Menu

Premium

Leven in dienst van Christus

Alternatief bij de 2e zondag van de Advent (Filippenzen 1,12-17(26))

Paulus begint zijn brief aan de Filippenzen met een hartelijke, ja, verheugde begroeting. Hij heeft goed nieuws over hen ontvangen. Wel ziet hij dat hun vruchten nog verder moeten groeien. En hoe is het met Paulus zelf? De gemeente in Filippi had Epafroditus afgevaardigd met goede gaven om hem te ondersteunen in zijn levensonderhoud in de gevangenis, net als eerder in Tessalonica. Paulus was verstoken van werk en eigen inkomsten en beperkt in zijn activiteiten. Maar door de gevangenschap ziet hij zijn missie juist bevorderd.

Paulus schrijft niet ver van Filippi, hij verlangt er binnenkort weer te komen. We kunnen aannemen dat deze brief is geschreven tijdens de tweede of derde zendingsreis in Griekenland en Klein-Azië. Daar was Paulus meer dan eens ‘in boeien’ terechtgekomen. Ook nu zit de apostel gevangen ‘omwille van Jezus Christus’ (1,13). Waar precies is onduidelijk, in ieder geval in een provinciehoofdstad waar een door Rome aangestelde provinciemagistraat (een praetor) zetelde. Beschuldigden werden vastgehouden in het soldatenkwartier onder diens ambtswoning, het pretorium (1,13 – NBV21: ‘het Romeinse hoofdkwartier’, BGT: ‘het paleis’, NBG51: ‘het hof’) tot in hun proces een beslissing was genomen. Tot die tijd moest Paulus wachten, onder toezicht van een soldaat die de gevangene voortdurend bewaakte. Als de gevangene verdween, zou dat hem zijn leven kosten. De bewaker kon wel zelf bepalen wat de gevangene deed, wie hij ontving en waarheen hij, vastgeketend, ging.

Voortgang van het evangelie

De spontane actie vanuit Filippi is een schakel in de voortgang van het evangelie in de wereld. Ook de gevangenschap van Paulus is zo’n schakel. Het hele pretorium weet dat hij gevangenzit ‘omwille van Christus’, iets wat in een openbaar proces nog meer aandacht zal krijgen. Natuurlijk gaf deze bijzondere beschuldiging ‘omwille van Christus’ aanleiding tot praatjes in het pretorium. Maar daarmee verspreidde zich ook het evangelie binnen de muren, in de stad en daarbuiten. De gevangenschap bood zo een kans om het evangelie te verspreiden onder mensen met wie Paulus anders nooit in aanraking zou zijn gekomen.

Ook in de gemeente gebeurt er veel. Nu Paulus gevangen is, hebben anderen moed gevat om zijn taak over te nemen. Juist door Paulus’ gevangenschap hebben ze vertrouwen in de Heer gekregen, al hebben ze verschillende zuivere en minder zuivere motieven (1,15-17): zowel liefde voor de Heer als afgunst jegens de apostel. Paulus zit er niet mee: ‘Als Christus maar verkondigd wordt, is en blijft er alle reden tot blijdschap die niet voorbijgaat’ (1,18)!

Vrijspraak of doodvonnis?

Paulus is blij, want hij verwacht dat ‘dit alles’ (Gr.: touto –1,19; namelijk wat hij schrijft in 1,12-18a) tot zijn redding (Gr.: sootèria) zal leiden, door de hulp van de Geest van Jezus Christus en het gebed van de gemeente. In verband met de situatie is sootèria hier te verstaan als vrijspraak en vrijlating, zodat hij zijn leven en zijn werk als apostel weer in vrijheid kan opvatten. Toch ziet hij ook onder ogen dat het proces wel eens anders zou kunnen aflopen en eindigen met een doodvonnis. Hij zal doorgaan zoals altijd: in alle openheid spreken over Christus, tot Diens eer (1,20). Zal hij zijn missie in vrijheid kunnen voortzetten? Of beslist zijn rechter tot de doodstraf? Wat heeft hij liever, het een of het ander?

De apostel stelt vast dat in de vrijheid van het geloof elk van beide voor hem de goede weg is: ‘Voor mij is leven Christus en sterven winst’ (1,21). Hij kan zijn leven in de handen van de Heer leggen. Niet in een moment van vrome overpeinzing bij een wandtekst, maar oog in oog met een mogelijk spoedige wrede dood door onthoofding. Dat was immers de doodstraf voor Romeinse staatsburgers, ook al kon een beroep op de keizer nog respijt geven.

Leven is Christus, sterven winst ‘Voor mij is het leven Christus en sterven winst’ (1,21). Deze tekst wordt in de traditie op vele wijzen weergegeven en geïnterpreteerd. De Naardense Bijbel leest: ‘Want te léven is mij Christus én te stérven is gewin.’ Door het accent op ‘én’ is er geen tegenstelling tussen ‘leven is Christus’ en ‘sterven is gewin’. Ze zijn als gelijken nevengeschikt, beide van even groot belang.

De wandteksten van de grootouders van de ouderen onder ons zeggen met de Statenvertaling: ‘Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin.’ Hier staan leven en sterven en hun kwaliteiten los van enige context en geven ze een waardeoordeel: leven, ‘Christus’, is weliswaar positief, maar sterven is meer: ‘gewin’. In de vierde klas vertelde het jongetje naast mij in de bank: ‘Ik wil wel sterven, dan kan ik voor eeuwig bij de Heere Jezus zijn.’ Ik reageerde: ‘Ik hoef nog niet dood – ik vind leven veel leuker.’ Het buurjongetje stak zijn vinger op en riep: ‘Meester, hij spot!’ Spotten was toen ongeveer de ergste zonde die een christelijk kind kon bedrijven. Hij stond in de traditie dat het leven hier beneden los van alles, ook al is het Christus, nooit het geluk en de volmaaktheid kan brengen.

Bij Paulus gaat het niet om een losstaande keuze tussen eeuwigheid en tijd, maar om de vraag hoe en waar hij het meest nodig is. Uiteindelijk vindt hij zijn verlangen om bij de Heer te zijn minder belangrijk dan zijn taak om de mensen te helpen de naam van Christus op aarde groot te maken. Hij stelt zijn leven helemaal in dienst van Christus, hij zal doen wat hem gevraagd wordt. Hij kan voorbijzien aan zijn eigen verlangen, hij legt zijn leven in de handen van de Heer. Ten slotte schrijft hij vol vertrouwen dat hij binnen niet al te lange tijd de gemeente van Filippi zal bezoeken. Reden om niet Paulus, maar Christus te roemen!

Deze exegese is opgesteld door Hans Fortuin.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken