Menu

Premium

Jakobus

INLEIDING

Schrijver

De auteur presenteert zich in het opschrift van deze brief als iemand die ‘in dienst is van God en de Here Jezus Christus’. Verdere aanduidingen blijven achterwege. Voor de geadresseerden was dit kennelijk voldoende om te weten van wie de brief afkomstig was. Blijkens het vervolg bestaat er een nauwe relatie tussen de schrijver en de lezers. Herhaaldelijk spreekt hij hen aan als ‘mijn broeders’, gaat hij in op hun problemen en dringt hij hen tot het nemen van verantwoorde beslissingen. Zo komt de schrijver naar voren als een bekende en gezaghebbende figuur in de jonge kerk.

In de apostellijsten worden twee mannen genoemd met de naam Jakobus: de zoon van Zebedeüs en een zoon van Alfeüs (Mat. 10:2, 3). Toch zullen we niet aan hen moeten denken. Jakobus, de zoon van Zebedeüs werd reeds in 44 op bevel van koning Herodes (Agrippa I) ter dood gebracht (Hand. 12:2). Het is niet waarschijnlijk dat deze apostel in de jaren die aan zijn gewelddadige dood voorafgingen een brief gezonden heeft aan christenen die in het buitenland woonden. Ook zijn de apostelen gewend melding te maken van hun bijzondere ambt. Petrus en Paulus doen dit meestal in hun brieven, terwijl Johannes – ook al dient hij zich in zijn brieven niet aan als een apostel – toch duidelijk laat uitkomen dat hij tot deze groep behoort (1 Joh. 1:1-4).

We komen dan uit bij Jakobus, de (stief)broer van Jezus. Deze heeft jarenlang een belangrijke plaats ingenomen in de gemeente te Jeruzalem (vgl. Hand. 15). Paulus schrijft in de brief aan de Galaten (2:9) over hem als een steunpilaar van de gemeente. Het door Jakobus uitgebrachte advies op de kerkvergadering te Jeruzalem inzake het geschil dat aan deze bijeenkomst was voorgelegd door een delegatie uit Antiochië, is niet zonder invloed geweest op de beslissing die genomen werd (Hand. 15:13, 22).

Het heeft steeds de aandacht getrokken dat deze brief in zeer goed Grieks geschreven werd. Wat dat betreft neemt dit epistel een vrijwel unieke plaats in onder de boeken van het Nieuwe Testament. Er komen in de brief fraaie woordspelingen voor; ook de kettingredeneringen geven blijk van literair vermogen. De stijl is puntig en spreukmatig en doet denken aan de wijsheidsliteratuur van het Oude Testament en aan andere geschriften van soortgelijke opzet uit het Jodendom. Uitgewerkte beschouwingen ontbreken; flitsende gedachten treft men des te meer aan. Op grond van dit alles is de conclusie getrokken, dat de broer van Jezus niet de schrijver van deze brief kon zijn. Waar haalde deze de kennis vandaan om zich op zó voortreffelijke wijze te kunnen uitdrukken? Deze afwijzing van Jakobus als auteur schijnt des te overtuigender, omdat hij jarenlang in het afgelegen Galilea woonde. We kunnen uiteraard over de literaire kwaliteiten van Jakobus niets zeggen. Uit de grote hoeveelheid documenten en inscripties van allerlei aard die vooral in de laatste tientallen jaren voor de dag zijn gekomen mag echter wel de gevolgtrekking worden gemaakt, dat het Grieks in de eerste eeuw een veel groter verspreiding in het joodse land heeft gevonden dan vroeger werd aangenomen. Waarom zou Jakobus daardoor niet beïnvloed zijn?

Lezers

De brief is gericht aan de ‘twaalf stammen die over heel de wereld verspreid zijn’ (1:1). Deze uitdrukking moet niet letterlijk worden opgevat. Sedert de ballingschap waren er geen twaalf stammen meer. Slechts een klein gedeelte van het joodse volk keerde naar het oude erfland terug. Vele stammen bleven in gebreke hun afkomst te bewaren. Ze verdwenen onder andere volken. Toch wilden de teruggekeerde Joden aan het twaalftal vasthouden (Ezra 6:17). Jezus greep bij de keus van zijn leerlingen ook terug op de twaalf zoons van Jakob die eenmaal de grondslag mochten leggen van het volk Israel. De Here heeft echter niet uit elk van de twaalf stammen van het oude volk een representant gekozen (Luc. 6:14). De uitdrukking twaalf stammen moet daarom in overdrachtelijke zin worden opgevat. Het gaat om het nieuwe Israel, om mensen die leven uit de verlossing die Christus Jezus tot stand heeft gebracht.

We betrekken deze uitdrukking nu op de situatie waarin de christenen in Jeruzalem zich bevonden na de vervolging die losbrak bij de dood van Stefanus (Hand. 8:1-4, 11:19). Juist van de gemeenteleden die toen wegvluchtten omdat de toestand in de stad onhoudbaar geworden was, wordt met nadruk gezegd, dat ze ‘verstrooid werden’. Tot driemaal wordt deze typering herhaald. Ofschoon van een verstrooide gemeente nauwelijks iets kan worden verwacht, wordt van deze gemeenteleden een ander getuigenis gegeven. Ze zijn bemoedigd en gesterkt door de Here en tot een zegen geworden voor veel mensen (Hand. 11:19-30).

Jakobus heeft vanuit Jeruzalem aan deze mannen en vrouwen, her en der verspreid, zijn brief gestuurd. Waar de lezers gezocht moeten worden? De verstrooiden zijn vooral in noordelijke richting getrokken: naar Fenicië, Cyprus en Antiochië (Hand. 11:19). Het ligt dus voor de hand te denken aan een groep joodse christenen die in dit gebied, wellicht in Antiochië, woonden.

Datering

De brief noemt slechts tweemaal de naam van de Here.Toch bestaat er grote overeenkomst tussen de vermaningen van Jakobus en de prediking van Jezus. Nergens wordt op een duidelijke manier een aanhaling gedaan uit de evangeliën en toch is er grote verwantschap met de woorden van Jezus, speciaal met die uit de bergrede. De zonden die gesignaleerd worden zijn voor een groot deel dezelfde als in de toespraken van de Here ook herhaaldelijk aan de orde zijn gesteld. De mensen die nu ver van het joodse land wonen, hebben zich toch niet aan de greep van het wettische Jodendom kunnen ontworstelen. Dit alles wijst in de richting van een vroege datering van de brief. De evangeliën waren nog niet geschreven. De lezers herinnerden zich het mondelinge onderricht van de Here. De zending onder de heidenen had blijkbaar nog geen grote afmetingen aangenomen, want er wordt in het geheel niet op gezinspeeld. We hebben hier één van de oudste brieven van het Nieuwe Testament. Mogelijk werd dit epistel omstreeks het jaar 55 of iets eerder verzonden.

In tegenspraak met paulus?

Vele malen is betoogd dat Jakobus met Paulus in conflict komt. De beslissende passage hiervoor is 2:14-16. Paulus heeft geschreven dat de mens uit het geloof, niet uit de werken gerechtvaardigd wordt (Rom. 3:28; Gal. 2: 16). Jakobus daarentegen verklaart: ‘Zo is het ook met het geloof zonder meer: het is dood als de daad er niet bijgevoegd wordt’. Vooral Luther heeft het met de door Jakobus gebezigde uitdrukkingen moeilijk gehad. Toch is 1 an een tegenstelling geen sprake. Jakobus behandelt hei onderwerp van de rechtvaardiging op een heel andere wijze en vanuit een andere gezichtshoek dan Paulus. Uitgangspunt is ook bij Jakobus het geloof. Geloof en werken vormen een onverbrekelijk geheel, maar altijd zo, dat het geloof vooropgaat. Het geloof is niet volledig uitgegroeid als er geen werken zijn. Die horen er bij. Als dus uit het geloof geen werken voortkomen, is daarmee aangetoond, dat van echt geloof geen sprake is (vgl. 1:3).

Inhoud van de brief

Schrijver, lezers, groet 1:1

Verzoekingen 1:2-11

Het doel der verzoekingen 1:12-18

Hoorders of daders 1:19-27

Geen aanzien des persoons 2.T-13

Geloof en werken 2:14-16

De verantwoordelijkheid van de leraar 3:l-5a

De verwoesting, veroorzaakt door de tong 3:5b-12

Tweeërlei wijsheid 3:13-18

Hartstocht en zuiverheid 4.T-10

Roddelpraat 4:11, 12

Het voorbehoud 4:13-17

Vergelding voor de rijken 5:1-6

Geduldig wachten 5:7-11

Zweert niet5:12

De kracht van de voorbede 5:13-18

Breng de dwalende terug 5:19, 20

VERKLARING

Schrijver, lezers, groet 1:1

Jakobus (1): Vergriekste vorm van het hebreeuwse Jakob = hij houdt de hiel vast, hij bedriegt (Gen. 25:26); zie verder de Inleiding.

Verzoekingen 1:2-11

Houdt het voor enkel vreugde (2-4): Van de 108 verzen die deze brief telt, bevat de helft een zinsconstructie in de gebiedende wijs of wat daarmee gelijk staat. Bedoeld is zeer positief: complete vreugde. De vreugde ligt niet in de verzoeking als zodanig, maar in het doorstaan ervan. In verzoeking klinkt altijd mee: beproeving. Wie onderweg is of op zee kan beproevingen verwachten. De schrijver bedient zich in de volgende vss van een kettingredenering. De ene gedachte wordt met herhaling van hetzelfde woord aan de volgende gekoppeld. In de latere joodse literatuur werd deze stijlfiguur vlijtig beoefend en met de fraaie benaming ‘parelrijgen’ aangeduid. In vs 3 is sprake van een toetssteen, een keuringsmiddel. Jakobus spoort aan tot het opvoeren van het uithoudingsvermogen en de versterking van de weerstand, zodat de volmaaktheid binnen handbereik komt. Er ligt een herinnering in aan de oud-testamentische eredienst; mannen met lichaamsgebreken mochten in het heilige van de tempel geen priesterdienst verrichten (Lev. 21:17-23). Indien u in wijsheid tekortschiet (5-8): God wil op het gebed wijsheid geven, eenvoudigweg, mild en royaal. In de joodse traditie wordt van eenvoud vooral met betrekking tot het oog gesproken. Terwijl een onverstandig mens volgens de Wijsheid van Jezus Sirach een geschenk met allerlei bijbedoelingen geeft, geeft God nimmer uit berekening (vgl. Mat. 6:22). In de woorden klinkt hetzelfde door als in de aansporing van Jezus (Luc. 11:9-13). Vol vertrouwen moet gebeden worden; de mens die twijfelt (vgl. Rom. 4:20) is iemand die met zichzelf overhoop ligt, een man met twee zielen in één borst. Wie voortdurend hinkt op twee gedachten is in zijn beslissingen onberekenbaar. In tegenstelling tot de Feniciërs en de Grieken waren de Joden vanouds geen zeevaarders. De golven van de zee, in rusteloze beweging, brachten hen eerder tot gevoelens van angst en schrik (Ps. 107:23-30). Zulk een mens (7): De woordkeus getuigt van minachting en geringschatting. Ongeloof verhindert de ontvangst van Gods gaven. Het is moeilijk te zeggen of we aan de HERE dan wel aan de Here Christus moeten denken. Op al zijn wegen (8) is een hebraïsme. De verbinding van het weg- motief met de eis tot volkomenheid komt in de Ps. en de Spr. voor (Ps. 101:2, 6, 119:1; Spr. 2:7, 13:6, 28:18). Laat de geringe broeder (9-11): Het thema van vs 2 wordt weer opgenomen. Het gaat nu om de toepassing van het beginsel zich te verheugen in beproevingen (Luc. 6:20-26). De geringe is de nederige, de ‘kleine man’. Het lidwoord van bepaaldheid stelt soms persoon tegenover persoon, soms klasse tegenover klasse, ook wel kwaliteit tegenover kwaliteit. Het zal hier de klasse aanduiden. Bedoeld zijn de armen uit het O.T. (vgl. Jak. 2:5). Ze zijn hoogverheven door Gods genade. Wat moet bij de rijke worden aangevuld? Mag ook hij roemen? Zo ja, dan is dat ironisch bedoeld. Ook is mogelijk: denken aan (vgl. 2:68, 5:1-6). Het is een jaarlijks terugkerend verschijnsel in het nabije oosten, dat de weiden na een korte periode van bloei in het vroege voorjaar snel verdorren en onder de verzengende zon en de hete woestijnwind, sirocco of chamsin genoemd, een troosteloze steppe worden (Job 27:21; Hos. 12:2, 13:5; Jona 4:8). Temidden van zijn bedrijvigheid zal de rijke zijn bezittingen, ook zijn personeel, te loor zien gaan.

Het doel der verzoekingen 1:12-18

Zalig is de man (12): De belofte van de lauwerkrans en van eeuwig leven vormt een prachtige tegenstelling met de broosheid en vergankelijkheid die in het vorige vs werden beschreven. Sinds de regering van koning Herodes (37-4 v. Chr.) werden ook in het joodse land spelen georganiseerd in het stadion, dat hij had laten bouwen. De winnaars ontvingen een krans (2 Tim. 4:8; Op. 2:10, 3:11, 4:4, 10, 6:2, 9:7, 12:1, 14:14). Jakobus denkt niet aan een bepaalde beproeving; het lidwoord ontbreekt (zie vs 9). Het in het Grieks gebruikte ww. voor liefhebben bevat een element van keus en selectie. Het gaat om hen, die uit volle overtuiging en met volle overgave de HERE liefhebben. Laat niemand (13-16): In de verzoeking in vs 13 wordt die van vs 12 en ook weer die van vs 2 opgenomen (zie aldaar). Er is een geleidelijke en vrijwel geruisloze overgang van beproeving naar verzoeking. Jakobus lost het raadsel van de verzoekingen niet op. God stelt mensen op de proef. Abraham (Jak. 2:21) en Job (Jak. 5:11) doorstaan ge/oo/ibeproevingen. Dat is een duidelijk en principieel verschil met verleiding tot slechtheid. Als de verzoeking van God zou uitgaan, zou God verzocht kunnen worden of verzoekbaar zijn. Ook zou God de bron van het kwaad zijn. Zowel het één als het ander is onmogelijk. Daarom kan niemand zeggen, dat hij door God verzocht wordt. Verder: satan is een instrument in Gods hand (Luc. 22:31). De boze bedoeling van de duivel is ondergeschikt aan het goddelijke doel om de leerlingen aan de Here Jezus en zijn werk te binden. Na de negatieve bewijsvoering: God is nimmer de bron van de verzoeking, gaat de schrijver positief verder. Hij beschrijft vervolgens de verlokkende macht van de zonde. Een mens wordt verzocht door zijn eigen begeerte. Het begint met het koesteren van die begeerte. Er wordt gewerkt met woorden die ontleend zijn aan de jacht of de visserij. Daarbij wordt dikwijls van een lokaas gebruik gemaakt. De begeerte is een hoer, die lokt (Spr. 7). Jakobus doet een poging om duidelijk te maken, hoe de mens het doel mist en soms er ver naast uitkomt, vgl. misstap, misdaad, misslag, misgreep. De vss bevatten elementen die ook in het verhaal van de zondeval in het paradijs voorkomen (Gen. 3). Nadien is de begeerte een macht in de mens geworden. De vergelijking met ontvangen en baren, dikwijls in het O.T. beschreven, sluit hierbij aan. Het woord dood heeft niet in de eerste plaats betrekking op het einde van het leven, maar op de vervreemding van God. De zonde wint gaandeweg aan invloed; ze brengt de mens op een hellend vlak. Laat u daarom niet op een dwaalspoor brengen (16). Dwalingen of waanvoorstellingen zouden niet aanwezig mogen zijn bij mensen die van ganser harte de waarheid omhelst hebben. Tussen de negatieve en de positieve kant worden deze vermaningen ingelast. Ze hebben zowel op het voorgaande als op het volgende betrekking.

Hoorders of daders 1:19-27

Weet (dit) wel (19, 20): De vermaningen die nu volgen, zijn niet algemeen; ze zijn toegesneden op de goddelijke openbaring. Door arrogant en onbesuisd optreden van een mens wordt de doorwerking van het leven uit de gerechtigheid belemmerd en tegengestaan. Legt dus af (IIIS): Er is allerwege zedeloosheid, gemeenheid, corruptie. Daarom is het ieders plicht het woord in zachtmoedigheid te aanvaarden. Het woord van de goddelijke openbaring is er; het wordt verkondigd en klinkt verder: het kan aangenomen of verworpen worden. Er schuilt een bijzondere kracht in de uitdrukking: het ingeplante woord. Deze staat tegenover: de uitwas van de boosheid. Het ingeplante woord is oorspronkelijk, het gaat terug tot de schepping. Naar Gods bedoeling is het voor een mens mogelijk om de openbaring te ontvangen en te verwerken (Deut. 30:14; Rom. 10:6). Bij daders en hoorders wordt gezinspeeld op de methode die ontwikkeld werd in de leerscholen van de rabbijnen. Wie naar de leerschool ging en alles in praktijk bracht, was vroom. Jakobus maakt gebruik van een beeld: het zien in een spiegel. De werkwoordsvormen wijzen op een snelle blik, ook het vergeten op een enkele en oppervlakkige handeling. Het is de vraag of de Schrift hier met een spiegel wordt vergeleken. Het punt van vergelijking zal zijn: het onmiddellijk weer vergeten van wat men zag en hoorde. Heel anders is het met de mens, die het hoofd naar voren beweegt, zich voorover buigt om goed te kunnen zien (Joh. 20:5, 11). Zich vooroverbuigen loopt parallel met zich beschouwen in een spiegel, vs 23. De een keek vluchtig in een spiegel, de ander boog zich vol aandacht over de volmaakte wet. De mens die zich richt naar de wet en deze betracht, is zalig in zijn doen. Hij mag er intense vreugde in hebben of niet, hij is in ieder geval te benijden. Gods wet geeft hem ruimte (Ps. 119:32,44,96). Zijn staat voor God is goed (Ps. 1).

Indien iemand meent (26, 27): Wie zijn tong niet beteugelt, bedriegt zijn hart. Verschillende mogelijkheden dienen zich aan: Onverstandig optreden; vrome praatjes verkopen; liefdeloos oordelen over het geloofsleven van anderen enz. Samenvattend: alles wat met echte vroomheid in strijd is. Zoiets leidt nimmer tot enig positief resultaat. Het is doelloos. Het door Gods Geest gewerkte geloof daarentegen is vrij van smet of vlek. Hierbij moet bedacht worden, dat de Joden in voortdurend contact leefden met de heidense omgeving. Ook moesten ze standhouden tegen het voortvretende morele verval bij de heidenen. Voor de joodse christenen in de verstrooiing waren deze gevaren groot. Voor de verzorging van weduwen en wezen – een onderwerp, waarmee de lezers vroeger in Jeruzalem dagelijks waren geconfronteerd -zie ook Hand. 2:45, 5:1-4, 6:1-4.

Geen aanzien des persoons 2:1-13

Mijn broeders, houdt uw geloof (1-4): Na de inleidende opmerkingen in het vorige hoofdstuk komt Jakobus nu tot praktische toepassingen. Strikt genomen heeft eenabstract zelfstandig naamwoord geen meervoud. Aanzien des persoons kan om aan het meervoud recht te doen, vertaald worden door: daden van partijdigheid. De betekenis van geloof in, in het Grieks weergegeven door een tweede naamval, is zonder twijfel: het geloof, dat de Here verkondigde, geloof in de HERE, bekrachtigd door de komst van Jezus Christus. Moet de heerlijkheid, alweer een tweede naamval aan het einde van de zin, gecombineerd worden met de Here? Dan zijn de woorden in de griekse tekst wel erg ver van elkaar verwijderd (vgl. 1 Kor. 2:8; Ps. 29:3; Hand. 7:2). Het is beter heerlijkheid te beschouwen als een bijstelling: die is de Here der heerlijkheid (vgl. Rom. 9:4; 1 Kor. 11:7; Ef. 1: 17; Tit. 2:13). In uw vergadering (2): Eén van de weinige keren, dat het woord synagoge in het N.T. gebruikt wordt voor een bijeenkomst van christenen. Synagoge is de samenkomst of het gebouw, waar de vergadering gehouden wordt. Hoewel zowel de eerste als de tweede betekenis hier mogelijk is, zal het gebouw zijn bedoeld (vgl. Jak. 5:14). Van de twee bezoekers is de één bepaald chic gekleed, de andere loopt er sjofel bij. Voor Jakobus is nu van belang, welke reactie dit bezoek oproept. Beide mannen behoren verwelkomd te worden, want zowel de een als de ander kan misschien voor Christus gewonnen worden. Ze moeten op dezelfde manier begroet worden. Zijn in de christelijke gemeente niet allen gelijk? (Hand. 2:44, 45). De man, die namens de gemeente optreedt, maakt onderscheid. De rijkaard krijgt te horen: gaat u hier zitten, alstublieft! De spreker stelt zich autoritair boven de man die er als een bedelaar uitziet: ga op de grond zitten, bij mijn voetbank. Wie op een dergelijke manier optreedt, handelt alsof niet Jezus Christus, die is de Here der heerlijkheid, (vs 1) het hoofd van de gemeente is, maar een met gouden voorwerpen opgetuigde man. Optreden als rechters (4): De taak van een rechter is te scheiden: vals van echt, recht van slecht. Hier is op een verkeerde manier onderscheid gemaakt; het getuigt van het innerlijk verdeeld zijn (1:8). Hoort, mijn geliefde broeders (5-7): De jonge kerk dankte het horen en ontvangen van het evangelie aan Gods keus uit Joden en heidenen (1 Kor. 1:27; Ef. 1:14; 2 Petr. 1:10, 4:6, 9). Dat Jakobus de verkiezing hier betrekt op de armen, wil niet zeggen dat de keus daartoe beperkt blijft, maar dat, volgens de evangeliën aan deze categorie het eerst gedacht is (Luc. 1:52; 1 Kor. 1:26). Bovendien had de gemeente te Jeruzalem een hoog percentage armen (Hand. 2-7). De armen waren in de ogen van de wereld niet in tel – men had er meer last dan gemak van – bij God wel. Door op te treden als boven beschreven, had men niet slechts verzuimd de arme te eren, maar men had hem zelfs minachtend bejegend en slecht behandeld. Het volgende vs laat zien dat met rijken niet de christenen bedoeld worden. De processen en rechtsgedingen zijn wellicht een zinspeling op de gebeurtenissen die hebben plaats gevonden bij de vervolging van de christenen in Jeruzalem (Hand. 8:1-4). Welke naam bedoelt Jakobus? Waarschijnlijk Christus (vgl. 1 Petr. 4:14, 16; Hand. 26:28). De volgelingen van de Here werden het eerst te Antiochië christenen genoemd (Hand. 11:26). Mogelijk werd de brief daarheen verzonden. Indien gij echter (8-13): De wet van de liefde mag met recht koninklijk genoemd worden (vgl. Mat. 22:37). Niet in de griekse betekenis van: wetten komen van koningen, maar volgens de Schrift (Lev. 19:18). De uitspraak heeft een dubbele bekrachtiging: ze is ontleend aan de Schrift en bevestigd door de Here Jezus, Ge doet wel, is niet sarcastisch bedoeld (Jak. 2:19; Mar. 7:37; Hand. 10:33; 1 Kor. 7:37; 2 Petr. 1:19). Doet ge zonde, blijkbaar een zinspeling op Mat. 7:23; vgl. Ps. 6:9. Voor zonde, zie 1:15. Met de komst van de wet kwam voor de eerste keer de mogelijkheid van het overtreden van de wet (Rom. 4:15). Juist deze ‘overstap’ is ernstiger dan ‘zonde’. Augustinus met zijn fijn gevoel voor taalkundige nuances, maakt dikwijls onderscheid tussen de zondaar (de man die het levensdoel mist) en de overtreder van de wet; tussen de zonde en de overtreding. Want wie de hele wet houdt (10): Dit vs doet denken aan het woord, dat Jezus sprak tot de rijke jongeman (Mar. 10: 21; Luc. 18:22), hier het spiegelbeeld in de verwaarlozing van de armen. Want Hij (11): De twee geboden die genoemd worden, zijn stellig niet willekeurig gekozen. Misschien werd zonden als echtbreuk door de rijken zorgvuldig geheim gehouden of omzeild, terwijl ze er geen been in zagen de armen in het openbaar te vernederen. Spreekt zó (12, 13): Op tweeërlei manier kan liefde worden getoond: door te spreken en te doen, of door dit na te laten. Jakobus heeft ze paarsgewijze tegenover geplaatst in 1:19-21 en 1:22-25; in 1:26 en 1:27. Nu wordt de overgang gemaakt naar de tegenstelling, die in 2:14-26 en 3:1-12 beschreven wordt. De wet van de vrijheid functioneert op een andere manier dan de mozaïsche wet. Liefde jegens de armen uit zich in mededogen en barmhartigheid. Recht en barmhartigheid worden in het O.T. dikwijls aan elkaar gekoppeld (Ps. 101:1; Hos. 12:7; Mi. 6:8; Zach. 7:9; vgl. ook Mat. 23:23). Barmhartigheidsbe-toon is van een andere en hogere orde dan recht doen, zoals het evangelie uitgaat boven de wet. De schrijver bedient zich van een beeld, ontleend aan een rechtsgeding: er wordt een aanklacht ingediend voor Gods tribunaal, maar de barmhartigheid weerlegt deze onvervaard.

Geloof en werken 2:14-26

Wat baat het? (14): Er was eerder sprake van horen zonder doen (1:22), nu van geloven zonder doen; ook van een verdachte godsdienst (1:27) nu van een verdacht geloof (vgl. Luc. 8:13). Indien iemand beweert het gaat over het belijden van het geloof zonder werken. Stel dat (15): Jakobus kiest een voorbeeld, dat zich kan voordoen in een kleine gemeenschap in een vijandige omgeving (vgl. 1:27). De nadruk ligt niet op een tijdelijk gebrek of een toevallig tekort, maar op een blijvende toestand. Er moet voortdurend voor kleren en voedsel gezorgd worden. De schrijver gebruikt, blijkbaar met opzet, sterke uitdrukkingen. Warme kleren en voldoende voedsel corresponderen met: heengaan in vrede. Er is een harde en radicale afwijzing. Zo is het ook (17): In 1:26 vindt men een soortgelijke tegenstelling. Blijkbaar is de vergelijking gericht op de zo juist gesproken woorden: het zijn dode woorden, misschien fraai geformuleerd en keurig gezegd, maar ze hebben totaal geen uitwerking inzake de gesignaleerde nood. De werken worden niet toegevoegd aan het geloof, maar zijn elementen ervan, ze zijn er onafscheidelijk mee verbonden. De tegenstelling is niet: geloof tegenover werken, maar: of geloof geloof is, als er geen werken zijn. Maar zal iemand zeggen (18): Wie isdeze opponent? Jakobus, of iemand die aan de zijde van Jakobus staat? Dat is niet waarschijnlijk. De opponent is één van de berispte personen. Jakobus valt de mening aan, dat geloof en werken twee verschillende zaken zijn. Alles draait eigenlijk om de betekenis van het woordje, dat in de vertalingen meestal wordt weergegeven met: zonder. Bedoeld is: los van, afgescheiden van. De schrijver keert de vraagstelling om en betoogt, dat niet de tegenspreker, maar hij in staat is, beide te tonen. Het geheel is een parafrase van Mat. 7:16. Gij gelooft (19): Het beste te verstaan als een vraag. Dan gaat er meer kracht van uit. Waarschijnlijk is de woordkeus een heenwijzing naar het fundamentele belijden van de Joden (Deut. 6: 4). Een geloof zonder werken houdt wel in, dat er één God is. Dit zal niet weersproken worden, maar het bezit geen reddende kracht. Zelfs de demonen erkennen het bestaan van God. Het enige resultaat is dat ze sidderen van angst (Mar. 1:24). Alleen het geloof in Jezus Christus brengt een mens nader tot God. Wilt gij weten (2023): Nu volgt een nieuw element in de bewijsvoering. De dwaze mens die aangesproken wordt, is zo verstoken van geestelijk inzicht dat hij niet ziet, dat geloof, dat nimmer werken oplevert, alleen maar in schijn geloof is (zie de Inleiding). Zie naar Abraham. Hij was zó gehoorzaam aan Gods wil, dat hij bereid was zijn zoon Isaäk te offeren, hoewel de mogelijkheid van de vervulling van Gods beloften (Gen. 15:4-6) hiermee in het geding kwam. Zijn geloof stelde hem in staat daden van gehoorzaamheid te volbrengen, hier zijn werken genoemd. Het gebruikte ww. staat in de onvoltooid verleden tijd. Het geeft aan, dat het een steeds voortdurende handeling betreft. Geloven is nimmer een statisch en op zichzelf staand gegeven. Integendeel, het zal van tijd tot tijd zich uiten in daden. Dit gebeurde bij Abraham toen hij geroepen werd zijn zoon te offeren, dertig jaar nadat hij Gods toezegging ontvangen had inzake zijn nageslacht (vgl. Gen. 15:6 en 22:1-19). Vriend van God (23): De betekenis van deze uitdrukking is waarschijnlijk dat God niet voor Abraham verborg, wat Hij ging doen. Abraham genoot het voorrecht een blik te mogen werpen in het grote plan dat God had met zijn volk. Gij ziet (24): Jakobus nodigt alle lezers uit hieruit lering te trekken. Geloof is antwoord geven op een goddelijk initiatief. De roeping is altijd een roeping tot gehoorzaamheid. Deze gehoorzaamheid wordt zichtbaar in daden. Is niet evenzo Rachab (25).: Nog een bewijs. Nu wordt een heidense vrouw met een slechte reputatie naar voren geschoven. Jakobus spreekt niet over haar geloof; hij gaat ervan uit, dat zijn lezers haar geschiedenis kennen; ook, hoe zij de macht van de HERE erkende (Joz. 2:9-13). Op grond van dit belijden nam zij de verkenners in bescherming. Hoewel tot een totaal andere sociale groep behorende, staat ze naast Abraham in haar geloof. Gelijk het lichaam (26): In dit afsluitende vs verklaart de schrijver ronduit dat, als er geen werken zijn zulk een schijngestalte van het geloof slechts kan worden vergeleken met een lichaam, waaruit de geest geweken is.

De verantwoordelijkheid van de leraar 3:l-5a

Laat niet zovelen (1, 2): Veel ‘werken’ in de wereld komen tot stand door middel van woorden. Daarom nu deze waarschuwing. Dikwijls laten de woorden van leraars en leiders onuitwisbare indrukken na (Mat. 12:37). Jakobus deelt zichzelf ook bij de categorie van leraars in. Hij schrijft in de eerste persoon meervoud: wij. De strekking van zijn betoog is niet, dat men zichzelf in een poging om de volmaaktheid te bereiken, een lange periode van zwijgen moet opleggen, maar dat men zich onder de leiding van Gods Geest moet oefenen om alle gedachten en meningen dienstbaar te maken tot de gehoorzaamheid van Christus (2 Kor. 10:5, 6; vgl. Mat. 12:34-37; Mar. 7: 21-23). Als wij paarden (3) een goed gekozen illustratie. Wie een paard de toom in de bek legt, kan het dier gehoorzaamheid afdwingen en voeren in de richting die men wil. Ook de schepen (4, 5a): Ook dit voorbeeld, in de antieke wereld dikwijls met het vorige verbonden, laat aan duidelijkheid niet te wensen over. De wending van het roer brengt koerswijziging zelfs bij de grootste schepen tot stand. Het is niet geheel duidelijk, waarom de grootte van het schip in verband wordt gebracht met de kracht van de wind. Waarschijnlijk is de bedoeling dat de stuurman koers kan houden zelfs bij harde wind. De kleine toom en de kleine helmstok oefenen grote invloed. Hetzelfde doet de kleine tong. Door haar zijn in de loop van de eeuwen volksmassa’s in beweging gebracht en omwentelingen in de samenleving tot stand gekomen. Een hoge toon. Het griekse ww. wijst in de richting van: zich beroemen op, pochen.

De verwoesting, veroorzaakt door de tong 3:5b-12

Zie, hoe weinig (5b, 6): Met het woordje zie, waarmee vanuit een andere invalshoek de zaak die aan de orde is gesteld, wordt toegelicht, begint een nieuwe perikoop. Het werk van de tong wordt nu vergeleken met de catastrofale uitwerking van een bosbrand. Honderden, zelfs duizenden hectaren bos kunnen in vlammen opgaan. Zo kan alles wat in deze boze wereld de kop heeft opgestoken: hebzucht, wellust, wraak, godslastering enz. een vernietigende uitwerking hebben. Daarin speelt de tong een grote rol. De hele mens wordt er door bezoedeld. Door de zondeval is de mens in een maalstroom terechtgekomen. Van de wieg tot aan het graf wordt het hele bestaan nu eens bedreigd door, dan weer een prooi van wandaden en schanddaden. Er is echter ook een ander vuur: het vuur dat loutert en verlicht; het wordt aangestoken door de Heilige Geest; het komt van boven (Hand. 2:2, 3). Het vuur, waardoor de mens in onbedwingbare hartstocht ontbrandt, komt van beneden. Het is hellevuur, waaraan de goddeloze ten slotte te gronde gaat (Mat. 5:22, 18:9). Want alle soorten (7, 8): Bij de schepping werd de mens gezegend. Hij mocht heersen over alle levende wezens (Gen. 1:28; vgl. 9:2). Hij mocht deze aan zich onderwerpen. Maar door de zondeval heeft de mens deze macht verspeeld. Na de verdrijving uit het paradijs is hij terecht gekomen in een wereld van tweespalt en ontreddering, van leugen en bedrog. Met menselijke middelen kan de tong niet meer onder controle worden gebracht. In Ps. 140:4 heeft David om bescherming tegen de bozen gebeden: zij hebben hun tong gescherpt als een slang, addervergif is onder hun lippen. Jakobus neemt dit beeld over. De schrijver wijst vervolgens op de inconsequentie, dat de tong, die zo vol dodelijk venijn is, ook gebruikt wordt om Gods lof te zingen. Als diezelfde tong intussen voortgaat mensen te vervloeken die naar degelijkenis van God gemaakt zijn, dan vervloeken ze daarmee feitelijk God zelf. Zegen en vloek uit één mond sluiten elkaar uit. Iedere reiziger in het joodse land, met name in de omgeving van de Dode Zee, is er mee bekend, dat een bron die op een bepaalde plaats opborrelt, niet tegelijk zoet en bitter water aflevert. Het is het één of het ander. Hetzelfde geldt ook voor struiken. Jezus heeft er zijn leerlingen op gewezen, dat er geen druiven van dorens kunnen worden geplukt, evenmin vijgen van distels (Mat. 7:16). Met behoud van de gedachte worden hier andere bomen en vruchten tegenover elkaar geplaatst.

Tweeërlei wijsheid 2:13-18

Wie is wijs (13-16): De schrijver keert terug tot de verantwoordelijkheid van de leraar. De gestelde vraag heeft de kracht van een voorwaardelijke zin: Als er een wijs en verstandig man is, moet zijn wijsheid voor anderen zichtbaar worden (vgl. 1 Petr. 2:12). Zulk een goede wandel moet uitblinken in ootmoed. Aanmatiging, behoefte om altijd ruzie te zoeken, om over anderen te heersen, zijn evenzovele signalen dat de vereiste kwaliteiten van een goede leraar ontbreken. Let op de Here Jezus: Hij was zachtmoedig en nederig van hart (Mat. 11:2); vgl. ook Paulus (2 Kor. 10:1). In geval van eerzucht en heerszucht kan niet verwacht worden, dat de verkondiging van de waarheid daarmee gebaat is. De geschiedenis van de kerk heeft uitgewezen, dat er tal van gelegenheden zijn geweest, waarin de boodschap van heil en verzoening ontkracht en ontluisterd werd door de hardheid en partijdigheid van de prediker. Ontactisch en onbesuisd optreden hebben de doorwerking van het evangelie dikwijls afbreuk gedaan. Waar jaloersheid en eerzucht heersen, maakt men zich vaak schuldig aan laakbare en verwerpelijke handelingen. Maar de wijsheid (18): De wijsheid van boven verschilt radicaal van die van beneden. Ze is zuiver uit zichzelf, volstrekt onbesmet. In alle menselijke relaties wordt gehandeld zonder daden van partijdigheid (Jak. 2:1) en zonder onoprechtheid. De beschrijving stemt geheel overeen met de zaligsprekingen uit de bergrede (Mat. 5:3-11) en is in alle opzichten van toepassing op Hem, die het vleesgeworden Woord is. Maar gerechtigheid is een vrucht. De griekse tekst heeft een eerste en tweede naamval: de vrucht der gerechtigheid (SV.) Bedoeld kan zijn: de vrucht die het resultaat is van de gerechtigheid. Dan ontstaat een toestand van echte vrede (vgl. Jes. 32:17). In de psalmen wordt ervan gezongen (Ps. 85:11). Een andere mogelijkheid is: de vrucht die bestaat uit gerechtigheid. Zulk een gerechtigheid komt, zo heeft Jakobus eerder vastgesteld, niet voort uit de toorn van een man (1:20). Dat was een negatieve conclusie. Hier komt de schrijver tot een positieve gevolgtrekking. Vredestichters leven in gemeenschap met God. Ze zijn Gods kinderen (Mat. 5:9; 2 Tess. 3:16). Beide verklaringen, gebaseerd op de ietwat uiteenlopende betekenissen van de tweede naamval, vullen elkaar aan.

Hartstocht en zuiverheid 4:1-10

Waaruit komt bij u (1-3): Het kernwoord dat de vorige perikoop beheerste is vrede. Nu wijst Jakobus er in twee rhetorische vragen op, dat er voortdurend een oorlogstoestand gevonden wordt. Er zijn zowel in de persoonlijke verhoudingen als in de hele samenleving voortdurend conflicten. Alle onderdelen van het menselijke lichaam kunnen daarvoor ingeschakeld worden. Er zijn in vs 2 volgens de gangbare vertalingen drie parallel lopende zinnen. De moeilijkheid is, dat in de middelste van deze drie zinnen van doden gesproken wordt, terwijl vervolgens de naijver gesignaleerd wordt. Hoe kunnen deze twee werkwoorden – en dat in deze volgorde – met elkaar rijmen? Aangezien in de griekse handschriften aanvankelijk geen leestekens werden gebruikt en men dus zelf een keus moet maken inzake de beste opstelling, verdient een tweedeling de voorkeur: gij begeert, doch gij hebt niet; daarom komt ge tot moord. Ge zijt naijverig en ge kunt er niets mee verkrijgen: daarom vecht en strijd ge! De laatste woorden van dit vs vormen dan weer een afzonderlijke zin: ge hebt niets, omdat ge niet bidt. Echte vrede en diepe vreugde worden pas verkregen door te bidden tot God, die alles in zijn macht heeft. Hij geeft mild en overvloedig (Jak. 1:5), indien gebeden wordt op een wijze, zoals God geleerd heeft aan zijn kinderen. De bijbel maakt volkomen duidelijk, welke gebeden naar Gods wil zijn (vgl. Ps. 34:16,145:18; Luc. 18:14; 1 Joh. 5:14). Overspeligen (4): Bij dit woord zal zowel aan mannen als aan vrouwen moeten worden gedacht (SV. vgl. Mat. 12:39; ook de verkl. bij 2:11). De christen kan zijn vriendschap niet verdelen tussen God en de krachten in de wereld die zich vijandig opstellen tegenover het heil (Mat. 6:24; Joh. 15:19). Of meent gij (5, 6): God is een jaloers God. Hij duldt geen mededingers. Een letterlijke aanhaling uit het O.T. wordt niet gegeven. Ze is meer een samenvatting van verschillende teksten, waarin de jaloersheid van God wordt geproclameerd (Ex. 34:14, 20: 5; Zach. 8:2). Hoe groter de nood van Gods kinderen is, des te meer is Hij bereid zijn genade te betonen (Spr. 3: 34; 1 Petr. 5:5). De nederigen zijn zij, die zich bewust zijn van het feit, dat ze uit zichzelf onbekwaam zijn tot enig goed, en die van God alleen begeren te ontvangen, wat nodig is voor hun behoud (Job 22:29). Onderwerpt u dus (7): De bereidheid om zich te onderwerpen is een kenmerk van nederigheid. De gebiedende wijs heeft voorwaardelijke kracht: als u de duivel wederstaat, zal hij van u vluchten. Jezus Christus weerstond de duivel tijdens de verzoeking in de woestijn met het Woord (Mat. 4:4, 7,10; Luc. 4:4, 8,12), later, door zich terug te trekken in het bergland om te bidden tot zijn Vader (Joh. 6:15; Luc. 6:12). Zo moet ook de christen doen. Nadert tot God (8). De duivel wederstaan vs 7 brengt de christen nader tot God, en God van zijn kant komt nader tot hem. Het bevel om telkens weer de handen te reinigen was tijdens de oude bedeling een verplichting voor de priesters (Ex. 30:20). Door deze ceremonie werd de heiligheid van God afgebeeld. De schriftgeleerden stelden deze eis ook in het leven van elke dag (Mar. 7:2-4). Het woord zondaren werd door de farizeeën bij voorkeur toegepast op mensen die zich volgens hen niet stipt hielden aan de voorschriften van de ceremoniële wet en de overlevering van de ouden. Hier wordt het door Jakobus gebruikt van christenen, die schuldig staan door zich niet te bekommeren om de geboden van de HERE. Het werkwoord zuiveren komt in de Bijbel dikwijls voor in ceremoniële zin (Joh. 11:55). Hier worden de lezers er aan herinnerd, dat het hele leven van de christenen voortdurend gezuiverd moet worden door de kracht van de Heilige Geest (1 Joh. 3:3). Beseft (9): Er wordt aangedrongen op een sober en ingetogen leven (2 Kor. 7:10). Wie innerlijk verdeeld is (Jak. 1:7) en van de wereldse genietingen geen afstand doet, beseft niet, hoe ernstig de zonde is. Hij raakt afgestompt en moet tot inkeer komen. Slechts door te treuren en te wenen wordt de bevrijdende lach te voorschijn geroepen. Vernedert u (10): Een herhaling van wat in vs 6 reeds werd opgemerkt. De nederige volgelingen van de Here zullen in zijn heerlijkheid delen. Dan zal de verhoging volkomen zijn.

Roddelpraat 4:11, 12

Spreekt geen kwaad (11): In de gemeente zijn de gelovigen geestelijk aan elkaar verbonden op een soortgelijke manier als kinderen die gezamenlijk in een gezin opgroeien en voor elkaar opkomen. In de aanspraak broeders wordt daaraan opnieuw herinnerd (vgl. 1:2). Kwaadspreken is daarom uit de boze en hoort in de gemeenschap der heiligen niet thuis. Wie een oordeel uitspreekt zonder op de hoogte te zijn van de werkelijke toedracht, gedraagt zich op een wijze die niet te pas komt (Lev. 19:18). Wie ophoudt een dader van de wet te zijn, wordt als gevolg daarvan een rechter over de wet, zulk een rechter als alleen God kan zijn, want Hij gaf de wetten. (12): Gods wetten zijn van blijvende betekenis en zijn oordelen gelden voor altoos (Deut. 32:39; Luc. 12:4, 5; Rom. 2:1).

Het voorbehoud 4:13-17

Welaan dan (13, 14): Een van de bekendste passages uit deze brief. Reizende kooplieden, in het Nabije Oosten eeuwenlang een bekend verschijnsel, geven zonder aarzeling te kennen, dat de toekomst door henzelf wordt bepaald: het tijdstip, waarop ze zullen vertrekken, de stad die ze gaan bezoeken, de tijd die ze er zullen doorbrengen en zelfs de winst die ze zullen maken (vgl. Luc. 12: 16-21). Ze houden er helemaal geen rekening mee, dat ze slechts mensen zijn, meer niet. Het mensenleven is een damp die voor een korte tijd zichtbaar is en dan, soms geleidelijk, soms onverwacht, verdwijnt. In plaats van (15, 16): Zowel het leven zelf, als de levensgang hangt af van God (vgl. Hand. 18:21; 1 Kor. 4:19, 16:7; Filp. 2:19, 24). De zelfverzekerdheid van de handelaars raakt kant noch wal en is volkomen in strijd met de werkelijkheid. Als iemand (18): Jakobus sluit af zoals hij eerder deed (vgl. 4:10) met de waarschuwing om de afhankelijkheid van God altijd te belijden (Mat. 6:8). Vergeet nooit dat u een mens bent! Allen die voor het geloof in de Here Jezus Christus gewonnen zijn, moeten zichzelf voortdurend de vraag stellen in hoever ze in gebreke gebleven zijn om Gods wet te volbrengen en onder de maat zijn geweest. Ook zonden van nalatigheid wegen zwaar (Mat. 25:45).

Vergelding voor de rijken 5:1-6

Welaan dan (1-3): Noch hier, noch elders in het N.T. worden de rijkaards aan de kaak gesteld vanwege hun bezit, maar vanwege het grif toegeven aan allerlei verleidingen, die daarmee verbonden zijn. Laten de rijken ook nooit de gedachte koesteren dat hun bezit onvergankelijk is! De griekse ww. verrot en aangevreten staan in de voltooid tegenwoordige tijd. Aangenomen moet worden dat de ramp zich reeds heeft voltrokken. In de magazijnen en bergkasten zijn de opgeslagen goederen aan bederf onderhevig (Ps. 39:12). De rijkaards hebben door zilver en goud op te potten voor zichzelf, noch zichzelf, noch anderen er mee gezegend. De laatste dagen, de periode die aan de wederkomst van Christus voorafgaat. Christenen leven altijd in de laatste dagen (Hand. 2:17). Zie, het loon (4-6): Wat hier gebeurd is, is zeer kwalijk. Het overeengekomen loon is slechts ten dele uitbetaald. Het voorschrift in de mozaïsche wet is duidelijk (Deut. 24:14, 15). De handelwijze is ten hemel schreiend (vgl. Gen. 4:10, 18:20, 21). Het oordeel is onvermijdelijk (vgl. Mal. 3:5). Want het geschrei is doorgedrongen (Ps. 18:7). Sebaot mv. van het hebreeuwse saba = legerschaar, heerschaar. HERE Sebaot drukt Gods almacht uit (vgl. Jes. 5:9; Rom. 9:29). De legers van Israel streden tegen de heidenen en de hemelse legermachten kwamen daarbij Gods volk te hulp (vgl. Ri. 5:20; 2 Kon. 6:17). Jakobus beklemtoont dat de ontrechten en verdrukten een machtige Helper hebben, de almachtige God. Gij hebt (5): De schildering van het leven van de rijken komt overeen met die van Arnos 6:1-6 en met die uit Luc. 16:19. Gods oordelen in de geschiedenis worden soms beschreven als een slachttijd of een slachtplaats (Jes. 34:6; Ez. 21:15). De laatste schanddaad waarop Jakobus zinspeelt is de onderdrukking van de rechtvaardigen totdat ze bezwijken. Er is wel voorgesteld om de laatste zinsnede als een vraag op te vatten (Over het ontbreken van leestekens, zie bij 4: 2, 3): Zal de rechtvaardige, of: zal God u niet weerstaan? De positieve uiteenzetting geeft echter een goede zin. Hoezeer Gods kinderen zich gekrenkt mogen gevoelen, ze leggen alles vol vertrouwen in handen van Hem die hoort naar hun hulpgeroep (Rom. 12:19).

Geduldig wachten 5:7-11

Hebt dus geduld (7, 8): Het gebruikte ww. wijst op iemand, die in staat is zichzelf te bedwingen en die niet persoonlijk wraakacties gaat uitvoeren. De christen behoort geduld te oefenen als hij geconfronteerd wordt met het schreeuwende onrecht in de wereld. Hij moet zijn geduld niet verliezen als God niet onmiddellijk ingrijpt om het aangedane kwaad te vergelden. De vrucht van de Geest is ook: lankmoedigheid (Gal. 5:22). De christen leeft tussen de twee komsten van de Here. Hij kijkt terug en hij kijkt vooruit. Tijdens zijn pelgrimage moet hij in gedachten houden, hoe alle pogingen om zelf in te grijpen geen uitwerking hebben ten overstaan van de Here die komt om te oordelen de levenden en de doden (Luc. 21:19). Jakobus wijst op de landman en diens geduld. De tijd tussen zaaien en oogsten bedraagt ongeveer vier maanden (vgl. Joh. 4:35). Daarbij zijn de vroege en de late regen (Deut. 11:14; Joël 2:23) van groot belang: de eerste werd verwacht kort na de zaaitijd, de tweede bij het rijpen van de gewassen. Vol vertrouwen wachtte de boer daarop naar Gods belofte (Gen. 8:22). Zo moet ook de christen wachten op de wederkomst van de Here. Wie in deze verwachting leeft, beleeft de komst van de Here als nabij (vgl. Mar. 1:15; 1 Petr. 4:7). Zucht niet (9): Christenen kunnen gebukt gaan onder en zuchten over hun persoonlijke beproevingen, want ze zijn niet als supermensen geboren. Ze moeten echter geen wrok koesteren en niet elkaar over en weer beschuldigen. Hoogst gespannen en verwerpelijke situaties kunnen hiervan het gevolg zijn. Laat ieder zich realiseren, dat de Rechter voor de deur staat (vgl. Mar. 13:29). De wederkomst bevat zowel een waarschuwing als een vertroosting voor Gods kinderen. Laten de lezers, joodse christenen immers en goed thuis in de hebreeuwse Bijbel, vooral denken aan de profeten (vgl. Mat. 5:11,12). Er is nauwelijks een profeet in Israel opgetreden, die in zijn leven niet met beproevingen te maken heeft gehad. Daarnaast wordt Job genoemd. Zijn geschiedenis wordt bekend verondersteld. De volharding van Job (Job 1:21, 22,-2:10) was reeds spreekwoordelijk onder de Joden. Hij bleef zich vastklampen aan zijn God, zelfs toen hij zich geen raad meer wist (Job 13:15,16:19,19:25). Hoe volkomen werd deze zwaar beproefde man gerehabiliteerd tegenover de duivel en tegenover zijn vrienden met hun snode veronderstellingen. Aan Job viel een nieuw en diep inzicht in Gods geheimen ten deel. De woorden uit Ps. 103:8 worden terecht aangehaald.

Zweert niet 5:12

Maar vooral (12): Niet in absolute zin bedoeld, maar in vergelijking met de vorige perikoop. Wat Jakobus afkeurt is de gemakkelijkheid waarmee de naam van God voortdurend ergens bij werd gehaald om bepaalde beweringen kracht bij te zetten (vgl. Mat. 5:33-36). Mensen behoren eerlijk voor hun mening uit te komen, en te staan voor wat ze zeggen. In de bergrede heeft Jezus hetzelfde betoogd (Mat. 5:37).

De kracht van de voorbede 5:13-18

Heeft iemand (13): Het ww. is verwant aan het znw. waarmee in vs 10 is aangegeven, wat de oudtestamentische profeten geleden hebben (vgl. 2 Tim. 2:9, 4:5). Onder zulke omstandigheden moet men niet tot doffe moedeloosheid vervallen, maar bidden. Hoewel een christen blijmoedig kan zijn in tegenspoed, denkt de schrijver hier eerder aan een blijheid, die daarvan min of meer losstaat (vgl. Hand. 24:10, 27:25). Men moet nimmer verzuimen Gods lof te zingen voor de ontvangen weldaden. Is er iemand (14, 15): Het sleutelwoord in deze-vss is niet de zalving met olie, maar het gebed. Bij ziektejnoeten de oudsten van de gemeente geroepen wordenfmannen die bijzonder begiftigd zijn met Gods Geest, om met en voor de patiënt te bidden. Olie heeft geneeskracht. De zalving kan deze bedoeling hebben (Luc. 10:34). Het is echter waarschijnlijker, dat aan een soortgelijk ritueel gedacht moet worden, als het opleggen van de handen door de apostelen. De toevoeging: in de naam des HEREN wijst in deze richting. Niet de mens, maar God zelf kan wonderen werken (Hand. 3:12). Het gelovige gebed verschilt niet van andere gebeden. Er is geen echt gebed zonder geloof. Het gebed van de oudsten ten behoeve van de zieke is een belijdenis van Gods almacht en barmhartigheid met de erkenning: Uw wil geschiede. Het verband tussen ziekte en zonde wordt niet beklemtoond. Er wordt een voorwaardelijke zin gebruikt. Hoewel in sommige gevallen geduid wordt op een bepaalde samenhang, wordt nergens in het N.T. geleerd, dat (langdurig) lichamelijk lijden het gevolg is van het zondige leven van de zieke. Belijdt daarom (16): Christenen moeten bij alle wisselvalligheden van het menselijk leven voor elkaar bidden. Dat betekent niet dat alles gedwongen moet worden opgebiecht. Het voornaamste doel is, dat opgeroepen wordt tot gemeenschappelijke voorbede. Van zulk een gebed gaat kracht uit (1 Sam. 12:16-25; 2 Kon. 19:14-19, 20:2-7).Elia (17, 18) nam een bijzondere plaats in onder de oudtestamentische profeten als getuige van de HERE (vgl. Mar. 9:4, 15:34). Hoewel slechts een mens als wij mocht hij door zijn resoluut optreden en zijn vertrouwend wachten op Gods hulp grote dingen doen (1 Kon. 17:1, 18:42). Drie jaar en zes maanden (vgl. Luc. 4:25). Op het verband tussen regen en groeikracht is reeds eerder gewezen (vs 7; vgl. Hand. 14:17).

Breng de dwalende terug 5:19, 20

Indien bij u (19): Het gemeenschappelijke gebed voert ook tot persoonlijke aandacht voor elkaar. Evenals bij vorige aansporingen wordt nog eens een appèl gedaan op de broederband. Het gaat blijkbaar om gemeenteleden die, hoe dan ook, weggelokt zijn uit de gemeenschap. Weet dan (20): De zondaar die uit dodelijke gevaren wordt weggerukt zal door zijn terugkeer bewaard blijven voor veel onheil. Hij zal opnieuw tot een zegen kunnen zijn voor anderen (vgl. Ps. 32:1). Met dit perspectief wordt de brief afgesloten.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken