Menu

Premium

1 Korinthiërs

INLEIDING

De stad

Korinte lag op de Isthmus, de landengte die het noordelijk gedeelte van Griekenland verbindt met het zuidelijke schiereiland. Doordat de stad aan beide zijden begrensd werd door een zee-arm bood ze goede mogelijkheden voor het scheepvaartverkeer en werd ze een centrum van handel en cultuur, waar mensen uit allerlei landen elkander ontmoetten. Ook Joden maakten deel uit van de internationale bevolking (zie Hand. 18:2-7, 12-17). Het bruisende leven in deze havenstad was enerzijds zeer godsdienstig – het hele leven was er religieus bepaald, zie bij 8:1-13 – en anderzijds zeer verdorven; er bestond in het toenmalige Grieks een werkwoord ‘korintiseren’ dat ‘losbandig leven’ betekende. 1 Kor. 5:1-5 en Rom. 1:2427 (in Korinte geschreven!) geven hiervan een beeld. Religie en verdorvenheid gingen ook samen: de publieke vrouwen in de stad – in een bepaalde periode waren het er duizend – deden hun werk als priesteressen van Afro-dite, de godin van de liefde. Naast grote rijkdom heerste in deze stad veel armoede; de sociale tegenstellingen waren ook merkbaar in de gemeente (zie bij 11:21). Bekend waren de Isthmische spelen, waarop Paulus in 9:24-27 wellicht zinspeelt. Bij opgravingen zijn oa. (resten van) de vleeshal (10:25), het gerechtsgebouw (Hand. 18:12) en de synagoge (Hand. 18:4) teruggevonden.

De gemeente

Paulus komt te Korinte op zijn tweede zendingsreis (Hand. 18:1-17). Zijn ervaringen in Athene (Hand. 17: 15-34) waren niet bemoedigend (vgl. 1 Kor. 2:3). Toch is hij niet tot de conclusie gekomen, zijn boodschap meer te moeten aanpassen aan de griekse wijsheid (2:1,2). Nadat het tot een breuk met de synagoge is gekomen (Hand. 18:6,7) blijft Paulus er, bemoedigd door de Here (Hand. 18:9) nog anderhalf jaar werken (vs 11). De leden van de gemeente waren voor het merendeel van heidense afkomst (1 Kor. 12:1), en wel veelal uit de armste lagen van de bevolking (1:26). Er waren echter ook Jodenchristenen (7:18), onder wie de overste van de synagoge (Hand. 18:8). Zie over de relatie tussen Apollos (1:12; 3: 4-6,22; 4:6) en de gemeente: Hand. 18:24-19:1 en 1 Kor. 16:12.

De brief

Paulus heeft deze brief geschreven in het jaar 55, tijdens het verblijf in Efeze waarvan we lezen in Hand. 19:1 – 20: 1, gedurende zijn derde zendingsreis (1 Kor. 16:8,9).

Overigens heeft hij tijdens deze reis ook zijn plan om zelf naar Korinte te komen (16:5) uitgevoerd (Hand. 20:1,2). Toen Paulus de brief schreef was Timoteüs al vertrokken naar Macedonië (Hand. 19:22) met de bedoeling, door te reizen naar Kor. (1 Kor. 4:17) waar hij echter nog niet was aangekomen (16:10). Deze brief is niet de eerste die Paulus aan Kor. schreef (zie 5:9,11). De aanleiding om nu weer te schrijven vond hij oa. in hetgeen hij hoorde uit de kring van Chloë (1:11) en in een brief met vragen uit de gemeente (7:1), wellicht overgebracht door de in 16:12 genoemde deputatie; deze kan aan Paulus ook nog nadere informatie hebben verstrekt. Een veelheid van onderwerpen komt aan de orde: tweedracht (1:10-17; 3: 1-9); hoogmoed (4:6-21); hoererij (5:1-13; 6:12-20); het huwelijksleven (7); het eten van offervlees (8; 10); de positie van slaven en vrouwen (7; 11); de viering van het avondmaal (10; 11); de gaven van de Geest (12-14); de opstanding der doden (15). Er is geen gemeente uit de tijd van het N.T. waarover we zo goed geïnformeerd zijn als Kor.!

Achtergrond ‘

De laatste tijd heeft het inzicht veld gewonnen dat de achtergrond van de verscheidenheid aan onderwerpen die in de brief besproken worden, gezocht moet worden in de opkomende gnostiek die – in een aan het christelijk geloof aangepaste vorm – de gemeente begon te beïnvloeden. De gnostiek gaat uit van een principiële tegenstelling tussen de hemelse, geestelijke wereld en de stoffelijke wereld; voor deze laatste is een lagere, boosaardige godheid verantwoordelijk. In de christelijke gnostiek wordt deze vereenzelvigd met de God van het O.T. die dan een ander is dan de Vader van Jezus Christus. Naar zijn diepste wezen hoort de mens in deze wereld niet thuis: zijn geest is een vonk uit de geestelijke wereld, en naar dat vaderland moet hij dan ook, uit deze aardse ballingschap, terugkeren. Deze kennis (Grieks: gnosis) ten aanzien van zichzelf en de werkelijkheid staat centraal in de gnostiek. Wanneer de mens tot deze kennis, dit inzicht, gewekt wordt is hij daarmee in wezen onttrokken aan de macht van de stoffelijke wereld; hij is nu vrij. In de christelijke vorm van deze dwaalleer zoals die in Kor. gestalte kreeg beleefde men het zo, dat men door het ontvangen van de Geest deel had gekregen aan de geestelijke wereld en één was met de hemelse Christus. Dat ervoer men vooral in die verschijnselen die een stralend, dynamisch, bovennatuurlijk, indrukwekkend karakter hadden (meeslepende woorden van wijsheid, 1:17; 2:4; de gave van het spreken in tongen, hst. 12-14); men bewonderde die bij anderen en zocht ze voor zichzelf. Keerzijde is: de geringschatting van:

-het lichamelijke leven, zowel wat Jezus betreft (zie bij 12:3) als wat de gelovige betreft (zie bij 5:1-13; 6:1220; 7; vgl. 1 Tim. 4:1-5 en 6:20). Van hieruit kwam men ook tot ontkenning van de opstanding der doden (15); het ‘kennis krijgen aan’ de geestelijke werkelijkheid was al de opstanding (vgl. 2 Tim. 2:16-18);

-de relatie tot de medemens en christen: de nadruk op de ‘kennis’ die men persoonlijk had ontvangen en op de bijzondere ervaringen die daarmee verbonden waren leidden tot een hoogmoedige houding (zie bij 1:1017; 3:1-9; 4:6-21; 8:1) en een individualistische vroomheid, waardoor men weinig oog had voor de opbouw van de gemeente (zie bij 8; 10:23,24; 14:3,4,12) en voor de nood (11:22) èn de betekenis (12:21) van de ander;

-het aardse leven als terrein van de strijd van het geloof; vanuit de gedachte dat men de heerlijkheid al bereikt had was men zorgeloos tov. de verzoekingen die de christen ten val kunnen brengen (zie bij 10.T-13).

Benadering

Hoe benadert Paulus deze gemeente, waar zoveel te vermanen is?

a.Als gemeente Gods (1:2), wier leden van Christus (3: 23) en daarom broeders zijn; zie ook 1:9,30; 3: 5,9,16,17; 4:14-16; 6:11,19,20; 7:23; 9:1; 12:27; 15: 1,2,14.

b.Deze visie op de gemeente verlamt de vermaning niet ■ maar maakt haar te indringender: Gods tempel (en

dat is de gemeente) moet heilig gehouden worden; anders misleidt men zichzelf (3:16-18). Het spreekt dan ook niet vanzelf dat ieder die tot de gemeente behoort in het geloof is (2 Kor. 13:5) en daarin staande blijft (1 Kor. 10:12).

c.Deze vermaning is radicaal: Paulus blijft niet staan bij de afzonderlijke daden en bij een morele veroordeling daarvan; hij dringt steeds door tot de wortel (radix) van de zaak, namelijk de verhouding totChristus (bv. 6:15); zijn vermaning beoogt geen zedelijke verbetering maar bekering tot Christus en opbouw in het geloof in Hem (vgl. Kol. 1:28).

Inhoud van de brief

Schrijver – Lezers – Groet 1-3

Dankzegging 1:4-9

Partijschap 1:10-17

Goddelijke tegenover wereldse wijsheid 1:18-2:5

De ware wijsheid 2:6-16

Tweedracht 3:1-9

Fundament en gebouw 3:10-23

De enige rechter 4:1-5

Weest nederig 4:5-21

Grove zonde in de gemeente 5:1-13

Recht zoeken bij ongelovigen 6:1-11

Vrij, niet losbandig 6:12-20

Over het huweUjk 7:1-11

Gebondenheid en vrijheid 7:12-24

De ongehuwden 7:25-40

Het eten van offervlees 8:1-13

Rechten der Apostelen 9.T-14

Paulus maakt geen gebruik van zijn recht 9:15-27

Israel als waarschuwing 10:1-13

Het avondmaal 10:14-22

Liefde jegens zwakken 10:23-11:1

De positie van de vrouw 11:2-16

Misbruiken bij het avondmaal 11:17-34

Veèl gaven, één Geest 12:1-11

Allen leden van één lichaam 12:12-31

De Uefde 13:1-13

Tongen en profetieën 14.T-25

Orde in de gemeente 14:26-40

De opstanding van Christus 15:1-11

De betekenis van Christus’ opstanding 15:12-34

Het opstandingslichaam 15:35-49

Het einde 15:50-58

Koüekte, reisplannen, persoonlijke mededeUngen 16.T-24

VERKLARING

Schrijver – Lezers – Groet 1:1-3

De voor ons ongewone volgorde in de aanhef was in een griekse brief in die tijd gebruikeUjk. Het feit, dat het gezag van hemzelf en zijn boodschap in de gemeente in discussie is, noodzaakt Paulus te meer, te onderstrepen dat hij niet schrijft op eigen gezag. Hij is apostel, gevolmachtigd vertegenwoordiger, van Christus Jezus. Deze positie heeft hij zichzelf niet toegekend; hij is er door Christus toe geroepen – hetzelfde woord duidt ook de roeping van de gelovigen tot het heil aan, vs 2. En achter Jezus’ handelen staat de wil van God; daarop wijst ook het voorop stellen van de ambtsnaam Christus. Vgl. bij vsl:2Kor. 1:1; Kol. l.T;Ef. l.T;2Tim. 1:1. Ook Sostenes – wellicht dezelfde als in Hand. 18:17 – stelt zich achter de inhoud van de brief, vgl. 2 Kor. 1:1. De broeder: kennelijk genoot S. in Korinte bekendheid en vertrouwen.

De geadresseerden zijn niet een groep reUgieus geïnteresseerde Ueden. Zij zijn te Korinte de gemeente Gods: plaatselijke openbaring van het wereldwijde volk van God. In de met Christus’ komst begonnen nieuwe tijd wordt dit volk bijeengeroepen door de apostoUsche dienst. Het vormt de vervulüng van het oudtestamentische volk van God, Israel. Op de leden van dit volk zijn dan ook in Christus Jezus, dwz. krachtens hun band met Hem, woorden van toepassing die ook van Israel golden en gelden. Ze zijn geheiligden, heiligen: door God afgezonderd om Hem toe te behoren en te dienen. Daarin is elke plaatselijke gemeente verbonden met allen die allerwege de Here dienen. Het aanroepen van de naam van God is vanouds het kenmerk van het volk van God, Gen. 4:26; Joël 2:32. De naam van de HERE is nu ten volle geopenbaard in onze Here Jezus Christus. Hem aanroepen is daarom niets anders dan de HERE God aanroepen.Voor vs 3, zie bij Rom. 1:1.

Dankzegging 1:4-9

Op veel punten moet Paulus in deze brief de gemeente terechtwijzen. Dat belet hem niet om ook nu (vgl. bv. Rom. 1:4; Filp. 1:3) eerst melding te maken van zijn voortdurende dankzegging voor haar; deze is zelfs de enig mogelijke basis voor de vermaningen die volgen! De dankzegging berust immers niet op eigen kwaliteiten van de gemeente, maar op de genade die God haar geschonken heeft. Alleen daaraan zijn haar ontstaan in het verleden en haar rijkdom in het heden te danken; daarin ligt ook haar toekomst vast. Die genade wordt geheel bepaald door de persoon van Christus; opvallend vaak wordt zijn naam in dit gedeelte genoemd. Voor roem in eigen geestelijk bezit is geen reden. Wat de gemeente mag zijn, is ze door de gemeenschap met Christus, waartoe God haar riep (9). De overvloedige genadegaven (vgl. 1 Kor. 12-14) vormen de bevestiging van het apostolisch getuigenis aangaande Hém (6).

Dat de gemeente ten aanzien van geen enkele genadegave te kort komt (7) betekent niét dat ze al boven de strijd uit is; het moet gelezen worden in nauw verband met het volgende: terwijl gij uitziet… God laat het de gemeente niet ontbreken aan iets, dat ze nodig heeft op haar weg naar de dag, waarop Christus uit zijn verborgenheid te voorschijn zal treden. Pas dan heeft de gemeente de volle heerlijkheid bereikt! Dat ze op die dag onberispelijk –zonder dat er een aanklacht tegen haar is in te brengen -voor de Rechter zal staan, is niet vanzelfsprekend. Het is wel een zekerheid voor het geloof, dat bouwt op Gods trouw. Hij zal zijn werk voor hen voleindigen. Vanuit die zekerheid kan Paulus nu aan de orde stellen, wat in de gemeente anders moet.

Partijschap 1:10-17

De gemeente is er krachtens het werk van God – vandaar de dank. Helaas blijkt ze niet op dat niveau te léven -vandaar de vermaning. Dat dit geen spreken uit de hoogte is, blijkt uit het herhaalde broeders (10,11). Paulus stelt zich daarmee naast, en niet boven de gemeente. Tegelijk bevat het een appèl: allen die zich geroepen weten tot gemeenschap met Gods Zoon (9) horen daarom ook bij elkaar. Omwille van de éne Christus dienen ze daarom hun eenstemmigheid te bewaren of te herstellen. Uit de kring – gezins- of familiekring? huishouding (inclusief de slaven)? huisgemeente? – rondom de ons verder onbekende Chloë heeft Paulus ernstige dingen gehoord. De gemeente is (nog) niet uiteen gevallen, maar men stelt zich wel scherp tegenover elkaar op; in die zin is er sprake van scheuringen. De één beroept zich opPaulus, de ander schaart zich onder het vaandel vanApollos (zie Hand. 18:24; 19.T; 1 Kor. 3:4-6,22; 4:6; 16:12); vooreen derde gold Kef as = Petrus (Joh. 1:43) als dé apostel, aan wie hij daarom de voorkeur gaf; terwijl een vierde van zichzelf verklaarde dat hij specifiek bij Christus hoorde. Maar in de gemeente mag slechts één naam gelden voor allen: die van Christus. Hij, en niemand anders gaf aan het kruis zijn leven voor hun zonden. Het teken daarvan ontvingen ze in de doop, die dan ook geschiedde in, en hen verbond aan, de naam van Christus – niet van welk mens ook (13). Als men dan toch op grond van de verbondenheid aan mensen zich tegenover elkaar opstelt roept dat de vraag op – die laat zien hoe onzinnig zulke scheuringen zijn – of misschien Christus in stukken gedeeld isl Gelukkig kan Paulus zeggen dat er maar enkele gemeenteleden zijn die van hem de doop ontvingen (al schrijvend schiet hem nog een naam te binnen, 16, vgl. 16:15) én die op grond daarvan (ten onrechte!) zich zouden kunnen beroepen op een speciale band met hem (14,15). In Paulus’ taak viel de nadruk namelijk niet op die fase van gemeente-opbouw waarin het dopen plaatsvond, maar op de eerste fase, de funderende prediking (vgl. 17; 3:6).

Ten diepste berustte de verdeeldheid in de gemeente hierop, dat de Kor. in hun geloof en hun gemeente-zijn ménsen met hun kwaliteiten centraal stelden, en niet Christus. Daarmee zijn ze bezig een stijl van leven en denken aan te nemen die typerend is voor de wereldse wijsheid –waarin immers alle nadruk valt op wat de mens is en kan. Van die wijsheid heeft Paulus zich in zijn optreden ver gehouden – om niet het kruis van Christus tot een holle klank te maken. Wie immers de boodschap van de Gekruisigde leert verstaan en heil bij Hem leert vinden, weet dat tegenover Hem alles, wat de mens is en kan, wegvalt. In het vervolg gaat Paulus hier dieper op in.

Goddelijke tegenover wereldse wijsheid 1:18 – 2:5

Woord: verkondiging; des kruises: waarin het kruis centraal staat. Het kruis is hier de samenvatting van wat Paulus in Filp. 2:7,8 breder zegt. Wanneer dit woord tot de mensen komt voltrekt zich tussen hen de beslissende scheiding: van verloren gaan en behouden worden in het oordeel van God. Wie alleen iets kan zien in wat zichzelf als groot en sterk bewijst moet immers het kruis – dieptepunt van vernedering en vervloeking – wel als dwaasheid afwijzen. Maar voor ons (zegt Paulus) openbaart zich in die Gekruisigde juist de reddende kracht Gods (18). Alle menselijke wijsheid daarentegen doet Hij schipbreuk lijden (19,20; vrije aanhalingen uit Jes. 29:14; 19:11,12; 33: 18; 44:25).

Omdat de wereld kijkt door de bril van haar wijsheid kan ze in Gods wijze handelen Hém niet vinden en erkennen. Op die wijze voltrekt zich nu juist Godsv/elbehagen: niet aan wie het van hun wijsheid verwachten maar aan hen die geloven schenkt Hij behoud door de verkondiging van wat naar menselijke maatstaven dwaasheid is (21). Immers, wie zegt heil te brengen moet zich bij de Joden legitimeren met indrukwekkende tekenen (vgl. Mar. 8:11) en bij mensen van griekse beschaving met indrukwekkende wijsheid (22). Daarom is de boodschap van de Gekruisigde voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen die geroepen zijn, Joden en niet-Joden, openbaart zich in Christus juist de kracht en wijsheid van God (24). Want alleen Gods weg in Christus de gekruisigde, hoe schijnbaar dwaas ook, leidt tot leven en toekomst; niet de wegen die mensen met hun wijsheid en kracht denken te banen (25). Om deze structuur van het heil te ontdekken behoefden de Kor. slechts te zien (26) naar welke structuur de gemeente gevormd werd toen zij geroepen werden: niet vele wijzen, invloedrijken, aanzienlijken naai aardse maatstaf. Zo werkt de uitverkiezing (27). Deze is geen willekeurige selectie: genade spreekt er het beslissende woord in. En genade zoekt juist hen, die geen kwaliteiten hebben om zich waar te maken. Zo verijdelt zij alle pogingen om door eigen kracht en wijsheid iets te zijn (28), en zich tegenover God ergens op te beroemen. Vlees: Jes. 40:6-8. Alles wat de gelovigen zijn is uit God. Het vindt zijn oorsprong in Hem, en zij ontvangen het in Christus Jezus: dank zij hun verbonden-zijn met Hem. In zijn persoon en werk is van Godswege alles tot hen gekomen wat ze nodig hebben. Hun wijsheid, hun rechte verhouding tot God (rechtvaardigheid), hun toebehoren aan God (heiliging), hun onttrokken-zijn aan het verderf (verlossing): alles ligt in Hem. Alleen in Hem valt dan ook te roemen (30,31; vgl. Jer. 9:23)!

Ook Paulus’ eigen optreden was in overeenstemming met de juist beschreven stijl van Gods werk. Ook na zijn ervaringen in Athene (Hand. 17:32,33) was hij toch niet tot de slotsom gekomen, dat het beter was aan het verlangen naar wijsheid te voldoen en het aanstotelijke van zijn boodschap te verzachten. In zijn prediking is hij alle nadruk blijven leggen op Jezus Christus als de Gekruisigde die onze zwakheid, schuld en dood op Zich nam (2:2). Ook in zijn presentatie kwam Paulus niet tegemoet aan menselijke verlangens naar schitterende, meeslepende woorden van wijsheid (1,4). Integendeel, Paulus’ optreden werd – evenals dat van zijn Meester – gekenmerkt door uiterlijke zwakheid (3). En zo is het goed: nu is het ‘resultaat’ van zijn werk, het geloof van de gemeente, niet te danken aan menselijke kracht en wijsheid maar aan de kracht van Gods Geest: die baande zich een weg door zijn zwakheid heen (4,5; vgl. 2 Kor. 12:9,10).

De ware wijsheid 2:6-16

Spreken (6,13) ziet op de verkondiging van het evangelie. Dat bevat wijsheid – maar: wijsheid Gods (7), niet van deze wereld-tijd die gekenmerkt wordt door menselijke zelfverheffing en zelfhandhaving. Hoezeer mensen daardoor ook worden tot beheersers van deze eeuw, van hun macht geldt toch dat die te niet gaat. Daarentegen leidt het evangelie tot heerlijkheid – en zij die daarvoor rijp zijn (lett.: de volmaakten; zij die de rijpheid in het geloof bereikt hebben) aanvaarden het als wijsheid. En dat niet dankzij hun diepe inzicht! De inhoud van het evangelie is een geheimenis, lett.: mysterie. Met dit woord wordt in de brieven vaker aangeduid het heil dat God van eeuwigheid voorbeschikt had (Ef. 1:9; 3:3,4,6,9; Kol. 1:26,27) en dat voor de komst van Christus verborgen was maar nu aan de gelovigen geopenbaard is (10). Ook nu blijft het echter verborgen voor wie gevangen is in het patroon van ‘deze eeuw’. Dat is wel gebleken toen de machten die in deze wereld de toon aangeven, de beheersers dezer eeuw (volgens sommigen: duivelse machten; beter: aardse machten) de Here der heerlijkheid kruisigden (8)! De goddelijke wijsheid van het evangelie is geen zaak die de mens met zijn oog, oor of gedachten binnen zijn bereik krijgt (9, een citaat van niet geheel duidelijke herkomst). Ze wordt aan mensen (aan ons, zegt Paulus met verwondering, vgl. 1:18) geopenbaard door het werk van de Geest. Zoals alleen de geest van de mens toegang heeft tot diens innerlijk, zo dringt alleen de Geest van God door tot de diepten van Gods wijsheid (10,11). Alleen dankzij Hem leren wij de rijkdom van Gods heil (erkennen en ervan spreken (12,13). Wie zich niet door die

Geest laat leiden en alleen het aardse, natuurlijke leven kent (lett.: de psychische mens, 14) sluit zich toe voor het heil van God: het is hem dwaasheid, hij wil en kan het niet aanvaarden. Van de mens die wel de Geest heeft ontvangen (als genade, 12) geldt dat hij daardoor de hele werkelijkheid in Gods licht leert beoordelen, terwijl zijn eigen diepste levensgeheim voor diegenen die de Geest missen, niet te beoordelen is (15). Hij wordt een vreemdeling op aarde. De zin des Heren, het innerlijk overleg van God, waar mensen met hun beoordeling geheel buiten moeten blijven, maar die nu in Christus aan ons is geopenbaard, laat nu, door de Geest van Christus, zijn licht ook in de gelovigen schijnen (16; citaat uit Jes. 40: 13).

Tweedracht 3:1-9

De gelovigen die, in tegenstelling tot de ongeestelijke mens (2:14), de Geest van God ontvangen hebben (2:12), léven toch niet altijd als geestelijke mensen: mensen die zich metterdaad laten leiden door de Geest. De gemeenteleden gedroegen zich vleselijk, lieten zich nog te zeer leiden door het (zondige) vlees (vgl. Rom. 8:6-8; ‘vlees’ is bij Paulus vaak: de mens die zichzelf centraal stelt, zodat God en de naaste moeten wijken voor het ‘ik’). Ze waren nog niet gerijpt tot volwassenheid in het geloof. Als onmondige kinderen konden ze een prediking die verder ging dan het a-b-c van het geloof (melk), en vast voedsel bood, ook nu nog niet verdragen (2, vgl. Hebr. 5:12 – 6: 3). In het gemeenteleven kwam dat daarin uit dat men dit te zeer beschouwde als een zaak van (bepaalde) ménsen, bv. van Paulus of Apollos. En zo is Paulus, al leek het alsof hij in 1:18-2:6 afweek van het onderwerp van 1:1017 daar toch weer bij uitgekomen; in feite heeft hij het steeds vastgehouden. Het was invloed van wereldse wijsheid dat men in Kor., op grond van menselijk-bepaalde voorkeur, zich uitsprak voor de een en tegen de ander, met als gevolg: nijd en twist (3; vgl. Gal. 5:19-21). Daar tegenover stelt Paulus met nadruk dat ménsen in de gemeente wel een bepaalde taak hebben, maar slechts als dienaren (lett. diakenen) van God. Hij, en niet de gemeente, beoordeelt daarom hun werk en keert hun loon (8) uit. De verscheidenheid van de dienaren berust op de gaven die Gód aan elk gaf (5). Nooit mogen ze dus, op al-te-menselijke wijze, op grond daarvan tegen elkaar uitgespeeld worden (4). Met hun verschillende taak hebben de dienaren een elkaar aanvullende plaats in het éne werk, waarin God het eigenlijke doet (6,7). We zijn dus in de gemeente op het terrein van Gód. Medearbeiders: mensen die samen werken (en dus niet als eikaars concurrenten beschouwd mogen worden, zie ook 8) in de dienst van God; deze opvatting heeft voorkeur boven: ‘mensen die met God mee werken’. – Paulus maakt in vs 9 de overgang van het beeld van de akker (6-9) naar dat van het bouwwerk (9-17).

Fundament en gebouw 3:10-23

Het is niet zijn verdienste maar Gods genade, dat Paulus, als vakbekwaam architect voor gemeente-opbouw, het fundament voor de gemeente van Kor. heeft mogen leggen, door er Christus te verkondigen als enig behoud voor mens en wereld. Dit fundament is exclusief: het verdraagt geen ander naast zich (10,11). Alle verdere bouwdient te geschieden op en bepaald te worden door dit fundament; laat ieder die in de gemeente dient, daarop letten (10 slot). Al wat in de gemeente gedaan wordt moet er op gericht zijn, dat zij het stempel van Christus zal dragen. Dan wordt er gebouwd met bestendig materiaal, dat het gericht van God kan doorstaan (12-14). Maar als iemand op de gemeente zijn eigen stempel wil drukken bouwt hij met brandbaar materiaal. Zijn prestaties, hoe schijnbaar indrukwekkend ook, zullen in het vuur van de oordeelsdag geen stand houden. De eer die de trouwe dienaar als loon van God ontvangt (14) zal hem ontgaan, ook al zal hij persoonlijk behouden worden, zij net ook ahw. door hel vuur geblakerd (15, vgl. Am. 4:1; Zach. 3:2).

Weet de gemeente uit het ontvangen onderricht niet, dat het bouwwerk dat zij vormt niet minder dan Gods tempel is? Zoals God in Israel zijn woonplaats had in de tempel van steen (Ps. 132:14), zo is nu de gemeente, als nieuwtestamentisch volk van God, zelf de plaats waar God op aarde met zijn Geest wil wonen (vgl. 6:19; 2 Kor. 6:16). Zo is de gemeente heilig gebied; dat maakt het tot een zaak van diepe ernst hoe men erin verkeert en ermee omgaat: God waakt over zijn eigendom (16,17)!

Als iemand zijn plaats in de gemeente zou willen gebruiken om zich te koesteren in de glans van menselijke wijsheid en zo meer nadruk zou leggen op eigen naam dan op die van Christus, is dat een zelfmisleiding waarvan hij zich dient te bekeren tot de ‘dwaasheid’ van de weg van Christus: Hij kende geen zelfverheffing, slechts zelfverloochening. Dat alleen is de ware wijsheid, die toekomst heeft. Alle menselijke wijsheid is voor God dwaas en uitzichtsloos; Paulus onderstreept dat met citaten uit Job (5:12) en Psalmen (94:11) (18,19).

Daarom moet men in Kor. ervan afzien, zich sterk te willen maken doordat men zich bindt aan één bepaald mens, terwijl men anderen opzij schuift. Allen die in de gemeente een taak ontvingen zijn ‘uwe’, zegt Paulus: ze zijn er om, in hun verscheidenheid allen uw geloof te dienen en te bevorderen. Dat geldt evenzeer van alle machten waarvan men onder de indruk zou kunnen zijn. Zij zijn er niet om de gelovigen te beheersen, maar om hen, naar Gods raad, te dienen. De Enige van Wie wij zijn is Christus – zoals Christus van God is: geheel gericht op Diens wil en werk. Naarmate we meer op Christus geconcentreerd zijn worden we vrij van elke verkeerde binding aan mensen en machten (21-23).

De enige rechter 4:1-5

Zo, dwz. nu de zaken staan zoals uiteengezet is, moet men ons beschouwen als dienaren…: niet zozeer de belangrijkheid als wel de ondergeschiktheid van de taak van de verkondigers wordt hier benadrukt. Niet zij zijn de hoofdpersonen; dat is Christus. Zij zijn ‘slechts’ de beheerders van zijn ‘zaken’: de heilgeheimen (vgl. 2:7) van God, die nu in Christus geopenbaard zijn (1). Bij het onderzoek naar de – voor een beheerder zo beslissende –betrouwbaarheid legt het oordeel van ménsen voor Paulus dan ook geen gewicht in de schaal (2,3). Hoewel het hem niet koud laat of zijn persoon en werk verkeerd beoordeeld worden – dat zou immers het evangelie kunnen schaden -, als het gaat om de uiteindelijke beoordeling van zijn werk weet hij zich gesteld voor de rechtbank, zelfs niet van zijn eigen geweten, maar alleen van de Here Christus (3,4). Daarom moeten mensen niet willen vooruitgrijpen op wat alleen de Here kan en zal doen bij zijn komst. Hij alleen kent en doorgrondt ons immers en kan daarom het verborgene aan het licht brengen (5).

Weest nederig 4:6-21

Hetgeen Paulus in het voorafgaande gezegd heeft over de verkondigers van het evangelie in het algemeen was met name (vgl. 3:4) toegespitst op hemzelf en Apollos –dit tot lering van de gemeente. Moeilijk is de uitdrukking hetgeen geschreven staat: doelt Paulus op het O.T. -waar de Kor. in hun zucht naar wijsheid boven uit wilden gaan? – of op hetgeen hijzelf schreef – waar de Kor. meer in wilden lézen dan er stond (6)?

Dan begint Paulus de Kor. op hun plaats te zetten. Zij blazen zich op: in hun oordelen vóór de een en tégen de ander (6) gedragen ze zich alsof ze heel wat betekenen. Maar, vraagt Paulus op de man af (in het enkelvoud!), wie heeft je eigenlijk onderscheiden? – nl. door je de bevoegdheid tot zulk oordelen toe te kennen. Waarom beroemen ze zich op wat ze ‘hebben’, alsof het niet uitsluitend gekrégen goed is (7)? Vss 8 en 10 geven nader inzicht in de dwaling waarvan de Kor. slachtoffer dreigden te worden. Het bezit van de Geest en zijn gaven betekende voor hun besef dat ze één waren met de hemelse Christus en zo deelden in de heerlijkheid (zie ook bij 15: 12). Daardoor voelden ze zich verheven boven het lijden en de strijd van de aardse werkelijkheid. Vanuit die verhevenheid konden ze dus ook oordelen! Ze gedroegen zich, alsof ze het toekomstige koningschap (Rom. 5:17; Op. 5:10) al ontvangen hadden. Het in Christus zijn (10) betekende voor hen: verzadigd, rijk, wijs, sterk zijn. Omdat de aardse, gekruisigde Jezus voor hen had afgedaan (zie ook bij 1:18,22; 2:2; 12:3) was de gedachte, dat de gemeente op aarde deelt in zijn lijden en moet leven onder het kruis, hun vreemd. Paulus en de andere apostelen (9; hier in de ruimere betekenis van: verkondigers van het evangelie) ervaren dit echter wél als werkelijkheid. Zij staan buiten het ‘koningschap’ waarover de Kor. al meenden te beschikken. Hun positie komt meer overeen met die van ten dode gedoemde gladiatoren: een schouwspel (lett. theater) van smaad en ondergang. Zij zijn niet verheven en indrukwekkend (10), hun leven is niet stralend (11, vgl. 2 Kor. 11:23-27). Zo volgen zij het spoor van Jezus in zijn vernedering; dat doen ze ook in de wijze waarop ze reageren op wat hun wordt aangedaan (12). Dat laatste maakt hen in de ogen van de griekse wereld nog verachtelijker, zodat ze beschimpt worden als vuilnis, vloerveegsel dat weggedaan moet worden (13). Dit schrijf ik niet… (14): de toon verandert. Wie mensen op hun plaats zet, schept licht afstand. Maar Paulus wil de Kor. juist aan zich verbinden, als zijn kinderen: dat is de unieke verhouding waarin ze tot hem staan. Anderen die hun het evangelie brengen mogen hun opvoeders zijn (lett. paedagoog, de slaaf die soms de vader verving), er is er maar één door wiens prediking ze tot geloof gekomen zijn: Paulus. Zo is hij hun vader (vgl. 17). Laten ze nu die band respecteren door in zijn spoor – dus dat van Christus – te gaan (16). Omdat het evangelie verbindt aan Christus, is de leer van dat evangelie tevens een weg, een geheel van wegen: een nieuw levenspatroon, waarin Pauluselke gemeente onderwijst èn waarin hij hen zelf voorgaat – vandaar: mijn wegen (17, vgl. Ps. 25:4).

Het feit dat Paulus nog niet zelf komt, heeft de gemeenteleden die geneigd zijn tot hoogmoedig oordelen (het zijn sommigen, 18, vgl. 15:12) aanleiding gegeven, daar iets achter te zoeken. Ze hebben een groot woord; maar Paulus, die wel degelijk van plan is te komen, wil onderzoeken welke kracht dit woord heeft (woord – kracht: vgl. 1:17,24; 2:1,4). In het Koninkrijk Gods dat eenmaal komt (6:9,10) zal blijken dat Gods woorden wérkende woorden, werkelijkheid, zijn. Christenen dienen dat rijk nu al te openbaren doordat ze geen opgeblazen, krachteloze woorden spreken, maar woorden waaraan werkelijkheid beantwoordt en die dus stand houden. Laat de gemeente niet langer in haar midden plaats geven aan het opgeblazen oordelen; dan zal Paulus bij zijn komst niet behoeven te beginnen met streng optreden (19-21).

Grove zonde in de gemeente 5:1-13

Hoe ondeugdelijk het roemen in Kor. was (2,6) bleek daaruit, dat het gepaard ging met het tolereren van ernstige zonde: een gemeentelid leeft met zijn stiefmoeder. De gedachte dat het delen in de Geest geen vernieuwing van, maar een verheven zijn boven het aardse, lichamelijke leven betekende kon er toe leiden dat men, hetgeen men in het lichaam deed, niet van betekenis achtte voor het ‘geestelijke’ leven. Terwijl de gemeente geroepen was om temidden van de verwording in Kor. de vernieuwende kracht van Christus te tonen, gaf ze ruimte aan zonde waarover niet alleen door de wet van Israel (Lev. 18:8) maar ook door het zedelijk besef van de heidenen negatief geoordeeld werd. Omdat het hier niet maar een vallen, maar een léven in de zonde betreft, een definitieve toestand (de voor heeft begaan, vs 3, gebruikte vorm geeft dat aan), is ook een definitieve maatregel nodig: de uitsluiting uit de gemeente. Omdat de gemeente daarin nalatig is gebleven (2) heeft Paulus zelf met apostolisch gezag een oordeel uitgesproken (3). Dit zal nu echter gestalte moeten krijgen via een handeling van de gemeente, waarbij Paulus in de geest betrokken zal zijn, maar waarbij bovenal Jezus de Here handelend aanwezig zal zijn (4). Het oordeel bestaat hierin, dat ten aanzien van dit lid wordt uitgesproken: hij staat buiten het rijk van God en behoort dus tot het machtsgebied van satan. Dat zal betekenen dat hij naar zijn aardse bestaan (vlees) de ondergang tegemoet gaat. Die ondergang van de zondaar is echter niet hét doel van de tucht. Ze wil leiden tot omkeer, en zo tot behoud van zijn geest in de dag des Heren, in het eindoordeel (5).

Vss 6-8 funderen de opdracht om het kwaad uit te bannen. Daarbij beroept Paulus zich niet op het gebod zonder meer, maar op de noodzaak van heiliging, die de keerzijde vormt van het ontvangen heil. Bij Israels feesten ging het slachten van het Pascha-lam gepaard met het feest van de ongezuurde broden; dan moest het oude zuurdeeg (beeld van bederf, zonde) worden weggedaan (Ex. 12:1-20). Verlossing en vernieuwing behoren bijeen. Dat geldt des te meer voor de nieuwtestamentische gemeente: zij leeft van het offer van hét Paaslam Christus. Nu is ze ongezuurd (7), leeft niet meer onder de heerschappij van de zonde, en is daarom geroepen tot permanent /ees/elijk paasleven. Het nieuwe, door de verlossing ontvangen leven mag niet bedorven worden door het vasthouden aan zonden van het oude leven. In dit verband moet Paulus een misverstand wegnemen (vss 9-13) dat kennelijk gerezen was naar aanleiding van zijn vorige brief: alsof de vermaning om niet in gemeenschap met zondaars te leven betrekking had op het leven in deze wereld. Maar dan zou men alle banden met het aardse leven wel moeten verbreken, en dat is niet de bedoeling (Joh. 17:15). Paulus doelde op de verhoudingen binnen de gemeente. Daarbuiten moet men het vonnissen van de zondaars overlaten aan God. In de kring van de gemeente echter moet men aan de verantwoordelijkheid jegens elkaar gestalte geven door met hen die volharden in een zondig leven de gemeenschap te verbreken. Deze strekking van hoofdstuk 5 wordt onderstreept door het aanhalen van een zin die in Deut. als een refrein terugkeert (13:5; 17:7; 19:19; 22:24; 24:7).

Recht zoeken bij ongelovigen 6:1-11

Durft iemand…: Paulus wil de Kor. schokken: wat zijn we aan het doen? Kennelijk was het niet ongewoon dat gemeenteleden voor de wereldlijke rechter tegen elkaar procedeerden. Hoewel Paulus elders de positieve betekenis van de overheid onderstreept (Rom. 13:1-7) legt hij er hier de nadruk op dat de overheidspersonen behoren tot de onrechtvaardigen, de mensen die geen gehoor geven aan Gods geboden en beloften. Zulke overheden, ook rechters, leven, denken en oordelen vanuit een heel andere achtergrond dan de gemeenteleden, de heiligen: door God er toe bestemd en geroepen om van Hem te zijn (1). Zij zullen bij de komst van Christus betrokken zijn bij zijn oordelen over de wereld en de engelen (vgl. Mat. 19: 28; Luc. 22:30); weet ge dat niet uit het ontvangen onderricht (vgl. 3:16; 5:6; vss 15,19)? Moeten ze dan nu, bij het oordeel over aardse (geld-) zakèn diegenen te hulp roepen die in hun gemeenschap niet meetellen (3,4)? Beschikt de gemeente die zo prat ging op wijsheid niet eens over een broeder die zulke praktische zaken met wijsheid tot een oplossing kan helpen brengen? Als men in de gemeente niet in een sfeer van liefde en wijsheid tot overeenstemming kan komen en daarom tegen elkaar rechtszaken aanspant betekent dat een nederlaag in het gemeente-zijn. Is de betere weg dan niet, dat men liever de minste is (7)? Onrecht lijden is christelijk. Maar elkaar onrecht aandoen – daarmee lopen heiligen het gevaar terug te vallen in de wereld van de ongerechtigheid (8,9)! Van voorbeelden van die ongerechtigheid geeft Paulus dan een opsomming, zoals die bij het onderricht aan de gemeente van die tijd kennelijk een vaste vorm had gekregen (8,9). Het verworden heidense leven wordt hierin getekend. Wie daarin leven staan buiten het rijk van God (10). En sommigen in de gemeente hebben in zulke grove zonden geleefd. Maar…: met dat woord, drievoudig herhaald, bezingt Paulus het heil dat aan de Kor. is geschied. De doop die ze hebben begeerd en ontvangen was teken en zegel van de afwassing van hun zonden: God heeft hun oude leven weggedaan. Hij heeft hen ook aan Zich toegewijd (geheiligd) en in een nieuwe verhouding tot Zich geplaatst (gerechtvaardigd). Door de naam van de Here Jezus Christus en door de kracht van de Geest van God is dat heil werkelijkheid voor hen geworden.Laten ze nu daaruit blijven leven (11)!

Vrij, niet losbandig 6:12-20

Ook hier (vgl. bij 5:1) blijkt, hoe een bepaalde opvatting over het ontvangen hebben van de Geest er toe kan leiden dat men geen moeite heeft met sexuele grensoverschrijdingen. Het bezoeken van een publieke vrouw -waartoe in Kor. veelvuldig gelegenheid was – werd door sommigen in de gemeente niet ongeoorloofd geacht. Men beriep zich daarbij op woorden die wellicht van Paulus afkomstig zijn geweest (Alles is mij geoorloofd (12), dwz.: een gelovige heeft in Christus bevoegdheid over alles) én het woord over voedsel en maag (13a): het in acht nemen van bepaalde regels met betrekking tot het uoedsel is niet bepalend voor de verhouding tot God. Men gaf in Kor. aan deze woorden echter andere inhoud: omdat wij als geestelijke mensen boven het lichamelijke verheven zijn, kunnen wij naar eigen believen met ons lichaam omgaan. Daarbij stelden ze eten en drinken èn sexuele omgang op één lijn als zaken die voor het ‘geestelijke’ leven geen betekenis hadden.

Nu kan Paulus van eten en drinken al niet zeggen dat ze niets te maken hebben met de verhouding tot God (10: 31). Maar ten aanzien van de sexualiteit geldt dat nog veel sterker. Daarbij is immers het lichaam als geheel betrokken (18); en dat is – anders dan de spijsverteringsfunctie – geen zaak van voorbijgaande aard (13). Het lichaam is de mens zelf, zoals hij in deze wereld optreedt. Het offer waarmee Christus de gelovigen heeft vrijgekocht (20) raakt dan ook hun lichamelijk bestaan. Ook hun lichaam heeft Hij bevrijd van de macht van de zonde en gebracht onder zijn heerschappij; daarom zal het ook delen in zijn opstanding (13,14). Maar deze allesomvattende relatie tussen de Here Christus en het lichaam van de gelovigen sluit het contact met een publieke vrouw uit. Ook daarbij is immers sprake van de overgave aan elkaar zoals die wordt beschreven in Gen. 2:24 (17); deze overgave vindt echter plaats op een wijze die – anders dan in het huwelijk (Ef. 5:22-33) – volstrekt in strijd is met de gemeenschap met Christus. Daarom is hier een onverbiddelijke grens gesteld aan de christelijke vrijheid. Deze is alleen christelijk voor zover ze bijdraagt aan (nuttig is voor) de band met Christus, en niet de gelovigen weer knecht in de macht van de zonde (2). Dat Christus Heer is van de gelovigen en dat zij dus niet van zichzelf zijn blijkt, behalve in de toekomst (de opstanding) ook al in het heden. Ze hebben immers de grote gave van de toekomst, de Heilige Geest, ontvangen (vgl. Rom. 8: 11). Die Geest, die in de gemeente als geheel als in zijn tempel woont (3:16) maakt evenzeer het lichaam van de gelovigen tot zijn tempel (19). ln hun lichaam moet zich daarom de eredienst tot verheerlijking van God voltrekken (20). Opnieuw merken we, dat Paulus de zonde bestrijdt, niet vanuit het (zevende) gebod zonder meer, maar vanuit de relatie met Christus.

Over het huwelijk 7:1-11

Wanneer gelovigen het feit dat ze de Geest ontvangen hebben zó beleven, dat ze daardoor boven het aardse en lichamelijke leven verheven zijn, kunnen ze van daaruit nog twee kanten op: losbandigheid (1 Kor. 6:12-20) of onthouding. Dat laatste is nu aan de orde. Doet een christen er goed aan, getrouwd te zijn, en binnen het huwelijk sexuele omgang te hebben? Op vragen daarover, hem gesteld in een brief uit Kor. (1), gaat Paulus nu in. Duidelijk is, dat voor hem het huwelijk de door God in de schepping bedoelde ordening van de verhouding tussen man en vrouw is (2, vgl. Gen. 2:24,25). Man en vrouw leven daarin als mensen die niet van zichzelf zijn (vgl. 6:19) maar de beschikking over eigen lichaam aan de ander geven (3,4,5). Let op het wederzijdse – in die tijd iets bijzonders! -: voorrechten en plichten in het huwelijk gelden voor man èn vrouw; zie ook vss 10-16; 3334. Bij Paulus’ motivering van het huwelijk, als ‘voorbehoedmiddel’ tegen hoererij (2, vgl. vss 5,9,37), is te bedenken dat dit niet alles is wat hij over het huwelijk heeft te zeggen; vgl. Ef. 5:22-33. Maar in zijn verweer tegen gedachten die het hele sexuele leven in de sfeer van het onreine trokken, geeft Paulus een nuchtere waarschuwing. Juist een geforceerd ongehuwd blijven, of vermijden van de sexuele omgang in het huwelijk, kan de onreinheid in de hand werken. Wel aanvaardt Paulus een tijdelijke onthouding als positieve mogelijkheid met het oog op een periode van intensieve omgang met God (5). Ook is voor hem het ongehuwd blijven evenzeer een gave (lett. charisma, toerusting tot de dienst van God, 7) die God aan mensen kan toedelen als het gehuwd-zijn; daarbij toont hij een duidelijke voorkeur voor die gave die ook hemzelf gegeven is (vgl. bij vss 26-35). Hun die niet meer of nog niet gehuwd zijn beveelt hij deze mogelijkheid dan ook aan. Wanneer het huwelijk echter gesloten is, geldt onverkort het gebod – dat des te meer kracht heeft omdat het niet maar van de apostel maar van de Here Christus zelf afkomstig is – (Mat. 19:6,9; 5:32 en par. plaatsen), dat men geroepen is bijeen te blijven. Is men toch uiteen gegaan dan mag herstel van de huwelijksverhouding (zich verzoenen) niet door een nieuw huwelijk onmogelijk gemaakt worden.

Gebondenheid en vrijheid 7:12-23

De overigen: die echtparen, van wie – terwijl ze al gehuwd waren! – één van beiden christen geworden was; kennelijk leefde bij deze gelovigen de vraag, of het dan niet beter was, uiteen te gaan; zou men, door met een ongelovige verbonden te blijven, niet verontreinigd worden? Neen, zegt Paulus, zonder dat hij zich daarvoor kan beroepen op een woord van de Here Christus; hier is hijzelf, geleid door de Geest, bezig de wil van God te onderkennen (Ef. 5:17; vgl. vs 25). ln zo een huwelijk wordt niet de gelovige verontreinigd maar juist de ongelovige geheiligd: door de band met een gelovige wordt ook hij of zij gesteld in het licht van de gemeenschap met God, waarin de ander leeft. Anders zouden immers ook de zelf nog niet gelovende kinderen van gelovigen onrein zijn; doch, zoals bekend, is dat niet zo: ze zijn heilig, mét de gelovige ouder(s) in relatie gesteld tot God (14; een woord dat uiteraard niet geschreven is met het oog op de vragen rondom de doop, maar dat daarbij niet buiten beschouwing kan blijven). – ln de situatie waarover het nu gaat behoeft men een scheiding alleen dan niet uit de weg te gaan, als die door de ongelovige huwelijkspartner wordt gezocht, en men dus niet meer in die vrede waartoe gehuwden geroepen zijn bijeen zou kunnen blijven (15). Ook de eventuele bekering en redding van de ongelovige man of vrouw is dan geen motief om het huwelijk toch in stand te houden; hoe kan de gelovige vrouw of man weten, dat die hoop in vervulling zal gaan?

