Menu

Premium

Vogeltjes vangen

Bij Lucas 5,1-11

Simon is nog klein en soms een beetje dom. Achter het huis staat een kooi met parkieten, wel tien. Ze zijn van zijn broer, maar Simon vindt vogels leuk, hij helpt mee ze te verzorgen en maakt de kooi schoon. Als niemand kijkt, gaat hij weleens door het deurtje naar binnen en steekt een handje met voer uit. Dan pikken ze de korreltjes uit zijn hand.

Vandaag gaat er iets mis. Een vogeltje vliegt naar buiten als Simon naar binnen gaat. Hij rent erachteraan, maar weg is de kleine blauwe. En de anderen vliegen hem achterna de vrije lucht in. Alle vogels zijn gevlogen. Zijn broer komt naar buiten en schreeuwt: ‘Die zijn we kwijt, wie doet nou zoiets? Ik zal het je betaald zetten!’ Hij zwaait wild met zijn armen, maar daar schrikken de vogels nog meer van. Je ziet ze overal, in de bomen en in de lucht…

De buurman kijkt over de heg. Hij zegt: ‘Rustig aan jongens, ze komen wel terug!’ Simon gaat in het deurtje staan met een handje voer. En ja hoor, daar komen de vogeltjes, een voor een. Ze vliegen terug in de volière. Simon doet het deurtje dicht en telt ze. Het zijn er twaalf! Hij kijkt nog eens goed. Een witzwarte en een gele kent hij niet. Hij vangt ze en laat ze weer buiten los. Maar ’s middags zijn ze weer terug, hij kan ze zo voeren. Dan laat hij ze maar bij de andere parkieten zitten. De buurman zegt: ‘Het is beter zo, ik had ze al eens gezien. Nu kunnen de katten er niet bij. Goed gedaan, Simon!’

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken