Fragment uit Het Keltisch jaar van David Cole
Dit zijn fragmenten uit de Introductie (p. 11-14, 16-17):
Alles in de natuur werkt volgens een ritme. Alles heeft een natuurlijke kringloop; zo leven ook wij, mensen, volgens een ritme. Er zijn ritmes die goed zichtbaar zijn, zoals de seizoenen: gedurende het jaar zien we de bomen en bloemen voor onze ogen veranderen. Maar er zijn ook subtielere ritmes en kringlopen, zoals die van de sterren die elke nacht langs de hemel bewegen, en de zonsopkomst en -ondergang die door het jaar heen langs de horizon in plek opschuift.
Onze moderne westerse wereld is in haar beleving volkomen losgekoppeld van deze omwentelingen van de aarde, van de seizoenswisselingen en van de astronomische en aan de aarde gerelateerde tijdverschijnselen. De oudste en inheemse culturen op deze wereld waren – en zijn – wel verweven met deze wisselingen in de natuur. Niet alleen omdat het agrarische culturen waren – en zijn – maar vooral omdat ze hun diepe verbondenheid met de natuur opvatten als bron voor zowel het lichamelijke als het spirituele leven.
De Kelten van Noord-Europa waren geen uitzondering. Vanaf de nieuwe steentijd tot ongeveer 500 na Christus vormden de ritmes van de natuur de basis van hun hele leven, van hun lichamelijke en spirituele leven, én van hun kalender. Net als elke cultuur en elk tijdperk hadden de oude Kelten een jaarkalender. Het Keltisch jaar had seizoenswisselingen en andere mijlpalen, die zowel voor het lichamelijke als voor het spirituele leven belangrijk waren. Dit boek reflecteert hierop en probeert de lezer opnieuw te verbinden aan de kringlopen van de aarde in relatie tot de zon, de maan en de seizoenen.
Het Keltisch jaar, waar het in dit boek over gaat, is vastgesteld door de combinatie van pre- en post-christelijke Keltische tijdrekeningen. Deze systemen zijn gebaseerd op de Gallische Kalender van Coligny, op aantekeningen uit De Gallische oorlog van Julius Caesar en op informatie uit Over de berekening van de tijd van Beda.
De Kalender van Coligny is een Gallische maankalender. Deze kalender combineert de maanfases met de tijd van een zonnejaar. De vroegste versie waarvan archeologen fragmenten gevonden hebben, stamt uit de tweede eeuw en werd gebruikt door de Keltische volken om het begin en de lengte van de dag, week, maand, seizoenen, kwartaaldagen en feesten vast te stellen. De Kalender van Coligny heeft een vijfjaarlijkse cyclus. Het is waarschijnlijk het belangrijkste historische bewijs voor het bestaan van een oude Keltische kalender. Deze Kalender van Coligny is zowel in het Latijn als in de Gallische taal geschreven.
De Gallische oorlog van Julius Caesar is een pseudo-historisch document dat verslag doet van Caesars tijd in Gallië en zijn poging om Brittannië binnen te vallen in de eerste eeuw voor Christus.
Beda was een monnik en historicus in het koninkrijk Northumbria. Hij leefde in de vroege achtste eeuw. Zijn beroemdste werk is De kerkelijke geschiedenis van het Engelse volk, waarin hij een groot aantal van zijn andere boeken opsomt. Een van die boeken is Over de berekening van de tijd, een dik boek vol berekeningen van seizoenen, maanden en christelijke feesten. Verder bevat het een behoorlijk aantal maancycli. Beda beschrijft hoe de tijd berekend werd door de Egyptenaren en Grieken in de oudheid en door de Kelten en Angelsaksische volken voor en na hun kerstening.
Het Keltisch jaar
Het Keltisch jaar heeft acht scharniermomenten, namelijk de vier seizoenswisselingen, de beide zonnewenden (de zomer- en winterzonnewende) en de beide equinoxen (de lente- en herfstequinox). Daarom heeft dit boek ook acht delen. […] De vier seizoenen van het Keltisch jaar zijn: Samhain (uit te spreken als ‘sau-win’, de winter), Imbolc (‘im-bolk’, de lente), Beltane (‘bell-teen’, de zomer) en Lughnasa (‘loe-nasa’, de herfst, nu meestal ‘Lammas’ genoemd). Deze vier seizoenen worden genoemd in de vroege Ierse literatuur, de oudste volksliteratuur in West-Europa. De vroegste bewijzen van de seizoenen geschreven in de Ierse taal zijn de Ogham-inscripties uit de vroege vierde eeuw na Christus.
Omdat Ierland niet was binnengevallen door de Romeinen, kunnen we aannemen dat deze vierde-eeuwse beschrijvingen van de seizoenen ook eeuwen daarvoor, in de ijzertijd en misschien zelfs al in de bronstijd, in gebruik waren in Ierland en Brittannië. Deze indeling van het jaar moet in het Ierland van de eerste eeuwen na Christus nog steeds in gebruik zijn geweest. Toen Ierse monniken naar Brittannië kwamen en kloosters en abdijen bouwden, zoals Columba naar het eiland Iona ging in de zesde eeuw en Aidan naar Lindisfarne in de zevende eeuw, namen ze deze jaarrekening hoogstwaarschijnlijk mee. Dat is immers wat veel mensen doen als ze naar andere landen met een andere cultuur trekken: ze nemen hun eigen kalenders mee en blijven die gebruiken.
Het Keltisch jaar heeft acht scharniermomenten
Beda vertelt ons dat elk seizoen drie maanomwentelingen of maancycli bevat (Over de berekening van de tijd, 15) en dat de winter begin november start, de lente begin februari, de zomer begin mei en dat de oogst of het najaar begin augustus al start (35). Hij vertelt ook dat elk seizoen een midden heeft om de omkeer van maanwassen naar maanafname te markeren (35). De zonnewenden markeren het midden van de winter en zomer en de equinoxen het midden van de lente en de herfst. […] Beda stelt ook in zijn hoofdstuk over ‘Equinoxen en zonnewenden’ (30) dat christenen deze tijdmarkeringen aanhielden. Dit betekent dat er elke zes weken een viering was die was gebaseerd op de cycli van de hemel en de aarde. […]
In dit boek
In dit boek, Het Keltisch jaar, bevat elk van de acht keerpunten de volgende onderdelen:
Liturgie
Deze liturgie kan worden gebruikt voor een korte kerkdienst of andere samenkomst waaraan liederen kunnen worden toegevoegd, of voor eigen gebruik, in het bewustzijn dat je deel uitmaakt van het wereldomvattende lichaam van Christus.
Alle liturgieën bevatten het aanroepen van God; een Keltische passage afkomstig uit oude of hedendaagse Keltische geschriften; een psalmlezing; een gerichte pauze ter concentratie, zodat je de tijd hebt om jezelf opnieuw op God af te stemmen; enkele voorbeden; nog een bijbellezing, uit het Oude of Nieuwe Testament; een korte overweging om over na te denken en een slotgebed.
De psalmen in de liturgieën zijn zo afgedrukt dat deze gezamenlijk en afwisselend door twee mensen of groepen mensen kunnen worden (voor)gelezen, met pauzes tussen de verzen. Dit is een traditionele monastieke manier van psalmen lezen, waarbij de groep aan de ene kant van de ruimte de oneven verzen leest en de groep aan de andere kant de even verzen. In het midden van elke regel staat een asterisk (*). Daar lassen de lezers een adempauze in voor ze doorgaan.
Dagwijding
Er zijn zeven dagwijdingen, één voor elke dag in de week, elk met een bijbelvers, een moment van bezinning en een gebed. Deze dagwijdingen kunnen gedurende de zes weken herhaaldelijk worden gebruikt, of op elk moment op de daarvoor bestemde dagen tussen het ene en het volgende scharniermoment in het Keltisch jaarwiel.
In de Keltische traditie heeft elke dag een thema: op maandag staat de schepping centraal, op dinsdag de incarnatie (de vleeswording van Jezus), op woensdag de heilige Geest, op donderdag de gemeenschap (gemeente), op vrijdag het kruis, op zaterdag de heiligen (Keltische christenen) en op zondag de opstanding en het nieuwe leven. De zeven dagwijdingen voor elk van de acht scharniermomenten of keerpunten in de Keltische jaarkalender volgen deze dagelijkse thema’s.
Gebeden en zegeningen
Elk hoofdstuk wordt afgesloten met Keltische gebeden en zegeningen. Deze zijn een mix van citaten uit andere bronnen, zowel antieke als moderne, en mijn eigen geschriften. Ze kunnen op elk moment worden gebruikt als losse en individuele gebeden, maar kunnen, indien gewenst, ook worden opgenomen in de liturgie of in een van de dagwijdingen.
David Cole is voorganger en retraiteleider.
David Cole, Het Keltisch jaar. Het natuurlijke ritme van gebeden en meditaties. Uitgeverij: Utrecht, KokBoekencentrum Uitgevers, 2026. 160 pp. € 20,00. ISBN 9789043543538
