Menu

None

Van Hagar tot Handmaid: seks en slavernij in Bijbel en christendom

Martijn Stoutjesdijk over ‘seks’ als bepalend element van slavernij

Hagar verlaat het huis van Abraham. Schilderij van Rubens.

“I avoid looking down at my body, not so much because it’s shameful or immodest but because I don’t want to see it. I don’t want to look at something that determines me so completely.” (Offred in The Handmaid’s Tale)

Wie de gemiddelde Nederlander vraagt wat de belangrijkste elementen van slavernij zijn, zal vermoedelijk al snel iets te horen krijgen over gedwongen arbeid, gebrek aan vrijheid en wellicht iets over racisme. Maar een ander bepalend element in de geschiedenis van slavernij is seks: seks als het doel van slavernij, als ‘bijproduct’ ervan en als middel om het systeem in stand te houden. We denken bij seks en slavernij wellicht in de eerste plaats aan midden-oosterse harems, maar in dit artikel laat ik zien dat het óók een constante is in de geschiedenis van het westerse (Nederlandse) christendom – van de Bijbel tot en met de koloniale periode. In dit korte artikel verken ik die geschiedenis en doordenk haar consequenties, vooral met het oog op de dikwijls traumatische impact voor de betrokken slaafgemaakten.

Als verlengstuk van zijn hand

De nieuwtestamentica Jennifer Glancy gebruikt in haar boek Slavery in Early Christianity (2006) het Griekse woord somata (lichamen) om slaafgemaakten aan te duiden. Niet alleen is dat woord in overeenstemming met het Griekse vocabulaire van die tijd (hoewel zeldzaam in het Nieuwe Testament, staat het wel in Openb. 18:13), maar het dwingt ook de aandacht te vestigen op de diep lichamelijke dimensie van slavernij in de oudheid. Belangrijk is daarbij op te merken dat in het antieke denken de slaafgemaakte wel een lichaam was, maar geen persoon. Wie een slaafgemaakte doodde werd niet berecht volgens – in onze terminologie – strafrechtelijke procedures, maar volgens de principes van het burgerrecht. Men had immers geen mens gedood, maar het eigendom van een ander schade toegebracht. Daarbij paste geen gevangenisstraf of erger, maar een boete om de geleden schade te vergoeden. Volgens datzelfde principe was iemand (lees: een man – voor een vrouw golden striktere normen) die seks had met een slaafgemaakte man, vrouw of kind, ook geen echtbreker. De slaveneigenaar masturbeerde slechts, zo werd gedacht, met de slaafgemaakte als verlengstuk van zijn hand (zie Artemidorus, Oneirocritica 1.78). Het moge duidelijk zijn dat deze theoretisch-juridische werkelijkheid in de praktijk vaak niet werkte: mensen ontwikkelden soms nu eenmaal gevoelens over en weer en juist het feit dat de slaafgemaakte een mens was, maakte hem of haar ook een object van lustgevoelens. Maar gevoelens of niet: een slaafgemaakte was volkomen rechtenloos tegenover zijn of haar meester. Vinden we deze algemene manier van denken in de oudheid ook in de Bijbelse literatuur?

De slaafgemaakte was wel een lichaam, maar geen persoon

Het ‘Rachel en Lea Centrum’

Voor een groot Europees onderzoeksproject heb ik een inventarisatie gemaakt van alle slaafgemaakten in de Hebreeuwse Bijbel (het Oude Testament) die bij naam genoemd worden of waarover ten minste enkele persoonlijke details bekend zijn. Opmerkelijk genoeg gaat het in veel van deze gevallen om slaafgemaakten met wie seksuele handelingen plaatsvinden. Ik geef enkele voorbeelden.

Een paar van de beroemdste slaafgemaakten uit de Hebreeuwse Bijbel zijn vrouwen die gedwongen worden als draagmoeder te functioneren voor hun onvruchtbare eigenaressen: Hagar, Bilha en Zilpa. Laten we een nadere blik werpen op Hagar, zoals haar verhaal uit de doeken wordt gedaan in Genesis 16. Hagar is een Egyptische slavin van Sarai. Wanneer Sarai niet zwanger kan worden, zegt ze tegen Abram: “De HEER houdt mijn moederschoot gesloten. Je moest maar met mijn slavin slapen, misschien kan ik door haar nakomelingen krijgen.” (NBV21) En vervolgens lezen we: “Abram stemde met haar voorstel in en […] sliep met Hagar en zij werd zwanger.” Hoe laconiek wordt hier gesproken over seks met een slaafgemaakte vrouw, die vermoedelijk geen mogelijkheid zal hebben gehad om te weigeren (in de Bijbeltekst wordt haar niets gevraagd). Zonder die keuzevrijheid lijkt deze seksuele daad op verkrachting, hoewel het perspectief van Hagar ontbreekt. Maar zelfs als de seks voor Hagar niet uitsluitend ongewenst was, omdat het haar sociale positie zou verstevigen (een verschijnsel dat ook bekend is uit de koloniale periode), dan nog is hier slechts sprake van transactioneel handelen, waarbij liefde noch genegenheid een rol speelt. Veelzeggend is verder de frase die hier vertaald is als “door haar kan ik nakomelingen krijgen”. Heel veel duidelijker kan de Bijbeltekst bijna niet zijn over hoezeer Hagar slechts een lichamelijk verlengstuk van Sarai is, zonder eigen persoonsrechten. Des te groter de irritatie van Sarai als ze merkt dat Hagar vanwege haar zwangerschap zich minder onderdanig gaat gedragen, wetende dat ze de erfgenaam van Abram in zich draagt. In de rabbijnse traditie (Genesis Rabbah 45.6) wordt er gespeculeerd dat ze zelfs Hagars gezicht met een slipper zou hebben geslagen.

Voor Bilha en Zilpa geldt ongeveer hetzelfde. Toen Rachel geen kinderen kon krijgen van Jacob, gaf Rachel haar slavin aan Jacob als substituut-baarmoeder. De twee zonen die Bilha baarde, werden door Rachel als haar eigen zonen geclaimd. Na de geboorte van Dan merkt Rachel op, in de NBV21-vertaling: “God heeft mij recht gedaan: Hij heeft mij verhoord en mij [!] een zoon gegeven” (Gen 30:6). Bijna precies hetzelfde patroon zien we bij Lea die – eveneens aan Jakob – haar slavin Zilpa gaf om seks mee te hebben, nadat ze zelf geen kinderen meer kon krijgen. Toen Zilpa een zoon baarde, was het Lea die uitriep: “Wat ben ik nu gelukkig! Alle vrouwen zullen mij gelukkig prijzen.” (Gen 30:13).

De Canadese schrijfster Margaret Atwood (1939-) verwerkte bovengenoemde Bijbelverhalen in haar beroemde roman The Handmaid’s Tale uit 1985 (inmiddels als huiveringwekkende Hulu-serie verfilmd). In een toekomstige Amerikaanse samenleving waarin de meeste vrouwen onvruchtbaar zijn, worden dienstmaagden (slaafgemaakte vrouwen die aantoonbaar vruchtbaar zijn) maandelijks ceremonieel verkracht. Mochten de handmaids zwanger worden, dan wordt het kind van hun meesteres. De betreffende dienstmaagden worden opgeleid in het ‘Rachel en Lea Centrum’ en hun levens zijn gemodelleerd naar het Bijbelse verhaal van Rachel en Bilha. De dienstmaagden hebben geen echte eigen namen: zij heten Van (in het Engels: ‘of’) + de naam van het huishouden waar ze aan toegewezen zijn (bijvoorbeeld Offred, Ofglen). Bij zowel de seks als de bevalling liggen en zitten de handmaids tussen de benen van hun meesteressen om aan te geven dat de baby hen toebehoort en niet van de ongelukkige vrouw ertussen is.

Hoewel het hier gelukkig om fictie gaat, toont het boek haarscherp hoe inhumaan en wreed de praktijken in Genesis 16 en 30 zijn. Het zijn overigens niet alleen vrouwen die dit overkomt in de Hebreeuwse Bijbel. We vinden in de Bijbel ook een zeldzaam voorbeeld van een slaafgemaakte man over wie bepaald wordt dat hij moet trouwen met de dochter van zijn eigenaar om haar op die manier de kans te geven een gezin te stichten: de Egyptische slaafgemaakte Jarcha in 1 Kronieken 2:34. Verder is een relevante nieuwtestamentische passage Maria’s gesprek met de engel bij de aankondiging van haar zwangerschap. We lezen daar (Lucas 1:34-38, HSV met aanpassingen):

Maria zei tegen de engel: Hoe zal dat mogelijk zijn, aangezien ik geen gemeenschap heb met een man? En de engel antwoordde en zei tegen haar: De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen. […] Maria zei: Zie, de slavin (doulè) van de Heere, laat met mij geschieden overeenkomstig uw woord.

Verschillende feministische nieuwtestamentici (bijvoorbeeld Marianne Bjelland Kartzow in haar The Slave Metaphor and Gendered Enslavement in Early Christian Discourse. Double Trouble Embodied) hebben beargumenteerd dat in dit gesprek over metaforische slavernij (Maria was geen ‘echte’ slavin van God) de ervaringen van echte slaafgemaakte vrouwen in de antieke wereld doorklinken: net als Maria hadden zij geen keus wat betreft gemeenschap met hun meester. Zij konden slechts zeggen: doe met mij volgens uw wil.

Zij konden slechts zeggen: doe met mij volgens uw wil

Over porneia en priesters

Wie denkt dat dit soort praktijken zich beperkten tot de Hebreeuwse Bijbel en de evangeliën, heeft het helaas mis. In de vroege kerk spitst de discussie zich met name toe op de vraag of je samen met een “ontuchtpleger” mag eten in de context van de vroegchristelijke liturgie (vergl. 1 Kor. 5:11). Slaafgemaakten hadden geen beschikking over hun eigen lichaam en dus niet de mogelijkheid om zich afzijdig te houden van porneia (vaak vertaald als ontucht, een verzamelnaam voor allerlei soorten van wat gezien werd als seksueel wangedrag). Betekende dat dat ze feitelijk geen kans hadden om aan het christelijk gemeenschapsleven deel te nemen? Wellicht was dit de reden dat sommige vroege kerkelijke gemeenschappen slaafgemaakten vrijkochten met kerkfondsen (vergl. de Brief aan Polycaprus 4.3), zodat ze niet meer in ‘zonde’ hoefden te leven en dus ook zonder gewetensbezwaar deel konden nemen aan het gemeenschapsleven. Soortgelijke problemen werden overigens ook gevoeld door vrije, met niet-christelijke mannen getrouwde, vrouwen. Sommigen van hen kozen voor een celibatair bestaan om hun zuiverheid niet in het geding te brengen.

Als we vervolgens kijken naar de organisatorische en juridische opbouw van de vroege kerk, zien we dat in de eerste collecties kerkwetten (canons) slavernij nauwelijks een thema was. In haar boek The Slaves of the Churches (2020)laat mediëviste Mary E. Sommar zien dat de vroege kerkwet juist de eigendomsrechten van slaveneigenaren respecteerde én benadrukte dat de bisschop mocht beschikken over de slaafgemaakten in zijn persoonlijke eigendom en dat van de kerk. Het derde aandachtspunt van de vroege kerkelijke wetgeving wat betreft slavernij was dat geestelijken geen seksuele relatie zouden moeten aangaan met hun vrouwelijke slaafgemaakten (“huishoudsters”). Voor de volledigheid: dit was lang voordat het celibaat officieel als plicht voor geestelijken werd vastgelegd, in de twaalfde eeuw. Het ging volgens Sommar dan ook om een bezorgdheid over de “zuiverheid” van de bisschoppen en lagere geestelijken, niet om seks per se, laat staan om het welzijn van de betrokken slaafgemaakten. Hoewel het christendom de praktijk van monogamie promootte, is het zeer waarschijnlijk dat christelijke mannen nog heel lang het bed bleven delen met slaafgemaakten, al was het alleen maar omdat er bij dergelijke praktijken volgens de klassieke Grieks-Romeinse standaarden niet ‘echt’ sprake was van overspel.

Het Nederlands-christelijke koloniale rijk als de “troon des satans”

We maken weer een sprong, ditmaal naar de koloniale periode (vanaf de 17e eeuw) en specifiek de Nederlandse geschiedenis. In het Nederlands-christelijke koloniale rijk was het niet gebruikelijk om vrouwen mee te sturen met de schepen. Het rijk kampte dan ook steevast met een tekort aan Europese vrouwen en (daardoor) een veelheid aan – vanuit kerkelijk oogpunt – illegitieme vormen van seksuele verbintenissen. Soms was er bij deze verbintenissen nog sprake van (een vorm van) wederzijds consent en langdurige verbinding, zoals bij het ‘Surinaams huwelijk’, het zogeheten ‘calacharen’ aan de westkust van Afrika, of het concubinaat met de njai in Nederlands-Indië. Helaas zijn er ook ontzettend veel verhalen overgeleverd (en nog veel meer niet overgeleverd!) van verkrachting en andere vormen van seksueel geweld door Europese christelijke mannen van slaafgemaakte en andere onder hen geplaatste vrouwen. Zeker in de context van slavernijsamenlevingen als Suriname is er ook wel betoogd dat de verkrachting van slaafgemaakte vrouwen tot doel had het aantal slaafgemaakten op ‘natuurlijke’ wijze te vergroten.

Helaas zijn er ontzettend veel verhalen overgeleverd van verkrachting en andere vormen van seksueel geweld

Predikanten spraken zich regelmatig uit tegen alle vormen van seks buiten het huwelijk (ontucht) in de koloniën. De predikant J.C. Schiess schreef in 1731 in een brief aan de classis in Amsterdam over de situatie in het slavenfort Elmina (hedendaags Ghana): “Niemand is hier die niet opentlijk of in hoererij ofte in overspel leeft.” En Marcel van Engelen meldt in zijn boek Het kasteel van Elmina (2014) hoe predikant Gerardus Verbeet ontslag nam uit Elmina, omdat het fort volgens hem een “troon des satans” was waar zelfs mannen die in Nederland getrouwd zijn “één en meer heydinnen tot hun onwettige bijslapen hebben.” Hoewel gepresenteerd als extreem voorbeeld, is het niet moeilijk gelijksoortige klachten te vinden van predikanten uit andere Nederlandse koloniën. Maar predikanten konden soms ook wel wat begrip opbrengen voor de situatie ter plekke én worstelden soms zelf ook met onvervulde relationale en seksuele behoeften – gezien hun voorbeeldpositie vermoedelijk één van de redenen waarom zij vaak wél hun vrouw mochten meenemen naar de kolonie. Om te voorkomen dat hij met een lokale niet-christelijke vrouw zou trouwen, zond de classis van Amsterdam zelfs in een zeldzaam voorbeeld van daadkracht een vrouwelijke wees, Antonia Ginderdros, naar Elmina, als toekomstige huwelijkspartner van de beroemde zwarte predikant Jacobus Capitein (1717-1747). (Waarbij de vraag is in hoeverre hier eigenlijk ook geen sprake is van een gedwongen seksuele relatie…) Een veel grimmiger voorbeeld is dat van Jan Brandes (1747-1803), luthers predikant te Batavia (Jakarta). Remco Raben heeft voor de bundel Slavernij herbezien (2021) gereconstrueerd hoe deze Brandes een seksuele relatie had met één van zijn slaafgemaakten, Basie (Roosje genoemd door Brandes). Basie liep later enige tijd weg (mogelijk in verband met een relatie met een andere slaafgemaakte), en werd bij terugkomst afgeranseld, geketend en verkocht door de predikant.

Dat het ook anders kon, toont het voorbeeld van dominee Paulus Snijderhans (ca. 1750-1804) in Suriname. Ondanks maatschappelijke hoon koos Snijderhans ervoor in de tweede helft van de achttiende eeuw een wettig huwelijk aan te gaan met een zwarte slaafgemaakte vrouw, Constantia. Snijderhans riskeerde met deze stap zijn aanstelling (hij bood zijn ontslag aan de kerkenraad aan), maar omdat zijn huwelijk voldeed aan de formele voorwaarden, mocht hij aanblijven.

Een grimmig overzicht

Als we de balans opmaken van dit grimmige overzicht, zien we zowel verschillen als overeenkomsten in de relatie tussen christendom, seks en slavernij door de eeuwen heen. De seks tussen Abram en Hagar moet traumatiserend zijn geweest voor Hagar, maar paste in het slavernijsysteem en de mores van het Bijbelse Oude Nabije Oosten. Hetzelfde gold voor het hebben van seks met je slaafgemaakten in de Romeinse tijd. In het vroege christendom ontwikkelde zich echter een nieuwe seksuele moraal waarin onthouding en wederzijdse monogamie belangrijke idealen werden. Die nieuwe ontwikkeling had uiteindelijk ook gevolgen voor de positie van slaafgemaakten in het christelijk huishouden, nemen we aan. Desalniettemin was in de Nederlandse koloniale slavernij, die qua slavernijwetgeving geheel berustte op Romeinse bronnen, (gedwongen) seksuele omgang tussen meesters en slaafgemaakte vrouwen wijdverbreid. De wet stond dat ook toe. Anders dan in de oudheid sprak de kerk zich ditmaal wél openlijk uit tegen dit soort vormen van overspel en ontucht, maar in de praktijk knepen predikanten dikwijls een oogje dicht of maakten zich er zelf ook schuldig aan.

De redenen tot seksueel verkeer mogen dan variëren in die periodes – van het produceren van wettige erfgenamen tot simpele lustbevrediging – de pijn en schaamte van slaafgemaakten zullen veelal hetzelfde zijn geweest. Zowel deze geschiedenissen als Atwoods dystopie leren ons dat slavernij altijd ook een verhaal over lichamen, macht en seksueel geweld is – en dat het christendom zich niet kan permitteren dit verleden te vergeten of te verzachten.

Martijn Stoutjesdijk

Dr. Martijn Stoutjesdijk (1989) is theoloog en historicus. Hij promoveerde op slavernij in het vroegrabbijns jodendom en het vroege christendom en werkt momenteel als postdoc aan de PThU, waar hij onderzoek doet naar de rol van bijbel en theologie in het debat over de Nederlandse koloniale slavernij. Eerder dit jaar publiceerde hij bij KokBoekencentrum het boek Gods slaafgemaakten. Hoe het christendom slavernij verdedigde en veroordeelde.

Wil je Gods slaafgemaakten bestellen?

‘Gods slaafgemaakten’ van theoloog en historicus Martijn Stoutjesdijk is een diepgravend onderzoek naar de rol van het christendom in het slavernijverleden, in het bijzonder dat van Nederland. Het slavernijverleden van Nederland is immers een zwarte bladzijde. Martijn Stoutjesdijk laat zien hoe in de Bijbel, de vroege kerk en de vroegmoderne tijd werd gepleit voor slavernij maar ook hoe vrije en slaafgemaakte christenen door de eeuwen heen tegenwicht boden. Stoutjesdijk toont dat het er soms om spande en hoe de geschiedenis onfortuinlijk toch de kant van de slavernij koos. Ook verbindt hij verleden en heden en onderzoekt hoe religie en macht doorwerken in de huidige discussie. Een ontluisterend boek voor iedereen die wil begrijpen hoe kerk en slavernij met elkaar verweven zijn.


Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Wil je op de hoogte blijven van Theologie.nl? Schrijf je dan in voor onze wekelijkse nieuwsbrief. Daarin selecteren we de mooiste, nieuwste en scherpste artikelen van de week. Ook houden we je op de hoogte van nieuwe boeken, speciale events en De theologie podcast. 

Word lid van Theologie.nl 

Wil je meer artikelen kunnen lezen over boeken, levensvragen, maatschappelijke thema’s en spiritualiteit? Word dan lid van Theologie.nl en sluit een basisabonnement af vanaf €5,83 per maand. 

Wellicht ook interessant

Bijbel
Bijbel
Basis

Kunstmatige intelligentie en Bijbelvertaling

De ontwikkelingen in de technologie van tegenwoordig zijn maar nauwelijks bij te houden. Ook op het gebied van Bijbelvertaling is dit te merken. Bijbelvertalers zijn nooit bang geweest voor technologie. Het begon al met de boekdrukkunst, die vertalers toegang gaf tot gedrukte Bijbels, woordenboeken, grammatica’s en commentaren. Later kwamen de computers, die vertalers hielpen bij het verwerken en corrigeren van de tekst, grote hoeveelheden data te doorzoeken en gemakkelijker samen te werken. Vandaag de dag heeft iedereen de mond vol van kunstmatige intelligentie (AI).

Malawi
Malawi
Basis

Ik ben een ‘Boss’

Hoe ziet het volgen van Jezus eruit op een plek die je niet goed kent, die je niet goed begrijpt, en die enorm verschilt van de plek waar je vandaan komt? Op die vraag probeert Arjen Zijderveld in deze serie antwoord te geven. In oktober 2025 verhuisde hij samen met zijn vrouw en twee kinderen van 4 en 2 van Nederland naar Malawi, wegens het werk van zijn vrouw. In Malawi komt hij als rijke westerling echter voor allerlei ethische dilemma’s te staan. Dit keer de vraag hoe hij als christen moet omgaan met de hoge status van ‘Boss’.

Kind houdt robothand vast
Kind houdt robothand vast
Basis

Een God die zich bedenkt

Eindtijdfascisme is geen randverschijnsel meer, ziet ook Fulco Timmers. Techbro’s als Elon Musk en Peter Thiel geloven dat de wereld reddeloos is verloren en maken plannen om een kleine elite van een aanstaande ramp te redden. De ‘zondvloed-thematiek’ die aan dit denken ten grondslag ligt, wordt in verschillende SF-films verbeeld, waaronder I Am Mother. Wanneer Fulco deze film echter vergelijkt met het verhaal van Noach, valt hem iets op. In tegenstelling tot de robot-moeder uit de film, ontmoeten we in het Bijbelverhaal een God die twijfelt – en dat maakt al het verschil.

Nieuwe boeken