Menu

Basis

Vrij en niemands onderdaan

Kern van de lutherse theologie is dat je je een bevrijd mensenkind mag weten. Dat maakt volgelingen van Luther vrolijke en dankbare gelovigen. Maren Overbosch en Catrien van Opstal vertellen wat dit voor hen betekent.

Ontspannen en actief

‘Vrolijkheid’ is een begrip dat vaak met Luther in verband wordt gebracht. Maar voordat de hervormer een ‘vrolijke christen’ kon worden, ging hij zelf eerst door een hel. Net als veel van zijn tijdgenoten vreesde ook de jonge Luther het strenge oordeel van God. Deze angst zorgde ervoor dat hij zo vaak mogelijk biechtte en boete deed.

Toch noemen wij Luther en de vrolijkheid terecht in één adem. Voor hem is dit een doorleefd begrip: een hemels gevoel na veel verdriet. Dit wordt in Luthers theologie de ‘reformatorische wending’ genoemd. Die vindt plaats op het moment dat hij de bodem van de put van zelfverwijt en wanhoop heeft bereikt en dan zijn blik verandert. Hij kijkt niet meer naar binnen maar naar boven en naar buiten. Als een lichtstraal die het donker binnenvalt, ontdekt Luther Gods liefde die door Christus spreekt. Aan die lichtstraal zou Luther zich vervolgens vastklampen. Deze veranderde invalshoek bevrijdt hem van een zware last: hij laat de angst voor het oordeel achter zich, daarvoor in de plaats komt een onuitwisbare vrolijkheid om Gods aanvaarding.

DE VRIJHEID VAN EEN CHRISTENMENS

Luther geeft blijk van dit nieuwe elan in De vrijheid van een christenmens. Daar schrijft hij: ‘Een mens is vrij en niemands onderdaan.’ Op dat moment is voor hem het ‘heilige moeten’ ervan af en ontstaat er ruimte om voluit mens te zijn: je bent oké, ook met je tekortkomingen en onhebbelijkheden. Maar meteen daarop zegt Luther precies het tegenovergestelde: ‘Een mens is niet vrij en ieders onderdaan.’ Hiermee wijst hij ons op een tweede binding van de mens: tegenover God leeft hij of zij in vrijheid, tegenover de medemens in dienstbaarheid. Het eerste geeft hem de vrolijkheid om volop aan het tweede te beginnen.

‘…EN NU VROLIJK AAN HET WERK’

De kern van Luthers vrolijkheid ligt in de wending van donker naar licht: weg van een benauwde zelfgerichtheid naar een open ruimte van vertrouwen en geloof. Het scharnierpunt ligt bij Christus’ medemenselijkheid en liefde. Daardoor is Luther tegelijkertijd ontspannen en actief.

Dit dubbele uitgangspunt zien wij ook terug in zijn ochtendgebed: iedere morgen slaat hij een kruis en beveelt hij de nieuwe dag in Gods hand. Steevast sluit hij dit gebed af met de uitroep: ‘…en nu vrolijk aan het werk!’ Deze combinatie van vertrouwen en daadkracht weet ook mij iedere keer weer blij te maken.

Maren Overbosch is geestelijk verzorger en proponent (afgestudeerd theoloog die beroepen kan worden als predikant) in de Protestantse Kerk.

Wellicht ook interessant

Bijbelwetenschappen
Bijbelwetenschappen
Basis

Zonder tekenen en wonderen geen geloof?

Johannes 4:43-52 volgt op de ontmoeting tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de bron van Jakob. Tegelijkertijd sluit deze perikoop aan bij een eerder wonderverhaal uit dit Evangelie: het wijnwonder van Kana (2:1-12). Ook suggereert het verhaal een ontwikkeling: van geloof op grond van de tekenen van Jezus (4:48) naar geloof op grond van zijn woord (4:50). Toch blijkt de redding van de dood en het in leven houden van het kind van de ‘dienaar van de koning’, die Jezus hier aanspreekt, ook een teken.

Bijbelwetenschappen
Bijbelwetenschappen
Basis

De velden zijn wit, rijp voor de oogst

Overeenkomstig in de lezingen is de belofte voor ‘vreemdelingen en gasten’ (Efeziërs 2:19) om deel te hebben aan dezelfde toekomst als de ‘heiligen en huisgenoten van God’ (2:19). Bij Jona gaat het om ‘omkeer’ uit verkeerde levenspatronen, de andere stellen Jezus Christus centraal. In het evangelie speelt een Samaritaanse vrouw (Johannes 4:29.39) de rol van ‘zaaier’ bij de ‘oogst’ (4:37). De oogst bestaat eruit dat haar stadgenoten niet langer vanwege haar ‘woord’ (4:39 – NB) geloven, maar door ‘zijn eigen woord’ (4:41 – NB). Tweemaal klinkt een belijdenis (4:29.42).

Nieuwe boeken