Men bedenke dat de heerschappij van de man over de vrouw door het geloof gekerstend dient te worden. Rustig (12) of stil, 1 Petr. 3:4, alleen mogelijk door de kennis van de rust die Jezus haar biedt. Eerst Adam (13) de volgorde is hier ook rangorde, eerst geformeerd is eerst aangesprokene, eerst verantwoordelijke, Gen. 2:16v. Het gebod van God kwam door de man tot de vrouw. Zo had Adam een andere verantwoordelijkheid dan Eva. Dat vinden we in het Nieuwe Testament terug in het ambt van de verkondiging van het Woord Gods in de gemeentesamenkomst. Maar de vrouw is gevallen (14). Ook deze woorden zien we in het licht van 1:5. Paulus zegt dit niet om iemand te kwetsen, maar wil met deze woorden onderstrepen wat hij gezegd heeft. In het samen horen naar Gods Woord vinden man en vrouw weer hun van God gewezen plaats terug. Kinderen (15) vgl. 5:10, 14; Tit. 2: 4, 5. Door het baren van kinderen zal de vrouw haar heil ontvangen. Uit haar wordt de kerk gebouwd, niet in de laatste plaats door de opvoeding die zij als christenmoeder aan de kinderen geeft. Daarom zegt Paulus ook: indien zij blijft in geloof, liefde en heiliging, met ingetogenheid (15).
Opzieners en diakenen 3:1-16
Betrouwbaar (1) zie 1:15. Dit wordt beklemtoond vanwege de vele onbetrouwbare mensen in de gemeente. Opzienersambt (1) lett. episkopaat, van episkopos, opziener, dezelfde als de presbyter, de oudste, Tit. 1:5-7. Onbesproken (2) onberispelijk, geen straf voor wat dan ook schuldig. Het leven moet evangelie uitstralen. Vandaar ook de volgende vereisten. Zie vs 7. Van één vrouw (2) afwijzing van bigamie, concubinaat en scheiding. Nuchter, helder van gedachten, niet in een roes. Bezadigd (2) beheerst. Beschaafd (2) net en fatsoenlijk. Gastvrij (2) van belang voor apostelen en hun medewerkers, 5:10. Bestierder (4) zo weergegeven valt de klemtoon op het leiding geven, maar er kan ook gedacht worden aan de goede zorg voor het eigen gezin. Pas bekeerd (6) lett. noviet, pas geplant, nog jong, onvast. Oordeel (6) hier in de betekenis van beschuldiging van de duivel bij God. Buitenstaanders (7) zij die nog binnen moeten komen, nog voor het evangelie gewonnen moeten worden, heidense buren enz. Daarom moet het leven evangelie uitstralen. Ook Jezus legde telkens nadruk op het doen van de wil van God, dat is bouwen op de rots, Mat. 7:24-29, 12:50. Diakenen (8) door Paulus alleen nog in Filp. 1:1. Zie ook Hand. 6:3. Winstbejag, vgl. Hand. 5.T-11 als waarschuwing. Ook 6:10. Geheimenis des geloofs (9) zie 16. Geweten (9) geloof en rechte levenswandel behoren samen, vgl. Hand. 23:1. Op de proef gesteld (10) herinnert ons aan Rom. 5:3, standvastigheid moet blijken in de strijd des geloofs. Hun vrouwen (11) in het Grieks niet hun vrouwen, maar vrouwen. Het gaat om vrouwen die op diakonaal vlak hulp verlenen. Ereplaats (13) lett. trede omhoog, opgang (SV), vooruitgang, grotere eer. Vrijmoedigheid (13) een gave van de Geest. Door het geloof (13) is Jezus werkzaam. Vandaar de vrijmoedigheid. De diakenen zijn ook getuigen, vgl. Hand. 6v.
Dienen in het huis van God 3:14-16
Ik hoop te komen (14) vanuit Macedonië, 1:3. Huis Gods (15) Ef. 2:19-22, de gemeente is gebouwd op het fundament van apostelen en profeten, met als hoeksteen Jezus Christus, tot een woonstede Gods in de Geest. Gemeente (15) of kerk, ekklesia. Pijler en fundament (15) het beeld verschuift. De gemeente draagt de waarheid, zoals pijler en fundament het huis dragen. De gemeenschap van gelovigen leve standvastig in het ware geloof en were de leugen. Kerk-zijn is onlosmakelijk verbonden met het bewaren van de waarheid Gods. Buiten twijfel (16) of naar het oordeel van allen die het geheimenis kennen. Geheimenis (16): Gr. mystèrion. Door het leven met God in het geloof heb je er kennis aan en waardeer je het als groot. Wat volgt is nadere verklaring van de waarheid, zie 15. Vlees (16). De vleeswording van God in depersoon van Jezus Christus is dé openbaring van de waarheid, Joh. 1:14; een omstreden waarheid blijkens 1 Joh. 4:1-3. Deze regels zijn zeer waarschijnlijk uit een oud christelijke hymne. Vlees duidt op de vernedering van Christus tot en met de dood. In de opstanding is de Verworpene gerechtvaardigd door de Heilige Geest en daarna opgenomen in hemelse heerlijkheid. Hij verscheen als Vorst van het leven aan de engelen, de boodschappers van God. Die boodschap breidt zich uit tot Israel en de volken. Zo wordt de gemeente Gods de wereldkerk van allen die geloven in Christus Jezus. Dit is het geheimenis dat in het geloof alleen kan worden verstaan, voor anderen verborgen blijft.
De taak van Timoteüs 4:1-16
Hier komt aan de orde de grote rijkdom van het leven in de dienst van God. Latere tijden (1) te onderscheiden van de laatste dagen bv. in 2 Tim. 3:1. Dwaalgeesten (1) verleidende geesten (SV). Telkens wordt dit aangekondigd zoals ook in 2 Tess. 2:13. Eerst komt de afval. Gebrandmerkt (2): Slaven en misdadigers werden wel met een gloeiend ijzer gebrandmerkt. Zo zijn deze lieden gebrandmerkt in hun geweten. Ze kunnen er niet vanaf komen. Verbieden (3) deze verboden kunnen duiden op het gnosticisme dat ook sterk ascetische trekken had. Dankzegging (3) geeft een duidelijk positieve levenshouding aan ten opzichte van de gaven van God in de schepping. De tegenstelling Geest-materie als goed en kwaad is hiér niet. Woord Gods (5) hier te denken als het scheppingswoord van God. De wereld is er op Gods bevel. Gebed (5) geeft aan van Wie men de gaven ontvangt. Wat God geschapen heeft (4) wordt op rechte wijze genoten als Hij ervoor wordt gedankt.
Dienaar (6) Gr. diakonos. Oudevrouwenpraat (7) vgl. 1: 3-7. Ook hier is weer sprake van mythen. Oefenen (7) lett. gymnastiek doen, lenig blijven, trimmen. Godsvrucht, 3:16, heb je niet zomaar ter beschikking, je moet er in bezig blijven, anders wordt het een leven zonder enige spanningskracht en uitstraling. Dan is er geen weerstand tegen dwalingen. Lichaam (8): Oefening van het lichaam heeft enig nut voor deze tijd, godsvrucht veel meer omdat ze ook gericht is op het toekomende leven, naar Gods belofte. Betrouwbaar (9) het is van even groot belang als wat in 1:15 staat. Een Heiland voor alle mensen (10) algemeen op te vatten daar God gezondheid en allerlei zegeningen geeft aan allerlei mensen, vgl. Jezus’ houding ten opzichte van alle mensen, de schare. Verlossing in de volle zin wordt het deel van de ware gelovigen. Paulus weet uit ervaring welke inzet nodig is om in het geloof te volharden.
Beveel (11): Omdat God een Heiland is kan de gelovigen bevolen worden zich te houden aan ‘de goede leer’ vs 6. Jeugdige leeftijd (12) plmin. 35 jaar, nog jong om als leraar op te treden, zie 1 Kor. 16:10, maar hij is toch ambtsdrager. Voorlezen, vermanen, leren (13) in de samenkomst van de gemeente, vgl. 1:18-2:15, 3:14. Voorgelezen wordt uit het O.T. en ook uit die delen van het N.T. die reeds in omloop zijn. Gave (14) charisma. Profetenwoord(14) zie 1:18. Handoplegging (14) ambtelijke handeling van de oudste bij de aanvang van het werk van een nieuwe ambtsbroeder. Paulus was er bij, 2 Tim. 1:6. Het was een teken van de belofte van de Geest voor de ambtsdrager. Gezamenlijk (14) lett. presbyterium, wat eenheid en gezamenlijkheid van de oudsten weergeeft. Dat gij vooruitgaat (15) een charisma is blijkbaar een dynamische gave. Zijn niet vele charismata zo verwaarloosd dat ze weinig of helemaal niet meer voorkomen? Zie toe (16): Uit dit gedeelte blijkt hoe nodig het kan zijn, dat werkers in de gemeente elkaar opwekken. Het kan nodig zijn dat anderen ons wijzen op wat God ons heeft gegeven.
De weduwen 5:1-16
Vaders, broeders, moeders, zusters (1, 2) de gemeenteleden vormen een familie, wonend in het huis Gods, vgl. 3: 15. Zo moeten ze ook met elkaar omgaan. Reinheid (2) zuiverheid. Weduwen (4) in ere houden, zo nodig ook met geld ondersteunen. In dit gedeelte geeft Paulus aanwijzingen aangaande de weduwen in dienst of bediening gesteld van de gemeente. Wat dit inhoudt, wordt niet geheel duidelijk. Evenals oudsten en diakenen moeten ook zij van onbesproken gedrag zijn. Waarlijk (4): Onderscheid wordt gemaakt tussen weduwen die wel en die niet op familie kunnen terugvallen. De eersten komen niet in aanmerking voor geldelijke steun, de laatsten wel. Laten de kinderen en kleinkinderen (4) hun moeder en grootmoeder onderhouden, dat is godsvrucht. Een andere uitleg: Laten de echte weduwen godsvrucht tonen, ze vertrouwen dan alleen op God en zijn intens levende christenen. Dat maakt ze ook betrouwbaar om in de gemeente op bijzondere wijze te dienen, zij mogen daartoe verkozen worden, zie 9. Afhankelijkheid van en eerbied voor God komen uit in haar smekingen en gebeden (5), vgl. Anna in Luc. 2:36. Anderen die een los leven leiden (6) zijn innerlijk los van God en daarom af te wijzen voor de bediening in de gemeente. Erger dan een ongelovige (8), een bijzonder scherp oordeel. Grote nadruk legt Paulus hier op de geloofspraktijk van de vrouw iniret gezin, in het bijzonder omdat de man gestorven is. Als weduwe (9), nu volgen de condities om in de bediening te worden gesteld. Ze moet zestig zijn, een leeftijd waarop ze zelf doorgaans geen kinderen meer te verzorgen heeft, zie 10. En ze moet al veel liefde hebben getoond voor haar medemensen. Bovendien zal ze niet opnieuw in het huwelijk treden wat bij een jonge weduwe wel het geval kan zijn (11). De eerste trouw, de belofte aan de gemeente, afgelegd voor het verdere leven bij aanvaarding van het ‘weduwe-ambt’. Opnieuw huwen gold als verzaken van de beloofde trouw. Bij gebrek aan bezigheid (13), het wordt niet duidelijk wat precies de inhoud van het ‘weduweambt’ was, wellicht een geestelijke taak, die men alleen kon vervullen als men geheel op de Here en zijn gemeente gericht was. Van jongere weduwen had Paulus die verwachting niet. Satan (15), let op de scherpe tegenstelling: Satan-Christus. Een gelovige vrouw (16) te denken is aan een dochter die haar moeder en schoonmoeder verzorgt.
De oudsten – Vermaningen 5:17-6:2a
Eerbewijs (17) zie volgend vs. Een os (18) Deut. 25:4. Loon (18) Luc. 10:7. Getuigen (19) Deut. 19:15. Voor God (21): Voor het aangezicht van God, in zijn tegenwoordigheid. God en Christus regeren, vgl. Op. 4 en 5, de engelen omgeven zijn troon. Deze betuiging, bezwering onderstreept de grote verantwoordelijkheid van het leiding geven in de gemeente.
De handen opleggen (22) zie 3:1-13. De zonden (24). Zondige gebruiken kunnen hardnekkig zijn. Die zich daaraan schuldig maken, kunnen niet voorgaan. Dat zou het missionaire karakter van de gemeente afbreuk doen. Onder het slavenjuk (1) zie 1 Kor. 7:21vv. Slaven zijn volwaardig gemeentelid en van hen wordt op hun plaats trouw verwacht, ontrouw zou het evangelie schaden, vgl. 1 Petr. 2:18. De verhouding slaaf-heer wordt vernieuwd door de liefde.
Het gevaar van rijkdom 6:2b-21
Haarkloverijen (4) woordenstrijd, vgl. 1:3-11. Winstgevend (5) ze maken van de dienst van God een geldzaak, ..zie ook 3:3, 8. Religie blijkt voor hen profijtelijk. Er wordt herhaaldelijk voor gewaarschuwd, Tit. 1:11. De SV heeft aan het eind van 5: Wijk af van dezulken, naar sommige handschriften. Niets (7) Job 1:21. Genoeg (8) zie de bede van Spr. 30:8. Verzoeking (9): Ook Jezus wijst op het gevaar, Mat. 13:22. Ondergang (9) verlorenheid. De wortel (10) Gr.: wortel. Terwille van geld zijn alle misdaden mogelijk. Vele smarten (10). De zorgen om veel geld te verkrijgen en te behouden zijn voor genoemden dodelijk wat het geestelijke leven betreft. Gij, mens Gods (11): Gij, met nadruk voorop, zie Deut. 33:1,2Tim. 3:17. Ontvlucht, jaag naar (11) let op het gebruik van deze dynamische woorden. Gerechtigheid najagen (11) Spr. 15:9. Gerechtigheid omvat het christelijke leven. Strijd (12) het lijden om het evangelie, de inzet van alles voor het geloof, ook 1:18 en 2 Tim. 4:7. De goede strijd is geen woordenstrijd, 4. Grijp naar (12) weer dezelfde dynamiek als in 11. Geen traagheid, maar vaart. De woorden roeping en belijdenis (12) duiden hier op het moment van de doop: God roept en de mens belijdt. Voor God (13) 5:21. Goede belijdenis (13) Mat. 27:11 par. Joh. 18:36v, 19:11. Gebod-verschijning (14) het handhaven van het gebod richt zich op de verschijning (epifanie) van Christus. Heerser (15) deze volgende titels werden in de hellenistische tijd op keizers toegepast, hier op God. Daarmee zijn alle machthebbers onder God gesteld. Die geen mens gezien heeft (16) Ex. 33:20. Jezus verschijnt en wordt aanschouwd, God nimmer, vgl. Joh. 1:18.
Die rijk zijn (17): De draad van vs 9 wordt weer opgenomen, nu voor hen die al rijk zijn. Hooghartigheid (17) staat tegenover de eenvoud die gevraagd wordt, Rom. 12:16. Zij moeten op God leren hopen en zich niet verheffen op hun bezit. Wie rijk is, is nog niet altijd rijk in goede werken. God vraagt dat we het goed dat we ontvangen, delen met anderen. Dat heeft toekomst. Wie deelt, leeft echt. Zo krijgt geldzucht geen kans, vgl. 10. Bewaar (20) Timoteüs moet het depositum, het geestelijke goed, nl. de prediking van het evangelie, die hem toevertrouwd is, goed bewaken tegen het gevaar van de gnosis. Kennis (20) gnosis, zie 1:4vv; het gnosticisme was een groot gevaar voor de kerk van de eerste eeuwen. Dat begon al op te komen in Paulus’ dagen. Daarom achtte hij het een zaak van groot vertrouwen dat het evangelie aan hem en ook aan Timoteüs was toevertrouwd, vgl. 1:12. Verder 1:18; 2Tim. 1:12, 14, 3:14; 1 Kor. 4:1vv.