Kindermoment – Lucas 16:19-31
‘Niet stelen! Dit is Gods achtste gebod. Want stelen zegt tegen God eigenlijk, dat God niet goed voor je zorgt. Hoe dan wel, als je niets of niet veel hebt? Of honger hebt?
‘Niet stelen! Dit is Gods achtste gebod. Want stelen zegt tegen God eigenlijk, dat God niet goed voor je zorgt. Hoe dan wel, als je niets of niet veel hebt? Of honger hebt?
Het onbekommerd genieten van wat je hebt is niet zo vanzelfsprekend en onschuldig als het lijkt. Dat maken de perikopen die voor deze zondag op het leesrooster staan ons wel duidelijk. Het zijn ongemakkelijke teksten voor een gemiddelde Nederlandse kerkganger, die zich toch eerder met de rijken uit deze teksten kan vergelijken dan met de armen.
Lucas 17:1-10 is een reeks van vier korte uitspraken, deels kleine gelijkenissen van Jezus rondom verschillende thema’s van de navolging en het leven in gemeenschap. Ze bewegen zich van buiten naar binnen. Eerst komt een uitspraak over ten val brengen (1-2), dan een korte instructie over vergeving (3-4), vervolgens een leergesprek over geloof (5-6) en ten slotte een iets langere gelijkenis over de dienst van de slaaf, dan wel de discipel (7-10).
Commentatoren hebben moeite met deze Lucasparabel en proberen hem recht te breien. De overige lezingen over rijken en armen werpen van een andere kant licht op de gelijkenis. Is de rijke heer met schuldenaars een tsaddiq, of is de rentmeester die lasten verlicht dat?
De Openbaring van Johannes is een liturgische tekst. Het gaat in dit boek om de aanbidding van Hen die het waard zijn geprezen te worden, God en het Lam op de troon.
Opvallende parallellen tussen de lezingen uit Deuteronomium en Lucas! In allebei gaat het over een nieuw begin. Beide sprekers, Mozes en Jezus, willen de mensen die hen volgen daarop voorbereiden: Mozes het volk van Israël op het leven in een nieuw land; Jezus zijn leerlingen, zijn volk, op een ingrijpend nieuwe leefwijze. ‘Leven’ met een hoofdletter is het perspectief dat beiden bieden. Daartoe moet de Tora worden nageleefd in het nieuwe land, net zoals bij het navolgen van Jezus.
De lezingen voor deze zondag sluiten goed bij elkaar aan. Alle drie spreken van een andere orde dan de heersende. Waar Deuteronomium spreekt over bescherming van vreemdelingen, weduwen en wezen tegen woekeraars en hun recht op meedelen in de oogst, tekent Psalmen 113 een God die de blik naar beneden richt en uit het stof verheft wie berooid is, uit het vuil tilt wie alles ontbeert en hun een woonplaats biedt bij hooggeplaatsten. In Lucas 14 bevraagt Jezus de gevestigde orde waar onze omgang met anderen bepaald wordt door hang naar positie, invloed en macht.
De tijd dat we ons zorgen maakten over ons behoud, of we wel of niet gered zouden worden in gelovig/godsdienstig opzicht, lijkt voorbij. We zijn ons nauwelijks meer bewust van de situatie waaruit of waarvan we dan gered zouden moeten worden. Een eeuwige verdoemenis? Intussen is het wel een evangelische vraag, een vraag die in het evangelie gesteld wordt. Zijn het er veel, of zijn er maar weinigen die gered worden? Wat is daarop uw antwoord?
Vuur is in bijbelse teksten een krachtig beeld van Gods aanwezigheid. Als een stem uit het vuur klinkt Gods woord telkens weer in Deuteronomium. Als vuur is Gods aanwezigheid zichtbaar bij de uittocht. Gods oordeel en toorn uiten zich in vuur, en dat vuur gaat op de dag van JHWH aan Gods komst vooraf. Zowel Jeremia als Lucas maken dan ook gebruik van dit beeld om hun boodschap kracht bij te zetten.