Diversiteit in de kerk: waar staan we en waarom doet het ertoe?
Voordat het in dit themanummer over ‘verschillend geloven’ gaat, eerst een bijdrage over de samenstelling van onze kerken – hoe verschillend, hoe divers zijn we als gemeenten zelf? Wellicht is dat al een belangrijke verklarende factor voor de geloofsdiversiteit.
Kerken willen graag midden in de samenleving staan. Zij willen plaatsen van ontmoeting zijn voor verschillende mensen en levensverhalen. Dat verlangen klinkt door in beleidsplannen, visiedocumenten en missionaire initiatieven. Tegelijkertijd ervaren veel lokale gemeenten dat hun samenstelling niet lijkt op de buurt waarin zij kerk zijn.
Wie zijn deel van de kerk en wie juist niet? En belangrijker nog: wat betekent dat voor de manier waarop kerken zich verhouden tot de samenleving?
Recent sociaal-wetenschappelijk onderzoek, gebaseerd op de nieuwe klassenindeling van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), biedt nieuwe en scherpe inzichten. Door gegevens over religie te combineren met gegevens over sociale klasse ontstaat een helder beeld van wie deel uitmaken van welke kerken – en wie er ontbreken. Dat beeld is confronterend, maar ook richtinggevend.
Wie maken deel uit van welke kerken en wie niet? Een confronterend beeld!
Sociale klasse: meer dan inkomen alleen
Het SCP onderscheidt sinds 2023 zeven sociale klassen in Nederland. Die indeling is niet alleen gebaseerd op inkomen, maar op vier typen ‘kapitaal’: Het gaat om economisch kapitaal, zoals inkomen en bezit. Ook om sociaal kapitaal, zoals netwerken en steun. Daarnaast om cultureel kapitaal, zoals opleiding en vaardigheden. En om persoonlijk kapitaal, waaronder gezondheid en zelfvertrouwen.
Het SCP onderscheidt de volgende klassen:
- De werkende bovenlaag (ongeveer 20%): hoogst opgeleid, gezond, groot netwerk en hoogste levenswaardering.
- De jongere kansrijken (ongeveer 9%): vaak jong, gezond en digitaal vaardig, maar nog niet financieel volledig gevestigd.
- De rentenierende bovenlaag (ongeveer 12%): rijk in vermogen en hoogopgeleid, maar minder digitaal vaardig.
- De werkende middengroep (ongeveer 25%): de grootste groep, goed digitaal vaardig maar minder gezond en met minder invloedrijk netwerk.
- De laagopgeleide gepensioneerden (ongeveer 18%): oudste groep, minder geld maar niet ongelukkiger; beperkt netwerk.
- De onzekere werkenden (ongeveer 10%): relatief vaak ongelukkig, veel mentale problemen, maar wel digitaal vaardig.
- Het precariaat (ongeveer 6%): laagst opgeleid, vaak overgewicht, klein netwerk en de minste hulpbronnen.
Deze sociale klassen verschillen sterk in hun toegang tot kansen. De afstand tussen de hoogste en de laagste klasse is groot. Religie speelt in verschillende klassen een verschillende rol.
Nederland is grotendeels niet‑religieus – maar niet iedereen evenveel
Twee derde van de Nederlanders beschouwt zichzelf als niet gelovig. Toch is niet iedereen even a-religieus. Sommige groepen zijn duidelijk religieuzer dan andere.
Oudere mensen zijn gemiddeld religieuzer dan jongere, en mensen met een migratieachtergrond zijn vaker religieus dan mensen zonder migratieachtergrond. Ook sociale klasse speelt een rol: mensen met weinig economisch en sociaal kapitaal blijken religieuzer dan gemiddeld.
Dat gegeven is belangrijk, want het betekent dat religieuze gemeenschappen zich vaak verhouden tot mensen, die aan de rafelrand van de samenleving leven – maar niet allemaal op dezelfde manier of in dezelfde mate.
De Protestantse Kerk: een kerk van de middenklasse
De Protestantse Kerk in Nederland is één van de grootste kerkgenootschappen. Zij presenteert zich als kerk voor heel het volk. Toch laat het onderzoek een duidelijke sociale profilering zien.
Driekwart van de PKN-ers behoort tot de middelste drie klassen: de werkende middengroep, laagopgeleide gepensioneerden en de rentenierende bovenlaag.
Mensen uit het precariaat en onzeker werkenden zijn nauwelijks aanwezig in de PKN. Ook jongere kansrijken en de werkende bovenlaag zijn ondervertegenwoordigd. De samenstelling van de kerk weerspiegelt daarmee slechts in beperkte mate de sociale diversiteit van Nederland.
Dat geldt niet alleen voor mensen die zich formeel lid noemen, maar ook voor degenen die daadwerkelijk regelmatig de kerk bezoeken. De ‘kerkvloer’ van de Protestantse Kerk wordt grotendeels bevolkt door mensen uit de middenklasse.
De kerkelijke praktijk van de PKN wordt dus gedragen door middenklasse‑ervaringen. Dat heeft invloed op wat vanzelfsprekend besproken wordt. En ook op wat minder zichtbaar blijft.
Weinig divers in culturele zin
De eenzijdigheid zit niet alleen in sociale klasse, maar ook in culturele achtergrond. De Protestantse Kerk is één van de minst multiculturele kerkgenootschappen van Nederland. Slechts een klein deel van de PKN‑leden heeft een migratieachtergrond. Dit betekent niet, dat diversiteit afwezig is. Maar zij is wel beperkt aanwezig. En dat maakt ontmoeting met andere levenswerelden minder vanzelfsprekend.
Er zijn verschillen tussen lokale gemeenten. Soms zijn er voorbeelden van gemeenten, die wél veel sociale en / of culturele diversiteit laten zien. Vooral nieuwe kerkplekken trekken vaker mensen met andere achtergronden. Toch verandert dat het algemene beeld nauwelijks.
Andere protestantse kerkgenootschappen
Andere protestantse kerken laten grotendeels een vergelijkbaar beeld zien. Ze zijn gemiddeld iets multicultureler en sociaal diverser dan PKN-gemeenten. Maar ook hier zijn middenklassegroepen sterk aanwezig. De werkende bovenlaag is soms iets groter vertegenwoordigd. Net als bij de PKN zijn onzeker werkenden en het precariaat klein in aantal. De sociale spreiding is dus beperkt. Kerkgemeenschappen zijn vaak homogeen samengesteld. Ook hier geldt, dat er tussen lokale gemeenten veel verschil kan zijn.
De Rooms‑Katholieke Kerk
De Rooms‑Katholieke Kerk (RKK) laat een duidelijk ander patroon zien. Zij is sociaal én cultureel diverser dan protestantse kerken. Dat heeft meerdere oorzaken. De RKK is wereldwijd georganiseerd. Migranten, die katholiek zijn, blijven dat vaak in Nederland. Zij worden automatisch onderdeel van de Nederlandse Rooms-Katholieke kerk. Daardoor is de RKK multicultureel samengesteld. Mensen met verschillende achtergronden komen er samen.
Ook sociaal is het beeld anders. Het precariaat en de onzeker werkenden zijn vaker deel van de kerk. Dit heeft gevolgen voor het kerkelijk leven. Thema’s als armoede, onzekerheid en uitsluiting maken sneller deel uit van de ervaringen van de mensen die bij de kerk horen.
De sociale diversiteit bepaalt of de kerk werkelijk verbonden is met uiteenlopende levenservaringen
Waarom dit ertoe doet
Deze constatering is niet slechts een statistische exercitie. De sociale samenstelling van een geloofsgemeenschap bepaalt in hoge mate welke ervaringen, zorgen en vragen vanzelfsprekend een plek krijgen in het kerkelijke leven.
Wanneer mensen met schulden, onzeker werk of armoede nauwelijks deel uitmaken van een gemeente, dan blijven deze thema’s snel abstract. Ze worden onderwerp van diaconale projecten, beleidsstukken of collectes, maar niet van gedeeld dagelijks leven. Er ontstaat dan al gauw een houding van zorgen voor anderen, in plaats van leven met anderen.
Juist hier wordt zichtbaar waarom sociale diversiteit van belang is voor de kerk. Het bepaalt of een kerk werkelijk verbonden kan zijn met uiteenlopende levenservaringen in de samenleving.
‘Zijn met’: leven met elkaar
De Britse theoloog Samuel Wells biedt een behulpzaam kader om hierover na te denken. Hij maakt onderscheid tussen vier manieren waarop mensen en organisaties zich tot anderen kunnen verhouden: ‘werken voor’, ‘werken met’, ‘zijn voor’ en ‘zijn met’.
Veel kerken zijn vertrouwd met ‘werken voor’: iets doen voor anderen, bijvoorbeeld via diaconale hulp. Dat is waardevol, maar het risico is dat de ander vooral als probleem wordt gezien dat opgelost moet worden. Bij ‘werken met’ ontstaat meer gelijkwaardigheid, doordat er wordt samengewerkt. Bij ‘zijn voor’ doe je iets voor een ander – brieven schrijven namens Amnesty International bijvoorbeeld – maar je hebt geen echt contact met die ander.
Volgens Wells ligt de kern bij ‘zijn met’: aanwezig zijn, tijd delen, het gewone leven samen beleven. Niet om iets op te lossen, maar om elkaar te ontmoeten. In die ontmoeting komt niet alleen het tekort van de ander in beeld, maar ook diens rijkdom – en onze eigen kwetsbaarheid.
Voor geloofsgemeenschappen betekent dit dat sociale diversiteit niet in de eerste plaats bereikt wordt via projecten of beleid, maar via gedeeld leven.
Sociale diversiteit wordt niet bereikt via projecten of beleid, maar via gedeeld leven
De uitdaging voor kerken die niet divers zijn
Voor protestantse kerken is ‘zijn met’ een uitdaging. Wie nauwelijks mensen uit het precariaat of met een migratieachtergrond in de eigen gemeente heeft, zal moeite hebben om werkelijk met hen samen te leven. Dan ligt een benadering van ‘werken voor’ snel voor de hand: goedbedoelde hulp, zonder wederkerigheid.
Tegelijkertijd zijn er ook veel protestantse kerken waar dit anders gaat. Pioniersplekken en gemeentes waar diaconaat het hart vormt, trekken vaker mensen met uiteenlopende sociale achtergronden aan. Ook diakenen van ‘gewone’ gemeentes staan vaak met één been in de eigen (middenklasse)gemeente en met het andere in een buurt waar armoede en onzekerheid zichtbaar zijn. Hun ervaringen zijn van grote waarde voor de kerk als geheel.
Diversiteit bevorderen: wat kunnen lokale gemeenten doen?
Wat betekent dit concreet voor mensen die betrokken zijn bij een lokale gemeente? En hoe kan diversiteit bevorderd worden, zonder dat het een krampachtig project wordt?
Een paar aanbevelingen:
- Begin bij ontmoeting, niet bij beleid
Diversiteit ontstaat niet primair aan vergadertafels, maar in gedeelde praktijken. Samen eten, samen vieren, samen optrekken in het alledaagse leven zijn krachtige middelen voor verandering. - Neem diaconale ervaringen serieus
Luister naar diakenen, pioniers en vrijwilligers, die veel contact hebben met mensen buiten de middenklasse. Hun verhalen laten zien waar de kerk al met anderen is – en waar drempels zitten. - Durf ongemak toe te laten
‘Zijn met’ is niet comfortabel. Verschillen in taal, leefstijl of tempo kunnen schuren. Toch is juist dit ongemak vaak de plek waar echte ontmoeting begint. - Zoek samenwerking buiten de eigen kring
Verbinding met migrantenkerken, moskeeën of andere kerken kan helpen om nieuwe perspectieven te leren kennen. - Zie diversiteit als wederkerig
Diversiteit gaat niet over ‘anderen erbij halen’ om iets te brengen, maar over ontvangen. De vraag is niet alleen wie er ontbreekt, maar ook wat wij missen zolang zij er niet zijn.
De vraag is niet alleen wie er ontbreekt, maar ook wat wij missen als zij er niet zijn
Tot slot
Kerken staan voor een moeilijke, maar hoopvolle opgave. De cijfers laten zien dat veel kerkgenootschappen momenteel geen afspiegeling zijn van de Nederlandse samenleving. Dat geldt ook voor veel lokale kerken. De mensen in het kerkgebouw lijken vaak niet op de mensen die in de buurt wonen. Tegelijkertijd bieden ontmoetingen in buurten, aan keukentafels en in nieuwe vormen van kerk-zijn ruimte voor verandering.
Diversiteit vraagt geen grote woorden, maar gewone nabijheid. Niet méér doen, maar dichterbij zijn. Misschien begint het simpelweg met vaker samen aan tafel gaan – en ontdekken wie daar allemaal welkom zijn.
Dr. Marten van der Meulen is als Universitair Docent Godsdienstsociologie verbonden aan de Protestantse Theologische Universiteit.