Menu

None

Opgesloten in een aardse hel. Gesprek over de katharen met expert Mieke Felix

Gedenkteken Katharen

Bons omes’ (bons hommes), zo noemden hun volgelingen hen: ‘goede mensen’. Ze volgden dezelfde Bijbel als de andere christenen, maar het leek soms wel alsof ze de betekenis van de tekst binnenstebuiten keerden. En dat werd in Rome niet met gejuich ontvangen. De katharen. Wie waren ze, en waar stonden ze voor? Tijdens een gesprek met katharenspecialist Mieke Felix bij de lunchketen Le Pain Quotidien – een zeer toepasselijke naam, zo bleek – kwam Martine Meijers er meer over te weten. 

Het is allemaal begonnen in de zomer van 1972, toen Mieke met haar ouders op vakantie was in de Languedoc in Frankrijk. Ze bezochten daar  het dorpje Minerve. Bij de kerk stond een monument voor de katharen. Het fascineerde haar, en liet haar niet meer los. 

Het moet een heel indrukwekkend moment voor je geweest zijn, daar staand voor dat gedenkteken. Kun je terugkijkend zeggen dat het een religieuze ervaring was? 

“Een religieuze ervaring, goh, dat weet ik niet. Eigenlijk gebeurde er niets. Maar, hoe je het ook noemt, ik stond daar voor dat monument, en een klein, onhoorbaar stemmetje zei me: ‘Hier moet je alles over te weten komen’. Ik kocht nog diezelfde dag mijn eerste boekje over de katharen, geschreven door de grote katharenkenner van dat ogenblik, René Nelli (Carcassonne 1906-1982), en raakte steeds meer geboeid door het onderwerp. Vele jaren later ben ik theologie gaan studeren. En ik merkte: er is veel interessante historische research gedaan naar de geschiedenis van de katharen, maar er is naar mijn smaak te weinig degelijk theologisch onderzoek verricht. Daar ben ik me dus in gaan verdiepen. Je kunt wel zeggen dat het mijn levenswerk werd.” 

Om te beginnen: waar situeren we de katharen in tijd en plaats? 

“Ik behoor tot die groep van onderzoekers die ervan overtuigd is dat het om een zeer vroege vorm van christendom gaat. Er zijn sporen in terug te vinden van het gedachtegoed van Origenes, Griekse kerkvader uit de derde eeuw. Maar zeker bepaalde getuigenissen over een ketterse beweging in Bulgarije vanaf de tiende eeuw, de zogenaamde bogomielen, klinken ongelooflijk kathaars. Sommige onderzoekers spreken zelfs over een ‘kathaars-bogomielse kerk’. De contacten tussen Oost en West zijn waarschijnlijk  begonnen via de kruistochten. De naam ‘katharen’ horen we vanaf de twaalfde eeuw in het Rijnland. Het geloof wordt verder verspreid in Italië, Zuid-Frankrijk en in Catalonië. Maar vooral in de graafschappen Toulouse, Béziers-Carcassonne en Foix kwam het katharisme tot bloei, aan het eind van de twaalfde en begin dertiende eeuw. De Languedoc was zeer geciviliseerd in die tijd, de handel groeide en er kwamen steeds meer steden. En waar steden ontstaan, daar ontstaan nogal eens eigenzinnige ideeën.” 

Wat hield het kathaarse geloof in?

Hun geloof was een vorm van dualisme. Niet de dagelijkse vorm van zwart-wit denken waar we nog altijd zoveel last van hebben, maar een allesomvattend dualisme. God, de grote spirituele kracht, is alles wat is. Dat betekent ook: Hij is de totale goedheid. Deze wereld – de aarde zelf, de sterren om ons heen, de natuur, lichamen van dieren en mensen, werktuigen, huizen, bezittingen – dat is allemaal, eigenlijk, ten gronde, niets.

Niet door God geschapen, bedoel je?

“Nee. Wie of wat dan wél aan de oorsprong ervan ligt, is niet helemaal duidelijk. Meestal wordt het verteld aan de hand van een mythe: het verhaal van ‘de Val’. Niet die van Adam en Eva, maar van één van de eerste schepselen: een gezel van God, die deel uitmaakt van de eerste spirituele schepping. Een engel. En die wil God in Zijn almacht en grootsheid evenaren door een andere schepping te creëren, namelijk onze wereld – een niet zo geslaagd project, blijkt al snel.”

Wat bedoel je met ‘niet zo geslaagd’?

“Het is toch moeilijk te geloven dat een volmaakt goede God deze wereld bedacht zou kunnen hebben? Het is in deze wereld eten of gegeten worden. Alle levende wezens moeten vroeg of laat sterven, soms in helse pijnen. Vaak als gevolg van gruwelijke machtsspelletjes.”

Het probleem van het lijden en het kwaad dus? 

“Inderdaad. Hoe kan God almachtig en alwetend én goed zijn, en tegelijk het kwaad en het lijden toestaan? Een heel moeilijke vraag, en als ik het gedachtegoed van de katharen niet had gekend was ik allang atheïst geworden. Hun antwoord op die vraag was dat God niet met kwaad of pijn geassocieerd kan worden. Katharen koppelden God dus los, van niet alleen het kwaad in de wereld, maar ook van het onvolmaakte, het tijdelijke, en de vergankelijkheid. God is niet alleen de totale, volmaakte goedheid, maar ook de eeuwigheid. Hij kijkt, bij wijze van spreken, verbijsterd toe hoe wij er hier een rommeltje van maken. Maar hij kan niet ingrijpen. Het is immers Zijn wereld niet.”

Is er dan sprake van een totale afsplitsing tussen onze wereld en die van God?

“Nee. Eigenlijk niet. Daar zijn doordachte, filosofische ideeën over geformuleerd. Maar de eenvoudigste manier om het te vertellen is, wederom, aan de hand van een mythe. Een verhaal waarvoor diezelfde Origenes over wie ik het al eerder had, de basis heeft gelegd. Het gaat als volgt. Die hoogmoedige engel, die hoger wilde vliegen dan God zelf, ontwierp dus, hier beneden, een materiële wereld. Maar toen hij die mooie poppen van klei had geboetseerd, merkte hij dat hij er geen leven in kon krijgen. En hij was niet dom, hij wist wat hij nodig had: een geest, en een ziel. Dus vloog hij terug naar boven en slaagde erin een aantal van zijn vroegere metgezellen te overtuigen om met hem mee naar beneden te komen. Hij legde hen uit dat het daar veel leuker was. ‘Want je hebt er goed én kwaad. Terwijl God jullie hier alleen het goede gunt. Saai toch?’ Sommigen lieten zich overtuigen en sprongen enthousiast in de diepte, anderen kwamen nieuwsgierig dichterbij en tuimelden per ongeluk over de rand. Maar er waren er ook die op veilige afstand bleven en die daar nu nog altijd zijn, in de hemel. Dat zijn de engelen. Zij die hier beneden belandden werden opgesloten in menselijke lichamen. Lichamen die vroeg of laat zullen sterven. Maar na de dood zijn de zielen nog niet bevrijd. De hemel is gesloten. Daarom lezen we hier en daar dat er bij sommige katharen een geloof in reïncarnatie bestond. Na de dood van het lichaam zwerft de ziel rond, op zoek naar een nieuwe woning. Dat kan, in het beste geval, een menselijke baby zijn die op het punt staat geboren te worden. Maar het kan ook een ezel zijn, of een lammetje, of een duif. Warmbloedige dieren. Voor alle duidelijkheid: het is onduidelijk of dit een algemene overtuiging was. Maar als het geen algemene overtuiging was: hoe verloopt het dan wél verder? Want we zitten vast. We zijn bannelingen.”

En dat is het dan? Niet echt een hoopvol einde…

“Nee, maar zo zagen de katharen het. Het leven op aarde is de hel.”

En God doet niets?  

“Hij zou God niet zijn, indien Hij ook het onmogelijke niet zou proberen. Ook hierover zijn enkele mooie mythische verhalen overgeleverd. Maar simpel gezegd: God stuurt Zijn zoon naar de wereld, zoals alle andere christenen ook geloven. Maar niet om als boete voor onze zonden een gruwelijke dood aan het kruis te sterven. Nee, hij moet ons komen uitleggen hoe we het moeten aanpakken. De Zoon van God is het Woord van God. Dat is eigenlijk de kern van het kathaarse geloof.”

 De Bijbel dus?

“Ja, vooral, maar niet uitsluitend, het Nieuwe Testament. En daar vinden we niet enkel belangrijke morele lessen in terug. Er staat ook heel duidelijk in vermeld dat er een ritueel nodig is om je tot kind van God te maken: het doopsel.”

Daar zijn andere christenen het dan toch mee eens?

“Zeker. Maar die andere christenen hebben de Bijbel niet goed gelezen, beweren de katharen. Zegt Johannes de Doper immers niet: ‘Ik doop jullie met water, maar na mij komt iemand die meer vermag dan ik. Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur’? In Handelingen en in de brieven van Paulus vonden de katharen genoeg ondersteuning voor hun overtuiging dat het ware christelijke doopsel gebeurde door handoplegging. Of beter gezegd: boekoplegging. Een manuscript van het Nieuwe Testament werd de dopeling op het hoofd gedrukt. Eigenlijk wordt hiermee gezegd: ‘Dit is het Woord van God, dat moet jij nu navolgen en verspreiden, alle dagen van je leven.’ Het werd het consolamentum genoemd, vertroosting. Die benaming verwijst naar de heilige Geest, de Parakleet, van het Griekse parakaleoo, wat betekent: bijstaan en troosten. Dit spirituele doopsel is hun enige sacrament.”

Kenden zij geen andere sacramenten?

“Nee. In die tijd waren er in de katholieke wereld al zeven sacramenten erkend. Maar de katharen erkenden ze niet, omdat er niets over in de Bijbel staat. Alleen het doopsel wordt er vermeld.”

“Ze vonden ook de kinderdoop geen goed idee. Want hoe kan je in naam van een onmondig kind spreken? Dus hun doopsel wordt enkel toegediend aan volwassenen die weten welke zware taak hen  daarna wacht. ‘Volwassenen’ dan wel naar middeleeuwse normen; dat konden zeer jonge mensen zijn, die wij in onze tijd ‘pubers’ zouden noemen, maar meestal waren het wat oudere mensen, die al wat meer ervaring hadden opgedaan en een heel bewuste keuze maakten. En vermits ons lichaam er niet toe doet, werd er principieel geen verschil gemaakt tussen een man of een vrouw. Beiden konden toetreden en priester worden.”

“Vanaf het moment dat je gedoopt was, leidde je een ascetisch leven. Je mocht niemand van het andere geslacht zelfs maar aanraken. Dat was belangrijk omdat er geen voortplanting mocht plaatsvinden: deze wereld is immers een vergissing, laten we er toch niet nog meer mensen aan blootstellen, was de gedachte. Maar het zwaarste was natuurlijk het leven volgens de christelijke wet, zoals Jezus die verwoordt in de Bergrede. Naast al de bijna onmenselijke opdrachten die we daar lezen, denk aan -‘wanneer men je op de rechterwang slaat, bied dan ook je linkerwang aan’, ‘heb je vijand lief’, of ‘wees blij wanneer men je vervolgt’ – zegt Jezus hier ook dat je geen eed mag afleggen. ‘Zeg gewoon de waarheid. Lieg niet, dat is het ware gebod’. Makkelijk gezegd. Wanneer een kathaar werd opgepakt en weigerde om de eed af te leggen, dan wist de inquisiteur meteen genoeg. In tijden van vervolging werd dat een reusachtig probleem.”

“Als je als gedoopte toch een ‘zware’ fout beging, was je doop vanzelf ongeldig. Dat betekende dus dat je, vanaf dan, net als de andere mensen, opnieuw vastzat in je ballingschap, in deze aardse hel. Je kon je opnieuw laten dopen. Maar dat was in tijden van vervolging allesbehalve vanzelfsprekend.”

“Ik zou echter niet willen dat je het idee krijgt dat het om een elitaire groep van zelfvoldane ‘verlosten’ ging. Alsof alle anderen, de brave mensen, de volgelingen of gewone gelovigen, hier zonder pardon voor eeuwig vastzaten. Nee, iedereen kan gered worden. Een consolamentum op je sterfbed telde even goed.”

Je kunt er dus een leven lang op los leven, zonder God of gebod? Als er op het einde een bon ome aan je bed staat en je slaagt erin om met je laatste adem om vergiffenis te vragen en het Onze Vader te stamelen, dan is dat ook goed?

“Volgens mij is dat een diepchristelijke gedachte. Lees er ‘de Werkers van het elfde uur’ maar op na (Mattheus 20:1-16).”

Hoe keken de katharen naar de mirakelverhalen in de Bijbel? 

“Er is in dit verband een heel duidelijke uitspraak overgeleverd van de laatste ons bekende kathaar, Guilhem Bélibaste. ‘Er zijn nooit mirakels geweest,’ zei hij, ‘het gaat telkens over de vergeving van de zonden’. Niet zo vreemd toch? Deze wereld is niet van God, dus hoe kan Hij ons helpen wanneer we ziek zijn of honger hebben? Ook de wonderbare vermenigvuldiging van het brood wordt op die manier uitgelegd. Wat hier wordt uitgedeeld is het Woord van God. En dat vermenigvuldigt zich. En voor alle duidelijkheid: ook dit hebben ze niet zelf verzonnen. Het is een duiding die al circuleerde in de negende eeuw.”

Zijn er nog andere opvallende verschillen tussen het katharisme en het katholicisme van die tijd? 

“Ja. Ik had het al over de zeven sacramenten die door Rome waren ingesteld en steeds meer en meer het dagelijkse leven van de gelovigen ritmeerden en bepaalden. In die periode wordt ook een moeilijke knoop doorgehakt die alle enkele eeuwen tot zware discussies had geleid. Het dure woord is gevallen tijdens het vierde Concilie van Lateranen (1215): transsubstantiatie. Daar wordt gezegd: Dit gebeurt werkelijk, hier en nu, telkens wanneer een priester de woorden van Jezus herhaalt, ‘Hic est corpus meum’ (‘Dit is mijn lichaam’). Dan wordt dat onooglijke stukje brood het lichaam van Christus, die slok wijn wordt Zijn bloed. Je ziet het niet, je proeft het niet, je ruikt het niet, maar toch is het zo. De substantie is veranderd zonder dat wij het merken. Katharen vonden dat onzin.”

Vonden zij die uitspraak van Jezus bij het Laatste Avondmaal dan niet belangrijk?

“Zeker wel. Maar het heeft volgens hen een andere betekenis. Jezus herhaalt daar wat Hij al zijn hele leven zegt. ‘Ik ben het Woord dat Leven geeft.” “Nu zegt Hij: ‘Dit is mijn lichaam, neem en eet hiervan’, waarmee Hij bedoelt: ‘Dit is mijn Woord, neem het tot je, en deel het ook weer uit.’ En dan komt er hier ook nog een gekke kronkel, een bizar toeval, zou je kunnen zeggen. Waar men in Katholieke Kerk gelooft in de ‘transsubstantiatie’, vragen katharen wanneer ze het Onze Vader bidden om het ‘supersubstantiële’ brood, het ‘brood boven alle dingen’ – in het Occitaans: ‘nostre pa qui es sobre tota causa.’

Waar komt dat vandaan?

“Uit een zeer onverdachte bron. De in de middeleeuwen algemeen aanvaarde vertaling van de Bijbel in het Latijn, de Vulgaat. In de Griekse brontekst vinden we het adjectief ‘epiousion’ terug. Een raadselachtig woord waar we nog niet helemaal mee in het reine zijn gekomen. In de nieuwe Bijbelvertalingen is er sprake van het ‘nodige’ brood. Daar kan je alle kanten mee uit. Bijbelvertaler Hiëronymus (347-420) vertaalde het, gek genoeg, op twee manieren. In het evangelie van Lucas als ‘panem quotidianum’, dagelijks brood, en in het evangelie van Matteüs als ‘panem supersubstantialem’, bovennatuurlijk brood. En we bidden in de kerk, nog steeds, volgens de versie van Matteüs, waarbij we om ‘dagelijks’ brood vragen. Ook de katharen deden dat, maar met het correcte woord. Net zoals ze maar één sacrament hadden, was er ook maar één gebed: het Onze Vader. En dat speelde ook een rol bij het breken van het brood.”

Dus toch?

“Ja, het lijkt inderdaad heel sterk op wat later in de protestantse wereld het ‘Heilig Avondmaal’ wordt genoemd. Maar dat is een sacrament en mag enkel door een gewijde predikant worden toegediend. Bij de katharen is het een ritueel, een gebruik. De bons omes trokken vaak predikend rond. En dan werden ze door sympathiserende families wel eens uitgenodigd om te blijven eten. Voor de maaltijd begon, zegende de aanwezige kathaar een stuk brood, dat daarna in stukjes werd gebroken en onder de aanwezigen uitgedeeld. Daarbij bad de bon ome het Onze Vader, in hun versie uiteraard. Iedereen kreeg een stukje brood, maar niemand zei het Onze Vader mee. Dat had immers geen zin, zolang je het consolamentum niet hebt ontvangen, kan je nog niet met God spreken. En ja, er is sprake van een zegening – niet met een kruisteken. ‘Maar ook gezegend brood blijft gewoon brood’, zeiden ze zelf. Het is een zeer belangrijk ritueel. Erfgoed, denk ik. Het grijpt terug naar het fractio panis, ‘het breken van het brood’, zoals gebruikelijk bij het ‘liefdesmaal’ of agapè in het vroege christendom. Een moment waarop alle mensen die eraan deelnemen beseffen dat ze gelijk zijn, samen zijn. ‘We bidden het Onze Vader, en we delen het brood.’ En daarmee is de cirkel rond.” 

Leg eens uit?

“Ik weet niet of de diepere betekenis die er door katharen aan wordt gegeven, ook zo oud is. Maar het is volgens mij de kern van de zaak. Ik noem het: het brood van het Woord. Elke keer wanneer ik tijdens mijn onderzoek dacht iets nieuws ontdekt te hebben, bleek het toch weer een weggetje te zijn naar datzelfde idee. Ik probeer het kort samen te vatten. Jezus is het Woord van God. Wanneer Hij het over brood heeft, het Brood dat Hij zelf is, of het brood dat Hij uitdeelt bij een wonderteken, bedoelt Hij dat. Ook wanneer we bidden zoals Hij het ons geleerd heeft, vragen we om een ‘ander’ brood. Het Brood van het Woord. En wanneer je hoog genoeg klimt, ontdek je de uiteindelijke betekenis ervan: Liefde. En al zijn wij, in onze onvolmaaktheid nog niet in staat dat ten volle te begrijpen, moeten we erin geloven, ernaar blijven streven.”

“Dat is wat ik hun ‘poëtische theologie’ noem. Dat zoeken naar verbanden, naar koppelingen tussen Bijbelfragmenten die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hebben. Dat spreekt me enorm aan. Maar het was ook wel gebruikelijk in het vroege christendom om dat te doen. Wij zoeken vandaag meer naar logica – iets te veel, denk ik.”  

Als ik je zo hoor, dan lijkt het erop dat de katharen een zeer gedegen kennis van de Bijbel hadden.  

“Dat klopt. Je moest een lange, gedegen opleiding volgen alvorens je het consolamentum mocht ontvangen. Zo’n drie jaar. En zelfs in de laatste periode, onder zware vervolging, bleef men zich daaraan houden.”

Hoe is men erin geslaagd een realistisch beeld van het kathaarse geloof te schetsen? Welke betrouwbare teksten hebben we vandaag? 

“Er zijn een aantal bronnen uit die tijd bewaard. Aan de éne kant teksten die door tegenstanders zijn opgesteld: strijdschriften en inquisitieverslagen. Die zijn misschien niet altijd even objectief. Maar we mogen het belang van deze documenten toch niet onderschatten. Mensen kennen vaak het boek Montaillou, een ketters dorp in de Pyreneeën 1294-1324, van Emmanuel Le Roy Ladurie. Dit werk is volledig gebaseerd op een inquisitiedossier uit de vroege veertiende eeuw. Heel opvallend is het dat inquisiteur Jacques Fournier niet enkel interesse vertoonde voor de ketterse ideeën van de gedaagden, maar ook voor hun privéleven en voor de conflicten in het dorp. Daardoor had Le Roy Ladurie fantastisch materiaal in handen voor een sociologische studie van Montaillou. Schitterend boek, maar slechts in een deel ervan behandelt hij de inhoud van het kathaarse geloof.” 

“Aan de andere kant zijn er gelukkig ook enkele teksten bewaard gebleven die door katharen zelf zijn geschreven en die ons op theologisch vlak wat meer inzicht bieden. Dat zijn er niet veel. Vijf, om precies te zijn. Het gaat om een traktaat, in het Latijn, waarin het dualisme grondig wordt uitgelegd: Liber de duobus principiis, uit de dertiende eeuw. En een tweede traktaat, dat wellicht iets ouder is, van een anonieme auteur. Dat is een reeks van negentien hoofdstukjes waarin de ‘ketterse stellingen’ worden uitgelegd. Die korte teksten zijn bewaard in de grotere context van een bundel uitgebreide katholieke weerleggingen, dat heet Liber contra Manicheos. En dan zijn er nog twee ritualen of rituelen, één in het Latijn en één in het Occitaans, waarin zeer gelijklopend het verloop van het kathaarse sacrament, het consolamentum, wordt beschreven. Het Occitaanse rituaal maakt deel uit van een manuscript, de Bible de Lyon, en is een vertaling van het Nieuwe Testament in het Occitaans.”

“En, last but not least, een ontdekking waarop we als Belgen trots mogen zijn. In 1960-1961 publiceert de jonge Belgische filoloog Théo Venckeleer (1936-2019) de transcriptie van een bundel teksten uit de veertiende eeuw. Het manuscript wordt bewaard in Dublin en omvat drie teksten in het Occitaans, waarvan er twee zeer belangrijk zijn voor het onderzoek naar het katharisme: Gleisa de Dio, dat een beschrijving van de Kerk van God is, en Glosa Pater, een eigenzinnige exegese van het Onze Vader. Helaas zijn deze teksten nog veel te weinig bestudeerd.”

Er bestaat vandaag wel wat twijfel over de kathaarse beweging, kun je daar iets meer over vertellen? 

“We spreken natuurlijk over een tijd waarin lang niet iedereen kon lezen en schrijven. Er is dus heel veel mondeling overgeleverd. En waarschijnlijk hebben we niet alle oorspronkelijke bronnen nog in ons bezit. Er is zeker één en ander vernietigd. En misschien zijn er zelfs vervalsingen in omloop. Dat maakt het onderzoek er niet eenvoudiger op. Maar ik denk soms, als ik sommige commentaren lees of hoor: ‘Je hebt wel van een bepaalde brontekst gehoord, maar heb je ook werkelijk de moeite genomen die te lezen?’ Ik vraag me dan af op basis waarvan men ervan uit gaat dat het om een vervalsing zou gaan.” 

“Door dat alles is er een sfeer van verdachtmaking ontstaan. Sommige historici begonnen zich, rond het jaar 2000, ineens af te vragen: ‘Is dit wel echt gebeurd? Hebben de katharen werkelijk bestaan?’ Op zich is het goed om niet alles zomaar voor waar aan te nemen. Maar de nieuwe hypotheses gaan wel zeer ver. Er zijn er die beweren dat het één grote complottheorie is, bedacht door de Katholieke Kerk. Anderen zijn voorzichtiger en gaan ervan uit dat er misschien wel wat aan de hand was, maar dat het hoogstens ging om een paar loslopende enkelingen. Weer anderen suggereren dat het hele verhaal een verzinsel was om het toerisme te doen groeien.” 

“Ik denk dat dat de negatieve beeldvorming ook te maken heeft met een heropleving van de esoterie in de jaren tachtig. Ook deden er verhalen de ronde over inwijdingsrituelen met grottochten en over geheimzinnige tekens die in de grotwanden waren gegrift. Voor een gedeelte zijn dit soort verhalen verzonnen door een Duitse historicus, Otto Rahn (1904-1939). De katharen hadden de graal in hun bezit, beweerde die man ook. Kijk, dat is een schitterend verhaal, maar je moet een verhaal een verhaal durven laten zijn. Historisch onderzoek is iets anders.”

“Al deze, soms bizarre, bedenksels hebben een zeer negatieve impact gehad op de beeldvorming van wie deze mensen waren. Ze hebben het onderwerp zelfs belachelijk gemaakt in de ogen van sommige serieuze onderzoekers.” 

Hoe is het uiteindelijk geëindigd voor de katharen?

“Met hun eenvoudige, spirituele levenswijze trokken zij heel wat mensen aan. Daardoor vormden ze een bedreiging voor kerk en staat. Want ook de Franse koning stapte op den duur mee in de strijd. Hij zag de kans om een rijk wingewest aan te hechten, waar hij uiteindelijk ook in geslaagd is. Om de katharen aan te pakken, riep Paus Innocentius III in 1209 op tot een kruistocht, een campagne die ontaardde in bloedbaden. En er werd een nieuwe organisatie opgericht: de pauselijke inquisitie, een zeer goed georganiseerd orgaan, hoofdzakelijk bemand door Dominicanen. Heel recent is hier, in het Nederlands, een boeiende studie over verschenen: Inquisitie in de Middeleeuwen, geschreven door Bernadette Demeulenaere.”  

“Maar het meest tot de verbeelding sprekende feit is natuurlijk het beleg van Montségur (1243-44). Dat castrum of versterkt dorp was al lang een doorn in het oog van de machthebbers. Ondanks alles was het nog altijd het hoofdkwartier van de kathaarse kerk. Daar leefden nog talrijke bons omes. Uiteindelijk werd het veroverd, na een moeizaam beleg van negen maanden. Na de overgave werden zo’n tweehonderd katharen op de brandstapel gezet, zonder enige vorm van proces (16 maart 1244). De ruïne van het kasteel is nog altijd een toeristische trekpleister. Maar, hoe indrukwekkend ook, wat er nu nog staat heeft niets met het toenmalige castrum te maken. Dat was een heus dorp. Dat is na het beleg afgebroken en op die plaats is er een burcht gebouwd om de grens met Spanje te bewaken. Archeologisch onderzoek heeft in dat verband indrukwekkende resultaten opgeleverd.”

“Uiteindelijk, tachtig jaar later, heeft de inquisitie het werk afgemaakt, na een laatste heropleving van het katharisme in het begin van de veertiende eeuw. De laatste ons bekende Occitaanse kathaar was Guilhem Bélibaste. Hij stierf op de brandstapel in 1321.”

“Wie graag in het Nederlands verder wil lezen over de kathaarse geschiedenis, kan ik de vertaling van een werk van Michel Roquebert (1928-2020) aanraden, De geschiedenis van de katharen.”

Er is hard gestreden om het ketterse geloof de kop in te drukken. Wat kunnen we ervan leren voor de tijd waarin we zelf leven, volgens jou? 

“Het uitsluiten van mensen die anders denken is een terugkerend thema in de wereldgeschiedenis. Een vijand creëren kan zeer nuttig zijn om je eigen standpunten beter te doen uitkomen en – vooral – je eigen macht te consolideren. En het is ook niet ondenkbaar dat er op een bepaald moment een angst voor dit soort bewegingen bestond. Ketterij als besmettelijke ziekte – beter het in de kiem te smoren. Om die laatste reden werden er ook verzonnen verhalen rond katharen en andere dissidente bewegingen in omloop gebracht. Zoals we die in latere tijden ook terugvinden rond de zogenaamde hekserij.” 

“Je ziet het steeds opnieuw gebeuren: ‘Wij weten hoe het zit, jullie moeten je mond houden’. Zo spijtig dat we keer op keer dezelfde fout maken. Kunnen we niet aanvaarden dat we, elk op onze manier, op zoek zijn naar de waarheid? Een waarheid die ons ontstijgt en waar we allemaal maar een klein stukje van kennen, enkele kruimeltjes van het gebroken brood.”

Mieke Felix

Mieke Felix (Oostende, 1952), was 35 jaar actief als lerares ‘woord’ in het deeltijds kunstonderwijs en treedt nog altijd op als professioneel vertelster. Ze heeft een opleiding dramatische kunst achter rug, studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Gent en later ook theologie aan de Katholieke Universiteit van Leuven, waar ze afstudeerde met twee scripties over het katharisme. Ze is lekenpredikant voor de Verenigde Protestantse Kerk België en verzorgt cursussen en lezingen.

Wellicht ook interessant

Man met zijn handen voor zijn mond
Man met zijn handen voor zijn mond
Basis

De subtiele wreedheid van categorieën

Mensen zijn geobsedeerd door patronen. We vinden ze in de sterren, in de grond, en wie goed op let ziet ze ook in andere mensen. Het herkennen van patronen kan noodzakelijk zijn, omdat het ons helpt een complexe wereld te categoriseren en te navigeren. Toch kleeft er ook een schaduwzijde aan: wanneer patronen gebruikt worden om een andere groep te controleren, te definiëren of zelfs te schaden. Op het moment dat categorieën worden verheven van voorlopige beschrijvingen naar onbetwistbare waarheden, volgt schadelijk gedrag in onze meest intieme omgevingen en in onze belangrijkste instellingen. In gezinnen spreken we bijvoorbeeld over de “verantwoordelijke eerstgeborene kinderen” en zien we hoe die labels geleidelijk verharden tot verwachting. In samenlevingen worden mensen ingedeeld in “verdienstelijk” of “onwaardig,” en vervolgens wordt daar beleid op gemaakt. Wat begint als een handige mentale snelweg verandert langzaam in een script dat bepaalt wie mag floreren en wie klein moet blijven.

Petra Schipper
Petra Schipper
Basis

Korte Metten: Pionieren

Mijn eerste maand op mijn nieuwe werkplek zit erop. Als halftijdse gemeentepredikant/halftijdse stadspredikant in Leuven. Stadspredikant in de zin van pionier: ik mag verkennen voor wie we als protestantse gemeenschap in onze stad iets kunnen betekenen en hoe. Pionieren is nieuw ook voor mijzelf. Ik pionier in het pionieren. Hiervoor was ik voltijds stadspredikant in een organisatie (het Protestants Sociaal Centrum Antwerpen). Die pet heb ik hier niet meer op. Wel die van dominee. En dat in een post-katholiek geseculariseerd land en in een stad waar de universiteit stevig haar stempel op drukt. Hoe doe je dat dan? Hoe stel je je voor, hoe maak je geloofwaardig dat je geen agenda hebt behalve je presentie aanbieden? Want “de kerk”, dat ligt in België gevoelig.

Twee zwaarden
Twee zwaarden
Basis

Het evangelie van vijandschap

‘God is terug’ klinkt het steeds vaker in de media. Maar welke God eigenlijk? Niet de God van de liefde, stelt filosoof Sjoerd Griffioen in zijn nieuwste artikel, maar een autoritaire, militante God. Dit godsbeeld wordt door radicaal-rechts omarmd en uitgedragen, niet alleen in Amerika maar ook veel dichterbij huis, en berust op een eenvoudige maar heel gevaarlijke tegenstelling tussen ‘vriend’ en ‘vijand’. Maar wat is er eigenlijk zo gevaarlijk aan deze tegenstelling en waarom dreigt ze het begrip ‘christendom’ volgens Sjoerd uit te hollen?  

Nieuwe boeken