Mag het iets minder zijn?
4e zondag van de zomer (Efeziërs 1,1-14 en Marcus 6,6b-13)
In het grootste deel van Nederland zijn de scholen dicht. Velen bevinden zich nu op de camping. Wil je een vaste plek hebben, dan zul je lang van tevoren moeten reserveren en mogelijk ook al een aanbetaling moeten doen. Wie een wandelvakantie doet, zorgt voor een minimale bepakking. Ver van de bewoonde wereld zie je ’s nachts de sterrenhemel en voel je je opgenomen in een groter geheel. Allemaal thema’s die zó weggelopen zijn uit de schriftlezingen.
Hoe zou het zijn om in de liturgische eb van de zomer eens de vloed van de taal van Efeziërs over je heen gestort te krijgen? Je zou er een hele zomerserie van kunnen maken, om te beginnen op deze zondag. Maar dan moet je wel wat overwinnen, want wat een taal! Efeziërs 1,3-14 is één overladen zin. De NBV21 heeft deze passage in zes zinnen verdeeld, maar zelfs dan denk je: mag het iets minder zijn? Hoe maak je dit behapbaar? Eigenlijk is dat een vraag van elke homilie. Preken doe je nooit over het geheel, maar altijd over een selectie. Je gaat uit van een miniatuur, iets kleins dat voor het geheel staat. Zeker bij taal als in Efeziërs 1 ga je dan zoeken naar een hanteerbaar beeld. Maar dan moet je wel echt zoeken.
Kwetsbaar staan we
Bij Marcus is het gemakkelijker. Jezus roept zijn leerlingen bij zich en stuurt ze uit, twee aan twee. Dat zie je voor je: we verzamelen ons rond Jezus en laten ons uitsturen, de wereld in. Dat dat een bedreigende wereld is, blijkt uit het in de lectio continua overgeslagen verhaal over de dood van Johannes de Doper (6,14-29). De leerlingen mogen vrijwel niets meenemen, alleen een stok. Sandalen mogen ze wel dragen. Dat heeft niets te maken met een heroïsch ascetisme. Op deze manier zullen de leerlingen volledig afhankelijk zijn van andermans gastvrijheid. Alleen wat ze nodig hebben voor de reis nemen ze mee; het dagelijks onderhoud zal door anderen geschonken worden. Vergelijk hoe het volk Israël in de woestijn voor zijn brood afhankelijk was van wat God gaf: hemels manna. Het is mogelijk in Marcus 6,8-9 een toespeling te zien op Exodus 12,11, waar de Israëlieten aan de vooravond van de uittocht moeten eten met hun sandalen aan hun voeten en hun staf in hun hand.
Zonder enige echte bepakking op weg gaan en niet zeker weten of je gastvrijheid zult vinden: het lijkt wel een beeld van de kerk in West-Europa. Nog niet zo lang geleden kon het christelijk geloof meeliften op een algemeen besef van wat religie en geloof zijn en wie God is. Nu dat wegvalt, staan wij net als de leerlingen met lege handen. Daar moeten we aan wennen: de vanzelfsprekende gastvrijheid van de cultuur om ons heen is weggevallen, met als gevolg dat wat we vroeger als bagage meenamen niet meer wordt herkend. Kwetsbaar staan we nu, in alle eenvoud.
Geen stoere taal
Bij eenvoud hoort geen stoere taal. Maar wat moet je dan met de overladen lofprijzing uit Efeziërs 1? Ook achter deze naar ons gevoel veel te zware taal zit een geloofservaring, en wel van mensen die zich ontworsteld hebben aan de trekkracht van de culten die in Efeze het beeld bepaalden, de cultus van Artemis voorop. Nu weten ze zich met de naam van Jezus opgenomen in een groter geheel dat hemel en aarde omvat. De grote woorden van vers 9-10 over Christus als de recapitulatie van alles, verwijzen naar het vinden van een nieuw middelpunt in hun leven. Het bijeenbrengen onder één hoofd wordt later in de brief samengevat als ‘vrede brengen’ (2,14.17) en ‘verzoenen’ (2,16). De scheidsmuur is weggevallen, dat is wat de geadresseerden hebben meegemaakt en wat de schrijver van de brief ertoe aanzet om alle stilistische registers open te zetten: het kan nu niet met minder toe!
In vers 3-12 staat alles in de eerste persoon meervoud. Dat verandert in de slotpassage. Daar verschuift het naar een persoonlijke aanspraak in de tweede persoon meervoud. ‘Gemerkt met het stempel van de heilige Geest’ roept vandaag de dag associaties op aan alle tattoos die zichtbaar zijn op het strand. Je kunt ook denken aan die bandjes die je op sommige campings moet dragen om in het zwembad te mogen komen. Goed paulinisch is het gebruik van het Griekse woord arraboon (1,14), een term uit het economische verkeer. ‘Voorschot’ vertaalt de NBV, ‘onderpand’ vertaalt de HSV. Maar eigenlijk gaat het om een eerste aanbetaling waardoor beide partijen zich aan elkaar verbinden, vergelijk de bovengenoemde aanbetaling voor je camping.
Lichamelijk
Inderdaad, het is stellige taal, maar het hoort bij het ‘woord van de waarheid’ (1,13) dat de Efeziërs gehoord hebben. Horen, tot geloof komen en verzegeld worden zijn stadia op de weg van geloof. Het is missionaire taal. Daarbij valt zelfs het woord waarheid. Na alle postmoderne deconstructie lijkt de tijd gekomen om het weer aan te durven te spreken over waarheid. Maar dan wel een waarheid die dicht bij het dagelijks leven blijft en die volop lichamelijk is. De combinatie met de lezing uit Marcus 6 helpt ons daarbij. Lichamelijker dan daar geschetst kan bijna niet. Het gaat over wat je meedraagt op je rug en wat je aan je voeten hebt. Hoe je gaat op een weg die volgens Efeziërs 1,14 uiteindelijk is ‘tot eer van Gods grootheid’. Is dat anno 2024 trouwens ook niet een verrassend beeld? Dat God graag iets van ons mensen ontvangt?
Deze exegese is opgesteld door Erik van Halsema.