< Terug

De vuurwerkramp in Enschede

Op zondagmorgen 14 mei 2000 rijdt dominee Evert Jan Veldman van Hengelo naar Enschede, want hij gaat voor in de Opstandingskerk, zijn gemeente. Hij wordt aangehouden door de politie. Hij mag de stad niet in, niemand mag de stad in. Pas als hij heeft aangetoond dat hij zijn toga bij zich heeft en echt moet voorgaan in de dienst mag hij doorrijden. Hij rijdt de stad binnen en ziet allemaal verdwaasde mensen, ze kijken niet eens uit bij het oversteken. Er gaat bij hem een knop om: wij moeten bij die mensen zijn, zij zijn ontredderd.

Wat is er gebeurd?

Op de prachtige zonnige zaterdagmiddag van 13 mei 2000 rukt om 3 uur ‘s middags de brandweer uit naar de Deurningestraat in Enschede. Er is brand bij een vuurwerkopslag. De branden worden met moeite geblust. Op het moment dat de brandweer denkt de brand meester te zijn, zijn er twee enorm grote ontploffingen vlak na elkaar.

Dat heeft een grootschalige ramp tot gevolg. Drie brandweermannen komen om en in de woonwijk Roombeek worden huizen vernield door de klap, met in totaal 23 doden en bijna 1000 gewonden. 42 hectare is verwoest, 200 woningen zijn volledig verwoest en 1250 mensen dakloos.

Evert Jan vertelt mij zijn verhaal. ‘Ik had zaterdagmiddag de drukgolven van de klap van half vier wel gevoeld en niet lang daarna werd ik ook door verschillende mensen gebeld, uit Enschede. Ook mijn organist belde, hij vroeg of hij bij mij kon slapen, want zijn huis stond er niet meer. Ik heb meteen de preek voor zondag in de prullenbak gegooid en een nieuwe gemaakt. Maar de ernst van de situatie besefte ik pas echt, toen ik zondagsmorgens in Enschede aankwam om naar de kerk te gaan.’

De kerkdienst was een emotioneel gebeuren, met minder dan de helft van het normale aantal kerkgangers. Na de dienst is hij meteen de stad ingegaan, om bij de ontredderde mensen te zijn. Ieder wilde vertellen hoe het was, de eigen belevenissen in relatie tot de ramp. De hele wijk Roombeek was een chaos en in de nabije omgeving waren ook veel huizen door de drukgolf van de ontploffingen ontzet.

Nationale ramp

Het was een nationale ramp. Evert Jan kreeg van Kerk in Actie van het Landelijk Dienstencentrum een telefoontje: ‘Dit zal geld gaan kosten, wij gaan daar ook mee bezig voor een actie, vind je dat goed?’ Dat was een welkome steun!

De Algemene Kerkenraad besloot dat de dominee die in het gewone gemeentewerk al veel kontakten had met de samenleving (en dat had dominee Veldman) van het geld een 0,3 fte aanstelling kon krijgen om zich helemaal te richten op de ramp. Ook bij de Katholieke Kerk mocht Esther van de Vate, pastoraal werkster, zich richten op de ramp (0,7 fte).

… dat we minstens vijf jaar trouw moesten zijn aan de mensen van het rampgebied

De kerken van Enschede moesten hun eigen strategie bepalen in welke rol ze zouden kunnen spelen. Belangrijk was, dat midden in de chaos van het begin predikant Otto Ruff vrijwel meteen contact had opgenomen om te helpen. Dat was een gouden greep. Hij was eerder nauw betrokken geweest bij de Bijlmerramp en heeft kunnen helpen om een strategie uit te zetten voor de toekomst. Samen met vijf Surinaamse en Antilliaanse moeders, ervaringsdeskundigen, kwam hij de eerstvolgende donderdag vanuit Amsterdam naar Enschede en zij vertelden in een overvolle kerkzaal wat ook hier te wachten stond. ‘Er waren veel mensen afgekomen op deze bijeenkomst want iedereen wilde wel helpen. Maar hoe? En wat? Zij vertelden dat we minimaal vijf jaar trouw moesten zijn aan de mensen van het rampgebied.’

Een belangrijke bron van informatie is de kaartenbak van de kerk. Welke mensen woonden in de wijk voor de ramp? Deze mensen werden opgezocht en bezocht. Maar ook was het belangrijk aanwezig te zijn op de locatie. Evert Jan vertelt:

‘Er was een vrouw met een bos bloemen. Ze wilde wat doen en was naar Enschede gereisd. Ze liep wat verdwaasd rond, aan wie moest ze de bloemen nou geven? Ik sprak haar aan en zei: geef de bloemen maar aan mij, ik zorg dat ze bij de juiste persoon komen!’

Na twee jaar hield Andries Baart in Enschede een lezing over kerkelijke presentie in Roombeek. Hij versterkte de gedachte die al bij Evert Jan was opgekomen: er moest een ‘Huis van Verhalen’ komen. Andries was in Zuid-Afrika geweest en had daar een ‘Huis van Verhalen’ gezien. Op de vloer lag een plattegrond van een wijk, die was weggevaagd. Mensen konden zo aangeven waar ze hadden gewoond en hun verhalen vertellen.

Zo’n plek moest er ook in Roombeek in Enschede zijn. Dat ‘Huis van Verhalen’ is er gekomen en nog steeds kunnen mensen er terecht. (www.huisvanverhalenenschede.nl)

We beëindigen het gesprek. Er is nog veel meer verteld, en Evert Jan laat blijken dat deze gebeurtenis hem nog steeds erg raakt. Het spijt hem dat hij geen dagboek heeft bijgehouden. ‘Dat zou je moeten doen, vanaf de eerste dag. Want de gebeurtenis is zo heftig en de verhalen zijn zo ingrijpend, dat je veel niet meer weet.’ Deze suggestie geeft hij mee, aan ieder die bij een crisis betrokken raakt en hulp biedt.

Nelleke (mw. drs. C.A.) Boonstra is emeritus-predikant in de Protestantse Kerk in Nederland. Zij is lid van de redactie van Ouderlingenblad

< Terug