Menu

Basis

Diversiteit in geloofsbeleving in de eerste christelijke gemeenten

Fresco Caseggiato del Termopolio
(Beeld: iStock)

Wanneer en hoe is er ‘een christelijke leer’ ontstaan? Wat waren de ingrediënten? De verhalen over en de woorden van Jezus zijn belangrijk geweest, maar niets was tijdens Jezus’ leven al vastgelegd. In deze bijdrage gaat het over de samenkomsten van de eerste gelovigen.

De eerste christelijke gemeenten kunnen we zien als groepen, waar samen theologisch werd nagedacht en waar ruimte was voor verschil én voor gesprek. In de gemeenten van Korinte, Efeze, Tessalonica en later ook in de gemeente van Rome werden brieven van Paulus voorgelezen, maar er werd ook gesproken over wat door de leerlingen was verteld over Jezus.

Wat Paulus zelf schrijft over Jezus, heeft hij waarschijnlijk gehoord van Petrus. Er is een bezoek van Paulus aan Petrus bekend, dat twee weken duurde (Galaten 1:18), en waar zij (in het Grieks staat het er letterlijk) ‘historiseerden’, dat wil zeggen samen met elkaar spraken over het verleden, waarschijnlijk de geschiedenis van Jezus. In 1 Korintiërs 15:1-3 vind ik ondersteuning voor deze lezing, waar Paulus schrijft dat wat aan hem is doorgegeven een ‘traditie’ is, die hij zelf heeft ‘ontvangen’. In deze verzen vinden we een oude christelijke samenvatting van historische gebeurtenissen, en Paulus’ interpretatie daarvan. Hij verwijst naar de dood van Christus, de begrafenis, de opstanding op de derde dag, en naar een aantal verschijningen (de eerste met name aan Kefas=Petrus). Tegenwoordig vinden de meeste onderzoekers van het Nieuwe Testament het aannemelijk, dat het in vroege christelijke bijeenkomsten gangbaar was om verhalen over Jezus te vertellen en om verslagen van zijn uitspraken en daden met elkaar te delen.

Er werden verhalen over Jezus verteld en verslagen van zijn uitspraken en daden gedeeld

Theologisch gesprek

De in 2020 overleden Britse onderzoeker James Dunn noemt de vroege erediensten van christelijke geloofsgemeenschappen bijeenkomsten voor gemeenschappelijke theologische bezinning, maar ook voor het telkens opnieuw vertellen van de verhalen over Jezus.

De brieven van Paulus, en die van Jakobus en 1 Petrus, maar ook de brieven van de discipelen van Paulus, die in zijn geest zijn geschreven, en de brief aan de Hebreeën, maakten deel uit van deze ‘stroom van theologisch gesprek’, die ‘voortkwam’ uit Jezus, die door God naar de wereld was gezonden.

Volgens Dunn zijn de geschreven evangeliën voorafgegaan door gesprek en uitwisseling, en daarbij was er geen uniformiteit. Ook de teksten van de evangeliën, waarbij het Johannes-evangelie volgens een recente theorie van Geurt-Henk van Kooten het oudste is, kennen onderlinge verschillen en zijn te zien als ‘vrucht van deze gesprekken, die ons terugvoeren naar de kern van de eerste herinneringen aan Jezus’. In de tekst, die we in de Inleiding aanhaalden, gaat Dunn zelfs zo ver te beweren, dat de eerste discipelen al theologie bedreven, zowel vóór als na Pasen.

Kernvraag voor discipelen

Wie zeggen jullie dat ik ben? Die vraag van Jezus werd de kernvraag voor de discipelen én voor de allereerste christelijke gemeenten. De eerste discipelen spraken samen over Jezus, vroegen zich af wie hij was, waar hij vandaan kwam, wie hem zijn krachten had gegeven, wat de betekenis was van zijn wonderen, hoe hij in gelijkenissen sprak over Gods nieuwe wereld, wat hij beloofde, hoe hij over God sprak, wat hij bad en hoe zij door Jezus waren geroepen. Zij waren telkens weer vol van verwondering.

In de bewoordingen van Dunn: ‘De eerste discipelen spraken met elkaar over wat ze hadden gezien en gehoord, wat hen had aangetrokken tot het discipelschap, tot een samen gedeeld discipelschap.’

Wanneer we dit weten, relativeert dit verschillen in geloofsbeleving, want die mochten en mogen er zijn. En het laat zien hoe mooi en hoe belangrijk het voortgaande gesprek erover is. Je kunt elkaar immers verrijken.

De discipelen, en met name Paulus, ontdekten ook hoe allerlei kernwoorden uit het Oude Testament, zoals schepping, genade, verzoening, rechtvaardiging, heiliging, verbond, barmhartigheid en rijk van God, wanneer je ze met Jezus Christus verbond en met wat hij had gezegd en gedaan, nieuwe betekenissen kregen. Er ontstond, om met de theoloog Van Ruler te spreken, een verklarend woordenboek bij het Oude Testament en daar kon je samen over praten en nadenken. Ook wat de profeten hadden opgeschreven, en wat in de bijeenkomsten ook nog eens hardop werd voorgelezen, kreeg nieuwe betekenis. Paulus begon rond het jaar 50 over deze kernwoorden te schrijven, ruim voordat de evangeliën werden opgeschreven.

Kernwoorden uit het Oude Testament kregen nieuwe betekenissen, waarover Paulus begon te schrijven

Gesprekken in de eerste gemeenten

We weten ook wanneer deze gesprekken in de eerste gemeenten plaatsvonden. Eén keer per week kwam de gemeente samen voor een maaltijd. Paulus schrijft erover in 1 Korintiërs 11 en we vinden ook een beschrijving in een oud vroegchristelijk geschrift, de Didachè.

De bijeenkomsten op zondagavond leken exact op wat in het toenmalige Romeinse rijk bekend stond als een maaltijd met twee delen. Vrijwel elk heidens en joods genootschap of club kende zo’n periodieke maaltijd. Er was eerst de eigenlijke maaltijd, het sys-sistion, die daarna uitliep op een gelegenheid om overpeinzingen, presentaties, toespraken, gezang en dans te delen, symposion genoemd. In de nieuwe christelijke groepen en gemeenschappen was er, na zegeningen over beker en brood en een echt avondmaal met een afsluitende zegen, ook zo’n ‘symposion-achtige’ na-maaltijd. Daarbij werden ‘profetieën, instructies, vermaningen, berispingen, lyrische uitingen (lees: liederen)’ en ja, ook uitspraken van Jezus uitgewisseld. Het doel was, net als bij het symposion in de genootschappen en clubs, om de ‘idee van eenheid, gemeenschap en gelijkheid’ vorm te geven.

In de toepassing door de apostel Paulus maakte dit de vorming van de gemeenschap van Christus mogelijk. Het doel was de gemeente van Christus op te bouwen, waarbij alle verschillen tussen mensen er mochten zijn, arm-rijk, man-vrouw, barbaar-Scyth, slaaf-vrije én waar ook verschillend werd gesproken over Jezus. Bij de maaltijd werden de verschillen onder één dak gebracht. Het is deze inclusieve gemeenschap, die Paulus ‘Lichaam van Christus’ noemt.

Het gesprek was overigens niet onkritisch naar elkaar toe. In zijn dissertatie schrijft Alikin: ‘Paulus spoort de christenen in Korinte aan om kritisch te kijken naar alles wat leden van een christelijke gemeenschap in de samenkomst zeggen. Telkens wanneer iemand in de christelijke gemeenschap het woord neemt, is het aan de andere deelnemers om daarover te oordelen. Paulus zegt: ‘Laat twee of drie profeten spreken, en laat de anderen oordelen.’ Het is duidelijk, dat de leden van de gemeenschap de verkondigde boodschappen moesten beoordelen om te onderscheiden of er iets in zat dat niet van God kwam.’

Wat het evangelie weerspreekt, zoals het onderscheid maken tussen mensen in hoog en laag, sterk of zwak, vrije burger of slaaf, of dat barmhartigheid alleen geldt voor onze eigen groep, etc. kon ook op kritiek rekenen. Zowel in Romeinen 12 als in 1 Korintiërs 12 vinden we dat terug, maar er was ook kritiek op mensen, die zich boven anderen verhieven vanwege hun vermeende unieke geestesgaven of hun geloof. In de gemeente moest men elkaar gaan zien als een nieuwe familie. In de brieven worden de maaltijddeelnemers vaak aangeduid als ‘broers en zussen’, wat wijst op onderlinge gelijkheid. Later groeide er een structuur met mensen die de leiding hadden.

Bij de maaltijd werden de verschillen onder één dak gebracht

Het geloofsgesprek: een dynamiek binnen grenzen

Nog weer later ontstond er een nadruk op de geschreven tekst.

Er kwamen in de tweede helft van de eerste eeuw lectoren, die de tekst van de brieven en de nieuw gegroeide evangeliën voorlazen. Geleidelijk werd ook de vraag of elk nieuw geschriftje, dat een nieuwe weergave pretendeerde te zijn van wat Jezus had gezegd en gedaan, wel gezag moest krijgen. Niet elke reactie op Jezus gold als geldig! Formuleringen, begrippen en geloofstaal werden beoordeeld als wel of niet passend. In latere tijden werden ook nog wel boekjes, die later niet in het Nieuwe Testament terecht kwamen, voorgelezen tijdens bijeenkomsten van christenen, bijvoorbeeld 1 Clemens, de verzamelde brieven van Ignatius of het geschrift De Herder van Hermas, maar dat kon alleen omdat ze ‘dienden ter stichting van de gelovigen in de Heer’. Veel andere geschriften werden afgewezen.

Het geloofsgesprek in het vroege christendom werd daardoor een ‘dynamiek binnen grenzen’, en dat bleef kenmerkend voor de christelijke theologie door de eeuwen heen, tot op de dag van vandaag. Tegen het einde van de tweede eeuw werd het geopenbaarde boek geleidelijk een ‘grensinstrument’, dat moest voorkomen dat de diversiteit in geloofsbeleving en het theologiseren, zowel mondeling als schriftelijk, alle kanten opging. Ook het uitleggen van een tekst kreeg grenzen. Het is niet zo dat leken geen zeggenschap meer hadden en ze bleven zeker ‘tekstueel onderlegd’, ook door het luisteren naar preken, maar de ruimte voor theologie werd gaandeweg gedomineerd door theologen.

Een grensinstrument moest voorkomen dat het theologiseren alle kanten opging

Orthodoxie

De definitie van wat het inhield om christen te zijn, zowel in geloofsovertuigingen als in praktijken, in interpretatie en toepassing, werd geleidelijk een kwestie van autoriteit. In deze tijd bestond er een wijdverspreide christelijke gemeenschap, verspreid over het Middellandse Zeegebied, die zich intensief bezighield met het vestigen en handhaven van het juiste geloof tegenover een veelheid aan ‘ketterijen’. Eén groep theologen was de dominante groep geworden, die zichzelf presenteerde als ‘bewaker van orthodoxie’. Vaak hadden deze theologen een pastorale verantwoordelijkheid als bisschoppen.

Volgens Richard Hanson waren de woorden die werden gebruikt voor ‘orthodox’ en ‘orthodoxie’ eusebes en eusebeia, die zowel ‘vroom’ als ‘waar’ of ‘correct’ betekenden. In deze decennia zijn er aanwijzingen voor bijeenkomsten van christelijke leiders, waar theologische geschillen plaatsvonden. Samen theologie beoefenen vereiste expertise en bemiddelaars. Onderhandelen over leerstellingen werd als een noodzaak gezien. In de vierde eeuw vormden de kerken geleidelijk een verenigd ‘orthodox’ geheel.

Samenvattingen van de christelijke leer, zoals John Kelly ze in een beroemde baanbrekende studie heeft genoemd, waren echter al in het begin van de derde eeuw voor het eerst verschenen in de vorm van lokale geloofsbelijdenissen. Ook de later beroemde geloofsbelijdenissen, op kerkvergaderingen in de vierde en vijfde eeuw vastgelegd, bijvoorbeeld van Nicea, probeerden uniformiteit te creëren, al konden deze belijdenissen voortgaande discussies en zelfs scheuringen niet voorkomen.

Nog weer later, in de late Middeleeuwen en vooral na de Reformatie, gingen mensen zelf de Bijbel lezen, thuis en in kleine groepen. Ook wie niet kon lezen, luisterde ernaar, wanneer uit de Bijbel werd voorgelezen. Al heel snel ontstond opnieuw ruimte voor nieuwe theologische opvattingen, maar ook nu stuitten veel van deze opvattingen op verzet en hing het oordeel van ketterij in de lucht. Daarover schrijf ik graag nog eens in een volgend artikel.

Dr. Henk de Roest is hoogleraar Praktische Theologie aan de Protestantse Theologische Universiteit in Utrecht. Ook is hij lid van de redactie van Ouderlingenblad.


Help / hoera –
we geloven verschillend!
Ouderlingenblad 2026, nr. 6

Wellicht ook interessant

Hagar verlaat het huis van Abraham. Schilderij van Rubens.
Hagar verlaat het huis van Abraham. Schilderij van Rubens.
None

Van Hagar tot Handmaid: seks en slavernij in Bijbel en christendom

Wie de gemiddelde Nederlander vraagt wat de belangrijkste elementen van slavernij zijn, zal vermoedelijk al snel iets te horen krijgen over gedwongen arbeid, gebrek aan vrijheid en wellicht iets over racisme. Maar een ander bepalend element in de geschiedenis van slavernij is seks: seks als het doel van slavernij, als ‘bijproduct’ ervan en als middel om het systeem in stand te houden. We denken bij seks en slavernij wellicht in de eerste plaats aan midden-oosterse harems, maar in dit artikel laat ik zien dat het óók een constante is in de geschiedenis van het westerse (Nederlandse) christendom – van de Bijbel tot en met de koloniale periode. In dit korte artikel verken ik die geschiedenis en doordenk haar consequenties, vooral met het oog op de dikwijls traumatische impact voor de betrokken slaafgemaakten.

Nieuwe boeken