Menu

Premium

De moeder van Jezus: een volhardende leerling

2e zondag na Epifanie (Johannes (1:29-)2:1-11)

De ‘bruiloft in Kana’ is net zo bekend als mysterieus. Het verhaal lijkt bol te staan van de symboliek: de derde dag, de zes kruiken, het water dat wijn wordt, de beste wijn die tot het laatst bewaard wordt, en het huwelijk op zich; maar niemand weet echt wat nu precies de betekenis van deze symbolen is.

Een paar voorbeelden. Is de derde dag de dag van de verrijzenis, of de derde dag van een ‘week’ die Johannes in de eerste hoofdstukken van zijn evangelie aftelt? Zijn de zes kruiken symbool van de eerste zes dagen van de schepping, met het feest van de sabbat op de zevende? Of wijzen ze – anti-judaïstisch – op de onvolkomenheid van de joodse reiniging? Het water dat wijn wordt, is dat zoiets als de vervulling van de wet? En dan de beste wijn die tot het laatst bewaard werd: heeft dat iets met de ‘late’ komst van Jezus te maken? Ten slotte het huwelijk: is dat gewoon een leuk feest, of eigenlijk al het hemelse bruiloftsmaal? Het zijn vaak mooie interpretaties die, behalve schoonheid, ook gemeen hebben dat ze nauwelijks een basis in de tekst zelf hebben.

Jezus’ grootste teken

Wat beter werkt, is om ‘Kana’ in het licht te lezen van het grootste teken van Jezus in het Johannesevangelie: zijn verheerlijking aan het kruis. Dit andere uitgangspunt is exegetisch beter te verankeren in de tekst en daarom zinniger. Daarbij ga ik deze keer uit van de bijzondere, wat raadselachtige rol van de ‘moeder van Jezus’ in de tekst. Die is belangrijk omdat ze op het probleem van de opgeraakte wijn wijst (Johannes 2:3) en voet bij stuk houdt (Johannes 2:5). Dat laatste nadat Jezus haar toch echt afwijzend te woord staat: ‘Vrouw, wat heb jij met Mij van doen?’ (Johannes 2:4a). Wat deze vrouw – ze heeft geen naam – ook mag betekenen, ze roept altijd exegetische instincten wakker. Vaak hebben (rooms-)katholieke commentaren op Johannes veel tekst nodig om uit te leggen dat Jezus’ uitspraak eigenlijk aardig bedoeld is, en protestantse commentaren zien er juist hun eigen mariale terughoudendheid in bevestigd. Zoals meestal in het Johannesevangelie is het exegetisch leuker en complexer dan een houding voor of tegen ‘Maria’.

Jezus’ uur

Het springende punt zit namelijk in het tweede deel van wat Jezus tegen zijn moeder zegt: ‘Mijn uur is nog niet gekomen’ (Johannes 2:4b). Dit wijst vooruit naar het moment waarop Jezus’ uur wél is gekomen, namelijk zijn verheerlijking, die in het Johannesevangelie de vorm heeft van zijn kruisiging. Daar verschijnt ook Jezus’ moeder nog één keer ten tonele, in de ontroerende scène waarin Jezus zijn moeder aan de geliefde leerling toevertrouwt als haar zoon, en de geliefde leerling Jezus’ moeder als zijn eigen moeder toevertrouwd krijgt (Johannes 19:26-27). Dit is ‘het uur’ van Jezus (vgl. Johannes 7:30; 8:20; 12:23; 13:1; 16:32; 17:1). En in dit uur spreekt Hij zijn moeder op dezelfde manier aan als in Johannes 2:4; in beide gevallen met de vocativus gunai van het Griekse woord gunè (= vrouw). Het is een woord dat blijkbaar zowel in een vriendelijke zin (vanaf het kruis) gebruikt kan worden als in een meer terugwijzende zin (zoals in Kana). Dat Jezus zijn moeder daar inderdaad terugwijst, blijkt er wel uit dat de rest van zijn zin, die zoveel betekent als ‘wat heb jij nu met Mij te maken’, in het Nieuwe Testament verder vooral voorkomt in de mond van boze geesten (zoals in Marcus 1:24; 5:7; Matteüs 8:29). Het is nogal een verandering in houding die plaatsvindt tussen het tweede en het negentiende hoofdstuk van het Johannesevangelie. Ertussenin speelt de ‘moeder van Jezus’ geen enkele rol.

Jezus’ verheerlijking aan het kruis

De veranderde houding van Jezus ten opzichte van zijn moeder heeft naar het zich laat aanzien sterk te maken met het al dan niet gekomen zijn van zijn uur. Dat is in Johannes 2:4 de reden van zijn terugwijzen; in Johannes 19:26-27 is het precies op het moment van zijn uur dat Hij zijn moeder opnieuw aanspreekt, met soortgelijke woorden, maar een geheel andere toon. Eén gevolg hiervan is dat zelfs het allereerste ‘teken’ dat Jezus in het Johannesevangelie doet en waarmee Hij zijn heerlijkheid openbaart (vgl. Johannes 2:11), vastgemaakt wordt aan het teken van Gods verzoenende toewending bij uitstek, namelijk van Jezus’ ‘verheerlijking’ aan het kruis (vgl. doxa in Johannes 2:11 en het werkwoord doxadzo dat in Johannes 17:1 voor verheerlijken gebruikt wordt). Dat geldt daarmee ook voor het feest van Epifanie, waarbij deze lezing hoort: er valt geen Epifanie te vieren zonder de openbaring van de heerlijkheid van de Heer aan het kruis mee te bedenken. Al het andere verzandt al snel in kerstromantiek.

Aan de lezer van het Johannesevangelie biedt het tweevoudig optreden van de ‘moeder van Jezus’ een mogelijkheid om zich te verhouden tot Jezus en zijn verheerlijking. De pointe lijkt namelijk deze te zijn: een band met Jezus is alleen dan volledig, wanneer deze een band met de Gekruisigde insluit en hij/zij in de kruisiging, met Johannes, verheerlijking kan herkennen. De ‘moeder van Jezus’ is getuige van Jezus’ eerste teken van zijn ‘heerlijkheid’ en verschijnt weer wanneer Hij verheerlijkt wordt. Ze lijkt, al zwijgend, de twee extremen van Jezus’ leven bij elkaar te kunnen houden. Daarmee is ze een van de meest volhardende leerlingen van Jezus in het Johannesevangelie én een van degenen die ook in het kruis Jezus’ heerlijkheid kan herkennen. Want waaruit bestaat die verheerlijking aan het kruis? Uit dat wat Jezus in Kana begonnen is te doen: te geven, wijn eerst, en zichzelf uiteindelijk. Voor het leven van de wereld. Met Irenaeus: de glorie van God is een mens die geheel tot leven gekomen is, en het leven van een mens is het zien van God.

Deze exegese is opgesteld door Peter-Ben Smit.

Wellicht ook interessant

Jan Luyken (1700), Origenes onderwijst zijn studenten.
Jan Luyken (1700), Origenes onderwijst zijn studenten.
Basis

Waarom ‘Eeuwig’ toch niet altijd een goed vertaalwoord is

Enkele publicaties vorig jaar, waaronder het boek “Het einde van de Hel” van Reinier Sonneveld, hebben de eeuwenoude discussie of God alle mensen uiteindelijk zal redden1 weer nieuw leven ingeblazen. Een belangrijk argument tegen de leer dat voor ongelovigen de hel de eindbestemming zou zijn, is dat de Hebreeuwse en Griekse woorden die meestal met “eeuwig” vertaald worden, niet de betekenis “eindeloos” hebben. Dat was aanleiding voor het blad Met Andere Woorden (MAW), een vakblad voor Bijbel en vertalen, om een themanummer uit te geven rondom dit woordje, “eeuwig” en “eeuwigheid”. En, hoewel vertalers zich het liefst op de tekst zelf focussen, ontkom je er niet aan keuzes te moeten maken die aan een dergelijke discussie raken.2 Zo moet een vertaler kiezen of hij meegaat in het zo bekende “eeuwig” en “eeuwigheid”, of in navolging van kritiek en diverse onderzoeken voor een andere weergave kiest. In het themanummer verdedigden enkele artikelen de keuze voor “eeuwig”. In de studievertaling waar ik aan mee mag werken, de Nieuwe Concordante Vertaling (NCV),3 is echter een andere keuze gemaakt. In dit artikel laat ik graag zien waarom “eeuwig” toch niet altijd een goed vertaalwoord is.

Een open boek, een zwevend model van de planeet aarde zweeft erboven, tegen de achtergrond van de ruimte met sterren.
Een open boek, een zwevend model van de planeet aarde zweeft erboven, tegen de achtergrond van de ruimte met sterren.
None

Bijbel en sciencefiction

In de komende tijd verschijnen er op theologie.nl diverse artikelen over theologie en
sciencefiction, een genre dat zowel in literatuur, film, videogames als in meer te vinden
is. t Hoe ziet het christendom eruit als we allemaal onze gedachten hebben
geupload in servers, is dat een soort eeuwig leven? Of zou er ook buitenaards leven zijn
dat religieus aangelegd is, en hoe speelt het christendom een rol daarin? Zouden
mensen moeten evangeliseren onder aliens, of komen aliens over 100 jaar misschien bij
ons op aarde evangeliseren?

Nieuwe boeken