Bijdrage van Yusuf Çelik over het boek Het experiment van broeder Juniper
Op 4 november 2025 reageerden tijdens een studiedag aan de VU verschillende wetenschappers op Het experiment van broeder Juniper, het nieuwe boek van Gijsbert van den Brink. Hieronder kun je de reactie van Yusuf Celik nalezen.
Deze review richt zich vooral op hoofdstuk 9 van Het experiment van broeder Juniper. In dit hoofdstuk onderzoekt de auteur de ontwikkeling van de theologie als academisch vakgebied, haar wortels in de Griekse filosofie, en de veranderingen die zij door de eeuwen heen heeft ondergaan.
Qua structuur begint de auteur met de vraag hoe de theologie, die zich zogenaamd de koningin der wetenschappen (regina scientiarum) waande, zich vanuit de klassieke filosofie ontwikkelde. Vervolgens wordt, aan de hand van Kant, uiteengezet waarom de traditionele kijk op de theologie in de moderniteit in een crisis geraakte. Daarna volgt een bespreking van Schleiermachers poging om deze crisis te overwinnen. Ten slotte wordt ingegaan op hoe “het verhaal van de theologie vandaag onder opnieuw gewijzigde culturele condities verder gaat”.
De stijl van het betoog is opvallend helder en toegankelijk, zonder aan diepgang in te boeten – een voorbeeld van academische helderheid zonder vereenvoudiging.
Allereerst: wat is theologie volgens de auteur? Theologie wordt gedefinieerd als “spreken over God en alle dingen in het licht van God” — een domein waarin wetenschap en geloof met elkaar in resonantie staan. Het vakgebied omvat letteren, klassieke talen, geschiedenis en filosofie, maar steeds vanuit het specifieke perspectief van de betrokkenheid op God en geloof, en daarmee op de diepste levensvragen.
Het is geen geheim dat de theologie historisch een toonaangevend vakgebied was. Dat blijkt onder meer uit het feit dat enkele van onze meest prestigieuze universiteiten, zoals Oxford, hun oorsprong of sterke wortels hebben in het theologisch onderwijs. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de culturele herinnering en intellectuele traditie nog steeds een echo doorklinkt van de theologie als regina scientiarum (“koningin der wetenschappen”).
In de zoektocht naar de oorsprong van de titel regina scientiarum (“koningin der wetenschappen”) blijkt dat er geen middeleeuwse bron bekend is waarin deze uitdrukking letterlijk voorkomt. Van der Brink vermoedt dat het hier gaat om een ‘invented tradition’.
Al is de term zelf niet gemakkelijk terug te vinden, toch wordt duidelijk dat het idee dat de theologie boven andere wetenschappen verheven zou zijn, in de middeleeuwen breed aanwezig was. Dat blijkt niet alleen uit het feit dat men theologie vaak pas kon studeren nadat men voorbereidende opleidingen, zoals rechten, had voltooid, maar ook uit de opvatting dat de theologie een overkoepelende bezinning vormde op goddelijke zaken en dat zij, vanwege het onderwerp van haar studie, zelf eveneens als verheven werd beschouwd.
Hoewel de theologie in de Middeleeuwen groot aanzien genoot, bleef de vraag of zij daadwerkelijk als wetenschap kon gelden onderwerp van discussie. Zoals door Van der Brink wordt opgemerkt: “Als het al een wetenschap is (bevestigd door Scotus, maar ontkend door Ockham), dan is het een praktische en is haar doel meer ethisch dan theoretisch.”
Na de Verlichting veranderde de houding tegenover de theologie ingrijpend. Volgens de auteur had dat niet uitsluitend te maken met nieuwe inzichten over geloof en rede, maar vooral met verschuivende maatschappelijke opvattingen. Kant speelt hierin een belangrijke rol. Hij was zowel op epistemologisch als op politiek vlak geen groot pleitbezorger van de theologie, althans niet zoals deze destijds door de academie en de politiek werd opgevat. Dit bracht hem ertoe te betogen dat de filosofie niet langer de dienstmaagd van de theologie moest zijn, maar eerder een waakhondfunctie moest vervullen ten opzichte van de overige faculteiten.
Schleiermacher probeerde vervolgens een nieuw evenwicht te vinden. Hij erkende Kants uitgangspunt dat de filosofie de leidende rol binnen de universiteit had, maar pleitte er tegelijk voor om de theologie als soror van de overige faculteiten te beschouwen. Zijn pragmatische visie was geworteld in de belangen van zijn tijd, waarin kerk en staat behoefte hadden aan goed opgeleide geestelijken.
Op dit punt lijkt Van der Brink wellicht wat snel over te stappen naar de Nederlandse context, wanneer hij stelt dat de geschiedenis laat zien dat de status van de theologie intrinsiek verbonden was met voortdurend veranderende academische verhoudingen. Dat gold ook voor Nederland. Als voorbeeld noemt hij de invoering van de duplex ordo. Hoewel Van der Brink dit punt niet veel uitwerking geeft, maakt hij wel duidelijk wat het gevolg was: de verschuivende verhoudingen leidden er uiteindelijk toe dat de theologie geleidelijk werd gemarginaliseerd.
In het laatste deel richt de auteur zich op de huidige situatie. De culturele omstandigheden in het Westen blijven veranderen. Enerzijds is er sprake van een zekere “religiestress” (om een eigen term te gebruiken) in een geseculariseerde samenleving; anderzijds groeit de maatschappelijke relevantie van religie opnieuw, mede door migratie. De komst van nieuwe Nederlanders met een sterker religieus bewustzijn leidt er volgens Van der Brink toe dat hier een kans ligt voor de Nederlandse academie. Zoals hij schrijft: “Ook al laten deze groepen zich niet altijd gemakkelijk bij de academische theologiebeoefening betrekken, zowel de samenleving als deze nieuwe religieuze gemeenschappen hebben veel te winnen bij goed opgeleide godsdienstige leiders die de westerse intellectuele en spirituele context van binnen kennen.”
Misschien het meest gedurfde punt in dit verband is zijn stelling dat pogingen om theologische afdelingen aan openbare universiteiten exclusief christelijk te houden, hun overtuigingskracht grotendeels hebben verloren.
Hoewel het hoofdstuk een grondig historisch overzicht biedt, blijven er toch enkele vragen en kritische kanttekeningen bestaan. Allereerst, wat is de invloed van economische factoren op de verschuivende positie van de theologie in de academie? Van der Brink lijkt hier nauwelijks op in te gaan, terwijl juist deze factoren ongetwijfeld een belangrijke rol spelen in de “veranderende maatschappelijke gevoelens” ten aanzien van de theologie.
Daarnaast lijkt de auteur de theologie zo dicht bij de filosofie te positioneren — door haar te definiëren in zeer abstracte termen — dat het onderscheid tussen beide vakgebieden diffuus wordt. Dit verzwakt enigszins het pleidooi voor het behoud van de theologie als een afzonderlijk domein, juist datgene waar het hoofdstuk uiteindelijk naartoe werkt.
Yusuf Çelik is Universitair docent digital humanities & islam aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Gijsbert van den Brink, Het experiment van broeder Juniper. Opstellen over geloof en wetenschap. Uitgeverij: KokBoekencentrum Uitgevers, Utrecht, 2025. 320 pp. € 29,99. ISBN 9789043542456
