Menu

Premium

De valse aangifte van Ananias en Saffira

Alternatief bij 1e zondag na Trinitatis (Handelingen 5,1-11)

Waarom moesten Ananias en Saffira sterven? Toen uitkwam dat ze een gedeelte van hun bezittingen ten koste van de gemeenschap voor zichzelf hadden gehouden, hadden zij het ideaal van de eerste gemeente geschonden. Maar erger nog was dat ze erover gelogen hadden. Of werd hun gebrek aan geloof hun fataal?

Collectief bezit en eensgezindheid waren een aantrekkelijk kenmerk van de gemeente van Christus geworden. In Handelingen 4,32-33 lezen we: ‘De gemeente van gelovigen was één van hart en ziel. Geen van hen beschouwde zijn bezittingen als zijn persoonlijk eigendom, want ze hadden alles gemeenschappelijk.’ Er was dus grote eensgezindheid over het geloof, en hoe dat in de praktijk te brengen. Niemand hoefde gebrek te lijden omdat de rijkere gemeenteleden, die aanvankelijk tot de bezittende klasse behoorden, vrijwillig afstand deden van hun bezittingen, deze te gelde maakten, en de opbrengst ‘voor de voeten neerlegden’ van de apostelen. Waarschijnlijk was dit in een cultuur onder Romeinse invloed, waarin bezit, macht en rijkdom in hoog aanzien stonden, een novum.

Een uniek kenmerk dat voor veel mensen een grote aantrekkingskracht had. Maar helaas bleek die eensgezindheid moeilijk vol te houden. In de ‘paradijselijke’ eerste gemeente kwam al snel een barst, juist toen alles goed leek te gaan.

Aanzien door afzien

Dat na deze beschrijving van de ideale eerste gemeente ook nog Josef Barnabas als voorbeeld moet worden opgevoerd, lijkt wat redundant. Deze ‘zoon van de vertroosting’ is een ‘Leviet uit Cyprus’ (4,36). De levieten hadden als stam van priesters weliswaar geen eigen woongebied toegewezen gekregen, maar mochten wel akkerland hebben (Num. 35,2). Josef Barnabas had zijn akker verkocht ten gunste van de gemeente. Enerzijds wordt hij opgevoerd als een positief rolmodel, maar tegelijk lijkt met hem ook het individualisme de gemeente binnen te dringen. Want mét zijn offer van zijn bezit krijgt hij binnen de gemeente immers veel aanzien: ook later zal hij een belangrijke positie verwerven als acoliet van Saulus/Paulus. Door hem te noemen in deze context, wordt de paradoxale suggestie om aanzien te krijgen door af te zien van bezittingen, geïntroduceerd.

Zo lijkt dit voorbeeld van Barnabas een reden te kunnen zijn geweest waarom ook ‘een zekere man met de naam Ananias, met zijn vrouw, Saffira genaamd’ zijn bezit verkocht (5,1). Het Griekse woordje de sluit aan bij het voorgaande. Maar in tegenstelling tot Barnabas zal Ananias door zijn valse aangifte gedoemd zijn een ‘een zeker man’ (Gr.: anèr tis) te blijven. Letterlijk en figuurlijk hebben hij en zijn vrouw, door de ongelukkige keuze die zij maken om niet alles over te dragen aan Petrus, en bovendien daarover te liegen, geen toekomst.

Net als in het latere monastieke leven moet volledige overgave aan Christus hand in hand gaan met het offer van persoonlijk bezit ten gunste van de gemeenschap. ‘Wie achter Mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen en dagelijks zijn kruis op zich nemen en Mij volgen. Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen; maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het behouden’ (Luc. 9,23-24 – NBV21).

Verband met de ban

Behalve een offer aan de gemeenschap is het vooral een offer aan God. In het Oude Testament komen we iets tegen wat daaraan verwant is in het begrip ‘ban’ (Hebr.: cherem): na verovering op een vijand moeten diens goederen voor God ‘afgescheiden’ worden. Het voor jezelf houden wat voor de Heer bestemd is, wordt met de dood bestraft. ‘Van de goederen waarop de ban van de HEER rust mag u niets verduisteren’ (Deut. 13,18a – NBV21).

Dat Ananias en Saffira geld van de opbrengst van hun bezit verborgen hadden voor de gemeente, getuigde van een gebrek aan overgave aan God. Bovendien waren ze ervan uitgegaan dat ze hun geld, en de motivatie van hun handelen, verborgen konden houden voor God. Daarmee was hun handelswijze ook een regelrecht getuigenis van ongeloof. Naast het zondigen tegen het negende en tiende gebod geloofden zij niet in Gods alwetendheid, en ‘maakten zij Hem klein’ in plaats van Hem te eren. Dit alles samen wordt door Petrus benoemd als het werk van Satan, die net als de heilige Geest iemands hart kan vullen. Geloof is immers ook waar je hart vol van is.

Beschuldiging in vragende vorm

In het vervolg bewijst Petrus die alwetendheid. Want zonder iets te hoeven zeggen of bewijzen weet Petrus al dat de gave van Ananias en Saffira niet de hele opbrengst van hun bezittingen representeert. De ondervraging van Ananias was al een verholen beschuldiging geweest. Was het de Geest of sprak Saffira’s gezicht boekdelen, toen ze drie uur later binnenkwam en tot haar verbazing haar man niet aantrof? Petrus antwoordde haar, al voor een vraag over haar lippen kwam (Gr.: apekrithè de pros autèn, 5,8).

Er waren dus drie redenen waarom Ananias en Saffira moesten sterven. Ze hadden gelogen tegen de gemeente en daarmee tegen de heilige Geest over het afstaan van hun bezittingen: het was maar een deel, terwijl ze zeiden dat het alles was. Verder dachten ze blijkbaar dat als geen mens het ziet, God het ook niet ziet. Daarmee minachtten ze de Almachtige. Ten slotte had het misschien de schijn van zelfpromotie: als ze het niet helemaal uit geloof deden, maar ook een beetje om aanzien te verwerven, was het ook logisch om niet alles weg te geven.

De straf komt ons desalniettemin nogal cru over. Was uitsluiting uit de gemeente niet voldoende geweest? In hoeverre kunnen wij ons helemaal overgeven aan God? Zwemmen ook wij niet rond in die noodlottige fuik waarin geloof soms maar moeilijk van onze behoefte aan waardering te onderscheiden valt? Gelukkig lijkt het goed zolang we er maar eerlijk over zijn.

Deze exegese is opgesteld door Matthijs de Vries.

Wellicht ook interessant

Matthijs den Otter
Matthijs den Otter
Basis

Korte Metten: Zacht op de persoon, hard op de inhoud

Toen ik net twee jaar werkervaring had, werd ik – tot mijn verbazing – aangenomen als teamleider bij een maatschappelijk projectbureau. De thema’s en het contact met opdrachtgevers vond ik leuk, maar het leidinggevende gedeelte knap lastig. Met name het feedback geven. Wie was ik als 26-jarige om anderen te vertellen wat ze beter moesten doen? Wat als ze zich gekwetst zouden voelen? Toen ik dit een keer besprak met mijn eigen leidinggevende gaf hij me een tip: ‘Zacht op de persoon, hard op de inhoud.’ Een waar feedback-credo. Een simpel, maar vernuftig uitgangspunt. Het stelt de ander centraal. Het leert je diegene allereerst te zien als mens. Maar voel je je daardoor veel vrijer om scherp feedback te geven op de inhoud, op wat die ander beter kan doen?  Dat staat immers los van de waarde van die persoon.

Nieuwe toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland
Nieuwe toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland
None

Het leven van de gemeente

De kerkorde typeert het werk van de kerkenraad als ‘leiding geven aan de opbouw van de gemeente in de wereld’. Maar wat moet je je daarbij voorstellen? Ord. 4-7-1 ziet het als de tweede taak van de kerkenraad, na de zorg voor de dienst van Woord en sacramenten: immers, in paragraaf 2.1 zagen we al dat de gemeente allereerst een horende en vierende gemeenschap is. Maar wie het Woord hoort en de gemeenschap met God en mensen beleeft rond doop en avondmaal, weet zich ook geroepen ‘tot dienst aan het Woord van God’ (art. IV-1 KO). Daarmee komt de opbouw van de gemeente in de wereld in beeld. Opbouw van de gemeente: in pastoraat, gemeentediaconaat, geestelijke vorming, en wat ook verder maar kan dienen ‘tot opbouw van het lichaam van Christus’. In de wereld: onder meer in diaconaal en missionair werk.

Nieuwe boeken