Zit zonde in je DNA?
Neurowetenschapper Jitse Amelink over geloof en genen
Als mens dragen we de impuls tot het goede en tot het kwade. Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat ons DNA en onze neurobiologie daar een bijdrage aan leveren. Wat zijn daarvan de gevolgen voor ons denken over zonde? Neurowetenschapper Jitse Amelink reflecteert op die vraag, mede aan de hand van een populairwetenschappelijk boek dat recent is uitgekomen, Erfzonde.
De mooiste preek ooit
Misschien wel de mooiste preek die ik ooit heb gelezen staat in Gilead. In dat boek van Marilynne Robinson schrijft dominee John Ames, die al op leeftijd is, brieven aan zijn jonge zoon om hem herinneringen te geven en wijsheid. De preek gaat over hoe Abraham zijn beide zoons moet loslaten en overgeven aan de wildernis. Het is de kern van elke ouderrelatie: steeds meer loslaten. Voordat hij preekt, verzamelt Ames zijn gedachten:
That is how life goes – we send our children into the wilderness. Some of them on the day they are born, it seems, for all the help we can give them. Some of them seem to be a kind of wilderness unto themselves. But there must be angels there too, and springs of water. Even that wilderness, the very habitation of jackals, is the Lord’s.
Toch is John Ames, hoe wonderlijk en bookish hij ook is, niet het meest intrigerende personage uit dat boek, of uit het vervolg. Dat is namelijk Jack Boughton. Jack is de zoon van een andere dominee in het dorp op het Amerikaanse platteland. En Jack is zelf een wildernis.
Hij is rusteloos, breekt de regels, wordt als tiener vader van een zoontje die hij in de steek laat terwijl de rest van het domineesgezin het gezichtsverlies probeert te repareren en hij vertrekt naar de stad. Jack laat een spoor van vernieling achter. Hij wéét dat hij het doet, maar kan het niet laten. Hij lijkt geen kwaad in de zin te hebben, maar braaf thuiszitten is er niet bij. En in zijn communicatie haalt hij het bloed onder de nagels weg van dominee Ames, zijn peetvader.
Zit zonde in je DNA?
Is Jack een zondig mens? Kan hij er wat aan doen dat hij zo is en hoe gaan we daar dan mee om? Dit is een oude theologische vraag, waar ook vanuit de wetenschap antwoord op kan worden gegeven, zoals recent door psycholoog en genetica Kathryn Paige Harden in haar boek Erfzonde. Harden is een interessant figuur in deze ruimte tussen filosofie, theologie en wetenschap. Ze noemde zich eerder een “Matthew 25:11”-empiricist en doorspekte ook haar vorige boek met verwijzingen naar bijbelverhalen. In dit boek geeft ze aan dat ze zichzelf niet meer als gelovig ziet, maar ook dat je je christelijke opvoeding nooit helemaal kwijtraakt.
Het is geen standaard populairwetenschappelijk boek omdat het nadrukkelijk ook theologische en culturele analyses bevat en deels persoonlijk is. Kathryn probeert zowel je onderbuik te raken als te zoeken naar antwoorden zonder daarin ruimte te verliezen. Tegelijk zie je duidelijk zowel haar wetenschappelijke achtergrond als orthodox-christelijke Amerikaanse opvoeding in het boek terugkomen.
De vraag naar erfzonde is interessant. Er is namelijk best wat wetenschappelijk bewijs dat onze aanleg tot verschillende vormen van zonde deels onder genetische en neurobiologische invloed staat. Maar hoe moet je dat dan zien?
Eerst de wetenschappelijke feiten. Misschien wel het meest spraakmakende voorbeeld hiervan komt uit een Nederlandse familie. Terwijl de meeste vrouwen uit deze familie normaal functioneerden, gold dat niet voor de mannen. Die waren letterlijk moorddadig, agressief en vaak ook licht verstandelijk beperkt. De vrouwen wilden weten wat er aan de hand was met hun mannen en daarom liet de familie zich onderzoeken. De mannen bleken één letter anders te hebben in het MAOA-gen, waardoor het eiwit niet werd aangemaakt. Dat eiwit ligt op het X-chromosoom, waar mannen er één van hebben en vrouwen twee. Als de mannen het niet-functionerende eiwit doorgegeven kregen dan was het raak. Het MAOA-gen breekt stofjes zoals dopamine en serotonine in zenuwcellen af en als dat niet werkt hopen die stoffen zich op, met subtiele hersenschade en gewelddadig gedrag tot gevolg.
Als je dit leest, dan denk je wellicht: zonde zit in je genen. Dat is dan bijna een calvinistisch doodvonnis. Toch wordt soep niet zo heet gegeten als die wordt opgediend.
Variatie in je DNA komt namelijk in allerlei soorten en maten. Er zijn grote structurele verschillen zoals een extra chromosoom bij Down syndroom, en er zijn kleine letterveranderingen, waarbij slechts één van de vier “letters” (bouwsteentjes) verandert in een andere op die plek, met subtiel meetbare gevolgen.
Het effect van al die kleine DNA-verschillen kun je alleen goed meten als je honderdduizenden mensen met elkaar vergelijkt ten opzichte van een bepaalde uitkomst. Zo’n uitkomst kan lengte of een hartaandoening zijn. Maar je kan dit onderzoek ook doen met risico-zoekend gedrag.
Risico zoeken is onderdeel van de zogenaamde externaliserende vormen van psychologisch gedrag. Hierbij horen ook roken, alcohol- en drugsmisbruik, veel verschillende seksuele partners hebben en antisociaal gedrag. Toen onderzoekers het DNA van al die mensen vergeleken, bleken er meer dan 400 plekken in het DNA waren daarbij betrokken: een enorm polygenische aanleg dus.
Al die kleine genetische effecten tellen bij elkaar op tot een iets grotere of iets kleinere aanleg voor een bepaalde uitkomst maar zijn verre van doorslaggevend. Ook zijn al die kleine genetische effecten betrokken bij meerdere uitkomsten: er was er een genetische overlap met internaliserend gedrag, zoals angst, depressie en eenzaamheid. Dat betekent dat de genen in die overlap in het algemeen betrokken zijn bij een wat kwetsbaarder brein. Maar iedereen heeft dus in meer of mindere mate een aanleg voor gedrag dat vaak als zondig wordt gelabeld.
Wat is zonde?
Maar wat is zonde dan? De modern-klassieke benaming, ook aangehaald door Harden, is die van Francis Spufford: “the human propensity to fuck things up.” Als je dit naar erfzonde doortrekt, dan gaat dat over het doorgeven van die neiging om er een zootje van te maken. In de basis is dat niet meer dan een realistische observatie: we maken er consistent een zootje van, zowel op individueel als op collectief niveau. Als je denkt aan slavernij en de gevolgen van klimaatverandering, dan is het idee van systemisch doorgegeven patronen van gebrokenheid is bijna een vanzelfsprekendheid.
Toch zit die term zonde, als kind van de relatief zorgeloze late twintigste eeuw, me niet helemaal lekker. Zonde klinkt zwaar en een beetje als een monster wiens hol je ver uit de buurt moet blijven. Erfzonden zijn dan monsters die zich voortplanten. Zo wordt het wel erg apocalyptisch. Zonde is voor mij meer een label dan een essentie.
De theologische bespreking van zonde is overigens ook waar Harden, wat mij betreft, de mist in gaat in haar boek. Ze zet een christelijke stropop op: volgens haar zouden christenen mensen zien als helemaal goed of helemaal kwaad. De wereld wordt als het ware door christenen ingedeeld in saints en sinners. Cultureel zit die neiging inderdaad in het christendom. Mensen zonder God kunnen geen goede mensen zijn, is vaak de platgeslagen redeneertrend in verschillende christelijke kringen. Op z’n best is de christelijke intellectuele traditie echter een stuk genuanceerder.
Hier spreekt vooral Hardens Amerikaanse achtergrond. Zo kiest Harden ervoor om Augustinus tegenover Pelagius te stellen. Of we hebben een verdorven natuur die gered moet worden (door de genade Gods), wat buiten onze wil ligt, óf we hebben vrijheid die de natuur overstijgt. Ze pakt daarbij de zware calvinistische visie op zonde en het vrijheidsbesef van de piëtistische en pinkstertradities. Dit zijn inderdaad de polen waartussen de Amerikaanse samenleving beweegt, maar theologisch en filosofisch herkende ik me in geen van beide opvattingen.
Wat ze overslaat is dat met name Aquino die twee gezichtspunten al bij elkaar bracht in de dertiende eeuw. De mens is geboren met een kiem tot zonde, maar is niet geneigd tot alle kwaad. De bovennatuurlijke gerechtigheid van voor de zondeval is weg, maar de mens is nog steeds in staat om in het natuurlijke het goede te doen en deugden na te streven. De mens heeft daardoor een reële schuld maar geen actuele schuld: als je familie bent van Donald Trump, maakt dat je niet per definitie zelf tot een slecht mens, maar wel lid van een gebroken familie.
En die kiem tot zonde lijkt me juist het beeld dat nog steeds actueel is. Een polygenische aanleg is een kiem, niet een uitkomst. En zelfs bij sterke genetische afwijkingen zoals die in het MAOA-gen kun je nadenken over de causale keten. Voor de meeste mensen geldt dat zonde in de juiste omstandigheden groeit: in situaties van oorlog, van verwaarlozing. Harden benoemt dit ook in het boek zelf: kinderen met een genetisch risico op antisociaal gedrag hebben juist het meest baat bij een opvoedingsstijl die het positieve benadrukt en niet straft. Zo kun je vrijheid vormen in je omgeving.
Zonde zit niet alleen in je genen, maar net zo goed in je omgeving
Het vierde boek van Robinsons serie heeft Jack zelf als hoofdpersoon. Hij zwerft door het leven, slaapt op een kerkhof en heeft het zwaar. Tot hij in St. Louis, diep in het Amerikaanse zuiden, Della tegenkomt, een zwarte domineesdochter. Ze krijgen een verhouding en later een kind in een tijd van rassensegregatie. Ze mogen samen niet gezien worden. Jacks aanwezigheid is een aanleiding tot reputatieschade voor die zwarte domineesfamilie en hij kan slechts beperkt aanwezig zijn in het leven van zijn zoontje. Hij komt terug naar Gilead om te kijken of hij hier een leven met Della kan opbouwen. Het antwoord luidt uiteindelijk nee. Dit is een verhaal van systemische ongerechtigheid dat bovenop de individuele gebrokenheid ligt.
Genetici breken de oorzaken voor elke uitkomst op in termen van genen en omgeving, van de lengte van je botten tot de neiging tot depressie. Daar kun je heel aardige statistiek mee bedrijven, zoals erfelijkheidsschattingen, maar conceptueel ben je er dan nog niet. Genen kunnen interacties hebben met elkaar en elkaar versterken of afremmen. Dit heten gen-gen interacties. En genen kunnen verschillende effecten hebben in genen en omgeving, zogenaamde gen-omgevingsinteracties. Bovendien zijn er correlaties te vinden tussen genen en omgeving die niet per se causaal zijn. Het is een kluwen, niet een dominobaan.
Ook de neiging tot gebrokenheid kun je dit op deze manier analyseren. Ja, er zijn verschillen in aanleg die het voor sommigen makkelijker maken om alcoholverslaafd te worden of sneller geweld te plegen in huis. Maar ook hierin geldt dat de omgeving een sterke rol speelt: in arme buurten is de criminaliteit gemiddeld hoger dan in rijke buurten. De stress van te weinig geld zorgt voor korte termijn-denken, wat zorgt voor sneller de straat opgaan om drugs te dealen of te stelen, en zorgt ook voor meer drugsgebruik. Als Jezus zegt ‘ga heen en zondig niet meer’, betekent dat dan ook dat we wat aan deze omstandigheden moeten doen?
Is er ruimte voor een vrije wil?
In die kluwen van aanleg en doorgegeven omgevingseffecten lijkt de rol van de individuele vrijheid wel erg klein. Er blijven dan twee vragen over: hebben we een vrije wil? En is de wereld deterministisch van aard? Vragen waar de analytische filosofie al een tijd over heeft nagedacht.
Binnen het debat over de vrije wil zijn er in de analytische filosofie drie posities: het harde incompatibilisme, het compatibilisme, en de vrijewilspositie. Aanhangers van de vrijewilspositie zeggen dat de wereld niet deterministisch is door een dualistisch beeld van de geest aan te hangen. Er is een geest die een causale factor is die niet door materie wordt bepaald. Dat klinkt misschien wat teveel als Descartes, maar door gebruik te maken van ideeën als sterke emergentie is dat ook nu filosofisch te verdedigen, alhoewel het de meeste wetenschappers denk ik niet overtuigt. Dit lijkt ook sterk op de positie die de aanhangers van Pelagius al verdedigden in de tijd van Augustinus.
Zowel het harde incompatibilisme als het compatibilisme zeggen daarentegen: de wereld is deterministisch van aard. De harde incompatibilisten zeggen: de wereld is materialistisch, neuronen vuren voordat je een keuze maakt, dus die vrije wil is er niet. Harden danst er een beetje tussendoor, maar ze lijkt in haar boek door de nadruk op de rol van biologie toch het meest in dit kamp te vallen.
Zelf zit ik het dichtst in de buurt van die derde positie: het compatibilisme. De vrije wil is een causale psychologische en neurologische factor die in meer en mindere mate aanwezig is in mensen. De vrije wil is compatibel met een deterministisch wereldbegrip. Waar ik verschil van de klassieke compatibilistische positie is dat ik geloof dat de wereld niet deterministisch maar probabilistisch is: als je tien keer hetzelfde doet, komt er niet tien keer hetzelfde uit. Dit laat de kwantummechanica zien, maar ook in de biologie houden we rekening met willekeurige schommelingen die uitkomsten kunnen veranderen.
De opvatting van het compatibilisme past goed binnen het recente bredere denken in de biologie over agency. Organismen, van ééncellige bacteriën tot vleermuizen tot mensen, reageren op de wereld om hun heen en reageren op wat voor hun waarde heeft. Ze maken actieve keuzes om die dingen na te streven. Voor een deel zijn dat uitkomsten die relevant zijn voor de voortplanting en voortbestaan, maar zeker bij mensen, en waarschijnlijk ook bij andere organismen, niet alleen. We zijn dus geen genetische machines die slechts genen voortgeven: we zijn organismen die zich bewegen in de wereld.
Tot slot
Het is interessant hoe de perspectieven op Jack verschillen door de boeken van Marilynne Robinson heen. Dominee Ames zag Jack als een slechte invloed die je genadig moest behandelen. Jacks jongere zusje Glory worstelt met zijn onvoorspelbaarheid en zijn onvermogen om echt gezien te worden. Lila, de veel jongere vrouw van Ames die na jaren zwerven in Gilead terechtkwam, herkende in Jack een zielsverwant. Hij was goed voor hun zoontje. Jack is een man wiens impulsen, beweegredenen altijd onder de oppervlakte blijven. Hij is niet alleen wildernis. Hij is ook een geheimenis.
Genetica gaat vaak over gemiddelden en is daarmee een derdepersoonsbeschrijving van een fenomeen, niet een eerstepersoonsbeschrijving. En zowel op het niveau van gemiddelde als op individueel niveau is het spel tussen genen en omgeving een grote kluwen. Uit die kluwen ontstaat een mens en de beleving van die mens is een geheimenis, niet een genetische machine. Je genen spelen een rol, maar nee voor de meeste mensen zijn ze niet doorslaggevend. Ook met de kennis van nu is het vaak moeilijk om op basis van je genen uitkomsten te voorspellen.
Als we over erfzonde en systemische ongerechtigheid praten, dan ligt determinisme op de loer. Ik denk dat er hoop is voor ons als individu en als groep. Als ons vermogen tot keuzes maken een spier is, dan valt die ook te trainen en kan iedereen er beter in worden. Het individu kan worden versterkt in de keuzevrijheid om het goede te doen: door ontwikkeling en door de omgeving die we creëren. In Kate Bowler’s podcast Everything Happens hoorde ik haar de term limited agency gebruiken: een keuzevrijheid die beperkt is door de omstandigheden én door hoe je in elkaar zit. Ik denk dat die term het dichtst bij de menselijke ervaring komt.
Ik denk niet dat we zonde kunnen elimineren. En ik vraag me ook af of we dat zouden moeten doen, als zelfs God in Genesis de boom van de kennis van goed en kwaad in de hof van Eden zette. Ik denk wel dat we omstandigheden kunnen en misschien ook moeten creëren die zonde tot een keuze maken en niet tot een gedoodverfde uitkomst. De mooiste samenvatting die ik hierover hoorde is die van de Rus Aleksandr Solzhenitsyn: “De grens tussen goed en kwaad loopt dwars door elk menselijk hart.”

Jitse Amelink is onderzoeker in de neurogenetica van de taalgebieden in de hersenen bij het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek in Nijmegen. Eerder was hij redacteur voor geloofenwetenschap.nl en was hij betrokken bij het Veritas Forum.