Menu

Premium

Koning, keizer en Heer

5de zondag van de herfst (Jesaja 45,1-7 en Matteüs 22,15-22)

Het thema van de lezingen van deze zondag is het koningschap. Hoe moeten we het koningschap plaatsen in de heilsgeschiedenis? Aan de ene kant zien we Cyrus, koning van Babylon, aan de andere kant Herodes en zijn partijleden. Vanuit joods perspectief zijn het allemaal onderdrukkers. Toch wordt Cyrus door Jesaja de ‘gezalfde van de Heer’ genoemd.

De gezalfde van de Heer

Natuurlijk hoeft de titel van ‘gezalfde’ bij Jesaja niet direct de lading te hebben die wij er vanuit ons christelijke perspectief aan geven. ‘Gezalfde’ kan ook gewoon bij de erenamen van een koning horen, want elke koning werd gezalfd. Maar toch doet ‘gezalfde van de Heer’ hier wel degelijk méér vermoeden.

In Jesaja 45,2 is de vertaling van het Hebreeuwse hapax legomenon hadoerim awasjsjeer onzeker. Het Hebreeuwse doerim betekent ‘cirkels’. Het kritisch apparaat van de Hebreeuwse Bijbel stelt voor om in plaats van hadoerim te lezen: hadderakhim, ‘de wegen’. De NBV21 baseert zich echter op het Akkadische woord doeroe dat ‘ringmuur’ betekent: ‘Ik zal ringmuren slechten.’ Gezien de context is dit wellicht de beste vertaling. Het Hebreeuwse ’awasjsjeer is de eerste persoon hifil imperfectum van jasjar, ‘recht maken’, maar de betekenis is gelijk aan de qal. Hoewel Cyrus de Heer niet kende – dit wordt twee keer herhaald – heeft hij voor Hem toch een rol vervuld ten behoeve van Israël.

Zijn enorme successen op het slagveld, en zijn ongekende rijkdom, dienden slechts om hem en de volkeren de macht van God te leren kennen. Zelfs licht en donker, vrede en onheil zijn daden van de Heer, met het doel de terugkeer van Israël mogelijk te maken. Alleen om die reden heeft God aan Cyrus de eretitel ‘gezalfde’ gegeven. Cyrus is gezalfde van de Heer, maar slechts omdat hij een rol speelt in Gods heilsgeschiedenis.

Geef aan de keizer wat des keizers is…

‘Velen zijn geroepen, slechts weinigen uitverkoren’ (Mat. 22,14) – dat is de context van het evangelie van vandaag. Is degene die uit het bruiloftsfeest wordt weggestuurd, de uitverkorene of juist de verdoemde? Blijkbaar zijn in Jezus de uitverkorene en de verdoemde één en dezelfde. Waarom zouden de farizeeën anders juist op dat tijdstip (Gr.: tote, toen) beginnen met hun plan om Jezus in de val te lokken?

Dat de farizeeën gemene zaak maken met de herodianen is opvallend. Het zijn groeperingen die normaal gesproken lijnrecht tegenover elkaar staan. De herodianen zijn als partij niet heel bekend in het evangelie. In Matteüs komen ze alleen hier voor. Ook in Marcus worden ze genoemd, namelijk in de parallelle tekst (Marc. 12,13), en in een vergelijkbare context, als de farizeeën en herodianen besluiten Jezus in de val te lokken (Marc. 3,6). Met herodianen worden partijgangers van Herodes bedoeld.

Zij treden hier op als vertegenwoordigers van de Romeinse orde – of onderdrukking, gezien vanuit joods perspectief. De farizeeën zijn daarentegen de hoeders van de joodse identiteit en daarmee de tegenpolen van de herodianen. Wat de herodianen samen doet optrekken met de (leerlingen van de) farizeeën is puur opportunisme: de vijand van mijn vijand is mijn vriend. Beide partijen hebben alleen gemeenschappelijk dat ze iets tegen Jezus hebben. De farizeeën proberen Hem vervolgens in een godsdienst-ethische kwestie te strikken, de herodianen in een politieke. Wat dat betreft is hun strikvraag ‘Is het toegestaan de keizer belasting te betalen of niet?’ briljant gevonden.

Beeldverbod

Volgens de farizeeën was het – of zou dit zo moeten zijn – voor een joods iemand onverteerbaar om belasting aan de keizer te betalen, dus te betalen voor je eigen bezetting. Bovendien was bekend dat de keizer zichzelf als een goddelijk persoon zag, wat voor de farizeeën een godslastering was. Daarom moest er immers ook tempelgeld gewisseld worden voor de aanschaf van offerdieren. Als Jezus de farizeeën gelijk zou geven, konden de herodianen Jezus vangen als wetteloze (Gr.: anomos). Maar als Jezus de herodianen gelijk zou geven, zouden zij Hem kunnen ontmaskeren als een godslasteraar. Jezus heeft de hypocrisie achter deze vraag goed door, en weet zich er met humor uit te redden. Quasi-onnozel vraagt Hij: ‘Laat me een belastingpenning zien,’ waarop ze hem een denarie toonden, met daarop een opschrift en een afbeelding van de keizer.

Het was bekend dat de Romeinen er in die tijd dol op waren om hun bezittingen te merken met stempels en zegels; dus kon je aanvoeren dat die denarie eigendom van de keizer was. Dat was strikt genomen natuurlijk ook zo. Ook op ons contant geld staat immers ‘(eigendom van de) Europese Centrale Bank’. Het punt is dat de munt zelf dan wel van de keizer mag zijn, maar dat de houder van de munt de waarde ervan bezit. Daarmee vallen in de praktijk de munt en zijn waarde samen. Jezus trekt de munt en zijn waarde weer uit elkaar. Je kunt de munt wel teruggeven aan de keizer, zolang je wat echt van waarde is – namelijk je geloof, je leven – maar aan God geeft.

Jezus heeft zelf het voorbeeld gegeven. Op Goede Vrijdag heeft Hij weliswaar aan het kruis zijn leven gegeven, terechtgesteld in naam van de keizer. Maar omdat Hij is opgestaan om de kracht en de waarde van zijn leven (door de Heilige Geest) met Pinksteren aan zijn vrienden te geven, heeft Hij laten zien dat de keizer met al zijn macht en rijkdom toch geen vat op Hem had. God kan immers naar believen zijn macht aan de koning geven, maar ook een arme timmermanszoon als gezalfde in dienst nemen. Jezus, de Christus van de Heer, is zo persoonlijk de heilsgeschiedenis van God.

Deze exegese is opgesteld door Matthijs de Vries.

Wellicht ook interessant

None

Uitnodiging boekpresentatie biografie Berkhof

Hendrikus Berkhof is een van de meest invloedrijke Nederlandse theologen van de twintigste eeuw. Karel Blei schreef het fascinerende levensverhaal van deze communicatieve theoloog, die er naar zocht om het evangelie slagvaardig te maken in de naoorlogse samenleving. Blei schetst Berkhof als een creatieve gangmaker, die de kerk een weg probeerde te wijzen tussen star traditionalisme en stuurloos modernisme door. Zo maakte hij op overtuigende wijze geschiedenis in de oecumene.

None

Recensie van het boek Nieuw mens worden

Net als het boek De weg van de vrede van Stefan Paas gaat dit boek van Jan Scheele-Goedhart over wat vroeger ‘het wezen van het Christendom’ werd genoemd: waar draait het in het christelijk geloof om? Stefan Paas schreef zijn boek om mensen die niet bekend zijn met het christelijk geloof om aan hen uit te leggen waar het in het christelijk geloof om draait. Scheele-Goedhart schrijft zijn boek juist voor de breedte van de oecumene, omdat hij merkt dat ook trouwe kerkgangers niet echt weten waar het in het christelijk geloof om draait.

Nieuwe boeken