Menu

Premium

1 Petrus

INLEIDING

I. inhoud

De eerste brief van Petrus is aan de eerste generatie van christenen uit de heidenen geschreven. De bemoedigingen en vermaningen in deze brief zijn gericht aan personen, die kort te voren christenen zijn geworden, zoals blijkt uit de heenwijzigingen naar hun vroegere levenswandel (1:14, 18; 2:1, 10, 25, 4:3), hun wedergeboorte (1:3, 23), hun doop (3:31) en hun geestelijke groei (2:2, 5).In verband hiermee is een gedeelte van deze brief (1:34:11) wel beschouwd als een toespraak of een rede bij de doop waarvan Ps. 34 dan de tekst zou zijn. We hebben hier echter met een werkelijke brief te doen zoals blijkt uit de aanhef en het slot. Hoewel de aanhef van deze brief (1:1, 2) de indruk kan wekken, dat het hier om christenen uit het jodendom zou gaan en de herhaalde verwijzingen naar en aanhalingen uit het Oude Testament (bv. 1:24, 25, 2:4, 9) daar ook op zouden kunnen duiden, is het toch meer aannemelijk om aan christenen uit de heidenen te denken. De uitdrukking ‘verstrooiing’ (diaspora) in 1:1 kan ook een geografische aanduiding zijn van streken buiten Palestina en de herhaalde verwijzingen naar het Oude Testament zijn ook voor christenen uit de heidenen belangrijk, omdat zij ook het Oude Testament als Woord van God kennen en erkennen. Deze christenen hebben zich onttrokken aan hun vroegere heidense levenswijze. Hun nieuwe manier van leven roept echter verdachtmaking en laster op bij hun heidense omgeving. Deze nieuwe levenswijze prikkelt zelfs de heidenen tot agressiviteit. Om deze christenen te bemoedigen schrijft Petrus aan hen deze brief van troost en hoop waarin hij hen wijst op de grote betekenis van de opstanding van Christus, Zijn lijden als voorbeeld en op de erfenis, die wacht voor allen, die opnieuw geboren zijn. Petrus wijst er ook op hoe de christenen zich als gelovigen in allerlei situaties moeten gedragen. Al worden christenslaven door hun ongelovige meesters onrechtvaardig behandeld, al hebben gelovige vrouwen ongelovige mannen, al worden er valse aanklachten tegen hen ingebracht, het is een teken van genade om ter wille van Christus te moeten lijden. De schrijver geeft zijn lezers nieuwe hoop en daarom wordt deze brief wel aangeduid als de brief van de christelijke hoop.

II. De schrijver

Deze brief draagt de naam van de afzender Petrus. Hij noemt zichzelf een apostel van Jezus Christus (1:1). In 5: 1 verklaart hij, dat hij een getuige is van het lijden van Christus, terwijl uit 1:8 kan blijken, dat hij de Here Jezus persoonlijk gezien heeft.

Algemeen wordt aanvaard dat de schrijver de bekende discipel Petrus is. Uit de Evangeliën weten wij, dat Petrus een joodse visser uit Galilea was. In Hand. 4:13 wordt hij als een ongeleerde of ongeletterde man aangeduid. Hoe kon hij dan deze brief in prachtig Grieks schrijven? Hij gebruikt retorische stijlfiguren en komt met aanhalingen uit de griekse vertaling van het Oude Testament. Dit is voor sommigen aanleiding om eraan te twijfelen of Petrus deze brief wel werkelijk geschreven heeft. We zouden ook kunnen vragen: hoe kon de bekende ketellapper John Bunyan zijn ‘Christenreis’ geschreven hebben? We weten te weinig van Petrus’ taalvermogen om hem als schrijver van deze brief uit te schakelen. Daar komt nog bij dat volgens 5:12 Silvanus of te wel Si-las (Hand. 15:22) deze brief voor Petrus op schrift gesteld heeft. Als iemand, die goed thuis was in de hellenistische wereld kan zijn taalgebruik zeker ook een rol gespeeld hebben bij de juiste formulering van Petrus’ gedachten. Wij hebben hier voor ons een brief van een eenvoudige visser, die met behulp van een toegewijde assistent en secretaris een brief geschreven heeft in goed Grieks.

III. Tijd en plaats van ontstaan

Wanneer we aanvaarden, dat Petrus de schrijver van deze brief is, dan moet het ontstaan van deze brief tussen 60 en 66 n. Chr. gesteld worden. De meest waarschijnlijke datum is 63 of 64 n. Chr., want volgens de overlevering is Petrus in die tijd door keizer Nero om het leven gebracht. De schrijver stuurt in zijn brief de groeten uit Babyion (5:13). De vraag is welk Babylon hier bedoeld wordt: Babylon in Mesopotamië of een plaats met dezelfde naam in Egypte of een geheimnaam voor Rome. Er is geen overlevering bekend dat Markus samen met Petrus in Babyion aan de Eufraat geweest is. Wel is er een traditie dat Marcus in Egypte was. Het is echter het meest waarschijnlijk om bij Babyion aan Rome te denken. In Op. 14:8 wordt de stad Rome met de naam Baby-Ion aangeduid en we weten, dat in de joods-oud-christelijke geheimtaal de hoofdstad van het romeinse rijk als Babyion aangeduid is. Bovendien weten we uit de traditie dat Paulus en Petrus samen in Rome vertoefd hebben.

IV. Betekenis van de brief

De grote betekenis van deze brief ligt in het feit, dat dit schrijven tot bemoediging dient van alle christenen waar ook in de wereld en in welke tijd ook. Overal waar gelovigen het moeilijk krijgen, door allerlei beproevingen, wil deze brief hoop en troost bieden, de heerlijke hoop en die blijde troost, dat in Christus het nieuwe, het eigenlijke leven begonnen is en dat een ieder, die wedergeboren is door het geloof deel mag hebben aan deze hoop en troost en het zo zelfs in die moeilijkste levensomstandigheden kan uithouden.

v. Centrale motieven

1.De brief begint met het toebidden van genade en vrede (1:2) en de brief eindigt daar ook mee (5:12,14). Zo vertoont deze brief de structuur van een ringcompositie: begin en einde is aan elkaar verbonden door eenzelfde ge-dachtenpaar. De hele brief is als het ware in deze twee begrippen samengevat. De ware genade van God geeft een diepe, innerlijke vrede.

2.De brief begint tevens met een duidelijk trinitarisch motief. Het is God de Vader, die verkiest, Jezus Christus, die met Zijn kostbare bloed besprenkelt en de Heilige Geest, die heiligt (1:2).

3.Binnen de ringcompositie (vgl. 5:1) vertoont de brief zelf een spiraalstructuur, dat wil zeggen eerst noemt de schrijver een bepaald thema en in een volgende perikoop werkt hij dit thema verder uit. Zo wordt in 1:11-16 het motief van de heiliging aangeroerd waarna in 2:1-25 dit motief breder uitgewerkt wordt. In de tweede afdeling van deze brief brengt de schrijver het lijdensmotief ter sprake (2:19) waar dan in de volgende perikoop (3:13-4: 19) uitvoerig over gehandeld wordt. In deze afdeling, die over het lijden handelt, klinkt reeds als nieuw thema het overwinningsmotief over de boze machten (3:22). Dit motief wordt dan weer opgenomen en uitgewerkt in 5:111. In 4:12 schrijft de apostel over de vuurgloed van de beproeving waarna hij in 5:8- een bredere uitwerking de theologische achtergrond van deze beproeving schetst. Het is de duivel, die de mensen tegen de christenen opzweept en hen doet lijden (5:8), maar Christus is Overwinnaar (5:11 en daarom is er hoop. Zo kan er door het geloof in Christus zelfs vreugde in het lijden zijn (4: 13). Deze vreugde is niet zoals in de joodse theologie een blijdschap, die pas in de toekomst gerealiseerd zal worden, maar het is een blijdschap, die reeds in het heden genoten kan worden (1:6).

vi. Verhouding tot andere boeken in het nieuwe testament

1.Er zijn een groot aantal uitspraken van Petrus, die overeenstemming vertonen met woorden, die Jezus gesproken heeft (1:16 vgl. Mat. 5:48; 1:18 vgl. Mar. 10:45; 2:4 vgl: Mat. 21:42; 3:9 vgl. Mat. 5:39; 3:16 vgl. Mat. 5: 44; 4:13 vgl. Mat. 5:10; 4:18 vgl. Mat. 24:22; 5:7 vgl. Mat. 6:25).

2.Er is ook een grote overeenkomst tussen de toespraken van Petrus in het boek Handelingen en zijn eerste brief. Niet het leven en de leer van Jezus staan bij Petrus op de voorgrond maar Zijn kruisdood en opstanding (Hand. 2: 22-24, 30-36, 10:36-42 vgl. 1:19-21, 2:21-24).

3.Petrus droeg kennis van de brieven van Paulus (vgl. 2 Petr. 3:16). Zijn vermaningen aan de christen-slaven (2: 18-25) en aan gelovige vrouwen (3:1-6) en godvrezende mannen (3:7) vertonen veel overeenkomst met de zgn. huistafels van Paulus waarin hij gelovige vrouwen, mannen, kinderen en slaven vermaant (vgl. Kol. 3:18-4:6; Ef. 5:22-6:9).

vII. Indeling van de brief

Opschrift en groet 1:1-2

De bevoorrechte positie van de gelovigen 1:3-2:10

De christelijke hoop 1:3-12

Het heilige leven van de verlosten 1:13-25

De noodzakelijkheid van geestelijke groei 2:1-10

Het christelijk vermaan 2:11-3:12

Vermaningen ten opzichte van de overheid 2:11-17

Vermaningen ten opzichte van de werkgevers 2:18-25

Vermaningen ten opzichte van het huwelijk 3:1-7

Vermaningen ten opzichte van de onderlinge verhoudingen 3:8-12

Het lijden ter wille van Christus 3:13-4:19

Het lijden terwijl we goed doen 3:13-22

Het lijden terwijl we volgens de eis van het evangelie leven 4:1-6

Het lijden terwijl de Geest van God op ons rust 4:7-19

De gemeenteregels 5:1-11

De regels voor de oudsten 5:1-4

De regels voor de jongeren 5:5

De regels voor de hele gemeente 5:5-11

Slotopmerking en groet 5:12-14

VERKLARING

Inleiding: opschrift en groet 1:1-2

Petrus noemt zichzelf als afzender een apostel. Als oor-en ooggetuige van de opstanding van Christus (Hand. 1: 22) is hij een gevolmachtigde gezant van Jezus Christus. De geadresseerden worden vreemdelingen genoemd. Ze hebben hun vaderland elders (Filp. 3:20). Waar ze tijdelijk verblijven, hebben ze geen rechten. Ze wonen in de verstrooiing. Evenals het woord vreemdeling gebruikt Petrus ook het woord verstrooiing in overdrachtelijke, geestelijke zin. De gelovige geadresseerden wonen over een uitgestrekt gebied in het midden van een ongelovige meerderheid. Jakobus spreekt in zijn brief over de twaalf stammen in de verstrooiing (1:1). Daar gaat het over joodse christenen, die verspreid wonen. Bij Petrus moeten we beslist aan christenen uit de heidenen denken. Ze wonen in Pontus… Bithynië, de vijf oude landstreken in Klein-Azië. Hier zijn niet de romeinse provincies bedoeld, want Pontus behoorde tot de romeinse provincie Bithynië. God heeft Zijn oog op deze verstrooiden doen vallen, want ze zijn de uitverkorenen naar de voorkennis van God (2). Het uitverkoren zijn duidt op een genade-voorrecht, dat de geadresseerden boven anderen hebben ontvangen. Dit grote voorrecht rust in de voorkennis van God de Vader. Deze voorkennis is niet slechts een verstandelijke voorafgaande wetenschap, maar een kennenin liefde reeds voor de tijd begonnen is. Het wijst op Gods eeuwige ontferming (Rom. 8:29,11:2). God de Vader liet Zijn oog op hen vallen en heeft hen reeds van eeuwigheid uitverkoren. De uitverkiezing wordt in de heiligmaking gerealiseerd (Ef. 1:4). De geadresseerden zijn geheiligd door de Geest. De Heilige Geest heeft hen voor God afgezonderd, de zonde-onreinheid in beginsel bij hen weggenomen en hen geleerd om aan God toegewijd te leven. Aangezien deze vreemdelingen vuil waren vanwege hun zonde, hebben ze de besprenging met het bloed van Christus nodig. Ze moeten deel krijgen aan het lijden en sterven van Christus want daardoor wordt de zondeschuld weggenomen en worden ze gereinigd van de smet van de zonde. De zegen van de besprenging met het bloed van Christus kan echter alleen in de weg van gehoorzaamheid, dat is door geloofsgehoorzaamheid ontvangen worden. Het is de Heilige Geest die deze geloofsgehoorzaamheid bewerkt en daarom wordt door Petrus in deze volgorde gesproken: de Heilige Geest, de gehoorzaamheid en het bloed van Christus. Geloofsgehoorzaamheid en heiliging (vgl. 1:14, 22) zijn beide de vruchten .van Gods verkiezing in het leven van de gelovigen. Dit bewerkt ook genade en vrede. De lezers hebben die reeds ontvangen. Ze genieten reeds Gods onverdiende gunst en ze ervaren vrede met God in hun hart, maar nu wenst Petrus het zijn lezers toe, dat het aan hen vermenigvuldigd mag worden, dat ze daar nog meer in mogen delen.

De bevoorrechte positie van de gelovigen 1:3-2:10

De christelijke hoop 1:3-12

De erfenis wordt in de hemel voor de gelovigen bewaard (3-5). Petrus begint op een hooggestemde toon met een lofprijzing. Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus (3). Geloofd wil zeggen God is lofwaardig en het houdt ook de wens in dat deze lof aan God toegebracht mag worden. God is lofwaardig, omdat Hij de wedergeboorte, het nieuwe, waarachtige leven heeft geschonken. Dit nieuwe leven, dit leven in gemeenschap met God heeft Christus door Zijn opstanding bewerkt. Zijn opwekking is de grondslag voor de opwekking uit de geestelijke dood van de geadresseerden. Door het geloof in de opgestane Here Jezus wordt het echte leven ontvangen. En dit wekt bij de gelovigen hoop. Deze hoop wordt een levende hoop genoemd, omdat het een hoop is, die hen werkelijk doet leven en die een onverwoestbaar uitzicht op de toekomst geeft. De geadresseerden, die als vreemdelingen geen recht hebben op aarde, kunnen wel aanspraak maken op een heerlijke erfenis (4). Deze erfenis wordt als een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis aangeduid, want ze kan niet weggenomen worden, ook kan ze niet besmet en besmeurd worden en ze kan ook niet haar waarde en glans verliezen. Deze erfenis, die onvervreemdbaar is, is die hemelse bestemming, die wacht. God Zelf zorgt dat de erfgenamen bij de erfenis uitkomen. De erfenis wordt voor hen bewaard (4), maar de erfgenamen worden zelf ook voor de erfenis bewaard (5). Er is hier sprake van een tweevoudige bewaring. Wat er ook gebeurt, de erfgenamen zullen de erfenis ontvangen. De gelovigen worden in de kracht Gods bewaard (5). De kracht van God beveiligt, beschermt hen. Deze goddelijke kracht van beveiliging wordt door het geloof ontvangen en genoten. Vervolgens omschrijft Petrus de erfenis als de zaligheid, welke gereed ligt om geopenbaard te worden in de laatsie tijd (5). De erfenis is de volle behoudenis, de eeuwige heerlijkheid, die als een erfenis gereed ligt om in al zijn heerlijkheid aan het licht te komen in de laatste tijd, dat is bij de wederkomst van Christus (vgl. 1:7).

De hoop op de hemelse erfenis geeft kracht om de beproevingen te doorstaan (6-9). Verheugt u daarin (7), weest blij met het oog op de erfenis, die wacht, ook al wordt gij thans, indien het moet zijn, voor een korte tijd door allerlei verzoekingen bedroefd (7). Tegenover de droefheid, die veroorzaakt wordt door de beproevingen van het leven, die soms nodig zijn tot ons heil, mag de blijdschap niet worden vergeten. De beproevingen kunnen velerlei zijn (2:20; 3:14), maar dit weegt niet op tegen de heerlijkheid, die wacht (Rom. 8:18). De beproevingen zijn kortstondig en gering vergeleken bij de zaligheid, die eens zal genoten worden (2 Kor. 4:17). De beproevingen dienen om het geloof te louteren. Zoals goud, dat toch vergaat, door vuur beproefd wordt, zo moet de echtheid van het geloof door beproeving ook aan het licht komen. God zuivert het geloof en reinigt het van allerlei onzuivere bijmotieven en daarvoor gebruikt Hij vervolging, druk en beproeving. Eens bij de openbaring van Jezus, op de dag waarop de Here Jezus terugkomt (5) zal dat gelouterde geloof schitteren tot lof en heerlijkheid en eer (7). God zal er eer en lof voor ontvangen, maar de gelovige zal zelf ook eer en lof ontvangen (vgl. Mat. 25:21, 23). Petrus wijst vervolgens op drie dingen, die voor het verkrijgen van de zaligheid en het genieten van de erfenis onontbeerlijk zijn: liefde, geloof en blijdschap. Hij weet van zijn lezers dat zij de Here Jezus hartelijk liefhebben. Hem hebt gij lief, zonder Hem gezien te hebben (8). In tegenstelling tot de schrijver hebben de lezers van deze brief de Here Jezus nooit persoonlijk gezien en toch hebben ze Hem lief. Dit is het wonderheerlijke van het christelijke geloof, dat wij Iemand kunnen en mogen liefhebben zonder dat wij Hem ooit gezien hebben. In Hem gelooft gij, zonder Hem thans te zien. Het geloof is het bewijs van de dingen, die men niet ziet (Heb. 11:2). Door het geloof zien we de Onzienlijke (Heb. 11:27). Deze liefde en dit geloof vervult het hart met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde (9). Deze vreugde overschaduwt alle smart vanwege de beproevingen. Het is niet onder woorden te brengen en het heeft al iets van een hemelse glans. Deze vreugde kan zo groot zijn, omdat de geadresseerden door het geloof mogen weten, dat zij het einddoel van hun geloof, dat is de zaligheid van hun zielen bereiken (9). Het ontvangen van de erfenis wordt hier omschreven als het einddoel van het geloof, dit waar het geloof zich op richt en dan noemt Petrus dit de zaligheid van de ziel, dat is de zaligheid, de verlossing van de gehele mens maar dan aangeduid als een geestelijk wezen. Zo kwam in 1:3 de hoop ter sprake, in 1:8 de liefde en nu in 1:9 het geloof (vgl. 1 Tess. 1:3). De Heilige Geest heeft door de profeten van het Oude Verbond en door de verkondigers van het Evangelie deze zaligheid reeds aangekondigd (10-12). In vroegere tijden hebben de profeten, mannen in het Oude Testament, die van God openbaringen ontvingen, zich reeds op diezelfdeerfenis, datzelfde einddoel, diezelfde zaligheid gericht. Ze hebben onderzoek ingesteld, navorsing gedaan (10) en de Heilige Geest, door Petrus genoemd de Geest van Christus had aan hen bekend gemaakt dat Christus moest lijden en daarna verheerlijkt worden (11). Letterlijk schrijft Petrus over de heerlijkheden, die Christus na Zijn lijden zal ontvangen. Dit wijst op de verschillende trappen of fasen van Christus’ verhoging: opstanding, hemelvaart en het zitten aan de rechterhand van God. De door de Heilige Geest geïnspireerde profeten van het Oude Testament hebben toen nagespeurd, onderzoek ingesteld op welke of hoedanige tijd( 1) dit zou plaats vinden. Met tijd wordt hier bedoeld bijzondere tijd of gelegenheid waarin God handelend optreedt. Hoezeer de profeten ook begerig waren en zich inspanden om een dieper inzicht in het aan hen geopenbaarde heil te ontvangen, aan hen is geopenbaard (12), dat de volle kennis voor latere geslachten bedoeld was. De profeten waren er zich van bewust dat de vervulling niet in hun dagen zou plaats vinden (Num. 24:17; Dan. 12:4). De lezers mogen nu kennis dragen van dingen, die voor de profeten nog grotelijks verborgen waren, want de Heilige Geest, die van die hemel gezonden is, die uitgestort is, heeft het evangelie aan hen gebracht (12) en de predikers door de Geest gestuurd en geleid hebben hun dingen verkondigd zo groot en zo heerlijk, dat zelfs de engelen daar graag een blik in zouden willen slaan. Letterlijk staat er: de engelen zouden graag voorover willen bukken (vgl. hun gebogen gestalte boven het verzoendeksel van die ark in Ex. 25:20). De engelen weten echter niet persoonlijk wat verlossing is.

Het heilige leven van de verlosten 1:13-25

Het heiligingsmotief uit 1:2 wordt hier door Petrus opgenomen en breder uitgewerkt. De lezers, die zo hoog bevoorrecht zijn, moeten nu de lendenen van hun verstand omgorden (13), Zoals de oosterling bij het lopen zijn lang neerhangend kleed omhoog haalt, zo moeten de gelovigen innerlijk reisvaardig zijn en hun gedachten op de toekomst richten. Nuchterheid is nodig om met een heldere blik het oog te richten op de toekomst. Ze moeten hoopvol uitzien naar de wederkomst van Christus, want op die dag zal de genade, Gods onverdiende gunstbewijs, hun ten deel vallen. Ze moeten als gehoorzame kinderen hun leven niet inrichten volgens het oude levenspatroon van zondige begeerten (14). Vroeger waren ze als heidenen onwetend, onkundig (Hand. 17:30). Een heilige levenswandel is nodig (15), een wandel afgezonderd van de zondige wereld, want Hij, die hen geroepen heeft is heilig(15) en daarom moeten de geadresseerden ook heilig zijn(16) , immers gemeenschap met Hem eist heiligheid. Dit moet ten eerste tot uitdrukking komen in het gebed, waarin God als Vader aangeroepen mag worden (17). De heilige God is ook Vader (vgl. Rom. 8:15). Maar Hij is ook Rechter, die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt. Hij oordeelt strikt rechtvaardig. In de tweede plaats moet het heilig zijn uitkomen in de levenswandel. Dit moet zijn een wandel in vreze (17), in eerbied en ontzag voor God om niets te doen waardoor de heilige God vertoornd wordt gedurende de tijd uwer vreemdelingschap. Hier wordt het leven van de gelovige op aarde aangeduid als een vertoeven in een vreemd land (vgl. 1:1;2:11). Behalve eerbied voor God, die Vader en Rechter is, moet ook voortdurend in gedachten gehouden worden, wetende (18), dat de lezers vrijgekocht zijn van hun ijdele wandel, verlost van het oude leven in de slavernij van de zonde. Dat leven was ijdel, leeg, doelloos. Die loskoopprijs was het kostbare bloed van Christus, die als een onberispelijk, vlekkeloos Lam geslacht is (19). De nieuwe levenswandel waartoe Petrus zijn lezers oproept vindt zijn wortel in het heilsgebeuren van het sterven en de opstanding van Christus. Zoals God de lezers van te voren gekend heeft (1:2), zo heeft Hij ook Christus van te voren gekend (20), vóór de grondlegging der wereld, toen er nog niets geschapen was. Toen heeft God Hem bestemd en aangewezen als Offerlam ter verzoening van de zonden van al Gods kinderen. Deze Jezus is bij het einde der tijden geopenbaard in de laatste bedeling, de nieuwtestamentische bedeling, die het slot van de geschiedenis der eeuwen vormt. Jezus is geopenbaard, in de wereld gekomen terwille van u, tot behoudenis van de lezers van deze brief. Door Hem, door de Here Jezus, die Zijn Geest zond, zijn de lezers tot het geloof in God gekomen (21). Deze God heeft Jezus opgewekt uit de doden en met eer en heerlijkheid gekroond. Dit heeft tot gevolg dat hun geloof in God tegelijk ook hoop op God mag zijn (21). Vrucht van het geloof is de hoop, de’verwachting, dat de toekomst gewaarborgd is. Geloof en hoop zijn zeer nauw met elkaar verbonden.

In de derde plaats betekent heiligmaking ook geheiligde onderlinge verhoudingen. Gehoorzaamheid aan de waarheid, geloof in het Woord van God roept op tot reiniging van de ziel (22), dat is innerlijke reiniging tot ongeveinsde broederliefde, dat is oprechte liefde tot de medegelovige. Vooral omdat de christenen het als vreemdelingen in een vijandige omgeving zo moeilijk hebben, is het noodzakelijk, dat ze elkaar vurig liefhebben uit een rein hart (22) (volgens sommige handschriften). De liefde moet vurig, letterlijk: uitgestrekt of onverbrekelijk zijn en moet uit een gezuiverd hart komen. Deze eis tot christelijke naastenliefde kan gesteld Worden, omdat de lezers immers wedergeboren zijn. Ze hebben het nieuwe leven (vgl. 1:3) ontvangen. Dit is in hun harten aangebracht door de Heilige Geest die het eeuwigblijvende en onvergankelijke zaad van het Woord van God in hun harten geplant heeft (23). Ter bevestiging dat het Woord van God eeuwig blijvend is, wijst de schrijver op een uitspraak uit het Oude Testament (Jes. 40:6-8). Tegenover de vergankelijkheid van alle vlees (24), alle mensen staat de onvergankelijkheid van het Woord van God (25). Dit is het Woord dat aan de lezers verkondigd is.

De noodzakelijkheid van geestelijke groei 2:1-10

De schrijver ontvouwt verder het motief van de heiliging van het leven van de christenen. Hij doet dit vanuit vierderlei gezichtshoek: die van het pasgeboren kind (1-3), een geestelijk huis (4-5), een koninklijk priesterdom (8-9) en een heilig volk(9-10). Negatief moet alle /kwaadwilligheid, afgelegd worden (1) zoals een vuil kleed uitgetrokken wordt. Dit alles is de oude mens, die afgelegd moet worden (vgl. Ef. 4:22). Positief is het gebruik van de rechte voeding nodig, de onvervalste melk van het Woord (2), letterlijk: de woordelijke onvervalste melk. Wat de melkspijs voor kleine kinderen is, is het Woordvoor jonge gelovigen. Wie naar deze melk zeer begerig is, sterk verlangt, zal merken, dat hij daardoor geestelijk groeit. Een leven dicht bij de bijbel is noodzakelijk voor de geestelijke groei. Het verlangen naar geestelijke groei, naar een diepere en vollere gemeenschap met God zal ook toenemen, indien gij geproefd hebt, dat de Here goedertieren is (3), letterlijk: indien gij begonnen zijt te proeven, als gij er de smaak van te pakken hebt gekregen door de ondervinding van Gods (vgl. Ps. 34:9), hier van Christus’ genade. De gemeente is een geestelijk huis (5) waarvan Christus het fundament is waarop het gehele gebouw rust (6). Een eerste vereiste om tot een heilig leven van toewijding aan God te komen, is het in het geloof tot Christus komen (4). Een tweede vereiste is het als een levende steen, dat is als een waarachtige gelovige ook bruikbaar mogen zijn in de geestelijke tempel (5). Om bruikbaar te kunnen zijn moeten de gelovigen weten wat precies hun plaats is in deze geestelijke tempel, in het lichaam van Christus. Daartoe behoort elke gelovige te weten welke genadegave hij ontvangen heeft om daarmee dienstbaar te kunnen zijn (vgl. 4:10). Het fundament, de kostbare hoeksteen (6) waarop de gelovige als een levende steen rust, zijn geloof bouwt, op Wie hij vertrouwt, is voor de ongelovige een steen des aanstoots enz. (7). De ongelovigen zoals de joodse leiders, die deze Hoeksteen verworpen hebben stoten zich aan het Woord. Ook het verzet tegen Christus en Zijn Woord gaat niet buiten Gods raadsplan om, want zij zijn daartoe bestemd (8). Hier komt het motief van Gods raad en Zijn voorkennis uit 1:2 duidelijker naar voren. In de derde plaats is de gemeente ook een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap (9). Met termen aan het Oude Testament ontleend (Ex. 19:6) wordt hier de kerk van het Nieuwe Testament beschreven. Dit wijst op de eenheid van de kerk in het Oude Testament en de kerk in het Nieuwe Testament. Koninklijk moeten de geadresseerden over de zonde heersen en priesterlijk zichzelf aan de Here en Zijn dienst toewijden. In de vierde plaats worden de gelovigen ook aangeduid als een heilige natie, een volk Gode ten eigendom (9). Vroeger waren ze geen volk (10), heidenen, dus niet uit de Joden, maar nu door Gods ontferming in de eenheid van het Godsvolk opgenomen (vgl. Rom. 9:24, 25).

Het christelijk vermaan 2:11-3:12

Vermaningen ten opzichte van de overheid 2:11-17

De christenen moeten een voorbeeld zijn voor de heidenen (11-12). De christenen zijn bijwoners en vreemdelingen (11). Dit is de grondtoon van de hele brief (vgl. 1:1). Daarom moeten de lezers zich onthouden van de vleselijke begeerten, dat zijn de begeerten of lusten van het verdorven zondige bestaan. Zij voeren strijd tegen de ziel (11), het nieuwe leven (vgl. 1:9). De lezers moeten een goede wandel (12), een christelijke levenswandel onder de heidenen leiden. Juist vanwege deze goede levenswandel zullen de christenen gelasterd worden. Door de eeuwen heen was altijd het anders zijn van de christenen een ergernis en een aanstoot voor de ongelovigen. Laster, kwaadsprekerij, het verspreiden van boze geruchten was dikwijls het begin van vervolging. Maar op de dag van de bezoeking (12), de dag waarop God komt hetzij om tot bekering te brengen hetzij om te oordelen, zal de oprechte levenswandel van de christenen aan het licht komen en God zal daarin verheerlijkt worden.

Christenen moeten wetsgetrouwe burgers zijn (2:13-17). Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen (13), alle verordeningen en wetten, die ingesteld zijn tot instandhouding van de menselijke samenleving moeten gehoorzaamd worden. De Here, dat is hier Christus wil het zo. De keizer als opperheer, als de hoogste machthebber, maar ook de landvoogden, de lagere overheden moeten gehoorzaamd worden. De overheid is door God ingesteld om de zonde te beteugelen en het kwaad te straffen (14). Wie de overheid erkent en eert, mag ook dank en lof, waardering van de overheid verwachten (Rom. 13:3). De wereld begrijpt het optreden van de christenen niet, maar ze moet respect krijgen voor de christelijke levenswandel (15). De christenen zijn vrije mensen (16), maar ze mogen van hun christelijke vrijheid geen misbruik maken. Ze zijn vrij van de dienst van de zonde en nu zijn ze in dienst van God. Samenvattend (17) schrijft Petrus dat allen, hier met nadruk, de eer moeten ontvangen, die aan hen verschuldigd is, de broederschap, de gemeente moet met liefde bejegend worden, er moet vrees in de betekenis van ontzag voor God zijn en de keizer moet geëerd worden. De werkwoordsvormen eren, vrezen en liefhebben geven aan dat het steeds, voortdurend gedaan moet worden.

Vermaningen aan de slaven 2:18-25

Er waren in de eerste christelijke kerk verhoudingsgewijs veel slaven. Ze worden door Petrus zoals ook elders in het Nieuwe Testament (Ef. 6:5-9; Kol. 3:22-25) apart aangesproken. De regels, die hier voor de slaven gegeven worden samen met de leefregels voor de vrouwen en kinderen in de gemeente worden wel ‘huistafels’ genoemd. In een bepaalde maatschappelijke structuur uit die tijd worden werknemers, die geheel rechtloos waren, gewezen op hun christelijk gedrag ten opzichte van hun heren. De eerste vereiste is onderdanig zijn in alle vreze (18). De vreze des Heren moet hun houding ten opzichte van hun meester beheersen. Ook een verkeerde meester, de norse, onvriendelijke, onberekenbare moet gehoorzaamd worden. Dit kan lijden met zich meebrengen (19), maar zelfs lijden is genade; een bijzondere onverdiend gunstbewijs van God (19). Wie ongehoorzaam is, krijgt terecht slagen met de hand of met de vuist, maar wie goed doet, wie met God rekening houdt en dan geslagen wordt, is welgevallig bij God (20). Want hiertoe (21), tot zulk een stille onderworpenheid zijn de christenslaven geroepen. Het lijden van Christus (21-24) is hierbij een stimulans en kracht om vol te houden. Wel is er verschil en overeenkomst tussen het lijden van de christen-slaaf en het lijden van Christus. Christus’ lijden was plaatsvervangend. Hij heeft voor ons geleden (21), ten behoeve van ons, in onze plaats. Hij heeft onze zonden op het hout gebracht (24). Hij heeft onze zonden omhoog gedragen aan het kruis. Maar Zijn lijden is voor de christen-slaven ook een voorbeeld, dat Hij heeft nagelaten (21) ter navolging. De christen-slaven moeten in zijn voetstappen treden, in hetzelfde spoor gaan. Deze voetstappen worden duidelijk omschreven (22, 23): niet liegen, niet terugschelden, niet dreigen, het alles in het gebed aan God overgeven en toevertrouwen. God oordeelt rechtvaardig (23) ook over de meester, die zijn slaaf onrechtvaardig behandelt. Deze navolging van Christus rust op de verzoening door Christus bewerkt. Door Zijn striemen zijt gij genezen (24). Door Zijn wonden, straflijden en kruisdood is er genezing van ziekten naar lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid en ook van schuld en straf en verderf en verlorenheid (Jes. 53:5). Vroeger waren deze christen-slaven als dwalende schapen (25), weerloos en een prooi van verderf en ondergang, maar door hun bekering (2:4) tot Christus, de Herder en Hoeder van hun zielen, die hen weidt, verzorgt en leidt, hebben ze Iemand die voor hun ziel, hun hele leven (1:9; 2:11), de mens in zijn totaliteit zorgt.

Vermaningen ten opzichte van het huwelijk 3.T-7

Zoals in de andere huistafels in het Nieuwe Testament (vgl. Ef. 5:22-33; Kol. 23:18-4:6) spreekt Petrus vervolgens de vrouwen in de gemeente aan. Zij moeten onderdanig zijn (vgl. 2:13, 18). Ook al zijn hun mannen ongelovig, dit heft de plicht van gehoorzaamheid van de vrouwen in het huwelijk niet op. Petrus spreekt van mannen, die het Woord, dat is de prediking gehoord hebben (1), maar ongehoorzaam aan dat Woord blijven. Zij kunnen door de gelovige levenswandel van hun vrouwen voor de Here gewonnen worden. De apostel beschrijft dan hoe deze levenswandel moet zijn: rein en godvrezend (2), God moet geëerbiedigd worden en tegenover de onreine wandel van de heidenen (vgl. 4:3) moet het reine leven van de christenvrouw opgemerkt kunnen worden (2); geen uiterlijke versiering is nodig om de aandacht van de man te trekken (3), de innerlijke mens, een versiering, die in het hart schuilt, die in het verborgen aanwezig is en in het gedrag merkbaar wordt (vgl. 2 Kor. 4:16), een zachtmoedige en stille geest, ootmoedig, bescheiden en ingetogen van aard. Zo’n gezindheid is kostbaar in het oog van God (4), God kijkt er met welgevallen naar. Sara geldt als een lichtend voorbeeld (6), en zo ook de heilige vrouwen uit de voortijd (5), de vrouwen in het Oude Testament. Kenmerkend van deze vrouwen was: hoop op God en onderdanigheid aan hun mannen (5). Hun verwachting was op God gericht en zo gehoorzaamden hun echtgenoten. Sara wordt als het grote voorbeeld genoemd (6). Zij was aan Abraham gehoorzaam toen hij uittrok op Gods bevel (Gen. 12:1-3) en zij noemde hem heer (Gen. 18:12) als betuiging van eerbied en onderdanigheid. De christenvrouwen zijn dochters van Sara (6), letterlijk: kinderen, dit wil zeggen geestelijk aan haar verwant. Als gij goed doet, doet wat de Here beveelt en u geen schrik laat aanjagen, want wie op God vertrouwt behoeft niet voor de eigen heidense man of wie dan ook bang te zijn. De gelovige mannen worden opgeroepen om verstandig met hun vrouwen samen te leven, met begrip en geduld. Ze moeten er rekening mee houden dat de vrouw brozer vaatwerk is, aan haar eigen aard als vrouw moet gedacht worden. Eer komt haar toe en moet aan haar betoond worden, ze mag immers in dezelfde erfenis van de genade van het leven, dezelfde onverdiende erfenis van het ware leven, delen. Spanningen in het huwelijk kunnen het gebedsleven verhinderen (7). Hier wordt speciaal op de gebeden van de man gewezen en daarom wordt de vermaning tot huwelijkstrouw en wederzijdse achting in verband gebracht met het gebedsleven.

Vermaningen ten opzichte van de onderlinge verhoudingen 3:8-12

Na de vermaningen aan slaven, getrouwde vrouwen en getrouwde mannen, richt de apostel zich tot alle gelovigen. Hij legt positief (8) de volle nadruk op eensgezindheid, allen moeten hun zinnen op hetzelfde richten (vgl. Kol. 3:1, 2), de broederliefde (vgl. 1:22), barmhartig-heidsbetoon, innerlijk geroerd zijn door het leed van anderen en ootmoed, nederig zijn, en negatief (9) vermaant hij de gelovigen om niet kwaad met kwaad te vergelden (vgl. 2:23), of laster met laster, hier in de betekenis van niet terugschelden (vgl. 2:23), maar weer positief: zegent integendeel, wens het goede toe aan hen, die u kwaad doen. Wat Petrus positief stelt, is de roeping van de gelovigen en zo optredend zullen ze zegen beërven, door God gezegend worden (vgl. Mat. 6:14). Dan legt Petrus met behulp van het Oude Testament (Ps. 34:13-17) uit waarin het zegenen van de medemens bestaat: weer negatief: zijn tong weerhouden van het kwade (10), niet kwaad spreken en liegen, afwijken van het kwade (11), behalve het kwaad niet bedenken of uitspreken het ook niet metterdaad doen, en positief: het goede doen (11), doen wat God gebiedt en wat heilzaam is voor de naaste, het zoeken van vrede, als anderen vijandig optreden toch de vrede bewaren en bevorderen (vgl. Mat. 5:9), en de vrede najagen, zich inspannen om de vrede te bevorderen. De Here ziet degenen, die zo optreden, want Hij let op de rechtvaardigen (12), hen, die in de rechte verhouding tot Hem staan. Dit is een aanzien in liefde en ontferming. Ook hoort Hij hun smeking, Hij luistert naar hun gebeden en verhoort die (vgl. Joh. 9:31; Ps. 66:8). Anderzijds keert God Zijn aangezicht tegen de kwaaddoeners, zij hebben van Hem het ergste te vrezen (Pred. 8:11-13). Gods oog, als aanduiding van Zijn verbolgenheid is tegen de goddelozen. Voor hen, die het goede doen, is er ook reeds een zegen in het heden. Zij zullen het leven liefhebben, een leven genieten, dat werkelijk vrede geeft en goede dagen zien (10), dagen waarop het werkelijk goede genoten wordt.

Het lijden ter wille van Christus 3:13-4:19

Het lijden terwijl we goed doen 3:13-22

Het lijdensmotief, dat reeds in 2:12, 19 genoemd is, wordt nu breedvoerig uitgewerkt. Het lijden ter wille van de gerechtigheid (13-17). Wie het goede najaagt (13) is in feite onaantastbaar, geen mens kan hem wezenlijke schade toebrengen. Wel kan het lijden meebrengen, een lijden ter wille van de gerechtigheid (14), dat is een lijden als gevolg van het doen wat recht is, lijden vanwege het gehoorzaam zijn aan God. Wie zo lijdt, is zalig, zeer gelukkig te prijzen! Negatief schrijft Petrus: vreest niet zoals zij vrezen, wordt niet bevreesd door vrees voor hen, en laat u niet verschrikken, en laat u niet in de war brengen door hun dreigementen. Hiertegenover weer positief: heiligt de Christus als Here in uw harten (15), erkent in uw hart dat Christus, Here, Heerschappijvoerder is. Hij regeert, erkent Zijn macht en bescherming over u. Weest altijd bereid enz., weest bereid om te getuigen alsu ter verantwoording geroepen wordt. Zo’n getuigenis, verantwoording of rekenschap is een getuigenis van de hoop, de verwachting, die leeft in het hart. Dit moet altijd in een geest van zachtmoedigheid en vreze, met ontzag (vgl. 1:17) gedaan worden.

De geadresseerden moeten daarbij hun geweten zuiver houden (16), zodat er met recht niets op hun gedrag aan te merken valt, en als er dan toch kwaad van hen gesproken wordt (vgl. 2:12) dan zal hun goede wandel in Christus, een levenswandel vanuit de gemeenschap met Christus de kwaadsprekers beschaamd maken. Er kan op twee manieren geleden worden: lijden door onrechtvaardige behandeling van mensen, terwijl goed gedaan wordt, indien de wil van God het eist (17), als God het wil om het geloof te beproeven en lijden, omdat kwaad gedaan wordt. Het eerste lijden is beter, voordeliger, doeltreffender.

Het lijden van onrecht voert tot heerlijkheid zoals te zien is aan het lijden van Christus (18-22). Troost ligt er in de gedachte dat Christus ook geleden heeft en Hij als Rechtvaardige voor zondaren (18). Zijn lijden was eenmaal (vgl. Heb. 10:14) volkomen, afdoende, ter verzoening van de zonde van onrechtvaardigen met als doel om hen tot God te brengen, om weer in de heerlijke gemeenschap met God te komen. Christus is gedood naar het vlees, in zijn vernederde menselijke natuur en levend gemaakt, opgewekt naar de geest, naar Zijn goddelijke natuur (vgl. Rom. 1:4). In welke Hij ook is gaan prediken aan de geesten in de gevangenis (19), in die staat van het geestelijke opstandingsleven is Hij Zijn overwinning gaan verkondigen, als een heraut gaan uitroepen aan de gestorven ongelovigen, die zich in de gevangenis, de plaats waar op het oordeel gewacht wordt, bevinden. Letterlijk schrijft Petrus, dat Christus nadat Hij heengegaan is, als heraut is gaan verkondigen. Dit heengaan ziet op Zijn hemelvaart, Zijn triumferende opvaart naar omhoog. De inhoud van de verkondiging, de boodschap als van een heraut is de overwinning van Christus bij Zijn hemelvaart. Die boodschap is ook bekend geworden aan de ongelovigen in de plaats waar op het eindgericht gewacht wordt. De triumf van Christus over de dood is ook bekend geworden aan de gestorven ongelovigen waaronder zich ook de tijdgenoten van Noach bevinden, die eertijds ongehoorzaam geweest waren (20). Deze tijdgenoten van Noach zijn een voorbeeld van verzet tegen de prediking van het evangelie. Ze waren ongehoorzaam, ongeloof is ongehoorzaamheid (vgl. Joh. 3:36), terwijl God in de dagen van Noach uiterst lankmoedig afwachtte of de mensen zich nog op de prediking van Noach zouden bekeren (vgl. Gen. 6:16vv), terwijl Noach de ark in gereedheid bracht. Slechts weinigen werden gered (20). Slechts acht personen gaven gehoor aan de waarschuwende prediking. Zij werden gered door het water heen. Het zondvloedwater was oordeelswater voor de onge-hoorzamen, maar behoudeniswater voor de gelovigen. Het zondvloedwater wijst heen naar de doop. De doop is daarvan het tegenbeeld, letterlijk antitype, afschaduwing (21). Zoals het zondvloedwater de aarde reinigde en de gelovige acht personen redde, zo redt thans de doop, door de doop is er behoud. Het doopwater dat de zondige mens symbolisch reinigt wijst heen naar het bloed van Christus, dat reinigt van de zonde en redding bewerkt.Petrus zegt dan twee dingen van die doop: negatief is de doop niet een aflegging van lichamelijke onreinheid, de betekenis van de doop is niet een uiterlijke reiniging van het lichaam, maar positief een bede van een goed geweten tot God (21), een gebed, een vraag aan God om een goed geweten, dat is een geweten, dat weet vergeving van zonden ontvangen te hebben op grond van Christus’ verzoeningswerk. Een goed geweten, het besef, dat de zonden vergeven zijn, wordt ontvangen door gelovig te aanvaarden wat in de doop betekend en verzegeld wordt. Een bede van een goed geweten tot God wordt ook wel verstaan als een aanbod van Gods kant om een goed geweten te ontvangen, een geweten, dat niet meer veroordeelt (Heb. 9:14). Dan betekent en verzegelt de doop Gods aanbod, Zijn belofte, dat Hij ons een goed geweten wil schenken. Dit alles is mogelijk geworden door de opstanding van Christus. Daar ligt de grondslag (vgl. 1:3). Van deze Christus wordt nu gezegd, dat Hij aan de rechterhand Gods is (22), Hij is tot de allerhoogste macht verheven, opgevaren ten hemel, nadat Hij in de hemel aangekomen is. Engelen, machten en krachten, alle hemelse machthebbers, maar ook boze machten en krachten zijn aan Hem onderworpen. Het lijden en sterven van Christus wordt door Petrus vanuit de gezichtshoek van de overwinning en de verheerlijking van Christus gezien.

Het lijden terwijl we volgens de eis van het evangelie leven 4:1-6

Het lijden van Christus was een lijden naar het vlees (1), een lijden in zijn menselijke situatie, waarin Hij aan ons gelijk geworden is (Rom. 8:3). De geadresseerden moeten in hun eigen situatie zich met dezelfde gedachte wapenen, dat ook zij hebben te lijden. Dit is dezelfde gedachte, dié Christus had toen Hij het lijden op Zich nam. Deze gedachte is, dat wie naar het vlees geleden heeft, onttrokken is aan de zonde. Christus heeft door Zijn lijden de gelovigen van de schuld van de zonde bevrijd en van de macht der zonde verlost. Dit moeten de geadresseerden bedenken en daarom de zonde ook loslaten en niet meer doen. In de gemeenschap met Christus en in de navolging van Hem ligt de kracht voor een leven van overwinning in de strijd tegen de zonde. Daarom moet in de tijd, die rest in het vlees (2), dat is in de levenstijd na de bekering negatief niet naar de begeerten van mensen, onheilige lusten en vleselijke begeerten, geleefd worden, maar positief naar de wil van God, volgens het richtsnoer, dat God in Zijn Woord heeft gegeven. In de vroegere levensjaren hebben de geadresseerden, waarschijnlijk dus toen heidenen, geleefd volgens de wil der heidenen (3), dat wat de heidenen verlangden, begeerden en deden. Allerlei gruwelijke zonden worden dan genoemd waarin de lezers vroeger gewandeld hebben, met blijdschap en volle overgave gedaan hebben (vgl. Ef. 2:2). Het bevreemdt de heidenen rondom de christenen, dat deze met het oude leven van uitspattingen en liederlijkheid gebroken hebben (4) en dit brengt smaad en laster mee. Maar ook de heidenen zullen van hun zondige levenswandel eens rekenschap moeten afleggen aan Hem, aan Christus (vgl. Hand. 17:31), die gereed staat, Zich gereed maakt om levenden en doden te oordelen (5). Levenden en doden is een vaste uitdrukking voor alle mensen (vgl. Rom. 14:9; 2 Tim. 4:1). Petrus wijst de geadresseerden op het komende oordeel om hen zo aan te sporen tot een heilige levenswandel. Om die heilige levenswandel te bewerken is ook aan de doden het evangelie gebracht (6). De doden zijn zij die reeds gestorven zijn. Zij zijn wel als mensen in het vlees geoordeeld, want de dood is de bezoldiging der zonde (Rom. 6:23) en alle mensen moeten eens sterven (Heb. 9:27), en daarom zijn ook deze hoorders van het evangelie in het vlees, lichamelijk wel gestorven, doch, naar God, in de geest zouden ze leven, naar hun meest innerlijke mogen ze in gemeenschap met God leven, en dit naar God, tot de eer van God of op de manier van God, zoals Hij ook leeft.

Het lijden terwijl de Geest van God op ons rust 4:7-19

Met het oog op de wederkomst van Christus (7) geeft Petrus enkele vermaningen in verband met het gebedsleven en het onderlinge gedrag. Het einde van alle dingen is nabij gekomen (7), de laatste bedeling is met de komst van de Here Jezus ingetreden. De geschiedenis loopt ten einde. Deze komst moet biddend ingewacht worden. Om te kunnen bidden, letterlijk om tot de gebeden te komen, dus vaste gebeden op geregelde tijden is het nodig om tot bezinning te komen, om goed en zuiver te kunnen denken en omnüchterte zijn, onbeneveld en niet verduisterd in het oordeelsvermogen. Een zeer belangrijk vereiste is om elkaar bestendig, dat is met een sterke, onverbreekbare band lief te hebben (8), want de liefde bedekt tal van zonden. Omdat de lezers zelf Christus’ vergevende liefde ervaren hebben, kunnen zij ook de ander van harte vergeven (vgl. Spr. 10:12). Gastvrijheid (9) aan de rondreizende predikers of aan hen, die vervolgd worden, moet worden betoond (vgl. Rom. 12:13). Ieder in de gemeente heeft van God een genadegave (10), een onverdiende gave van de Heilige Geest ontvangen, want er is velerlei genade van God, God is rijk in Zijn genadewerkingen. Ieder moet een goede rentmeester, een goede econoom zijn in het beheer en gebruik van Gods gaven. Van de verschillende gaven noemt Petrus er twee speciaal: de gave van het preken of spreken en de gave van het dienen (11). Als iemand de gave heeft ontvangen om te preken als een leraar of om te getuigen als een gemeentelid, dan moet God door hem aan het woord komen. Als iemand de gave heeft ontvangen om te dienen, om barmhartigheidswerk te doen, dan moet die gave niet in eigen kracht aangewend worden, maar uit de kracht, die God verleent, in de kracht van God, die Hij schenkt op het gebed. Wanneer de gaven zo aangewend worden, dan wordt God verheerlijkt, geprezen door Jezus Christus, want Hij deelt de gaven van Zijn Geest uit (Ef. 4:7).

Na de hoogte van de lofprijzing daalt Petrus af naar de diepte van het lijden door vervolgingen. Weer komt het lijdensmotief ter sprake (vgl. 1:6; 2:18; 3:13). De apostel noemt het lijden de vuurgloed der beproeving (12), het lijden is zoals een vuur, waarin goud gelouterd wordt (vgl. 1:6, 7). Vervolging moet de geadresseerden niet bevreemden, ze moeten er zich niet over verbazen (vgl. Joh. 16:33). Lijden is deel van het christen-zijn. Geloof in Jezus Christus betekent ook gemeenschap aan Zijn lijden (13), dat is het lijden dat Christus in de zijnen lijdt en rekent als Hem aangedaan (Mat. 25:40; Kol. 1:24). Het lijden moet de lezers niet bevreemden (12), maar het moet hen verblijden (13), want evenals bij Christus loopt ook het lijden van de christen uit op heerlijkheid. De jongste dag is de dag van de openbaring van de heerlijkheid van Christus. Zijn volle glorie komt dan aan het licht en daar mogen de lezers, die nu lijden dan in delen. Dan zal er ook voor hen grote blijdschap zijn. Als de geadresseerden onder de naam van Christus (14), ter wille van Christus gesmaad en gelasterd worden, dan zijn ze zalig, hoogst gelukkig, want dan rust de Geest der heerlijkheid op hen. De Heilige Geest is de Geest van de verheerlijkte Here Jezus en tegelijk ook de Geest van God. Deze Geest is het deel van de christenen, die moeten lijden en deze Geest geeft hun kracht om vol te houden in het lijden eh om te getuigen onder het lijden (vgl. Hand. 6:15). Petrus wijst erop dat er ook een lijden is door eigen schuld als een dief of een moordenaar, enz. (15), dingen, die strafbaar zijn. Tegen dat lijden waarschuwt de schrijver. Indien iemand echter als een christen lijdt (16), lijdt omdat hij in Christus gelooft, dan schame hij zich niet alsof het iets oneervols is, maar verheerlijke hij God onder deze naam; dan moet hij zijn lijden als een hoge eer beschouwen en God prijzen, omdat hij tot zo’n lijden verwaardigd wordt. In plaats van onder die naam kunnen we ook lezen: om dit deel en dan bedoelt Petrus, het voorrecht dat hem, de christen als zijn deel verleend wordt. Petrus legt in zijn brief sterk de nadruk op het komende gericht (vgl. 4:5). Het oordeel van God is tweeërlei: tot loutering en zuivering (vgl. 1 Kor. 11:19), maar ook tot eeuwige veroordeling. Want het is nu de tijd dat het oordeel begint (17), de bepaalde tijd of gelegenheid van het oordeel is reeds aangebroken. Gods oordeel begint bij het huis van God, de gemeente (vgl. 2:5) om de gemeente te zuiveren van wat verkeerd en onheilig is. Wat zal dan het einde zijn, het eeuwige einde van hen die aan het evangelie ongehoorzaam blijven? De rechtvaardige wordt ternauwernood behouden (18), hij die Gods wil doet (vgl. 3:18) wordt ternauwernood, dat is niet zonder grote loutering door het vuur van beproeving (vgl. 1: 7; 4:12) gered. Waar zal dan de goddeloze en de zondaar verschijnen? Hoe zal dan hij, die God niet kent en die zijn wet overtreedt in het gericht van God staande kunnen blijven? God is de rechtvaardige Rechter. Daarom is het nodig dat zij, die naar de wil van God lijden (19), zij, die lijden, omdat ze volgens Gods gebod leven, hun zielen, hun leven (vgl. 1:9) aan de getrouwe Schepper toevertrouwen, aan God, die almachtig is zichzelf als panden bij Hem ter bewaring geven, daarbij steeds het goede doende, want het kwade roept Gods toorn op, maar het goede is Hem welgevallig. Dan mag in het lijden op Zijn bijstand gerekend worden. Deze bijstand wordt gerealiseerd door de Heilige Geest, die op hen rust (14).

De gemeenteregels 5:1-11

De regels voor de oudsten 5:1-4

In zijn slotopmerkingen richt Petrus zich met een vermaning in de eerste plaats tot de oudsten (1), hier niet oudere personen maar ouderlingen, die in de gemeente leiding moeten geven. De schrijver gaat naast deze ouderlingen staan, want hij noemt zichzelf een medeoudste, iemand, die ook ouderling is. Het ouderlingambt lag in het apostelambt opgesloten. Vervolgens noemt Petrus zichzelf een getuige van het lijden van Christus, een ooggetuige van het aardse leven, het lijden en de opstanding van Christus (vgl. Hand. 10:39-41) en een deelgenoot van de heerlijkheid, die geopenbaard zal worden. Zoals telkens in zijn brief plaatst de schrijver tegenover het lijden de heerlijkheid van de toekomst (1:7; 13; 4:13). De inhoud van de vermaning is: hoedt de kudde Gods (2), weidt als een herder de kudde, de schapen van de Here Jezus (Joh. 21:16), de kerk van Christus (Hand. 20:28). Negatief: niet gedwongen, met tegenzin, niet uit schandelijke winzucht, om zichzelf door het ambt te verrijken (vgl. 1 Tim. 3:3, 8), niet als heersers over hetgeen u ten deel gevallen is (3), letterlijk: de delen of erfdelen. Israel was Gods erfdeel (Deut. 9:29). Het meervoud kan erop duiden, dat hier verschillende gemeenten toebedeeld zijn. Over de gemeente als Gods erfdeel aan de ouderlingen toevertrouwd, mag niet geheerst worden (Mat. 20: 25, 26). Positief moet de kudde van God uit vrije beweging naar de wil van God (2) gehoed worden. Letterlijk: gewillig naar God, volgens Gods voorbeeld en wijze van doen, zoals God het wil, uit bereidwilligheid, uit een innerlijke aandrang of van ganser harte, als voorbeeld van de kudde (3), letterlijk: voorbeelden wordende. De ouderlingen moeten er steeds naar streven om als voorbeelden erop te wijzen hoe Christus nagevolgd moet worden (vgl. 2:25). Wanneer Hij verschijnt, weerkomt op de jongste dag (1:7, 13; 4:13), dan zullen de getrouwe herders de onverwelkelijke krans der heerlijkheid verwerven (4), de overwinningskrans, die altijd fris en mooi blijft. De krans is een ereteken van trouw en toewijding.

De regels voor de jongeren 5:5a

Vervolgens worden de jongeren vermaand. Hier wordt niet een bepaalde groep of ambt bedoeld, maar de leeftijd. De jongere leden van de gemeente worden aangesproken. Zij moeten zich aan de oudsten onderwerpen, het gezag van de ouderlingen erkennen en eraan gehoorzamen.

De regels voor de hele gemeente 5:5b-11

Omgord u allen jegens elkander met nederigheid (5), letterlijk: bindt allen tegenover elkaar het schort van de ootmoed voor (vgl. Joh. 13:4vv). De gemeenteleden moeten zich ootmoedig tegenover elkaar opstellen. Dan is God aan hun kant. Want God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade (5). Wie hoogmoedig is, wordt door God vernedert, maar wie nederig en ootmoedig is, ontvangt Zijn genade, Zijn onverdiende gunst (vgl. Luc. 18:14). Daarom klinkt de volgende vermaning: Vernedert u dan (6). De sterke hand van God bindt de lezers aan Zijn wetten en verordeningen, Zijn voorschriften en regels (3:13-4:6). Die hand is ook voelbaar in het lijden, dat verduurd moet worden (vgl. 1: 6; 4:19), maar diezelfde hand is ook machtig om te helpen en te verlossen. Opdat Hij u verhoge te zijner tijd, op Gods tijd, reeds in dit leven, maar ten volle na de dood (vgl. 1:13), zal Zijn hand opheffen, helpen, uitredden, want Zijn kinderen gaan Hem ter harte. Daarom de gebedsaansporing: werpt al uw bekommernis op Hem (7), brengt alle nood en zorg over vervolging en vijandschap in het gebed bij God (vgl. Ps. 55:23), want Hij zorgt voor u, Hij vergeet u niet, laat u niet aan uzelf over, maar ziet nauwkeurig op u neer. Wordt nuchter en waakzaam (8), weest helder, onbeneveld in uw oordeel (vgl. 1:13, 4:7) en weest wakker, op uw hoede, verliest uw vijand geen ogenblik uit het oog, want uw tegenpartij, de duivel, gaat rond, de duivel is de tegenstander in een rechtsgeding (vgl. Job 1:6vv). Hij klaagt de gelovigen aan bij God (Op. 2:10). Hij is als een brullende leeuw, die zijn kracht en woede uit. Hij zoekt wie hij zal verslinden. Er is ook een lezing: om iemand te verslinden. Wie hij maar grijpen kan, die verslindt, verscheurt hij. Daarom de vermaning: Wederstaat hem, vast in het geloof (9). Aan de duivel, moet in het geloof weerstand geboden worden (Ef. 6:11-13; Jak. 4:7). Daarbij moet bedacht worden, dat aan uw broederschap in de wereld hetzelfde lijden wordt toegemeten. De andere gelovigen in het romeinse rijk hebben hetzelfde te verduren. Dit lijden van de ganse christenheid moet letterlijk: volbracht worden. God acht dit noodzakelijk (vgl. Hand. 14:22). De God van alle genade (10), God, die genade geeft in moeilijke omstandigheden waarin de lezers mogen verkeren, die in Christus Jezus geroepen heeft tot zijn eeuwige heerlijkheid, tegenover het lijden stelt Petrus de heerlijkheid van de eeuwige verlossing. Hij zal u, geen zegenbede maar een verzekering, na een korte tijd van lijden, na het lijden in deze bedeling (vgl. 1:6), volmaken, zo maken als de gelovigen zijn moeten om de eeuwige heerlijkheid binnen te gaan, sterken, kracht geven om staande te blijven, en grondvesten, op een onbewegelijk fundament plaatsen. Aan Hem, aan deze God, die door lijden tot heerlijkheid brengt, zij de kracht tot in alle eeuwigheid (11), aan Hem behoort de kracht om dit alles te bewerken tot in eeuwigheid. Amen, om wat tevoren geschreven is te bevestigen.

Slotopmerking en groet 5:12-14

Door Silvanus heb ik in het kort geschreven (12), Silvanus was de secretaris van Petrus. Petrus heeft de brief gedicteerd en Silvanus heeft de brief op schrift gesteld. Silvanus was de vroegere reisgenoot van Paulus (Hand. 15: 40; 1 Tess. 1:1). Nu is hij in dienst van Petrus. Die een betrouwbaar broeder is, Petrus is van oordeel, dat Silvanus voor de lezers aanvaardbaar is, omdat hij betrouwbaar is. Wellicht moest Silvanus de brief bij de geadresseerden bezorgen en waarschijnlijk ook toelichten. Dit kan blijken uit de uitdrukking: schrijven door wat ook kan betekenen het bezorgen van een brief; en de verdere toelichting kan blijken uit de opmerking: ik heb in het kort geschreven, Silvanus zal op het geschrevene nader ingaan. De brief is bedoeld om u te bemoedigen dat dit de ware genade van God is. De brief is ter bemoediging van de geadresseerden en tegelijk een betuiging dat wat Petrus geschreven heeft de waarachtige genade, verlossing van God is. De lezers kunnen erop aan. Dan volgt de laatste vermaning: daarin moet gij vaststaan, daar moet gij op vertrouwen en daarvan u niet laten aftrekken. Petrus brengt de groeten over van de medeuitverkorene (5: 1), de gemeente teBabylon, Rome (vgl. Inl. Ill) en mijn zoon Marcus, de geestelijke zoon van Petrus (vgl. Hand. 12:12, 25). Groet elkander met de kus der liefde (13) (vgl. Rom. 16:16), een oud-christelijk gebruik waarin de eenheid der gemeente tot uitdrukking gebracht wordt. Vredezij u allen, die in Christus zijt (14). Vrede in volle zin, met God en met elkaar wenst de schrijver toe aan allen, die in Christus begrepen zijn, die aan Hem verbonden zijn. Amen, om het geschrevene te bevestigen.

Wellicht ook interessant

None

Kierkegaards taak

Søren Kierkegaard (1813-1855) beschouwde het als zijn voornaamste taak om mensen opmerkzaam te maken. Dat klinkt vrij bescheiden. Hij zegt niet dat hij mensen wijzer wil maken of veranderen, hij wil niets uitleggen, geen beweging starten, geen revolutie in de theologie of in de maatschappij in gang zetten – hij wil alleen maar opmerkzaam maken. Maar Kierkegaard zelf ziet dat opmerkzaam maken helemaal niet als een bescheiden opgave, integendeel. Als hij in 1855 op 42-jarige leeftijd op straat in Kopenhagen in elkaar zakt, en een paar weken later overlijdt, is hij ‘op’. Wat ook precies de lichamelijke oorzaak van zijn overlijden is geweest, hij had alles gegeven om zijn lezer, de ‘ene lezer’5 waar het hem altijd om ging, opmerkzaam te maken.

Bijbelwetenschappen
Bijbelwetenschappen
Premium

Het stromen van de Geest

In de orthodoxe traditie is er een bijzondere verbinding tussen de Pinksterdag en het Loofhuttenfeest. De evangelielezing voor het Pinksterfeest is uit Johannes 7, de enige nieuwtestamentische verhalende passage die zich expliciet tijdens het Loofhuttenfeest afspeelt. We horen de woorden die Jezus sprak op de ‘laatste en grote dag’ van het feest, dus op hosianna rabba. Maar nu zijn ze uit de context van het grote najaarsfeest getransponeerd naar het begin van de zomer, voor het feest van de grote vervulling.

Nieuwe boeken