Menu

Premium

Het goede wil ik, het kwade doe ik

3e zondag van de Veertigdagentijd (Romeinen 7,14-25)

Op het rooster staan Exodus 20,1-17, Psalm 19,8-15, Romeinen 7,14-25 en Johannes 2,13-22(25). Deze exegese focust op de epistellezing. Romeinen 7,14-25 is een bekend en tegelijkertijd ingewikkeld gedeelte. Mensen herkennen zich te pas en te onpas in de dynamiek van wel willen en niet doen. De mens is gevangen in een strijd van trekbewegingen tussen de wet van God willen houden en de wet van de zonde doen. Zij wacht nog op de voltooiing die komt wanneer het lichaam wordt vernieuwd.

Romeinen 7 staat in het grotere geheel van Romeinen 5–8, dat gaat over het leven in Christus en de Geest. Romeinen 7,7-25 is een gedeelte in mineur en gaat over zonde: de verhouding met de wet (7,7-13) en de strijd die dat oplevert (7,14-25). In vers 7-12 wordt geconcludeerd dat de wet zelf goed is. Verbindingsvers 13 problematiseert dat en leidt zo naar vers 14-25. De gedeeltes lopen retorisch parallel. Elk vers geeft een kleine draai aan de cumulatieve argumentatie. De verzen 12 en 25 fungeren als epiphonemon, een samenvattende conclusie. De kern van Paulus’ betoog is dat de mens zich met zijn verstand wel aan de wet van God wil onderwerpen, maar door zijn aardse natuur blijft zondigen.

Wie ben ik?

De identiteit van de ik-persoon in Romeinen 7 is zowel retorisch als theologisch veel bediscussieerd. Spreekt Paulus hier over zichzelf? Dat komt niet overeen met hoe hij elders over zichzelf spreekt. De suggestie dat Paulus over zijn onbekeerde verleden spreekt, rijmt niet met de tegenwoordige tijd van de werkwoorden. Een meer aannemelijk voorstel is dat Paulus hier een ik-figuur als stijlfiguur invoert om zijn punt te maken. De klassieke retorica, waar Paulus hoogstwaarschijnlijk in geschoold was, noemt deze stijlfiguur prosopopoiia. De ingebrachte ik-figuur reflecteert in monoloogvorm op zijn gedachten, die op een emotionele of moreel-psychologische wijze worden geuit.

Daaraan verbonden is de theologische discussie over de vraag wie deze passage betreft: mensen zonder Christus, joden of christenen? Hoewel er universele tendensen in de tekst aanwezig zijn, lijkt Paulus toch vooral te doelen op mensen die Christus leren kennen, wier geloofsbasis geworteld is in het jodendom.

Welke wet?

Wat duidelijk wordt uit de tekst, is dat de ik-persoon de wet kent. Een gepaste vervolgvraag is dan ook: over welke wet heeft Paulus het hier in Romeinen 7? Paulus gebruikt ‘de wet’ (Gr.: nomos) in 7,21-25 namelijk in verschillende betekenissen. Dit is ook wel bekend als het stijlfiguur antanaclasis. Allereerst is er de wet van God (7,14a.16b.22.23b). Hoewel sommige uitleggers dit zien als Gods wil in het algemeen, lijkt Paulus toch ook echt een concretisering daarvan in de joodse geschreven wet te beogen. De wet is ‘geestelijk’, dat wil zeggen geïnspireerd door de Geest. De wet is goed en kan het verlangen naar het goede versterken en een bron van vreugde zijn (cf. Ps. 19,8-15). Ook speelt de wet een rol in de bewustwording van goed en kwaad. Een verhelderend en cruciaal vers is 7,7, waar Paulus het tiende gebod (Ex. 20,17) aanhaalt. In het antieke jodendom werd het tiende gebod ook wel als samenvatting van de wet in al haar concentrische cirkels gezien (Decaloog, Tora, Tenach, overige tradities).

De begeerte is de wortel van alle kwaad. Tegelijkertijd kan die bewustmakende wet een averechts effect hebben door de menselijke natuur. Dat leidt naar de tweede betekenis van ‘de wet’ in dit gedeelte, namelijk de ‘andere’ wet of de ‘wetmatigheid’, de wet van de zonde, die zich uit in de trekbewegingen tussen het goede willen en het kwade doen (7,21a.23ac).

Wat is het probleem?

Het probleem heeft te maken met deze ‘wetmatigheid’. Met taalgebruik waarin gevangenschap en slavernij weerklinken, drukt Paulus de machteloosheid uit van de mens die zich wel aan de wet wil houden, maar het niet doet. Het gaat in dit tekstgedeelte dus niet zozeer over de mens die er weloverwogen voor kiest om het kwade te doen, maar veeleer om de ongrijpbare menselijke neiging om het kwade toch te doen, ook al wil je het niet. De begeerte wordt gezien als wortel daarvan. Het is alsof de zonde het innerlijke roer overneemt, en het verstand en de wil machteloos staan toe te kijken hoe de zonde de mens de dood in stuurt.

De verbinding van een prosopopoiia met de innerlijke neiging om de begeerte te laten domineren, is terug te zien in andere teksten uit de Grieks-Romeinse wereld. Mogelijk zal deze passage daardoor in de hogere regionen in Rome tot de verbeelding hebben gesproken. Noemenswaardig zijn Epictetus’ uitspraken in zijn Encheiridion (2.17-18-19, 2.26.1-2) en Ovidius’ Metamorphoses (7.20-21). Het meest bekend is Euripides’ tragedie Medea (1077-80) waarin staat: ‘De hartstocht is sterker dan de beslissingen van mijn wil; voor stervelingen is dat de oorzaak van het grootste kwaad.’

Is er ook een oplossing?

Suggesties voor oplossingen dienen gevonden te worden in dezelfde sfeer als het probleem, namelijk de eschatologische spanning tussen het ‘alreeds’ en het ‘nog niet’. Jezus Christus zal het lichaam verlossen, blijkt uit de directe context. Hoewel de verlossing door zijn komst, leven, sterven en opstaan al is geschied, wacht de schepping nog op voltooiing. Zo is bijvoorbeeld het lichaam nog niet vernieuwd. Het leven in dit aardse bestaan levert vooralsnog zonde en strijd op. Toch volgt in Romeinen 8 een voorschot op die voltooiing, de heilige Geest. De christen heeft van de eigen natuur niet veel te verwachten, maar wanneer het lichaam een tempel van de heilige Geest wordt (cf. 1 Kor. 6,19-20), kan streven naar een leven volgens Gods wet weer een bron van vreugde worden.

Deze exegese is opgesteld door Lydia de Kok-Meeuse.

Wellicht ook interessant

Basis

“Traditie mag je best aanpassen aan de huidige tijdgeest”

Welke initiatieven zijn er allemaal op het gebied van religie en zingeving en wat kunnen we ervan leren? Martine Meijers gaat dit keer in gesprek met Isabella Goossenaerts (Malle, 1996), projectmedewerker ‘interlevensbeschouwelijk netwerken’ bij ORBIT vzw. Isabella zoekt naar wat mensen met verschillende religieuze overtuigingen met elkaar verbindt en deelt inspirerende verhalen over samenwerkingsprojecten die haar hebben geraakt.

None

Recensie ‘Liefde Lijden Leven – Gedachten over kwetsbaarheid en kracht’

Soms worden mensen stem op een manier die ze zelf niet zochten. Door wat ze meemaken wordt er anders naar hen geluisterd. Mensen horen hen en weten: die spreekt niet vanuit een studeerkamerstilte maar vanuit de levensruis. Het leven is door hem, door haar heengegaan en daar is wijsheid uit geboren. Wat ze meemaken hadden ze liever gemist. En toch geeft juist dat hen gezagvolle gedachten. Tegen wil en dank is Niek Tramper zo’n stem geworden. Want als je de tijding krijgt ernstig ziek te zijn, hoe reageer je dan? Als ze alleen nog behandelen om je leven wat te verlengen, wat gaat er dan nog in je om?

Nieuwe boeken