Vierde zondag na Epifanie
OT: Sefanja 2,3; 3,9 -13 Psalm: Psalm 37,1 -11 EV: Matteüs 5,1 -12 Epistel: 1 Korintiërs 1,18 -31 Overig: Alternatieven:
OT: Sefanja 2,3; 3,9 -13 Psalm: Psalm 37,1 -11 EV: Matteüs 5,1 -12 Epistel: 1 Korintiërs 1,18 -31 Overig: Alternatieven:
In de oudtestamentische lezing van deze vierde zondag na Epifanie wordt een opvolger van Mozes uit Israël beloofd, een opvolger die in de naam van de Eeuwige zal spreken. Marcus presenteert Jezus in een van de eerste scènes in zijn evangelie als een jood uit Nazaret wiens nieuwe leer gezag heeft; hogere machten gehoorzamen Hem. Hij is degene die in de naam van de Allerhoogste komt. Paulus besteedt aandacht aan een vraagstuk dat ontstaat onder de aanhangers van Mozes’ opvolger.
In de perikoop van vorige week (1 Kor. 1,1-17) bleek verdeeldheid in de gemeente van Korinte de aanleiding te zijn tot Paulus’ brief. Gemeenteleden ontlenen hun eigen gelijk aan degene door wie ze gedoopt zijn. Paulus heeft in Korinte maar een enkele keer gedoopt en staat dus zwak. De strategie waarmee hij zich verdedigt, heeft twee aspecten: vervanging en omdraaiing. Aan het einde van de vorige perikoop verving hij het criterium van het dopen door dat van de evangelieverkondiging (1,17). In de hier besproken perikoop maakt hij omdraaiingen in tegenstellingen.
De profeet Sefanja spreekt de nederigen en rechtvaardigen in het land aan om de Heer te zoeken. Dan zal de geduchte Dag van de Heer hun geen verwoesting, maar verlossing brengen, en maakt Hij na verwijten een nieuw begin met Jeruzalem. Psalm 37(,10.11) bemoedigt nederigen die lijden onder zondaren: ‘Nog even, en verdwenen is de zondaar (…). Wie nederig zijn, zullen het land bezitten.’