Waarom ‘Eeuwig’ toch niet altijd een goed vertaalwoord is
Enkele publicaties vorig jaar, waaronder het boek “Het einde van de Hel” van Reinier Sonneveld, hebben de eeuwenoude discussie of God alle mensen uiteindelijk zal redden1 weer nieuw leven ingeblazen. Een belangrijk argument tegen de leer dat voor ongelovigen de hel de eindbestemming zou zijn, is dat de Hebreeuwse en Griekse woorden die meestal met “eeuwig” vertaald worden, niet de betekenis “eindeloos” hebben. Dat was aanleiding voor het blad Met Andere Woorden (MAW), een vakblad voor Bijbel en vertalen, om een themanummer uit te geven rondom dit woordje, “eeuwig” en “eeuwigheid”. En, hoewel vertalers zich het liefst op de tekst zelf focussen, ontkom je er niet aan keuzes te moeten maken die aan een dergelijke discussie raken.2 Zo moet een vertaler kiezen of hij meegaat in het zo bekende “eeuwig” en “eeuwigheid”, of in navolging van kritiek en diverse onderzoeken voor een andere weergave kiest. In het themanummer verdedigden enkele artikelen de keuze voor “eeuwig”. In de studievertaling waar ik aan mee mag werken, de Nieuwe Concordante Vertaling (NCV),3 is echter een andere keuze gemaakt. In dit artikel laat ik graag zien waarom “eeuwig” toch niet altijd een goed vertaalwoord is.
ʿôlām, tijd zo ver als de horizon
In het themanummer van MAW bespreekt ten eerste Robin ten Hoopen in een uitstekend artikel de betekenis van het Hebreeuwse woord ʿôlām, wat meestal wordt vertaald met “eeuwig” (bijv. in de HSV).4 Om te beginnen noemt hij de vier verschillende betekenissen die het woord “eeuwig” in het moderne Nederlands kan hebben. Het kan duiden op de ervaring van een zeer lange tijd, het kan uitdrukken dat iets daadwerkelijk altijd bestaat, dat het de intentie is dat iets altijd bestaat, of, in de context van filosofie en religie, dat iets “tijdloos” en “onveranderlijk” is. In het artikel betoogt hij dat, hoewel de theologie vooral aandacht heeft voor de vierde betekenis, die van “tijdloos” en “onveranderlijk”, met name als het gaat om eeuwig leven en eeuwige straf, deze betekenis in het Oude Testament niet voorkomt.
In verwante termen uit het Oude Nabije Oosten, waar het woord vooral voor mensen wordt gebruikt, komt hij op twee basisbetekenissen: de verst denkbare tijd, dus decennia, generaties of eeuwen, of de intentie van onveranderlijkheid, totdat de omstandigheden anders worden. In het Oude Testament vindt hij vervolgens ʿôlām in dezelfde twee betekenissen. Het duidt op de verst denkbare tijd, wat kan slaan op een mensenleven of een of meer generaties (Exodus 19:9; 21:6; Leviticus 25:46), tot wel duizend generaties (Psalm 105:8), of voor zolang de aarde er is (Psalm 78:69; Prediker 1:4). Daarnaast kan ʿôlām dus duiden op de intentie van onveranderlijkheid, bij huwelijken, verbonden, bezit, koningschap, tot de omstandigheden veranderen. Beide betekenissen passen bij de bekende omschrijving van Jenni van ʿôlām als “grensbegrip”.5
Ook gaat Robin ten Hoopen in op de tegenwerping dat als ʿôlām aan God wordt verbonden, het dan wel “tijdloos” en “onveranderlijk” moet zijn, en hier een verandering van de betekenis zichtbaar is. Hij merkt terecht op dat dit een ingevulde theologische veronderstelling van God is, maar de teksten zelf geen betekenisverschuiving laten zien van ʿôlām. Omdat het over God gaat, kunnen we bij ʿôlām makkelijk verder denken dan bij een mensenleven, maar daarmee staat het niet buiten de tijd. Beloften of verbonden gesloten tot in de ʿôlām, ook beloften en verbonden van God, worden bij ontrouw toch verbroken (1Samuel 2:30; Jesaja 24:5; 32:14-15). Eschatologische teksten, zoals Daniël 7:14, waar gesproken wordt over een “heerschappij ʿôlām“, of 12:2-3, waar sprake is van “leven ʿôlām” en “verachting ʿôlām“, leest Robin ten Hoopen in dezelfde betekenis, maar dan is de belofte onvoorwaardelijk.
Dit komt grotendeels overeen met de conclusies van het onderzoek naar de betekenis van ʿôlām voor de weergave in de NCV. Als ʿôlām vooral duidt op tijd “voor zover we kunnen zien”, dan wel een “altijd, mits”, wat is dan de beste vertaling? Je zou kunnen verdedigen dat, omdat de derde betekenis van “eeuwig” in het Nederlands aansluit bij deze omschrijving van ʿôlām, “eeuwig” nog altijd een goede vertaling is van het woord. Dat een Nederlands woord een bepaalde betekenis kan hebben, betekent nog niet dat de lezers deze betekenis ook zullen oppikken. Als in religieuze en theologische contexten “eeuwig” vrijwel uitsluitend als “eindeloos” of “tijdloos” wordt gelezen, brengt “eeuwig” niet de juiste betekenis over. Robin ten Hoopen stelt ook terecht dat dan het Hebreeuws op een oneigenlijke manier wordt ingevuld.6 De keuze van de NBV voor “altijd” is beter. Dit woord heeft dezelfde spelingsruimte, waarbij de context bepaalt hoever “altijd” reikt, maar heeft minder theologische invulling dan “eeuwig”, en kan dus makkelijker los van het filosofische concept van “eindeloosheid” of “tijdloosheid” gelezen worden. Bij het kiezen van een weergave moet alleen ook gekeken worden naar plekken waar ʿôlām juist naar het verre verleden kijkt, zoals in Genesis 6:4, waar over de “sterken van vroeger tijden” wordt gesproken. Door te kiezen voor “vroeger tijden” en “alle tijden” wordt er nog enige consistentie behouden in de vertaling, en is het, net als bij “altijd”, makkelijker om het woord los van het filosofische concept van “eindeloosheid” of “tijdloosheid” te lezen.
aiōn, van tijdelijk naar eeuwig, maar wanneer?
Het woord ʿôlām wordt in de Griekse vertaling van het Oude Testament vrijwel altijd overgezet met aiōn of het daarvan afgeleide bijvoeglijk naamwoord aiōnion. Ook in het Nieuwe Testament worden deze woorden veel gebruikt, en is het met deze woorden dat wordt gesproken over “eeuwig leven”, “eeuwige straf” of “eeuwig vuur”, uitdrukkingen die in de recente discussie centraal staan. We zagen al dat ʿôlām de notie “eindeloosheid” of “tijdloosheid” niet kent, maar eerder duidt op een “zo ver we kunnen kijken” of “altijd, mits”. Hoe zit dat met deze Griekse woorden? Als we kijken naar het gebruik van het woord over vele eeuwen en naar verwante talen, dan blijkt het woord in de loop van de tijd een betekenisverschuiving te hebben ondergaan.
In vroege Griekse teksten, zoals in de Ilias van Homerus, vinden we het woord aiōn in de betekenis van “leven”, “levenskracht” of “levensduur”. Deze betekenis is ook nog te vinden in oude verwante talen uit het Indo-Europees, zoals het Sanskriet en Avestisch, waar het woord in de vorm aiiu– nog gebruikt wordt voor “de tijd van het leven”. Eraan verwant is ook het Latijnse juvenis, dat “jonge man” betekent.7 Hoewel later gebruik een diversere betekenis laten zien, is de oorspronkelijke betekenis van “levensduur” mogelijk nog in een enkele tekst te zien in het Nieuwe Testament. In Johannes 13:8 en 1 Korintiers 8:13 lezen we dat Petrus en Paulus iets niet willen doen “voor de aiōn“, wat mogelijk vertaald kan worden als “nooit van mijn leven”.
Als we kijken naar het gebruik van het woord over vele eeuwen en naar verwante talen, dan blijkt het woord in de loop van de tijd een betekenisverschuiving te hebben ondergaan
Een grote rol in de discussie rond de betekenis van aiōn speelt het onderzoek van Heleen M. Keizer naar dit woord in de Griekse literatuur, filosofie, Septuagint en Philo,8 waarin de betekenisverschuiving van het woord in kaart wordt gebracht. Kijkend naar Griekse literatuur, merkt ze op hoe de betekenis van “leven” of “levensduur” werd aangevuld met meer tijdsassociaties, en gebruikt kon worden voor “generaties”, of, in combinatie met “alle”, “alle tijd” kon aanduiden. Er zit dus iets van “geheel” in aiōn, duidend op het gehele leven of de gehele tijd, en nog niet de notie van een periode. In filosofische teksten is te zien hoe aiōn gebruikt gaat worden voor het leven van de kosmos, het geheel aan tijd, en eindeloze tijd.
Voor de Septuagint onderzoekt ze vervolgens eerst de betekenis van ʿôlām, en beschrijft het als “tijd met een horizon”, en komt tot betekenissen als “tijd zover we kijken”, “alle tijd” en “altijd”. Aangezien in de Septuagint aiōn en aiōnios de standaardvertalingen zijn voor ʿôlām, pleit ze ervoor de betekenis van aiōn in de Septuagint eerder af te leiden van ʿôlām dan van eerdere Griekse literatuur. Het duidt altijd op tijd, en afhankelijk van de context gaat het om langere of kortere gedeelten, afhankelijk van hoever “zover als de horizon” is. Aangezien de tijd waarop aiōn duidt verbonden is met de schepping, stelt ze dat “voor de aiōn” duidt op de tijd voor de schepping. Het “leven van de aiōn/ʿôlām” in Genesis is zonder einde, betoogt ze, maar dit is door de context ingegeven, omdat de dood weggedaan is, niet omdat aiōn dit zou betekenen. Daarnaast merkt ze op hoe weergaven van Hebreeuwse uitdrukkingen als “ʿôlām en verder” en invloed vanuit de Griekse betekenis van aiōn leidden tot uitdrukkingen als “aiōn van de aiōn(en)“, die voor de discussie wel interessant zijn, maar voor dit artikel te ver voeren om op in te gaan. Ook wordt er in het onderzoek nog tijd besteed aan Griekse vertalingen van “God van ʿôlām“, vertaald met “God aiōnios” of “God van de aiōn(en)“. Keizer merkt op dat de uitdrukking spreekt over Gods kracht en aanwezigheid in de gehele tijd van de schepping, zonder de noodzaak daarin “eindeloos” te lezen.
In het Nieuwe Testament ziet Keizer, naast het overnemen van het gebruik van aiōn in de Septuagint, nog een nieuwe betekenis opkomen, parallel aan het gebruik van ʿôlām zoals we dat in rabbijnse teksten vinden.9 We zien Christus spreken over “deze aiōn“, “het einde van deze aiōn” en “de komende aiōn“, wijzend op deze wereld en de komende, waarmee aiōn hier meer een beperkte periode of een tijdperk aanduidt. Aan de hand van woordenboeken en enkele citaten merkt ze op hoe bij christelijke schrijvers na het Nieuwe Testament Grieks-filosofische invloeden een grotere rol speelden, en hoe theologische overwegingen de betekenis van aiōn lieten verschuiven. Zo zorgde de sterke verwachting van het duizendjarig vrederijk ervoor dat een aiōn ook voor de duizend jaar kon staan, en op basis van eschatologische vooruitzichten kon het op eindeloos of altijddurend slaan.
Het onderzoek van Ilaria Ramelli en David Konstan10 vult het onderzoek van Keizer aan, door meer te focussen op de tegenstelling tussen aiōnios en aïdios, en ook het Nieuwe Testament en de vroege kerkvaders grondiger te onderzoeken. Ze stellen daarin dat in Griekse teksten en bij filosofen aïdios gebruikt kon worden als technische term voor eindeloosheid, maar dat Joodse en vroege christelijke teksten aïdios vrijwel nooit toepassen op het lot van de mens, maar vooral op God. Zowel in de Septuagint, het Nieuwe Testament als bij kerkvaders als Origenes, Gregorius van Nyssa, Gregorius van Nazianze en Didymus de Blinde wordt de toekomstige straf of het oordeel vrijwel altijd gekwalificeerd met aiōnios, niet als aïdios. Ze concluderen uit deze duidelijke voorkeur en het gebruik van het woord dat aiōnios waarschijnlijk niet “eindeloos” betekent, maar, verbonden aan de betekenis van aiōn, eerder “behorend tot de komende wereld/aiōn“, afhankelijk van de context. Dit lexicale onderscheid vormde bij bijv. Origenes de basis voor zijn leer van tijdelijke, louterende straf en uiteindelijke verzoening van allen. Ook wijzen ze in het onderzoek aan waar de verwarring tussen de twee termen mogelijk is ontstaan: de Vulgaat. Daarin vertaalde Hieronymus beide termen met hetzelfde Latijnse woord: aeternus. Hierdoor las een latere theoloog zoals Augustinus, die de oorspronkelijke talen slecht beheerste, in Matteüs 25:46 aeternus, dat wel “eindeloos” kan betekenen,en concludeerde: het leven is eindeloos, dus moet de straf dat ook zijn.
In het themanummer van MAW over “eeuwig” heeft Ruben van Wingerden een bijdrage geschreven over de betekenis van aiōnios,11 en eerder schreef hij al een reactie op het boek van Reinier Sonneveld waarin hij het materiaal besprak.12 Hij noemt daarbij de studies van Keizer en van Ramelli en Konstan, maar brengt er tegenin dat met name Keizer niet de Joodse apocalyptische literatuur behandelt, die, zoals hij stelt, laat zien dat de betekenisverschuiving naar eindeloosheid toen al heeft plaatsgevonden, en dus in het Nieuwe Testament eraan mag worden toegekend. Voor een analyse van de Joodse apocalyptische literatuur verwijst hij vooral naar een artikel van Andrzej Piwowar, die aiōnios onderzoekt in de Septuagint, de Pseudoepigrafen of Joodse apocalyptische literatuur en het Nieuwe Testament, en daarin de eerdere betekenisverschuiving ziet.
Wanneer is de betekenis van aiōnios verschoven? Als dit al in de Pseudoepigrafen was, is alsnog de vraag of de invloed van die geschriften groter is op het Nieuwe Testament dan de Septuagint, maar het is goed dit mee te nemen. Er zijn alleen problemen met de argumentatie in het artikel van Piwowar. Hij laat met veel citaten zien hoe aiōnios, veel vaker dan in de Septuagint, en vergelijkbaar met het Nieuwe Testament, in eschatologische teksten gebruikt wordt. Bij verschillende teksten concludeert hij dat, omdat het over het eschatologische lot van personen gaat, het dus eindeloos is, en aiōnios eindeloos moet betekenen. Dit zou je het “oneigenlijk” theologisch invullen kunnen noemen waar ten Hoopen over sprak, en brengt dan, als je dit gebruikt als argument voor de eeuwige duur van het eschatologische lot van personen in het Nieuwe Testament, het gevaar van circulair redeneren met zich mee. In Daniël komen al eschatologische teksten voor, maar we zagen eerder dat dit nog niet betekent dat ʿôlām dus eindeloos moet betekenen, en evenmin aiōnios in de vertaling van de Septuagint. Ook het hardnekkige misverstand, vergelijkbaar met de tegenwerping die ten Hoopen besprak, dat als aiōnios betrekking heeft op God of iets anders waarvan we menen dat het eindeloos is, aiōnios dus zelf ook eindeloos moet betekenen, komt regelmatig terug in het artikel. God kan ook verbonden worden met aiōn als het op een beperkte periode slaat, zonder daarmee God zelf te beperken tot die beperkte periode.
Nadere verklaringen van uitdrukkingen met aiōnios worden ook besproken. Zo lezen we in het eerste boek van Henoch in 15,4 over engelen of geesten die aiōnios leven, wat later wordt verklaard als dat zij niet sterven. Dit is echter vooral ingegeven door de aard van de engelen of geesten, en vereist geen filosofisch eindeloze betekenis van aiōnios zelf. In 10,10 wordt “leven aiōnios” in dezelfde context verbonden met 500 jaar. Dat laat in elk geval zien dat de combinatie niet zonder meer als een technische aanduiding voor filosofische eindeloosheid kan worden behandeld. In het verhaal van Jozef en Aseneth wordt in 12,15 gesproken over gaven van Gods erfenis die “onvergankelijk en aiōnios” zijn, in tegenstelling tot een aardse, tijdelijke erfenis. Eenzelfde tegenstelling vinden we trouwens in 2 Korintiers 4:17-18. De conclusie dat aiōnios daar eindeloos moet betekenen, is alleen onnodig. De tegenstelling werkt even goed met Keizers aanduiding van “gehele tijd” of zelfs “tijd zover we kunnen zien” tegenover maar een korte tijdsperiode waarvan het einde in beeld is. Daarvoor hoeft aiōnios niet op iets tijdloos te slaan. Zo geldt het ook voor de andere teksten waarbij nadere bepalingen gegeven worden. Al de genoemde teksten zijn volgens mij heel goed uit te leggen met de betekenissen die uit de studies van Keizer en van Ramelli en Konstan naar voren komen, waarbij aiōnios zelf niet eindeloos betekent, maar de context aanvullend de duur of eindeloosheid kan geven. Als de teksten niet duidelijk laten zien dat aiōnios zelfstandig de interpretatie “zonder einde” afdwingt en de betekenis die Keizer en Ramelli en Konstan vonden in de Griekse teksten ook aannemelijk is, is het onwaarschijnlijk een betekenisverschuiving uit de teksten te kunnen halen. Ramelli en Konstan wijden ook een heel hoofdstuk aan Joods-hellenistische en intertestamentaire literatuur, waaronder de boeken van Henoch, en vinden daarin juist bewijs dat het beter uitgelegd kan worden als technische term voor “behorend tot de komende aiōn“.13
In het artikel laat Piwowar duidelijk een verschuiving in gebruik zien, waarbij aiōnios steeds meer in eschatologische teksten gebruikt wordt. Wat de teksten niet overtuigend laten zien, is een verschuiving in betekenis. Ook de andere argumenten die Van Wingerden noemt, dwingen niet tot een andere conclusie. Het is moeilijk uit de teksten in andere talen, zoals het Akhmimisch-Koptisch, iets te zeggen over aiōnios. De Griekstalige Pseudoepigrafen zouden om dezelfde redenen als bij Piwowar “eindeloos” moeten betekenen, maar laten dat, zoals hierboven beschreven, niet overtuigend zien. Ook als aiōnios in martelaarsteksten gebruikt wordt als tegenstelling tot tijdelijke pijn, is dit volgens dezelfde lijnen als 2Kor 4:17-18 uit te leggen. Hij wijst er ook op dat in vroege Latijnse teksten aiōnios al met aeternus vertaald werd. Dit bewijst echter niet dat aiōnios door de vertalers als eindeloos werd opgevat. Het Latijnse aeternus is afgeleid van aevum, verwant aan aiōn, en kon zowel voor “levensduur”, “lange tijd” als “eindeloze tijd” gebruikt worden. Het probleem met de Latijnse vertalingen waar Ramelli en Konstan op wijzen is niet dat het met aeternus vertaald werd, maar dat zowel aiōnios als aïdios ermee vertaald werden, waardoor het onderscheid wegviel, en aiōnios als filosofisch eindeloos geïnterpreteerd kon worden.
Zo blijven mijns inziens de analyses van Keizer en van Ramelli en Konstan overeind, en is het aannemelijker dat de verschuiving in betekenis pas later plaatsvindt. De vraag die dan rest is hoe je aiōn en aiōnios goed in het Nederlands kan overzetten. Hoewel de beschrijving dicht bij betekenis drie van ten Hoopen komt, kleeft aan “eeuwig” het al eerdergenoemde bezwaar; In religieuze en theologische contexten zal “eeuwig” vrijwel uitsluitend als “eindeloos” of “tijdloos” worden gelezen, precies wat het woord (nog) niet betekent. In een eerdere versie van de studievertaling zijn daarom vertaalwoorden richting “tijdperk” gekozen. Dit werkt goed voor het spreken van “dit huidige tijdperk” en “het komende tijdperk” of “de tijdperken” als het geheel aan tijd, maar Keizer maakt in haar studie specifiek bezwaar tegen deze weergave van het woord.14 Een tijdperk wijst expliciet naar een deel van de gehele tijd, terwijl zij juist betoogt dat aiōn verwijst naar de hele levenstijd of het geheel aan tijd, niet een deel.15 Ook veronderstelt “tijdperk” dat er meerdere opeenvolgende tijdperken zijn, iets wat vreemd is aan het gebruik van dit woord. Ze stelt ook dat de komende aiōn in het NT niet zozeer opvolgend is, maar het geheel vervangt. Een andere weergave zou “wereldtijd” kunnen zijn, voor de meeste gevallen waarin aiōn over het geheel van tijd op kosmische schaal spreekt. Dat wordt eerder opgevat als het geheel van tijd, en draagt minder het idee van opeenvolgende tijdvakken, maar kan toch goed “deze wereldtijd” en “de komende wereldtijd” uitdrukken. Dan kan aiōnios in eschatologische teksten, in navolging van Ramelli en Konstan, als “van de (komende) wereldtijd” worden weergegeven. Elders zal een andere vertaling nodig blijven.
In religieuze en theologische contexten zal “eeuwig” vrijwel uitsluitend als “eindeloos” of “tijdloos” worden gelezen, precies wat het woord (nog) niet betekent
Het dilemma van vertalen
Het blijft altijd lastig, ook als we na een uitgebreide woordstudie vrij goed weten wat een Grieks woord betekent, dit goed weer te geven in een vertaling. Aan elke optie kleven nadelen, en bovendien moet je rekening houden met je doelgroep. Het is voor een interconfessionele vertaling voor liturgisch gebruik waar woorden meer contextueel vertaald worden misschien te verdedigen dat, ondanks de nadelen, er voor een traditioneel woord als “eeuwig” gekozen is. Voor een studievertaling liggen de zaken al anders. Daar ligt de nadruk minder op contextueel vertalen,16 mag worden verwacht dat de vertaling scherper is in dit soort zaken, en mag de vertaling vreemder zijn, tot nadenken zetten. Dan kan waar dit past een verrassende weergave zoals “wereldtijd”, en op andere plekken wellicht “tijdperk” of “alle tijd”, en bij voorkeur toegelicht in een voetnoot, uitgeprobeerd worden. Mijn bezwaar is dus niet dat “eeuwig” nooit een juiste contextuele vertaling van aiōnios kan zijn, maar dat er nadelen aan kleven en het zeker in een studievertaling geen geschikte weergave is wanneer lezers er automatisch filosofische eindeloosheid of tijdloosheid in horen.
Wat zegt dit nu voor de discussie? Hoewel een andere vertaling dan “eeuwig” al een statement op zichzelf lijkt, wil een vertaling als de NCV voor zover mogelijk neutraal zijn en de woorden zo goed mogelijk weergeven, en in dit geval zichtbaar maken dat de Griekse en Hebreeuwse terminologie de duur niet in het woord maar in de context vastlegt. Het prikkelt in ieder geval en geeft aanleiding de teksten opnieuw te onderzoeken. De conclusies in dit artikel over ʿôlām en aiōn en aiōnios geven ook niet direct uitsluitsel in de discussie. Het stelt dat het filosofische concept van “eindeloos” niet in beide woorden zit, maar dat de duur uit de context moet blijken. Dat betekent dus vooral dat vooral de contexten van de teksten over zaken als “straf aiōnios” goed onderzocht moeten worden, net als de veelbesproken teksten bij Paulus die over de levend making, rechtvaardiging, verzoening en redding van “allen” spreken.
Thijs Amersfoort MA is promovendus Bijbelvertalen aan de Vrije Universiteit Amsterdam, hoofdvertaler van de Nieuwe Concordante Vertaling en directeur van Stichting NCV Bijbelstudie.
- Veel vroege kerkvaders spraken zich uit voor dit standpunt, en Augustinus klaagde later dat in zijn tijd nog zeer velen (of de meerderheid) in een tijdelijke of verzachte straf geloofden, zie De Civitate Dei XXI.17 en Enchiridion 112. ↩︎
- Dit werd weerspiegeld in de discussie rond de publicatie van de NBV. Volgens de voorzitter van de begeleidingscommissie, S.J. Noorda, ‘ging “theologie” de vertaalkeuze niet vooruit,’ zie Sijbold Noorda, “De drang naar het nieuwe en de hang naar het oude,” Met Andere Woorden 23, 2004, p. 43. Deze uitspraak kon rekenen op de nodige kritiek. Klaas Spronk schreef dat vertalen niet kan worden losgekoppeld van theologie; de vertaler is “theoloog tegen wil en dank”, zie Klaas Spronk, “Theologische en liturgische aspecten van bijbelvertalen,” in De Bijbel vertaald, bewerkt door Klaas Spronk e.a., Meinema, 2007, pp. 120-140. ↩︎
- Meer over de vertaling is te vinden op https://ncv-bijbelstudie.nl/de-nieuwe-concordante-vertaling/. ↩︎
- Robin ten Hoopen, “Hoelang duurt eeuwig? Eeuwigheid en tijd in het Oude Testament” in Met Andere Woorden, vol. 45 nr. 1, pp. 5-19. ↩︎
- E. Jenni, “Das Wort ‘ōlām im Alten Testament”, Zeitschrift für die alttestamentliche Wissenschaft, vol. 64, 1952, pp. 197-248; vol. 65, 1953, pp. 1-35. ↩︎
- Robin ten Hoopen, p. 16. Daarbij verwijst hij naar Knauf, die spreekt van “Fehlerübersetzung” in E.A. Knauf en J. Zangenberg, “Ewigkeit”, in HGANT, Darmstadt, 2009, p. 173. ↩︎
- Beekes, Robert. Etymological Dictionary of Greek. Brill, 2010, vol 1, “αἰών”; Montanari, Franco. The Brill Dictionary of Ancient Greek. Edited by Madeleine Goh and Chad Matthew Schroeder, Brill, 2015, “αἰών”. ↩︎
- Heleen M. Keizer, Life Time Entirety – A Study of ΑΙΩΝ in Greek Literature and Philosophy, the Septuagint and Philo, 1999. Zie ook Heleen M. Keizer, “Eternity revisited. A Study of the Greek Word αἰών”, in Philosophia Reformata, vol. 65, 2000, pp. 53-71. ↩︎
- Keizer merkt terloops op dat in het Nieuwe Testament een gebruik voorkomt dat aansluit bij het rabbijnse spreken over “deze ʿôlām” en “de komende ʿôlām”. Een volledige analyse van het Nieuwe Testament valt echter buiten haar studie. ↩︎
- Ilaria Ramelli en David Konstan, Terms for eternity, αἰώνιος and ἀΐδιος in Classical and Christian text, NJ, 2013. ↩︎
- Ruben van Wingerden, “Waarom ‘eeuwig’ geen verboden woord is. De vertaling van aiōnios in het Nieuwe Testament”, in Met Andere Woorden, vol. 45 nr. 1, pp. 23-33. ↩︎
- Ruben van Wingerden, “Toch niet het einde van de hel?”, op https://www.theologie.nl/toch-niet-het-einde-van-de-hel/, geraadpleegd 19 sept. 2026. ↩︎
- Ramelli en Konstan, pp. 37-70. ↩︎
- Zie bijv. Heleen M. Keizer, Life Time Entirety, p. 56-57. ↩︎
- Keizer suggereert ook dat, als Jenni ʿôlām een “grenzbegriff” noemt, aiōn een “totalbegriff” genoemd kan worden. Heleen M. Keizer, “Eternity revisited”, p. 58. ↩︎
- Bij een studievertaling is motiefwerking en consistentie belangrijker, zodat bijv. woordstudie beter mogelijk is. Dat betekent niet dat de context niet wordt meegenomen en mechanisch vertaald wordt. Als contextuele betekenis in de context kan worden weergegeven verdient dat de voorkeur. Soms kan een voetnoot een toelichting geven. Waar een consistente keuze tot een verkeerde interpretatie zou leiden, wordt ook in een studievertaling “contextueel vertaald” en afgeweken van de consistente weergave. ↩︎