Alleen, laat ieder… (17): Paulus stelt de kwestie van het blijven in de huidige situatie (20,24) wat algemener aan de orde. Elke situatie, waarin God iemand tot het geloof geroepen heeft, mag gezien worden als door de Here toebedeeld, en dus als een van Christuswege geschonken mogelijkheid om daarin van Hem te zijn. Geen enkele levenssituatie is als zodanig bepalend voor het al of niet christen kunnen zijn; waar het in elke situatie op aan komt is: het houden van Gods geboden. Men behoeft zich dus niet per se aan een bepaalde situatie te onttrekken in de mening dat men dan pas waarlijk christen kan zijn. Zo zou bv. een onbesnedene kunnen menen, dat hij eerst besneden moet worden (of omgekeerd) om ten volle christen te kunnen zijn. In de gemeente van Kor. was het niet ondenkbaar, dat slaven zouden menen, pas werkelijk iets te kunnen betekenen, wanneer ze de vrijheid hadden gekregen (vgl. 12:15,16). Wellicht hebben de vrijen, door hun houding tegenover de slaven, daar ook aanleiding toe gegeven (vgl. 11:22b; 12:21). Maar in overeenstemming met zijn onderwijs in alle gemeenten (17) keert Paulus zich tegen zulke gedachten. Wie gekocht en betaald en zo het eigendom van Christus is (vgl. 6:20) is daardoor vrij geworden van elke slaafse binding aan mensen (23). Het van-Christus-zijn maakt aardse verhoudingen betrekkelijk: de slaaf is in de Here een vrijgelatene; de vrije is een slaaf van Christus (22). Reageert Paulus op een wellicht geforceerd streven naar vrijheid in Kor. alleen, door te zeggen: het is niet van betekenis, of men slaaf is dan wel vrij (21a)? Neen: de slaaf die de mogelijkheid geboden krijgt om vrij te worden, doet er goed aan, die te gebruiken om nu als vrije Christus te dienen (21b). Het zou dan ook vanzelf moeten spreken dat zij die macht hebben over anderen, dit Schriftgedeelte niet misbruiken door met een beroep erop, een vernederende situatie van afhankelijkheid onveranderd te laten.

De ongehuwden 7:25-40

Hier begint de bespreking van een nieuw punt, wellicht ook op grond van een vraag uit Kor.: hoe te handelen ten aanzien van huwbare meisjes. Ook hier heeft Paulus geen uitdrukkelijk bevel van de Here. Dat wil echter niet zeggen dat Paulus’ woorden hierover slechts een discutabele privé-mening weergeven. Als iemand die dankzij de ontferming van de Here de verfroi/wenspositie van apostel inneemt (25) en die als zodanig, niet minder dan de gemeenteleden in Kor., de Geest ontvangen heeft (40 slot) geeft hij een gefundeerd inzicht.

Ook hier vinden we bij Paulus een zekere relativering van huwelijk en gezin. Deze komt echter niet, zoals bij de Kor., voort uit overgeestelijke geringschatting van het aardse, lichamelijke leven! Wie het huwelijk aanvaardt doet geen kwaad (28) maar goed (38). Dat geldt ook (39) van het hertrouwen na overlijden van de echtgenoot. Wel moet de vrijheid om gehuwd te zijn christelijke vrijheid blijven; vandaar: …mits in de Here. Een huwelijk met een ongelovige is geen christelijke mogelijkheid! Toch valt sterke nadruk op het niet-hertrouwen (40) resp. ongehuwd blijven (26-38) als mogelijkheid die voorkeur verdient: het zo zijn (26; bedoeld is de ongehuwde staat) is goed (26), ja zelfs beter (38). In welk opzicht? Paulus noemt dan enerzijds de bestaande nood en de dreigende mogelijkheid van verdrukking voor het vlees (26,28), anderzijds de onverdeelde toewijding aan de (zaak van de) Here (32-35). In de tussenliggende vss 29-31 maakt Paulus duidelijk wat hij ten diepste bedoelt: de tijd is kort; bedoeld is niet de kortheid van het mensenleven maar de nabijheid van Christus’ komst. De nieuwe wereld staat op aanbreken! Dat betekent dat het bestel (lett. schema) van déze wereld bezig is te verdwijnen. Dat maakt het leven in deze wereld tot iets betrekkelijks en voorlopigs. Een christen is vrij om deel te nemen aan hetgeen bij het leven in deze wereld hoort (huwelijk, blijdschap, verdriet), maar moet zich er niet zó ten volle aan overgeven, alsof deze dingen ‘het einde’ zijn. Met twee dingen moet in de tijd die nog rest voor Christus’ komst gerekend worden. De zaak van de Here moet behartigd worden (32-35) en het is goed als het een mens gegeven is, zich naar lichaam en geest onverdeeld daaraan te kunnen wijden; dan heeft het ongehuwd zijn veel voor. Paulus ziet hier mogelijkheden voor vrouwen en mannen! – En: de tijd voor Christus’ komst wordt gekenmerkt door vijandschap en dus door nood en verdrukking (26-28); deze zijn gemakkelijker te verwerken wanneer men niet de verantwoordelijkheid heeft voor man of vrouw en voor een gezin.

Vindt nu iemand… (36-38): de vraag is of het hier gaat om een vader die zijn dochter al dan niet uithuwelijkt dan wel om een jongeman die zijn meisje al dan niet huwt. Vss 36,37 met hun toespeling op hetgeen behoorlijk is in verband met de mogelijkheid tot zelfbeheersing wijzen in laatstgenoemde richting.

Het eten van offervlees 8:1-13

Paulus snijdt een nieuwe vraag aan die ook aan de orde was gesteld in de brief uit Kor. (zie 7:1). Er werd verschillend gedacht over het eten van spijzen, met name vlees (vs 13), die eerst betrokken waren geweest bij afgodenoffers. Zulke spijzen werden vervolgens te koop aangeboden in de markthal (zie 10:25); men kon ze dan ook voorgezet krijgen tijdens een maaltijd bij iemand thuis (10:27); maar de voornaamste kwestie waarop Paulus ingaat is het eten van zulke spijzen bij een offermaaltijd in een afgodentempel (vs 10; 10:14-22). Maatschappelijk en religieus leven waren sterk verweven; bepaalde verenigingen, waarschijnlijk een soort ‘gilden’, hadden een verenigingsgebouw dat tevens tempel was. De maaltijden die daar gehouden werden waren rechtstreeks verbonden met de vooraf gebrachte offers; ook de losbandigheid waarmee die maaltijden gepaard gingen stond niet los van de heidense religie met zijn gewijde prostitutie. Hoe moeten christenen hun houding bepalen in zulk een heidense omgeving, waar ze godsdienstig gezien tot voor kort zelf deel van uitmaakten en maatschappelijk gezien nog geheel aan verbonden waren? Het was – wilde men niet ‘uit de wereld gaan’ (5:10) -, niet eenvoudig, zich aan de verenigings-aktiviteiten en dus aan het tempelleven te onttrekken. Maar volgens een deel van de Kor. gemeenteleden was dit laatste voor de gelovigen ook niet nódig. Hadden ze door het evangelie niet allen de ware kennis ontvangen (la): afgoden bestaan niet!? Daardoorwisten ze zich verheven boven de religieuze geladenheid van het verenigings-gebeuren; voor hen bleef alleen het sociale aspect over.

Paulus vat deze zaak aan in de kern (1-3). Hij erkent de kennis, in de zin van: het inzicht waarover de gelovigen nu beschikken tav. de afgoden, als juist. Toch kan zij niet hét uitgangspunt voor het handelen zijn; doordat men dan, vanuit eigen gelijk, gemakkelijk de ander veroordeelt, maakt de kennis opgeblazen (vgl. 4:6). Het gaat primair om die kennis, waarmee God ons kent en wij Hem kennen. Daarin staat de liefde centraal; die zal dan ook de verhouding tot de broeders bepalen. Liefde schept geen verwijdering maar sticht gemeenschap; zij bouwt de gemeente op (sticht).

Daarmee stelt Paulus dus de kennis niet terzijde: wij weten… (4). Weliswaar worden elementen uit de werkelijkheid, hetzij in de hemel (zon, maan), hetzij op de aarde (bv. de keizer!) door hun aanbidders als goden benoemd (zo genaamd) en behandeld; op die wijze is het bestaan van goden en heren een realiteit, en geen geringe: ze zijn er in menigte. Maar de gelovigen weten: er is geen Gód dan Eén: de Vader, er is één Here, Jezus Christus; verder is er in de werkelijkheid niets waardoor we ons zouden moeten laten beheersen alsof het goddelijk zou zijn. Alle dingen zijn uit de Vader, en door Christus; het leven van de gelovigen mag daarom zijn tot (gericht op) de Vader en door Christus. Afgoden zijn nietsen! (4-6). Maar (7) niet voor alle gemeenteleden is dit geloofsinzicht volle realiteit geworden. Er zijn er, voor wie de afgoden toch nog een werkelijke macht vertegenwoordigen. Hun geweten is daarin zwak: nog niet in staat te oordelen vanuit de kennis van het geloof. Het eten van spijzen die deel hebben uitgemaakt van offers brengt hen voor hun besef weer in de greep van de afgoden. Hoezeer dit op zichzelf ten onrechte is (vgl. echter 10:14-22), toch is op de houding van de sterken aanmerking te maken. Zij leggen zoveel nadruk op de vrijheid en bevoegdheid om wél te eten dat het lijkt of de verhouding tot God daarmee staat of valt (8)! Het gevaar is echter dat ze door een konsekwent gebruik van hun bevoegdheid zondigen tegen de zwakke broeder en hem ernstig beschadigen in zijn geloof (9). Hij zou, door het voorbeeld van de sterke, zich kunnen laten overhalen tot het deelnemen aan iets dat naar het vonnis van zijn geweten afgodendienst, dus verloochening van Christus, is (10). Dan stort de kennis van de sterke de zwakke in het verderf: zijn geloofsband met Christus – die toch ook ter wille van hem gestorven is –wordt erdoor ondermijnd en verwoest (11). Daarom kan de christelijke vrijheid nooit dé norm voor het handelen zijn. Het konsekwent beleven ervan kan een broeder aanstoot geven (9) – dat is niet maar: een gevoel van ergernis opwekken, maar: in zonde doen vallen, zijn band met Christus verbreken. Als zo de vrijheid tot zonde tegen de broeders en dus tegen Christus wordt (12,13) moet de liefde een halt toeroepen aan de vrijheid die men op grond van kennis voor zich opeist!

Rechten der apostelen 9:1-14

Paulus bevestigt het voorgaande met het voorbeeld van eigen leven en werk. Had hij geen reden, te spreken van vrijheid (1) en bevoegdheid (3,12)? Is hij geen aposteP. Jezus, die hem verscheen, riep hem daartoe, en de uitkomst van zijn werk, ook in Kor., heeft die roeping bezegeld. Daarmee kan hij zich verdedigen tegen wie zijn apostelschap zouden aanvechten. Maar van de Kor. verwacht hij, dat ze hem en zijn positie zullen erkennen (13). – Het valt dus niet te ontkennen dat Paulusbevoegdheid zou hebben om van de gemeenten eten en drinken (levensonderhoud) te ontvangen, en om een zuster in het geloof als echtgenote te hebben en haar op zijn reizen mee te nemen. Dat doen immers ook anderen – die vervolgens in een opklimmende reeks (gerekend naar hun aanzien bij de gemeenten) genoemd worden (4,5). Het is toch niet zo dat alleen Paulusen Barnabas verplicht zijn, zelf voor hun levensonderhoud te zorgen (6)! Niet alleen is de ongerijmdheid van die gedachte van menselijk standpunt aan te tonen met voorbeelden uit het leven (7,8a); er is ook een bepaling in de wet van Mozes die hierop van toepassing is: een dorsende os mag niet verhinderd worden om van het graan te eten (zie Deut. 25: 4). Nu is het bij God toch niet zo, dat zijn zorg uitgaat naar de óssen (terwijl Hij dan ménsen zou vergeten, zo mogen we er bij denken) (8b,9). Volgens de rabbijnse uitleggingsregel dat hetgeen geldt van het mindere ook van toepassing is op het meerdere, ziet Paulus deze bepaling nu gericht op Gods grote heilswerk en de verkondiging daarvan. Wie daarin ‘ploegen’ en ‘dorsen’ mogen bemoedigd worden door de verwachting dat de gemeente, die van hen het geestelijke ontvangt, hen met het stoffelijke zal verzorgen (10,11). Als ónderen van die bevoegdheid mogen genieten, dan toch zeker ook Paulus (12). Bij de eredienst van Israel mochten zij die daarin dienden toch ook léven van wat tot het altaar werd gebracht? Zo heeft de Here ook in de nieuwe bedeling een overeenkomstige regel gesteld (13,14). Maar (12b), zoals Paulus van de Kor. een offer vraagt in het gebruiken van hun bevoegdheden (8:9.13) zo heeft hijzelf daarin ook een offer gebracht. De ongestoorde voortgang van het evangelie is een groter belang dan het ongehinderde gebruik van zijn bevoegdheid. Hij wilde de verdenking vermijden dat hij niet anders zou zijn dan de vele religieuze en filosofische propagandisten uit die tijd die zich voor hun ‘waarheid’ goed lieten betalen; dan zou het evangelie in discrediet zijn gebracht!

Paulus maakt geen gebruik van zijn recht 9:15-27

…niet het minste gebruik…: zie vs 12b, vgl. Filp. 4: 15,16. Dat hij er nu over schrijft is evenmin met de bedoeling, dat van nu af de regel van vs 14 wél op hem toegepast zou worden; hoe diep dit alles Paulus raakt blijkt uit de gebroken zin waarmee vs 15 eindigt. Geen stof tot roemen…: als Paulus het evangelie brengt is dat op zichzelf niet iets waarop hij zich kan verheffen of waarvoor hij loon kan verwachten. Dat zou wel zo zijn als hij (17a) het gewillig, beter vertaald: uit eigen beweging deed, doordat hij zich vrijwillig, op basis van een arbeidsovereenkomst, ertoe verhuurd had. Het is echter een taak die hem, als slaaf van Christus, opgedragen is en waar hij niet onder uit kan; wee hem, als hij dat toch zou willen (16b, 17b). Zijn enige roem, die hij dan ook niet wil laten verijdelen (15 slot) is: dat hij van zijn bevoegdheid geen gebruik maakt maar het evangelie brengt om niet (18); daarin bestaat ook zijn loon. Paulus spreekt paradoxaal: zijn ‘loon’ is, dat hij geen loon vraagt; zijn ‘roem’ is,geen roem voor zichzelf te zoeken; zijn ‘verhoging’ ligt daarin, dat hij in alle nederigheid alleen maar dienstbaar wil zijn, en daarbij bereid is tot grote verliezen op het punt van zijn vrijheid; als hij maar winst mag boeken voor zijn Here (19)!

Het allen van vs 19 wordt nu gespecificeerd (20-23). Paulus’ werk bracht hem in aanraking met verschillende soorten mensen: Joden, levend onder het regime van de wet van Mozes (vgl. Rom. 6:14); niet-Joden, die Gods verbond en woorden niet kenden {zonder wet), en – binnen de gemeente – naast de sterken, ook de zwakken (zie bij 8:7-13). Maar nooit heeft hij zich boven wie ook verheven, alsof zij tot zijn niveau moesten opklimmen. Integendeel: hoewel zelf verlost van de heerschappij van de wet en gesteld onder die van de genade, is hij hun die daar nog wel onder leefden in houding en gedrag zo nabij gekomen als maar mogelijk was. En hoewel hijzelf zich het leiden door Gods gebod, dat in Christus nieuw tot hem kwam, heeft hij toch dat nieuwe leven niet gebruikt als voetstuk vanwaar hij neerzag op de van God vervreemde heidenen; hij is naast hen komen staan. En zo heeft hij ook ten aanzien van de zwakken gehandeld, zoals hij het nu van de sterken in Kor. vraagt. Nooit ging het hem erom, zoveel mogelijk te genieten van eigen geestelijk bezit; altijd was bij bereid tot de offers die nodig waren om – van welke groep ook – er een aantal te redden; want ten opzichte van allen ging het hem er om: hen te dienen, te winnen (20-22). Hij is zich er van bewust dat hij alleen zo ook zelf deel zal verkrijgen aan wat het evangelie belooft.

Want zijn persoonlijk aandeel in het komende heil is voor Paulus geen vanzelfsprekendheid, zodat er geen inspanning en strijd meer nodig zouden zijn, en de mogelijkheid om in het eindoordeel afgewezen te worden (27) met een gerust hart vergeten kan worden. De ‘sterke’ Kor. deden dat! Wat kon hun nog overkomen? Zij waren er. Maar de zekerheid van het geloof (zie Rom. 8:3139) wil niet leiden tot valse gerustheid maar juist tot volharding in de dagelijkse strijd van het geloof.

In Kor. kende men van nabij de periodiek gehouden ‘Isthmische spelen’; wellicht zinspeelt Paulus daarop in vss 24-27. Zoals sportlieden door een geconcentreerde training, waarbij ze zichzelf heel wat ontzeggen, streven naar het behalen van een vergankelijke erekrans, zo moeten des te meer de gelovigen er ten volle ernst mee maken om hun krans, de eeuwige heerlijkheid, te ontvangen (vgl. 2 Tim. 2:5; 4:8; Heb. 2:9; Op. 2:10 eap.). Men moet in de beeldspraak niet te veel lezen: Paulus bedoelt uiteraard niet, dat ook in de strijd van het geloof slechts één de prijs kan ontvangen (24); evenmin wekt hij in vs 27 op tot religieuze zelfkastijding. Het punt van vergelijking is, dat de eindoverwinning alleen door volhardende oefening en strijd behaald wordt; daarin stelt Paulus zichzelf dan ook ten voorbeeld, zie 10:33,11:1. Oefening en strijd bestaan in dit verband in de inspanning en opoffering die nodig zijn om anderen voor Christus te winnen en bij Hem te houden (8:13; 9:19-22) en om zélf niet terug te vallen in de zonde (daarover nu, 10:1-13).

Israel als waarschuwing 10:1-13

Want… legt de verbinding met het voorgaande; de zorg om niet zelf afgewezen te worden (9:27) is ook voor de

Kor. niet overbodig; om hen daarvan te overtuigen wil Paulus hen er diep van doordringen (ik stel er prijs op, dat gij weet) hoe het is gegaan met de Israëlieten, die voor de nieuwtestamentische gemeente mogen gelden als onze vaderen. Daarbij tekent bij Israels weg en werk in bewoordingen waarin de Kor. zichzelf konden herkennen: ook van Israel gold immers dat het – bij de uittocht uit Egypte – deelde in Gods verlossend handelen; daarbij lieten zij zich dopen in Mozes dwz. hun ‘doop’ bracht hen onder de zeggenschap van Mozes, zoals de gemeenteleden die werden gedoopt in Christus (Rom. 6:3) onder de zeggenschap van Christus kwamen. Tekenen bij de doop van Israel waren de wolk en de zee (zie Ex. 13:21; 14:19-22); daarin werden voor hen verlossing en bescherming van Godswege zichtbaar (1,2). Verder hadden ook de Israëlieten in zekere zin deel aan de maaltijd des Heren: ze aten allen hetzelfde geestelijke, di. van God afkomstige, voedsel: het manna, Ex. 16, en dronken allen dezelfde geestelijke drank: water uit een rots, Ex. 17:1-7. Dat de zorg van God die daarin bleek hen de hele reis bleef vergezellen, zegt Paulus met woorden uit de joodse traditie: …welke met hen medeging. En die rots was de Christus: het heil dat Israel ontving was ten diepste geen ander heil, dan hetgeen de gemeente nu ontvangt in Christus (3,4). Zo was Gods handelen met Israel een voorafbeelding (6, lett. type) van zijn werk aan de nieuwtestamentische gemeente. Mozes wees vooruit naar Christus. Daarom moet de gemeente zich ook laten waarschuwen door het oordeel dat Israel trof. Al deelden allen (vijf maal in vss 1-3!) in de heilsdaden van God en de tekenen daarvan, toch kwamen niet allen behouden aan. God heeft zelfs het merendeel van hen moeten afwijzen vanwege hun ongeloof en ongehoorzaamheid (5; Num. 14:22,23; Heb. 3:7-19). Het betrokken zijn bij Gods heilsdaden en het ontvangen van de tekenen daarvan vormen geen automatische garanties, dat men voorgoed boven verzoeking en gevaar verheven is en de heerlijkheid al in bezit heeft! Zij die in Kor. zo dachten en dus meenden te staan moesten maar toezien dat ze niet eveneens ten val zouden komen (12). Dezelfde zonden waardoor God in een groot deel van de Israëlieten geen welgevallen kon hebben (5) bedreigden ook hen, met name bij het deelnemen aan de bijeenkomsten in een tempel: afgoderij, gepaard gaand met losbandigheid (7) en met hoererij (8; vgl. Ex. 32:1-6); het verzoeken van de Here (9; Num. 21:4-9): hun houding wordt niet gekenmerkt door ootmoedig leven van genade maar eigenwijs en hoogmoedig optreden. Zoals Israel zich morrend verzette tegen Gods leiding via Mozes (Num. 16:3) zo begint men ook in Kor. te morren tegen Paulus (10). Dit is voor de Kor. des te erger omdat zij delen in het einde der eeuwen, de voleinding die met Christus’ komst begonnen is. Nu komt Gods genade, maar ook zijn oordeel tot voltooiing. Al wat over Israel geschreven staat spitst zich daarom belovend en vermanend toe op de nieuwtestamentische gemeente (11). Geen hoogmoed dus – die komt voor de val (12). Maar voor ontmoediging is evenmin reden. De verzoeking waar de gemeente nog midden in staat gaat de menselijke maat niet te boven. En de gemeente behoeft haar zekerheid niet te zoeken in zichzelf en eigen geestelijk niveau, maar mag die vinden in God, die getrouw is. Hij geeft uitkomst, niet door ons de verzoeking te onthouden, maar door kracht te geven die ons ér tegen bestand doet zijn. Dat geeft moed tot de strijd tegen de zonde (daarover nu, 10:14-22)!

Het avondmaal 10:14-22

Daarom dan: er volgt een conclusie uit 10:1-13. Niet alleen terwille van de zwakken in de gemeente moeten de sterken zich onthouden van het deelnemen aan heidense offermaaltijden (zie bij 8:9-13), maar ook terwille van zichzelf. Hij heeft daarvoor een negatieve reden gegeven: ze moeten niet wanen, zo sterk te staan, dat zij wel immuun zijn voor de afgoderij bij deze maaltijden (10: 7,12); daarom moeten ze zich niet daarin begeven, maar die ontvluchten (14). Nu volgt er een positieve reden (vss 16-22), waarbij Paulus een beroep doet op hun mondigheid: ze kunnen zelf beoordelen wat hij zegt. Viering van het avondmaal en deelname aan heidense offermaaltijden sluiten elkaar uit: Gij kunt niet… (21). Wellicht om overeenkomst én contrast tussen beide van meet af te doen uitkomen begint Paulus met het noemen van de beker bij het avondmaal; een heidens offermaal begon namelijk met het rondgaan van een beker. Dankzegging ziet op de lofprijzing (lett. zegening) van de Naam des Heren die bij de derde beker van de paasmaaltijd werd uitgesproken; het was die beker die door Jezus bij de maaltijd voor zijn sterven gemaakt werd tot de beker van het avondmaal. Bij het rondgaan van en drinken uit die beker, evenals bij het breken van het brood, is de levende Christus werkzaam: Hij is bij het avondmaal de Gastheer. In de tekenen geeft Hij aan de gelovigen, en ontvangen zij, gemeenschap met zijn lichaam en bloed. Zij ontvangen èn nemen daarin deel aan het heil, dat Hij met het offer van zijn leven bewerkte (16). Het samen daarin delen verbindt de velen uit wie de gemeente bestaat tot één lichaam (17, zie 1 Kor. 12).

Paulus trekt nu eerst de parallel tussen het avondmaal als offermaaltijd van het nieuwe verbond en de offermaaltijden vanIsrael naar het vlees, di. Israel zoals het als volk zijn plaats op aarde en in de geschiedenis heeft ontvangen en waarmee de gemeente verbonden is omdat ze deel heeft gekregen aan Gods werk in dat volk. Het deelnemen aan de offermaaltijd betekende gemeenschap met het altaar (18): het delen in het heil waarvan het offer op het altaar sprak. Welke conclusie verbindt Paulus daar nu aan voor het deelnemen aan de heidense offermaaltijden? Niet deze, dat ook een afgod(enoffer) een realiteit zou zijn; wat hij in 8:4-6 daarover gezegd heeft neemt Paulus niet terug. Maar dat wil niet zeggen, dat een heidense offermaaltijd onschuldig is. Men is daar (zie Deut. 32:17) op het terrein waar de boze geesten hun macht laten gelden. Het is hun beker waaruit men daar drinkt, hun tafel waaraan men daar eet (19,20); en dat verdraagt zich ten enen male niet met het drinken uit de beker en eten aan de tafel van de Here (21). Met nog een toespeling op Deut. 32 (16,21) vraagt Paulus tenslotte of de Kor., evenals Israel dat deed, de naijver en toorn van de Here willen opwekken; denken ze soms, daartegen bestand te zijn (22)?

Lief de jegens zwakken 10:23-11:1

Paulus rondt af hetgeen hij over het eten van offerspijzen wil zeggen; nu gaat het over het eten daarvan buiteneen tempel. Dan zijn we op het terrein van de christelijke vrijheid, die bepaald wordt door het woord: de aarde en haar volheid is van de Here (Ps. 24:1) zodat gezegd kan worden: alles is geoorloofd (naar de paulinische uitleg daarvan, zie bij 6:12). Geen enkel voedsel behoeft dus vermeden te worden omdat het demonisch besmet zou zijn! In onderscheiding van de regels die in dit opzicht voor Joden golden behoeven christenen bij aankopen in de markthal of tijdens een maaltijd bij een ongelovige relatie niet angstvallig navraag te doen naar de herkomst van het voedsel (25,26,27). Doen indien iemand (een mede-christen die zelf gewetensbezwaar heeft tegen elk eten van offerspijs, 8:10; óf: een heiden die ervan uitgaat dat elk eten van offerspijs betrokkenheid bij de afgodendienst betekent) de aandacht vestigt op die herkomst, moet men rekening houden met die ander en zijn geweten (28). Want (29) de vrijheid die een christen in eigen geweten heeft kan nooit afgemeten worden met de maat van het geweten van een ander; indien ik oprecht God kan dankzeggen bij iets wat ik doe of gebruik heeft een ander niet het recht, mij daarover lasterlijk te beschuldigen (30). Toch kan het nodig zijn ook in zo’n geval het eten na te laten – als namelijk het geweten van die ander daardoor in de knel zou komen. De vraag wat nuttig en opbouwend is voor de ander moet dan de doorslag geven, en bepalen waar de grens van de vrijheid ligt (23,24; vgl. 6:12; 8:9-13). Daarom is een belangrijke regel, niets te willen doen dat voor een ander, Jood of heiden, binnen of buiten de gemeente, een hindernis zou kunnen zijn voor het komen tot of blijven in het geloof (32). Opnieuw herinnert Paulus daarbij aan zijn eigen voorbeeld (vgl. 1 Kor. 9) en roept op, om in dit opzicht hem, en daarin Christus, na te volgen (10:23; 11:1). Zo alleen zal het leven van de gelovigen in alles, wat ze ook doen, ook in eren en drinken, tot eer van God zijn (31).

De positie van de vrouw 11:2-16

Over navolging gesproken (11:1): Paulus kan het in de gemeente prijzen (vgl. echter vss 17,22) dat ze zich houdt aan zijn overleveringen, di. de aan en door de apostel overgeleverde boodschap, die de verkondiging van het heil in Christus én aanwijzingen voor de navolging van Christus omvat (zie 4:17; 11:23 – en de toelichting daarbij -; 15:3-5; Rom. 6:17; 2 Tess. 3:6). Met een lovend woord aan het begin baant Paulus de weg voor het volgende onderricht (dat wellicht weerstanden zal oproepen, 11:16) over de plaats van de vrouw ten opzichte van de man in de gemeente. Sommige vrouwen in Kor. wilden (wellicht uit reactie tegen de wijze waarop mannen op hen neerzagen) laten zien dat zij beslist niet voor mannen onderdeden, maar aan hen gelijk waren. Een dergelijk emancipatie-streven is echter niet dienstbaar aan het werk van God en de opbouw van de gemeente: mannen en vrouwen worden er door uiteen gedreven in concurrerende groepen die elkaar de loef afsteken in het ‘vrij’-zijn. De band waarmee God mannen en vrouwen aan elkaar verbindt om in dit aardse leven, ieder op eigen plaats, Christus en de naaste te dienen, wordt erdoor verbroken. Daarom bestrijdt Paulus het gevaar dat hier opdoemt, door man èn vrouw hun plaats te wijzen. Centraal staat daarbij het begrip hoofd (3): vanuit het O.T. is daaronder te verstaan: degene die (resp. dat, wat) aanhet begin staat, voorop gaat; de voortrekker, die bepalend is voor wie na hem komen; verwante begrippen zijn ‘begin’ en ‘eerstgeborene’. Daarbij spreekt Paulus over de man en de vrouw zonder dat hij – zoals in 14:34,35 en Ef. 5:22-33 – met zoveel woorden de huwelijksverhouding noemt. Wanneer Paulus nu begint met te zeggen: het hoofd van iedere man is Christus wil dat niet zeggen dat Christus uitsluitend hoofd van de man, en niet van de vrouw zou zijn. Vóór Paulus iets over de vrouw zegt, richt hij zich speciaal tot de man: deze moet zijn positie als hoofd tov. de vrouw niet misverstaan of misbruiken. Hij kan pas hoofd zijn, als hij eerst Christus als hoofd erkent, Hem volgt op zijn weg, en niet eigenmachtig zijn weg bepaalt; én als hij van Christus leert wat hoofd-zijn inhoudt: niet heersen, maar dienen; niet némen, maar geven, offeren (vgl. Ef. 5:25-27). Deze gezindheid van Christus komt ook uit wanneer Paulus, nadat hij gezegd heeft: het hoofd der vrouw is de man, als derde lid aan de reeks toevoegt: en het hoofd van Christus is God. Ook Christus was en is in zijn verlossingswerk niet gericht op Zichzelf en eigen glorie maar op de gehoorzame dienst aan God. Vrouwen en mannen moeten dus bij het woord hoofd niet denken aan een machtsverhouding tussen de geslachten, maar om de plaats die ze naar Gods bestel samen, maar ieder op eigen wijze, hebben in de dienst van God.

In vs 4 gaat Paulus in op de concrete kwestie die aan de orde is: niet zozeer de hoofdtooi van de vrouw, als wel: de houding van de vrouw ten opzichte van de man bij het uitspreken van gebeden en profetieën (zie over profetie bij 14:3). We zullen daarbij moeten denken aan bidden of profeteren in een samenkomst van de gemeente. ‘Het was immers niet nodig dat de vrouw haar hoofd bedekte in de beslotenheid van haar huis. En waar zou zij nog anders profeteren, behalve in de tegenwoordigheid van de gemeente?’ zo is terecht geschreven (zie ook 14:4). Vragen over de door Paulus vereiste hoofdbedekking zijn wellicht niet met volstrekte zekerheid te beantwoorden; het is de vraag of we voldoende op de hoogte zijn van de toenmalige zeden op het gebied van de mode. Duidelijk is in ieder geval dat Paulus niet het bidden of profeteren door een vrouw op zichzelf, maar het blootshoofds optreden daarbij afwijst, als demonstratieve uiting van gelijk willen zijn aan de man, en dus als een handelen in strijd met het eigene van haar vrouw-zijn. Anders dan nu, was toen bij het al dan niet dragen van een hoofdbedekking kennelijk direct dat eigene van het vrouw-zijn in geding (4-6): het optreden met gedekt hoofd, waardoor de man zijn man-zijn te schande zou maken, is bij de vrouw juist typerend voor haar vrouwelijke eer (zie ook vs 14). Laat zij dat na, dan kan ze even goed haar vrouwzijn nog verder ontluisteren door het haar te laten afknippen of zelfs zich kaal te laten scheren. Het dragen van lang haar en het dragen van hoofdbedekking hadden in die tijd kennelijk dezelfde gevoelswaarde, als kenmerken van het vrouw-zijn; dat blijkt ook in vss 14,15, met hun beroep op het natuurlijke besef van wat behoorlijk is, zoals dat toen functioneerde: Leert de natuur zelf u niet…!

Dat de man het hoofd is van de vrouw – hetgeen daarin uitkomt dat hij het hoofd niet moet dekken (7) – wordt door Paulus verklaard tegen de achtergrond van Gen. 1 en 2. God schiep de mens naar zijn beeld (Gen. 1:26,27): hij moest in zijn daden de heerlijkheid van God op aarde doen stralen (beeld én heerlijkheid ook in 2 Kor. 3:18). Nu betrekt Paulus hier van meet af Gen. 2:18-21 bij: de naar Gods beeld geschapen mens is in eerste instantie de man; zo kan Paulus zeggen dat hij het beeld en de heerlijkheid Gods is. Hij kan echter alleen niet goed zo functioneren, maar heeft een hulp nodig (Gen. 2:20), die hem gegeven wordt in de vrouw. Zo is zij geschapen om de man (9). Daarmee wordt – evenals met het woord ‘hulp’ – niet haar onderworpenheid aan de man uitgedrukt. Er wordt mee gezegd: zij is er terwille van de man, die op haar aangewezen is. Wanneer Paulus dat in vs 7 zó zegt: de vrouw is de heerlijkheid van de man kan dat niet betekenen dat de vrouw niet de heerlijkheid van Gód zou zijn; ook Paulus heeft immers in Gen. 1:27 gelezen dat God de mens schiep naar zijn beeld, man en vrouw. De vrouw vertegenwoordigt dit beeld-van-God echter niet zelfstandig naast de man, of concurrerend met hem, maar in die verbondenheid met de man waarin God haar stelde. Daarbij heeft, in het beeld-van-God zijn, ieder toch een eigen plaats, die niet verwisselbaar is: de man is niet uit en om de vrouw geschapen maar de vrouw uit en om de man (8,9). De man is begin, eerst-verantwoorde-lijke, voortrekker, hoofd; de vrouw sluit zich bij hem aan in een gelijkwaardigheid die geen gelijkheid is. Daarom moet de vrouw… (10): moeilijk te verklaren woorden; wellicht is de zin: de vrouw heeft alleen macht (= bevoegdheid) tot bidden en profeteren wanneer ze daarbij haar eigen positie als vrouw tov. de man met verloochent; zich presenteert als vrouw en niet als gelijke van de man, en dat laat blijken in wat ze op het hoofd draagt; daarbij bedenkend dat de engelen die het werk van God op aarde goed volgen (4:9), juist hierop attent zijn.

En toch… (11): er is voor de man geen aanleiding om zich superieur te wanen! Hij wordt hoofd genoemd, niet: heer; en ook hij kan zijn roeping niet vervullen zonder het andere geslacht. Zo was het in de schepping (zie boven); zo is het in de Here: daar waar Christus door zijn werk het leven bepaalt, dus: in de gemeente. Trouwens, reeds het nuchtere feit dat niet alleen de vrouw uit de man geschapen is maar ook de man door de vrouw ter wereld wordt gebracht, getuigt daarvan. En beide zijn ze uit God: hun oorsprong en eenheid vinden ze in Hem. Tenslotte (16) wijst Paulus diegenen die op dit punt, tegen zijn voorschrift (17) in toch hun visie willen doorzetten erop, dat ze daarmee zich in een hoogmoedige uitzonderingspositie plaatsen ten opzichte van de gedragslijn van de apostel en de gemeenten – waar niet mensen het laatste woord hebben, maar Gód, omdat het zijn gemeenten zijn.

Misbruiken bij het avondmaal 11:17-34

Nu moet een situatie aan de orde komen, die niet prijzenswaardig is (17,22, vgl. vs 2). Het samenkomen van de gemeente, waarin de vrede van Christus zichtbaar moest worden, is verworden tot een demonstratie van tweespalt en verwijdering (lett. schisma, 18, en heresie, 19; de latere kerkelijke betekenis van deze woorden, nl. scheuring en ketterij, is hier nog niet aanwezig). Moeten (19): hoezeer de scheuren die bij het samenkomen in degemeente zichtbaar worden ook te veroordelen zijn, in de raad van God dienen ze toch de toetsing waarbij kaf en koren in de gemeente aan het licht komen.

Bij het eten van de maaltijd des Heren, di. de viering van het avondmaal verbonden met een gemeente-maaltijd, trad een misstand op waardoor deze maaltijd in zijn wezen werd aangetast (20): tegenover de behoeftigen werd de liefde geschonden (22). De gemeentemaaltijd diende namelijk, om in hun behoeften te voorzien; maar in plaats van te wachten (33) op wie (te) laat kwamen, begonnen de aanwezigen al vast de door hen meegebrachte porties te verorberen. Zij aten en dronken zich zat, en als de behoeftigen binnenkwamen (het zullen veelal de slaven zijn geweest, die niet konden komen wanneer zij zelf wilden), stonden zij beschaamd, met lege maag (21). Maar in deze individualistische, egoistische gezindheid vierde men dan toch het avondmaal; en dat, terwijl men de gemeente minachtte – zó noemt Paulus het, wanneer de behoeftigen, aan wie God in de gemeente zo’n voorname plaats heeft gegeven (1:28), gering geacht worden. De gemeentemaaltijden zijn er, voor wie geen gebrek lijden, niet om zichzelf te goed te doen: zij kunnen in hun huizen volop eten en drinken (22,34); laten ze het samenzijn als gemeente gebruiken om aan de ander liefde te bewijzen.

Want zelf heb ik…: de overlevering aangaande de avondmaalsinstelling functioneert nu, tegenover dit beeld van het gemeenteleven, als beschamende verkondiging van de zelfovergave van Christus, waarvan de gemeente in brood en wijn het teken en zegel ontving. Bij overlevering, traditie: niet in de zin van overgeleverde gewoonten en gebruiken; het woord ziet op het proces van ontvangen en weer overgeven van de boodschap aangaande Christus; vervolgens ook op de inhoud van die boodschap (vgl. bij 11:23). Van de Here: de oorsprong van de overlevering ligt bij de verhoogde Christus. Zijn Geest zou immers de apostelen leren en te binnen brengen al wat Hij gezegd had en hun de weg wijzen tot de volle waarheid (Joh. 14:26; 15:13,14). De apostelen, ook Paulus, zijn dan ook de dragers van deze overlevering, die aanvankelijk mondeling, later schriftelijk werd doorgegeven en werd vastgelegd in de nieuwtestamentische geschriften. Daartoe behoort nu ook het bericht over de instelling van het avondmaal. Van de vier geschriften van het N.T. die dit bericht bevatten (Mat., Mar., Luc, 1 Kor.) is 1 Kor. het oudste.

Hij werd overgeleverd (23, hetzelfde werkwoord als overgegeven in dit vs), vgl. Mar. 9:31; overgeleverd door mensen (Hand. 3:13) maar naar de raad van God (Hand. 2:23; vgl. Joh. 3:16). Zie voor de uitleg van de instellingswoorden (24,25) bij Luc. 22:19,20 en de par. plaatsen in Mat. en Mar.

Want zo dikwijls… (26): hier spreekt Paulus zelf weer. Verkondigt gij, door de daad van de viering; of: verkondigt (gebied, wijs); in dat geval wordt de gemeente opgeroepen om bij de viering met woord en lied verkondigend bezig te zijn. Wat verkondigd wordt is de dood des Heren, di. het heil dat Christus door zijn lijden en sterven bereidde. Grens en perspectief van deze verkondiging worden aangegeven door het totdat Hij komt.

Wanneer echter, zoals in Kor., dit alles gepaard gaat met zelfzuchtig en liefdeloos gedrag is er sprake van een eten en drinken op een wijze die indruist tegen de inhoud van het avondmaal en daarom onwaardig genoemd moet worden (27). Bij het avondmaal behoort het voor u van Christus (24) weerspiegeld te worden door het voor elkaar van de gelovigen. Waar dat niet gebeurt, bezondigt men zich aan het offer dat de Here bracht met zijn lichaam en bloed, di. met overgave van zichzelf tot in de dood. Wat dan te doen? Paulus beoogt niet dat men zich zal onthouden, maar dat men zal eten en drinken. Dat kan echter alleen, wanneer ieder vooraf zichzelf toetst: is het mij er om te doen, gelovig te delen in en te leven uit Christus’ offer? De oprechtheid van die toetsing zal dan uiteraard moeten blijken in het wegdoen van wat daarmee in strijd is, in dit geval: het liefdeloze gedrag. Anders zou men eten en drinken zonder het lichaam te onderscheiden, di. zonder blijk te geven van het besef dat het in het brood gaat om het lichaam, het offer, van Christus, en dat dat éne brood ook vraagt om een leven met elkaar als één lichaam (vgl. 10:16,17). Zulk eten en drinken roept het oordelend ingrijpen van Christus op (29). Paulus kan dat ook aanwijzen in de vele gevallen van ziekte en overlijden in de gemeente (30). Indien wij (Paulus stelt zich ook hier met bóven de gemeente!) echter er op bedacht waren onszelf te toetsen en te beoordelen en het kwaad dat we daarbij vonden weg te doen, zou zulk een ingrijpen niet nodig zijn (31). Nu dit oordeel des Heren wel nodig bleek, moet het gezien worden als opvoedingsmaatregel: een tuchtiging die tot bekering wil leiden, zodat we niet in het eindgericht met de ongelovige wereld zouden veroordeeld worden (32). Laat men alle egoïsme en zelfzucht afleggen en bij de samenkomsten op elkaar wachten (33).

Het overige (34): misschien hetgeen Paulus, na het vooreerst van vs 18, als volgend punt in gedachten had; nu stelt hij de regeling daarvan uit tot zijn bezoek.

Vele gaven, één Geest 12:1-11

Paulus vindt gelegenheid, om over de gemeente als lichaam (10:17) uitvoerig te spreken, nu hij een nieuw onderwerp, wellicht ook genoemd in de brief uit Kor. (7:1) aan de orde stelt: de uitingen des Geestes, of wel (4) de genadegaven (lett. charismata). Met dit laatste woord duidt Paulus in zijn brieven gaven Gods van allerlei aard aan; nu gaat het over gaven die de Geest toedeelt (11) aan de gelovigen opdat ze hun plaats in de gemeente kunnen innemen. Openbaring van de Geest (7) zegt, dat de Geest in deze gaven iets van de wereld van God doet doorbreken in deze wereld.

Ook in hun heidense verleden (2) werden de Kor. gedreven door krachten – toen echter bij de levende God vandaan, naar de stomme afgoden (2, vgl. Ps. 115:5). Maar in welke richting drijft hen nu de kracht van de Geest Gods die in hen is komen wonen (3)? Paulus wijst de Kor., die daarover kennelijk in verwarring waren geraakt, de weg: let op wat gezegd wordt over Jezus. Er waren er in de gemeente, voor wie de aardse, gekruisigde Jezus had afgedaan (zie bij 4:10). Zij konden in extase zelfs roepen: vervloekt, uitgebannen uit de gemeenschap van God en mensen, is Jezusl Alleen de hemelse Christus was voor hen nog belangrijk. Daarom, zegt Paulus, maak ik u bekend (een officiële afkondiging, die niet voor discussie vatbaar is), dat niemand die door de GeestGods spreekt, dat kan zeggen. Want de Geest heeft geen ander doel, dan de heerschappij van Jezus, die als Gekruisigde door God verhoogd is (Filp. 2:8-11) op aarde te doen gelden (vgl. Joh. 16:14). Dat de Gekruisigde nu de Heer is, gaat ook zozeer tegen alle menselijke wijsheid in (1:22-24), dat niemand Hem als zodanig kan belijden, dan door de heilige Geest (3). Alle geestesuitingen moeten eraan getoetst worden, of ze uit deze belijdenis voortkomen en daaraan dienstbaar zijn. Dan zullen de Kor. onderscheiden wat wel en niet van de Geest is. Ze zullen dan ook afleren, sommige uitingen hoog op de ranglijst te plaatsen ten koste van andere. In de verscheidenheid in genadegaven (4; of: bedieningen, vormen van dienst in de gemeente, 5; of: werkingen van Gods kracht, 6) is immers de éne Geest, de éne Here Christus, de éne God werkzaam. Daarom horen alle gaven bijeen; ze mogen niet tegen elkaar uitgespeeld worden (zie ook 12:11). Elke individuele gave (…aan ieder… gegeven… 7) is nodig, en moet daarom gebruikt worden, tot welzijn van allen. Want aan de een… (8-10): deze opsomming is niet bedoeld als complete, altijd en overal onveranderlijk geldende ‘canon’ (vgl. 12:28; Rom. 12:6-8!). Van sommige gaven is het moeilijk, te omschrijven wat ze inhouden, bv. werking van krachten (10), of hoe ze tegen elkaar afgegrensd kunnen worden, bv. spreken met wijsheid of met kennis (8). Geloof (9) is hier niet de band die ieder heeft met Christus, maar de kracht die sommigen ontvangen om in zijn dienst grote dingen te doen (vgl. 13:2). Profetie (10): zie bij 14:3. Allerlei tongen: opvallend dat deze gave, door sommigen inn Kor. vanwege zijn extatisch karakter gezien als dé hemelse gave waarbij andere verbleekten (vgl. 14:1-25) hier de laatste plaats krijgt.

Allen leden van één lichaam 12:12-31

De boodschap van vss 4-7 en 11 over de velerlei gaven in hun eenheid wordt hier uitgewerkt. De wijze waarop Christus met zijn Geest in de gemeente werkt is te vergelijken met de wijze waarop het menselijk lichaam functioneert (12). Dat lichaam vormt een éénheid: elk lichaamsdeel kan alleen bestaan binnen het verband van het lichaam, nooit op zichzelf. Maar deze eenheid betekent geen eenvormigheid! Er zijn vele leden, in een grote verscheidenheid. Juist dank zij die veelheid, waarbij ze elkaar aanvullen en zo alle van elkaar afhankelijk zijn, kan het lichaam als eenheid functioneren; en zó is het ook met de gemeente (12,14,17,18-20; vgl. Rom. 12:4,5). Door (lett. met of in) één Geest gedoopt (13) ziet niet op een afzonderlijke ‘geestesdoop’ maar op de (water)doop als teken en zegel van het geschenk van de Geest; en deze Geest herschept mensen, hoe verschillend ze ook zijn, tot één lichaam. In dit verband herinnert Paulus eraan (vgl. Gal. 3:27,28) hoe bij de doop alle tegenstellingen, in godsdienstig opzicht (Joden-Grieken) en in sociaal opzicht (slaven-vrijeri) hun scheiding-makende kracht verliezen, zodat niemand zich nu minder behoeft te achten dan een ander (vgl. 12:15-19), maar ook niemand op een ander mag neerzien (vgl. 12:21). Zoals ook in de viering van het avondmaal (daarop ziet gedrenkt, 13) telkens weer werkelijkheid wordt, wordt de éne Geest aan allen gegeven; zo maakt Hij hen allen één in Christus (vgl. 10: 17), en zo hebben ze allen elkaar te aanvaarden.

Welnu, zó heeft men elkaar in de gemeente nu óók te aanvaarden met het oog op die verscheidenheid waarover het in dit hoofdstuk gaat: die van de vele gaven. Wie een belangrijk geachte gave – zoals in Kor. het spreken in tongen – niet kent, moet niet menen, däärom geen wezenlijke dienst in het lichaam te kunnen verrichten (1519). En wie zo’n ‘belangrijke’ gave wél heeft moet niet op grond daarvan zich verheffen boven anderen met ‘geringere’ gaven, alsof hij hun dienst niet nodig zou hebben (20,21). Zoals het in het lichaam is, zo ook in de gemeente: naar Gods beschikking ontvangen juist de ‘minste’ leden de meeste eer en zorg, omdat juist zij onmisbaar zijn (22-24). Er mag geen sprake zijn van individualistische afzondering van één lid tov. de anderen (verdeeldheid, lett. schisma, 25; vgl. 11:18). Allen zijn er voor elkaar, in lijden en vreugde (25,26). – Zo functioneert de gemeente als een lichaam dat van Christus is, en waarvan de gelovigen ieder voor hun deel de leden zijn. -Dat laatste wordt in 12:28 nog uitgewerkt. De woorden sommigen aangesteld moeten niet zo opgevat worden, dat er in de gemeente een aantal leden zou zijn die een bepaalde aanstelling hebben, terwijl de anderen die niet hebben. De zin loopt grammaticaal onregelmatig. De bedoeling is: sommigen zijn aangesteld tot apostelen, anderen tot profeten, weer anderen tot leraars, nog weer anderen functioneren door middel van de hun geschonken krachten… enz. Zo hebben niet allen dezelfde taak; ieder heeft in de gemeente een eigen, specifieke taak (29,30). Daarbij worden ambtsdragers (1. apostelen, 2. profeten, 3. leraren) en niet-ambtelijke taken (krachten enz.) wel van elkaar onderscheiden maar toch samen onder het ene gezichtspunt van de gaven van de Geest gezien. Evenals in vss 8-10 neemt in deze opsomming het spreken in tongen de laatste plaats in, nä de veel minder opzienbarende bekwaamheid om te helpen en te besturen.

Mag men niet streven naar de hoogste gaven! Paulus wekt er zelfs toe op (31); als maar bedacht wordt dat het ‘hoogste’ niet bepaald wordt door de mate waarin men opvalt, maar waarin men dient. Maw.: de liefde geeft de doorslag; zij is de weg die nog veel verder omhoog voert (31; vgl. 14:1). Over die liefde zal het nu gaan.

De liefde 13:1-13

Ook al spreekt Paulus hier schijnbaar over de liefde in het algemeen, ze is voor hem geen algemeen begrip. Hij heeft de liefde ontmoet, in het offer van Christus (11: 24); in het gekend-worden door God (12; vgl. 8:3). Pas wie zich door die liefde laat vinden, en zich laat meenemen op haar weg, zal weten wat Uefde is, en zo: wat echt christen-zijn en echt mens-zijn is. Het bezitten van gaven van de Geest behoeft in dat opzicht nog niets te zeggen. Daarmee kan men zich nog verheffen, hoog boven de aardse werkeUjkheid waar de naaste verkeert in nood en schuld. De Uefde daalt daarin juist af. Daarom leveren de hoogste gaven, zonder deze Uefde, alleen lawaai op. Zelfs met het brengen van onvoorstelbare offers kan men nog zichzelf op het oog hebben. Liefde heeft de ander op het oog. Daarom betekenen de meest indrukwekkende zaken, waaraan de liefde zou ontbreken, niets (13).

Op wélke weg Gods liefde in Christus ons leert gaan, wordt getekend in 13:4-7.

Positief gezegd: het is de weg waarop we leren, Hem nate volgen in zijn lankmoedigheid (niet haastig op het kwaad van de ander reagerend met rechtmatige toorn maar hem geduldig de ruimte gevend om tot verandering te komen) en goedertierenheid (een houding vol trouw en goedheid); vgl. Jona 4:2.

Negatief gezegd: het is niet die weg die zo licht begaan wordt waar mensen zich met eigen gaven en kennis boven anderen (willen) verheffen. Dan is men afgunstig op wie nog méér uitblinkt, en men praalt tegenover wie minder gaven heeft; men is opgeblazen (vgl. 4:6,18,19; 5:2; 8:1) in de waan van eigen kennis en gaat zo niet respectvol met de ander om, maar kwetst diens gevoel; men zoekt eigen eer en belang; men denkt en spreekt bitter over wat men bij de ander als verkeerd ziet en rekent dat toe di. houdt daarvan nauwkeurig boek. De liefde echter doet dat alles niet (4,5). Zij kan er geen vreugde in vinden als iemand niet de rechte weg gaat, maar alleen daarin dat hij is, wat men van hem verwachten mag (waarheid, 6). Wie in liefde handelt, zet het kwade niet te kijk, maar bedekt het, over de hele linie(alles; vgl. 1 Petr. 4:8; Gen. 9:23). Dat is mogelijk, omdat wie liefheeft ook over de hele linie blijft geloven in en hopen op het goede, dat God in de ander wil werken. Daardoor vindt ze kracht om niet te leven in ergernis over het kwade, maar het te verdragen (7).

Zo houdt de liefde het vol: zij vergaat (lett. valt) nimmermeer, maar heeft de toekomst; in tegenstelling tot gaven als profetie, spreken in tongen en kennis (8). Die zijn geen kenmerken van hemelse volmaaktheid, zoals de Kor. dachten, maar behoren bij deze onvolkomen bedeling en dragen daar ook het stempel van. Het land van de volmaaktheid ligt nog voor ons – en wie de grens daarvan passeert laat achter zich, wat bij het onvolkomene behoort, evenals bij de overgang naar de volwassenheid het kinderlijke moet achterblijven (9-11). Er is in het heden wel openbaring (spiegel is een beeld dat in de rabbijnse literatuur gebruikt wordt als aanduiding van profetische openbaring); er is dus ook kennis; maar niet zó dat er geen raadsels meer overblijven. Die volkomenheid zal er pas zijn, wanneer ik – niet met mijn inzicht, maar met de liefde waarin ik God zal kennen van aangezicht tot aangezicht, zonder enige hindernis – zal mogen antwoorden op de Uefde waarin Hij mij kent (12). In die toekomst mag de gemeente geloven, zij mag er op hopen, zij mag er bovenal in de liefde nu al uit leven. Zoekt men dus voorboden van die toekomst dan vallen, als het er op aan komt, de gaven weg en blijven: geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde (vgl. vs 8a; 1 Tess. 1:3; 5:8; Gal. 5:5,6).

Tongen en profetieën 14:1-25

Met zijn lied over de liefde wilde Paulus de Kor. er niet van afbrengen, te streven naar de gaven van de Geest (vgl. 12:31); maar allereerst moeten ze met alles wat in hen is jagen naar de liefde. Alleen waar liefde woont, dienen de gaven werkelijk de opbouw van de gemeente. Paulus werkt dat vooral uit ten aanzien van het spreken in tongen en de profetie. Voor eerstgenoemde gave haddén de Kor. sterke voorkeur. Het is een vorm van gebed (Spreken tot God, 2) nader bepaald: van lofprijzing (15,16; vgl. Hand. 2:11) waarbij men zich uit in een niet-aangeleerde taal (hetzij een bestaande taal, hetzij een op aarde niet voorkomende ‘taal’, vgl. 13:1a. Zonder het functioneren van de gave van uitlegging (door de spreker, 5,13, of door een ander, 27,28) was dit spreken onverstaanbaar, geheimtaal (2,5,9,13). Op dit punt was er dus verschil met het ‘spreken in andere tongen’ van Hand. 2:4-6. Deze gave dient dan ook de persoonlijke opbouw in het geloof (4) en werd als zodanig door Paulus zelf betracht en anderen aangeprezen (18). Voor de opbouw van de mede-gelovigen is ze op zichzelf echter ongeschikt (17). Zoals vaker in deze brief leert Paulus de gemeente nu ook hierin niet individualistisch eigen geestelijke genieting op de voorgrond te stellen, maar de opbouw van de gemeente te zoeken (5,12) en daarom het profeteren voorop te stellen (1). Het is niet eenvoudig vast te stellen wat deze gave – in onderscheiding van openbaring, kennis, onderricht (6) – inhoudt. Evenals bij de oudtestamentische profetie zullen we niet zozeer moeten denken aan voorzegging van de toekomst als wel aan een verkondiging die op aktuele wijze het leven stelt in het licht van Gods werk en wil, zowel vermanend als bemoedigend (3; vgl. vss 24,25). Met voorbeelden uit het ‘rijk der klanken’ verduidelijkt Paulus, hoe belangrijk het voor de opbouw van de gemeente is, te spreken met woorden die naar inhoud en bedoeUng verstaanbaar zijn (6-12). Daarom heeft in de samenkomst van de gemeente het woord, waarbij het verstand is ingeschakeld, en dat -omdat het verstaanbaar is – het instemmende amen van de mede-gelovigen kan oproepen, veruit de voorkeur boven het spreken in tongen. Daarbij richt de geest van de gelovige zich rechtstreeks tot God, met woorden die hij met zijn verstand niet beheerst. Het ideaal mag niet zijn een gemeente waar men ‘kinderlijk gelooft’ in die zin, dat men het verstand buiten spel zet en zich laat drijven op de golven van geestelijke extase. Volwassen geloof (vgl. 2:6) vraagt juist een voluit gebruiken van het verstand dat God gaf! Laat men maar kinderlijk-onbedreven blijven in het kwaad (20).

In de wet (21) = in de Schrift, nl. Jes. 28:11,12. Zelfs onder het oordeel van God, in de komst van de Assyriërs met hun onverstaanbare taal, leerde het volk nog niet te luisteren naar de HERE. In deze lijn, van oordeel en verharding, ziet Paulus nu ook het (in eerste instantie onverstaanbare) spreken in tongen. Het is van Godswege een teken van gericht voor de ongelovigen, dwz. mensen die, evenals Israel, na alles wat God al door middel van de profetie aan hen gedaan heeft, niet tot geloof willen komen. De profetie echter is bedoeld voor hen, die geloven, die bereid zijn tot gelovig luisteren (21,22). Wanneer nu de gemeente zich zou verliezen in het spreken in tongen ten koste van de profetie, zou ze de nog-niet-gelovige toehoorders behandelen als mensen die toch niet willen luisteren, en hen afschrijven als mensen die rijp zijn voor Gods gericht. Het gevolg zou zijn, dat ze zich dan ook afkeren (23). Laat in de gemeente het verlangen leven, ‘dat het gehele volk des HEREN profeten ware’ (Num. 11:29). Dan zal ze missionair tot zegen zijn voor de belangstellenden die haar diensten bijwonen (Paulus kan er kennelijk van uitgaan, dat dit gebeurt!). Hun leven wordt door de verstaanbare verkondiging in Gods licht gesteld. Zij weten zich gekend en doorgrond en komen tot overgave: de profetie van Jes. 45:14 gaat aan hen in vervulling (24,25).

Orde in de gemeente 14:26-40

Paulus komt nu, op grond van het voorgaande, tot conclusies en regels. Dat de gemeente een lichaam is waarin elk lid een eigen bijdrage levert aan het functioneren van het geheel komt (ook) tot uiting telkens als zij samenkomt. Dan heeft ieder iets: de een komt met een spontaan geboren lied (psalm), de ander met een lering (vgl. 12:8,28,29), weer een ander ontvangt een profetische openbaring (vs 6), een volgende spreekt in een tong waarop hij of een ander de uitlegging geeft. Paulus wil dat alles, ook het spreken in tongen, niet belemmerd zien; naar het profeteren moet zelfs gestreefd worden (39; vgl. vs 1). Een en ander moet echter wel besnoeid worden, zodat de opbouw van de gemeente er niet door geschaad maar gediend wordt (26 slot). Daarom stelt Paulus voor het spreken in tongen (27) de noodzaak van beperking (twee, hoogstens drié), ordening (ieder op zijn beurt) en uitlegging (28). Een soortgelijke regel blijkt nodig voor de profeten. Enerzijds is het niet goed dat ze allen aan het woord komen; twee of drie van hen mogen spreken, de anderen moeten zich ertoe beperken hun woorden te beluisteren en te beoordelen (29). Anderzijds moet niet één profeet voortdurend aan het woord zijn. Wanneer een ander van Godswege een profetische boodschap voor de gemeente ontvangt, moet ook hij gelegenheid krijgen die uit te spreken (30). Zo spreke ieder op zijn tijd tot heil van allen (31; vgl. 12:7). De Geest drijft iemand immers niet zó, dat eigen wil en verantwoordelijkheid worden uitgeschakeld, zodat hij wel móet spreken. De geesten van de profeten blijven onderworpen aan de wil van de profeten; ze kunnen dus ook zwijgen, en móeten dat doen wanneer er wanorde ontstaat. In plaats daarvan wil God de vrede: het welzijn van de gemeente doordat ieder op eigen plaats zijn eigen taak vervult (32,33). Daarom moet alles geschieden in de goede kerk-ortfe die déze vrede dient (40).

In de rij van degenen die moeten zwijgen (28,30) geeft Paulus nu ook een plaats aan de vrouwen (34). Bij het beantwoorden van de vraag hoe dit, in verband met 11:5, te verstaan is, geeft vs 35 verduidelijking: willen zij nader onderwijs ontvangen en met het oog daarop vragen stellen (zoals we bv. lezen in Luc. 2:46; 8:9; in Luc. 9:45 hetzelfde werkwoord), dan moeten zij die vragen thuis aan haar eigen mannen stellen. Het gaat dus om gehuwde vrouwen; en het zwijggebod betreft kennelijk niet het spreken zonder meer, maar een optreden dat gezien werd als in strijd met het respect voor de eigen man. Daar tegenover stelt Paulus de eis, dat zij ondergeschikt blijven (34). Het hier gebruikte werkwoord geeft aan: het zich stellen op die plaats die God aan iemand (in dit geval: de vrouw) ten opzichte van een ander (in dit geval: haar man) gegeven heeft, en afzien van eigenmachtig-zelfstan-dig optreden (vgl. 16:16). Vandaar het beroep op de wet, waarin deze eigen plaats van de vrouw ten opzichte van de man wordt aangegeven. Het is de vraag of Paulus hier aan Gen. 3:16 gedacht heeft (daar spreekt de HERE God een vónnis uit over de vrouw); evenals in 11:7-9 kan hij ook hier doelen op wat in Gen. 1 en 2 gezegd wordt over de verhouding tussen man en vrouw. Met een beroep op de eigen aard en plaats van de vrouw verbiedt Paulus in 11:5 het bidden en profeteren zonder hoofdbedekking en hier het, met voorbijgaan van eigen man, stellen van vragen temidden van de gemeente. Ook daarvan geldt (vgl. 11:5,6) dat het lelijk (schandelijk) staat voor een vrouw. Dit woord (lelijk) brengt ons op het terrein van de zeden, en van de daar achter liggende beseffen van wat al dan niet behoorlijk is. Door de veranderingen waaraan zulke zeden en beseffen onderhevig zijn kan wel de toepassing van het gebod beïnvloed worden; onveranderd blijft echter gelden, dat de vrijheid die ook de vrouw in de gemeente ontving (vgl. Gal. 3:28) zo gebruikt moet worden dat in haar optreden de eigen plaats die God haar gaf ten opzichte van de man niet wordt miskend.

Opnieuw (vgl. 7:17 en 11:16) legt Paulus er sterk de nadruk op, dat de gemeente van Kor. niet uit de pas moet gaan lopen ten opzichte van de andere gemeenten (34a) en niet moet doen alsof zij beginpunt en einddoel van de evangelieverkondiging is en dus niet met anderen behoeft te rekenen (36). De ‘pas’ die Paulus in dit gedeelte aangeeft is immers niet minder dan een gebod des Heren (37). Wie de euvele moed heeft, dat opzij te schuiven, met beroep op eigen profetische gave of geestelijk inzicht, die wordt zelf opzij geschoven (38).

De opstanding van Christus 15:1-11

De opstanding der doden (12) is het onderwerp van dit hoofdstuk (vgl. 6:14), dat echter alles te maken heeft met wat voor Paulus (getuige de woorden vóór alle dingen, 3) het hart van het evangelie is: Christus is opgewekt (een daad van de Vader!). Daarom zet Paulus in met een krachtige (Ik maak u bekend) appellerende (broeders) verkondiging daarover. Uiteraard is deze boodschap al door Paulusverkondigd en door hen ontvangen. Zullen ze er echter in staande blijven en erdoor behouden worden, zodat ze niet tevergeefs tot geloof gekomen zijn dan dienen ze dit evangelie ongeschonden vast te houden (2). Vss 3-5 geven een herhaling van de door Paulus verkondigde overlevering (overgegeven – ontvangen; zie bij 11: 2,3). Daarbij is te bedenken dat in Kor. scheiding werd gemaakt tussen de gekruisigde aardse Jezus, die voor de gelovigen afgedaan had, en de levende hemelse Christus, met wie ze nu in de Geest verenigd waren (zie bij 4:10 en 12:3). Daartegenover wordt hier de opgestane Christus verkondigd als dezelfde die eerst gestorven is en (hetgeen de werkelijkheid van zijn sterven onderstreept) begraven. Juist omdat Hij is en blijft: Degene die voor onze zonden (vgl. Rom. 3:25,26; 2 Kor. 5:19) gestorven is, heeft zijn opstanding voor ons betekenis, nl. dat zonde en dood werkelijk overwonnen zijn. Het herhaalde naar de Schriften geeft, evenals het ten derden dage (zie Hos. 6:2: de dag waarop God zijn volk doet opstaan ten leven) aan, dat de opwekking van Christus de bekroning is van al Gods heilsdaden en vervulling van al Gods beloften uit het O.T. De echtheid en volkomenheid van Christus’ opstanding wordt bevestigd doordat Hij verschenen is. Dit woord wijst nl. niet maar op een subjectieve beleving van mensen, maar op een werkelijk te voorschijn treden van de Opgestane uit de wereld van God waartoe Hij – anders dan bv. Lazarus, Joh. 11 – na zijn opstanding behoorde. Een reeks getuigen (5-7), van wie Petrus de eerste is, en van wie er een aantal ten tijde van het schrijven van deze brief desgevraagd zijn getuigenis nog kon herhalen, staat er borg voor dat het in de verkondiging van Christus’ opwekking gaat om een onloochenbaar feit.

Nooit komt Paulus uit boven de verwondering over zijn plaats in deze rij: ontijdig – op een moment dat niemand het verwachtte – geboren als apostel (8). Als laatst-geroe-pene de geringste; als ex-vervolger beneden de maat van het apostelschap – en toch: wat zijn leven heeft opgeleverd gaat boven de maat van alle anderen uit. Wat is Gods genade machtig (9,10; vgl. 2 Kor. 4:1; 1 Tim. 1:1216). Maar daarom mag men Paulus ook niet disqualifice-ren ten opzichte van de andere getuigen en hun prediking! Hij of zij: ze prediken Christus als de uit de doden opgewekte. Zó zijn de Kor. tot geloof gekomen, en laten ze allen daarbij blijven (11).

De betekenis van Christus’ opstanding 15:12-34

Het is Christus, de Gekruisigde, die gepredikt wordt als de uit de doden opgewekte; hoe kunnen sommigen in Kor. daar ontrouw aan worden (12)? Zoals voor hen de opgestane Christus niets te maken had met de gestorven Jezus (zie bij 15:3-5), zo betekende voor hen ook de opstanding van de gelovigen iets heel anders dan een opstanding der doden. Opstanding was voor hen niet een gebeuren in de toekomst, na het sterven, maar een werkelijkheid in het heden, dankzij hun geestelijke eenheid met de hemelse Christus (vgl. 2 Tim. 2:18). Maar als er geen lichamelijke opstanding der dóden is, omdat in feite de ‘opstanding’ van de gelovigen en die van Christus ineen vloeien tot één geestelijke werkelijkheid, dan is ook de opstanding van Christus, zoals die hun verkondigd werd, geen werkelijkheid (13). Dan heeft die verkondiging en het daarop rustende geloof geen inhoud (14). Er is dan zelfs sprake van vals getuigenis: de verkondigers van het evangelie hebben opgeroepen tot geloof in een verlossing van zonden die geen werkelijkheid zou zijn (15-17). Als opstanding alleen iets is voor lévenden, niet voor doden, dan is er ook geen hoop voor hen die in Christus ontslapen zijn (18). Een ‘evangelie’ dat alleen een opstanding voor dit leven kent en geen perspectief biedt, wanneer het sterven realiteit wordt, maakt van de gelovigen de beklagenswaardigste van alle mensen. Het lichamelijke, aardse bestaan, met al zijn lijden, valt dan nu en voorgoed buiten de verlossing (19).

Maar nu… – goddank is alles anders: in Christus, die is opgewekt uit de doden ligt de toekomst van de zijnen vast. Zoals de eerstelingen van de oogst (vgl. Deut. 18:4; 26:2,10) uitzicht gaven op en garantie waren voor de volle oogst, zo ligt in de opwekking van Christus uitzicht en garantie voor de opwekking van hen die ontslapen zijn (20). Want zoals er bij de val in de dood sprake is van een mens die degenen die aan hem verbonden zijn vertegenwoordigt, zo is het ook bij de opstanding der doden (21). Evenals allen die in Adam begrepen zijn, zijn meegesleept in zijn sterven, zullen ook allen die in Christus begrepen zijn met Hem levend gemaakt worden (22), vgl. 15:45-49; Rom. 5:12-21. Maar daarbij is wel sprake van een rangorde. De opstanding van Christus als eersteling valt niet samen met die van degenen die van Hem zijn. Laatstgenoemde zal plaats vinden bijzijn komst (23). En daarop volgt de voleinding van de geschiedenis: alle vijandige machten zijn dan inmiddels onttroond; Christus’ strijd is gestreden; nu kan Hij het messiaanse koningschap – dat Hij van God ontving met de opdracht, alle vijanden van Gods heerschappij te onderwerpen (vgl. Ps.2:6-9; 110:1) – aan de Vader teruggeven (24,25). Ook de dood, die niet een te verwaarlozen grootheid is (alsof het lichaam en het aardse leven er niet toe doen), maar een vijand, zal als laatste teniet gedaan worden door Christus, zo waar als in Hem het woord (Ps. 8:7) over de macht die God aan de mens gegeven heeft, vervuld is. Wanneer er dan geen vijand meer is, en niemand behalve God meer heerschappij heeft, zal de Zoon alle bevoegdheden die Hij voor zijn middelaarswerk ontving aan de Vader teruggeven en zo Zelf Zich aan Hem onderwerpen: dan is de volkomenheid er; God is dan alles in allen (26-28). Alle rijkdom die de gelovigen nu al ontvangen is toch nog maar een (aangevochten) voorsmaak van die toekomst.

In vss 29-32 voert Paulus twee argumenten aan tegen de ‘sommigen’ (12). Als zij menen wat ze zeggen, waarom laten zij zich dan dopen ten behoeve van ongedoopt gestorvenen (29)? Paulus zegt niet, dat hij deze gewoonte, berustend op de gedachte dat de doop op magische wijze deel geeft aan het eeuwige leven, goedkeurt; hij noemt haar, om een innerlijke tegenstrijdigheid bij de ‘sommigen’ aan te tonen. En verder: hoe te denken over het apostolische lijden, waarvan vs 32 een concreet voorbeeld geeft? Dagelijks leeft Paulus met de dood voor ogen! Is dat het opstandingsleven? Als er nä alle lijden en sterven geen opstanding is, laten wij dan liever dat lijden ontlopen en het in dit leven ervan nemen (vgl. Jes. 22:13). Laten de Kor. echter zichzelf niet misleiden, zich i door slechte omgang met de dwaalleraars niet in een roes laten brengen die tot zedenbederf leidt, maar in rechte nuchterheid tegen de zonde strijden. De zgn. ‘kennis’ van sommigen is in feite onkunde ten aanzien van God. Beschamend dat dit nu juist aan Kor. geschreven moet worden (33,34).

Het opstandingslichaam 15:35-49

Paulus’ tegenstanders bestrijden de opstanding van het lichaam met vragen die verraden, hoe dwaas, zonder kennis van God en zijn werk (34) zij zijn. Ten aanzien van het hoe zegt Paulus: u weet toch zelf, uit wat er gebeurt wanneer u bijvoorbeeld koren zaait, dat het Gods weg is leven te herscheppen door sterven heen (35,36, vgl. Joh. 12:24). En wat betreft de hoedanigheid van het opstandingslichaam (35b): het beeld van de graankorrel zegt, dat er, behalve wezenlijke samenhang, ook diepgaand verschil is tussen het lichaam van nu en dat van straks (37). In heel de schepping is het zo, dat God aan alles een eigen lichamelijke gestalte geeft, waarbij talrijke verschillen optreden (38-41). Zo is ook het lichaam waarmee de gelovigen opstaan anders dan het lichaam dat bij hun begrafenis gezaaid wordt. Dat laatste wordt gekenmerkt door vergankelijkheid, oneer, zwakheid; het is een natuurlijk lichaam: het leeft door de levensadem die God gaf, maar is – ook afgezien van de zonde – toch aan beperktheid onderhevig. Het opstandingslichaam echter is geestelijk, ten volle beheerst door de Geest, en deelt daarom in onvergankelijkheid, heerlijkheid, kracht (42,43,44a). Paulus’ tegenstanders spraken ook van geestelijk en natuurlijk, maar dan als twee tijdloze ‘beginselen’ waarbij het geestelijke het ware, oorspronkelijke was en het natuurlijke het minderwaardige. Paulus’ denken echter wordt niet beheerst door beginselen, dietegenover elkaar staan, maar door de geschiedenis van Gods handelen. Het begon met de eerste mens, Adam, die, zoals staat geschreven (Gen. 2:7), een levende ziel werd: hij ontving van God léven, dat echter nog beperkt en begrensd was; zo kwam eerst het natuurlijke. Maar daarna komt het geestelijke, want God handelt verder. Dat er ook een geestelijk lichaam bestaat (44b), verkondigt Paulus vanuit Christus. Hij is de laatste Adam: in Hem komt Gods werk, bij Adam begonnen, tot voltooiing. Bij zijn opstanding werd Hij een levendmakende geest; dwz. Hij ontving toen de Geest, om die uit te delen aan de zijnen (vgl. Hand. 2:33), zodat tenslotte ook hun lichaam door de dood heen onvergankelijkheid zal ontvangen (45,46). Het lichaam van Adam was van aardse, vergankelijke kwaliteit; het opstandingslichaam van Christus, beheerst door de Geest, van hemelse kwaliteit (47). Dat verschil zal er ook zijn tussen het lichaam van de gelovigen, zoals het bepaald werd door hun band met Adam, én zoals het bepaald wordt door hun band met Christus (vs 48). Zo zeker als ze krachtens hun band met Adam vergankelijke mensen zijn geweest zoals hij, zo zeker zullen ze krachtens hun band met Christus een onvergankelijk lichamelijk bestaan ontvangen zoals Hij (49).

Het einde 15:50-58

De gelovigen zullen lichamelijk delen in de komende heerlijkheid van Gods rijk; in de vergankelijke toestand van nu (vfees en bloed) kunnen ze die echter niet beërven, een volledige vernieuwing is nodig (50). Bij de gelovigen die al ontslapen zijn wanneer de laatste bazuin (teken van Gods voleindend handelen, vgl. Ex. 19:16; Joël 2:1; 1 Tess. 4:15-17) klinkt, zal dat gebeuren doordat ze dan onvergankelijk opgewekt worden. Maar zij die dan nog leven (Paulus zegt: wy; kennelijk rekent hij er mee dat hij en zijn tijdgenoten daarbij kunnen horen) zullen in een ondeelbaar ogenblik (vgl. Ps. 33:9) veranderd worden en overgaan van de vergankelijkheid naar de onsterfelijkheid; zo wordt Gods plan (moet) vervuld! Dan (54) zal werkelijkheid worden wat in Jes. 25:8 staat, en kan -met woorden ontleend aan Hos. 13:14, waar ze overigens een andere strekking hebben – de dood worden toegeroepen: waar is uw overwinning? waar de angel waarmee u mensen in het verderf stortte? De angel waarmee de dood zich sterk maakt, is de zonde; en deze op haar beurt maakt zich sterk door middel van de wet (zie bij Rom. 5:12-21 en 7:7-11). Maar Gode zij dank: Christus heeft deze machten overwonnen, en God doet de gelovigen in die overwinning delen (57). Daarom moeten zij zich niet van de vaste grond van Gods beloften laten afbrengen, maar daar stevig op blijven staan en zo overvloedig zijn in het werk dat Christus, hun Here, van hen vraagt. Ze mogen er zeker van zijn, dat dat niet vergeefs (58) zal zijn: over al wat gedaan wordt in de verbondenheid met de Here zal niet de dood het laatste woord hebben, maar het leven.

Kollekte, reisplannen, persoonlijke mededelingen 16:1-24

Wat… betreft: Heeft men ook hierover aan Paulus een vraag gesteld in de brief uit Kor.? Zie 7:1. Inzameling: zie 2 Kor. 8 en 9; Rom. 15:25-28; in die gedeelten ook meer over het motief voor deze kollekte. Heiligen: de armen onder de christenen in Jeruzalem. Doet ook gij…; geregeld: Paulus treedt hier op met apostolisch gezag, maar schakelt de verantwoordelijkheid van de gemeente in (4): met hen die gij daarvoor geschikt acht.

En ik zal… (5): reisplannen, waarin Paulus voor Kor. een grote plaats heeft ingeruimd, alles onder het voorbehoud, dat de Here het toestaat en niet (door bepaalde gebeurtenissen?) duidelijk maakt dat zijn plan anders is dan dat van Paulus.Pinksteren (8): wellicht hebben de gemeenten in die tijd zich gehouden aan de joodse feestkalender te Efeze: zie inleiding. Deur, in verband met de prediking van het evangelie: vgl. 2 Kor. 12:12; Kol. 4:3; ook Hand. 14:27; in Op. 3:8 kan de betekenis een andere zijn.

Wanneer Timoteüs komt (10): vgl. 4:17; de brief zal er eerder zijn dan T., die via Macedonië reisde (Hand. 19: 22). Afgeschrikt: door de houding van gemeenteleden, zie 2 Kor. 2:5-11; 7:12; 12:20. Werk des Heren: zie 15: 58.Apollos (12): zie bij 1:12. Verzocht: kennelijk was de verhouding tussen Paulus en A. niet zo, dat hij hem opdrachten kon geven, zoals aan zijn medewerkers. Hij wenste bepaald niet; lett.: bepaald was het niet (de) wil: sommigen denken aan de wil van God. Waakzaam (13): in de verwachting van Christus’ komst, vgl. Mat. 24: 42,44; 1 Tess. 5:6. Staat: vgl. 10:12; 15:2. Mannelijk: vgl. Joz. 1:6,7,9,18. Sterk: vgl. Ef. 3:16. In liefde: waardoor men het behoud en de opbouw van de ander zoekt, zie 8:1,11,12; 10:23,24; 11:22; 12:31-13:3; 14:1,12. Huis: (15): gezin (vgl. 1:16). Eersteling: vgl. 15:20; hier en in Rom. 16:5: degenen met wie de oogst-voor-Christus in een bepaald gebied begonnen is. Achaje: romeinse provincie, die het grootste deel van Griekenland omvatte (15). Stelt u… onder. (16): erkent hen in de positie en taak die ze ten opzichte van u hebben; hetzelfde woord (daar vertaald met ondergeschikt) in 14:34. Arbeidt: zware, moeitevolle arbeid verricht, vgl. 4:12, Hand. 20: 35; vaak gebruikt van het werk ten dienste van het evangelie, vgl. 15:10. Komst (17), of: aanwezigheid (lett.: pa-rousia); de drie hier genoemden (voor Stéfanas zie vs 15) zullen de brief uit Kor. (7:1) hebben overgebracht. Hetgeen… ontbrak; of: het feit dat ik u mis; ook mogelijk, maar minder waarschijnlijk is de vertaling: het feit dat u mij mist. In vss 19,20 büjkt de verbondenheid die er is, niet alleen tussen gelovigen binnen één gemeente maar ook tussen de gemeenten onderling (vgl. 14:34), en met werkers buiten eigen gemeente, in de groeten die worden overgebracht. Asia: de romeinse provincie van die naam, gelegen in Klein-Azië; oa. Efeze behoorde er toe (19). Aquila en Priscfillja: zie Hand. 18:2,18,26; Rom. 16:3; 2 Tim. 4:19. Bij hen aan huis: vgl. Rom. 16:5; Kol. 4:15; Fil.:2. Men kwam als (deel van de ?) gemeente samen in het huis van een gemeentelid (19). Kus: teken van de gemeenschap der heiligen, vgl. Rom. 16:16;-2Kor. 13:12; 1 Tess. 5:26; 1 Petr. 5:14 (20): Eigenhandig (21): dus niet meer gedicteerd, vgl. 2 Tess. 3:17; Gal. 6:11.

Indien iemand de Here niet liefheeft: de liefde die de gemeente en elk van haar leden moet kenmerken geldt niet alleen de ander (14) maar in de eerste plaats de Ander. Spreekt Paulus, na alle zorgen die aan de orde zijn geweest, hier zijn diepste zorg uit, namelijk of het op dit punt wel met allen in orde is? Vervloekt, vgl. 12:3; zie ook Hand. 23:14; Rom. 9:3; Gal. 1:18. Wie de band vande liefde met de Here mist, staat buiten het. behoud. Maranathü (22): een aramees woord, overgenomen van de gemeenten in hét joodse land. De vertaling kan zijn: onze Heer, kóm (want, mogen we er dan bij denken, dan zal alle zórg en onrust over de gemeente ten éinde zijn); of: onze Heer is gekomen; daarbij kan gedacht aan zijn komst in de wereld of zijn aanwezigheid in de gemeente; in dat laatste geval sluit het aan. bij de voorafgaande waarschuwing. De brief eindigt met de verzekering van Christus’ genade en de – in Christus gegronde – liefde van de apostel.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken