Menu

Premium

2 Petrus

INLEIDING

i. De inhoud

Een belangrijk element in de verkondiging van deze brief is de kennis van God en van Jezus Christus (1:2, 3). Deze geloofskennis is reeds bij de lezers aanwezig (1:12), maar toch moeten ze er steeds weer aan herinnerd worden (1: 13,15; 3:1,2). Dit is een heerlijke kennis, want ze berust op de waarheid, die verkondigd is (1:16) en overgeleverd is door betrouwbare profeten (1:19-21; 3:2) en apostelen (3:2, 15, 16). Nu wordt de kennis van de geadresseerden ondermijnd door een dwaalleer. Deze brief moet gezien worden tegen de achtergrond van Hand. 20:29. Dwaalleer is een verschrikkelijk begeleidingsverschijnsel van de kerk van de Here Jezus Christus. Daarom waarschuwt bijna ieder boek van het Nieuwe Testament ertegen. Met voorbeelden uit het Oude Testament bestrijdt Petrus de dwaalleer en spotters, die de genade van God verdraaien om een vrijbrief te hebben voor een losbandig leven (2: 19; 3:3), terwijl zij de wederkomst van Christus loochenen. Hier tegenover wijst Petrus erop dat de schijnbare vertraging van de wederkomst van Christus gezien moet worden als een teken van Gods geduld en liefde. Het is zeker dat de Here komt om te oordelen (3:10, 12). Met het oog op de wederkomst van Christus moeten de gelovigen in heilige wandel en godsvrucht leven (3.Tl, 14) en ze moeten toenemen in genade en kennis (3:18). Petrus benadrukt zeer sterk de noodzaak van geestelijke groei.

ii De schrijver

De schrijver is dezelfde als die van de eerste brief van Petrus waarnaar hij in 3:1 verwijst. Hij noemt zichzelf dienstknecht en apostel van Jezus Christus (1:1) en een ooggetuige van de verheerlijking van Jezus op de berg (1: 16-18). Hij is bekend met de brieven van Paulus (3:15) en hij maakt gebruik van het gezag, dat deze brieven reeds hebben in de vroege kerk (3:16)

iii. Tijd en plaats van ontstaan

De brief is waarschijnlijk kort voor de marteldood van de schrijver geschreven (1:14) en na zijn eerste brief (3: 1), dus ongeveer tussen 64 en 68 n. Chr. Aangenomen wordt dat Petrus deze brief evenals zijn eerste epistel uit Rome geschreven heeft (vgl. 1 Petr. 5:13).

iv. Betekenis van de brief

De brief is bedoeld als een ernstige vermaning tegen de dwaalleraars, die op komst zijn (2:1-3) en die de leden der gemeente onder de dekmantel van christelijke liefde zullen proberen over te halen tot een losbandig leven.

De valse leraars, die in aantocht zijn, zullen ook twijfel proberen te zaaien aan de belofte van de wederkomst van Christus en daarom spoort de apostel zijn lezers aan om zich met grote ernst en ijver voor te bereiden op de terugkomst van de Here’Jezus Christus.

v. Centrale motieven

De brief begint met een sterke aansporing tot geestelijke groei (1:2) en de brief eindigt daar ook mee (3:18). Deze groei bestaat in het toenemen van de geloofskennis van God en van Christus. De noodzaak tot geestelijke groei en rijpheid in het geloof wordt op een drievoudige wijze gemotiveerd:

1.in verband met de dwaalleer (2:1-22)

2.met het oog op de wederkomst van Christus (3:2-16)

3.met betrekking tot de eer van God (3:18).

Verder vinden we in deze brief het kennismotief (vgl. I), het oordeelsmotief en het heiligingsmotief.

vi. Verhouding tot andere boeken in het nieuwe testament

Vanzelfsprekend is er een nauw verband tussen deze brief en de eerste brief van Petrus. Petrus legt zelf die verbinding in 3:1. Deze brief is de tweede brief aan de geadresseerden. We mogen dus aannemen, dat de ontvangers christenen uit de heidenen zijn, die zich in verschillende gemeenten in Klein-Azië bevinden. De geadresseerden worden in 1:1 aangeduid als mensen, die een even kostbaar geloof als wij verkregen hebben. Wij zijn hier de apostel en andere christenen uit het Jodendom. In Hand. 11:17 gebruikt Petrus in het Grieks een soortgelijke uitdrukking: op volkomen gelijke wijze als ons wat ook duidt op het onderscheid tussen christenen uit de Joden en christenen uit de heidenen. Wel verschilt de taal en stijl van 2 Petrus van die van 1 Petrus. Misschien is dit verschil veroorzaakt door Silvanus, die een grote rol gespeeld heeft bij het op schrift stellen van de eerste brief van Petrus. Ook is er verschil in inhoud. De eerste brief van Petrus wijst op het lijden van Christus, op geloof, gebed en doop, terwijl wij in de tweede brief het nieuwe thema van de kennis vinden. Toch zijn er heel wat fijnere punten van overeenkomst tussen de beide brieven aan te wijzen alsook tussen deze twee brieven en de toespraken van Petrus in het boek Handelingen. Omstreden is de verhouding 2 Petrus – Judas. Een groot gedeelte van de brief van Judas (4-18) komt in 2 Petrus voor (2:2, 4, 5, 11, 17). Heeft Petrus de brief van Judas gebruikt of Judas de tweede brief van Petrus of putten beiden uit een gemeenschappelijke bron? Het meest waarschijnlijke is dat Judas van 2 Petrus gebruik gemaakt heeft. Judas rekent zich niet tot de generatie der apostelen (vs 1). Petrus schrijft, dat de dwaalleraars zullen komen (2:1-3), terwijl Judas schrijft, dat de dwaalleraars reeds in de gemeente binnengedrongen zijn (vs 3). De toon tegen de dwaalleraars is bij Judas ook veel scherper dan bij Petrus waaruit valt af te leiden, dat de dwaalleraars reeds hun verwoestende invloed in de ge. meente hebben laten gelden. Ook geeft Judas meer bijzonderheden over de dwaalleraars.

vii. Indeling van de brief

Inleiding 1:1,2

De roeping der gelovigen 1:3-11

De zekerheid van de prediking 1:12-21

De bestrijding van de dwaalleraars 2:1-22

De wederkomst van Christus 3:1-11

Slotvermaning en groet 3:14-18

VERKLARING

Inleiding 1:1, 2

De aanhef herinnert sterk aan de eerste brief van Petrus, maar is meer uitgebreid. Hij noemt eerst zijn hebreeuwse naamSimeon en daarna zijn nieuwe naam (vgl. Mat. 16: 16). Hij maakt zich bekend als een dienstknecht en apostel van Jezus Christus (1). Hij is een nederige slaaf van zijn Meester, maar tegelijk een apostel, een gestuurde, die met volmacht door Christus aan hem verleend kan spreken. De ontvangers worden niet met een geografische term omschreven, maar wel naar hun geloofsposi-tie: aan hen, die een even kostbaar geloof als wij verkregen hebben (1). De geadresseerden, waarschijnlijk van heidense afkomst, delen samen met de gelovigen uit de Joden in de kostbare gave van het geloof. Het geloof is een gave van God. Deze gave kan alleen ons deel worden vanwege de gerechtigheid van onze God en Heiland Jezus Christus, door de gerechtigheid van Jezus, die hier als God aangeduid wordt en als Heiland, Redder, Verlosser, door het voldoen aan het heilig recht van God (Rom. 1:17; 5:1) kunnen zondige mensen de gave van het geloof ontvangen. Dat geloof moet echter groeien en sterk worden. Dat gebeurt door meer kennis (2), geloofskennis van God en van Jezus, onze Here. Hier wordt bedoeld de kennis van God zoals Hij Zich in Christus geopenbaard heeft. Deze Jezus is Here, Heerschappijvoerder (Mat. 28:18). Door deze geloofskennis wordt genade, Gods onverdiende gunst en vrede, levensontplooiing in de rechte verhouding tot God vermenigvuldigd (2). Dit wenst de apostel in zijn zegengroet de lezers toe.

De roeping der gelovigen 1:3-11

Het grote genadevoorrecht, dat de gelovigen ontvangen hebben 1:3-4

Zijn goddelijke kracht (3), Gods alvermogen tot verlossing, heeft ons met alles, wat tot leven en godsvrucht strekt, begiftigd. Gods kracht tot redding heeft de lezers alles wat ze nodig hebben om in ware en volle zin te leven, namelijk leven in gemeenschap met God en wat nodig is voor de godsvrucht, het tere leven in afhankelijkheid van en gemeenschap met God, geschonken. Deze kracht wordt ontvangen door de kennis van Hem, enz., door de geloofskennis van Christus, die God is, Gods Zoon. Hij heeft ons geroepen door zijn heerlijkheid en macht. De goddelijke kracht aan het begin van dit vers komt tot uitdrukking in de heerlijkheidsopenbaring van Christus waarmee Hij de geadresseerden uit hun zondetoestand geroepen heeft (vgl. 1 Petr. 2:9). Voor deze, namelijk door zijn heerlijkheid en kracht, zijn wij met kostbare en zeer grote beloften begiftigd (4). Op deze wijze hebben de gelovigen de beloften van het evangelie, de beloften van vergeving en redding, kinderschap en eeuwig leven ontvangen. Door geloof in deze beloften ontvangen de lezers de goddelijke natuur, ze krijgen deel aan de deugden, die God ook bezit, reinheid, heiligheid, nu ten dele en later in volkomenheid en op deze wijze ontkomen ze aan het verderf, dat door de begeerte in de wereld heerst. Tegenover het deel krijgen aan de deugden van God staat de zondige begeerte, die in de wereld is gekomen (vgl. Gen. 3:3-5) en nu heerst, macht uitoefent. De zondige begeerte loopt uit op de ondergang, het verderf.

De beoefening van de christelijke deugden 1:5-11

De deugden van Christus, de goddelijke natuur (4) moeten in het leven van de geadresseerden gestalte krijgen, er moet geloofsgroei zijn. Om dit te bereiken noemt Petrus een reeks van opdrachten, die uitgevoerd moeten worden. Maar schraagt om deze reden met betoon van alle ijver door uw geloof de deugd (5). Omdat God zulke heerlijke beloften gegeven heeft, is het nodig dat de lezers met alle ijver, met grote inspanning bij hun geloof in God en in Christus, in deze heerlijke beloften ook de deugd voegen. Anders dan de heidenen, bijvoorbeeld de Stoa, die ook zo’n soort reeks kenden, begint Petrus bij het geloof. Deugd is heilige dapperheid of zedelijke voortreffelijkheid. Daarbij moet gevoegd worden de kennis, het rechte geloofsinzicht en weten hoe gehandeld moet worden. Bij de kennis de zelfbeheersing (6), de zelftucht, het zichzelf kunnen beheersen en daarbij de volharding, het volhouden in leer en leven tegen vervolging en druk. Dit bewerkt godsvrucht (7), ware vroomheid, eerbied en vreze voor de Here en dit kweekt de broederliefde, hartelijke genegenheid tot de medegelovigen en hulpvaardigheid en dit bewerkt weer liefde jegens allen. Geoefend in de onderlinge liefde mogen ook de mensen buiten de gemeente in het liefdebetoon delen. Want als deze dingen bij u aanwezig zijn (8), als deze gouden ketting van deugden en opdrachten bij de lezers gevonden wordt, en overvloedig worden, als deze deugden ook toenemen, dan laten ze u niet zonder werk of vrucht voor de kennis van onze Here Jezus Christus. Waar deze deugden aanwezig zijn en werkzaam zijn bij de lezers daar zal uit de vrucht aan het licht komen, dat deze deugden niet onwerkzaam en onvruchtbaar zijn, maar integendeel geschikt maken tot ijverige werkzaamheid en grote vruchtbaarheid met betrekking tot de kennis, de geloofskennisvan de Here Jezus Christus. De kennis van Christus wordt erdoor vermeerderd (vgl. Filp. 4:13). Het tegendeel geldt echter ook, want bij wie zij niet zijn (9), bij wie deze geloofswerkzaamheid, die in de genoemde deugden aan het licht komt niet aanwezig is, die is verblind in zijn bijziendheid, die heeft geen oog voor Gods openbaring en kijkt alleen naar de dingen van dit leven, daar hij de reiniging van zijn vroegere zonde heeft vergeten. Waarschijnlijk doelt Petrus hier op personen, die gedoopt zijn waardoor de zonden van het vroegere leven in het heidendom symbolisch zijn weggewassen, wat ook in de doop betekend en verzegeld is, maar de gedoopte denkt daar niet meer aan (zo oa. Kantt. SV). Daarom (10), omdat het grote gevaar van de afval bestaat, beijvert u des te meer broeders, om uw roeping en verkiezing te bevestigen. Grote inspanning is nodig om de roeping tot het heil (vgl. 1:3) te verbinden met de verkiezing. Door de roeping gelovig op te volgen en als een geroepene te leven krijgen de lezers zekerheid over hun uitverkiezing (vgl. 1 Tess. 1:4). Geloofsgroei geeft geloofszekerheid ook van de heerlijke verkiezing tot zaligheid. Want als gij dit doet door een wandel in godsvrucht en liefde, zult gij nimmer struikelen, afdwalen en zondigen. Want zó zal u rijkelijk verleend worden de toegang tot het eeuwige Koninkrijk enz. (11). Door de gouden regel na te leven, door het ijverig vastmaken van roeping en verkiezing zullen de lezers als genadebeloning toegerust worden op iemands anders kosten voor de feestelijke intocht in het rijk van Christus bij hun sterven.

De zekerheid van de prediking 1:12-21

De grote beloften worden door de verkondiging van de apostelen gewaarborgd en door het profetische woord bevestigd (1:12-19).

Daarom (12), omdat het voor het behoud van de lezers zo belangrijk is, acht de schrijver het zijn plicht u hieraan te herinneren, de lezers aan de dingen, die hij in het voorafgaande deel van zijn brief genoemd heeft, te herinneren. De noodzakelijkheid van de ware kennis van God moet steeds weer bij de gelovigen ingescherpt worden, hoewel gij het weet en in de waarheid versterkt zijt. Hoewel er geloof in de waarheid en er zelfs versterking van dat geloof is, is voortdurende herinnering nodig, omdat altijd het gevaar bestaat van geestelijke achteruitgang (Heb. 5:11, 12). De schrijver weet dat zijn levenseinde (vgl. 2 Kor. 5:1-5) nadert (14). Jezus heeft hem dit bekend gemaakt (vgl. Joh. 21:18). Maar Petrus zal zich ervoor inzetten, zich inspannen, dat na zijn dood, letterlijk zijn exodus, uitgang (vgl. Luc. 9:31) de geadresseerden aan de dingen, die hij hun voorgehouden heeft, kunnen denken (1:15). Vermoedelijk kondigt de schrijver hier de teboekstelling van het Evangelie van Marcus waarin de prediking van Petrus vastgelegd is, aan. Want wij zijn niet zoals de dwaalleraars en spotters beweren, vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd (16), geen menselijke verzinsels, toen wij u de kracht en de komst van onze Here Jezus Christus verkondigd hebben. Het meervoud wij aan het begin ziet op Johannes en Jakobus, die samen met Petrus op de berg der verheerlijking aanwezig waren waar ze de heerlijkheid van Jezus gezien hebben als een voorsmaak van de volle openbaring van

Zijn heerlijkheid bij Zijn wederkomst. Daarom schrijft Petrus ook dat wij de kracht, de goddelijke macht van Christus en de komst, namelijk de wederkomst verkondigd hebben. Daar bij de verheerlijking op de berg waren de drie discipelen ooggetuigen, aanschouwers van de majesteit, de heerlijkheid van Christus. Toen heeft Jezus eer (17), door de woorden van de stem uit de hemel en heerlijkheid, glans, die van Hem uitstraalde ontvangen, toen de hoogwaardige heerlijkheid, God Zelf met de geduchte tekenen van Zijn majesteit, sprak: Deze is mijn geliefde Zoon, in wien Ik mijn welbehagen heb God de Vader heeft in Zijn Zoon een bijzonder welbehagen, reeds van eeuwigheid, maar ook nu opnieuw, nu Jezus op weg is naar het kruis.

Deze stem hebben wij, Petrus, Johannes en Jakobus gehoord, toen wij met Hem op de heilige berg, de berg der verheerlijking (vgl. Mat. 17:lw) waren (18). En daarom, omdat Petrus met de twee andere discipelen die geweldige gebeurtenis meegemaakt heeft, achten ze het profetische Woord, de profetie van het Oude Testament des te vaster (19). Zij hebben immers in de gebeurtenis op de heilige berg de vervulling van de profetie gezien. De apostelen weten zich nu nog meer aan het Woord, hier het Oude Testament gebonden. Daarom roept Petrus zijn lezers op goed op dat Woord acht te geven, er goede aandacht aan te geven door ijverig onderzoek en overdenking van dat Woord. Dan vergelijkt hij het profetische Woord met een lamp, enz. (Ps. 119:105), beeld van het aardse leven, van de wereld, die in de duisternis ligt. Totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten. Sommigen oordelen, dat Petrus hier wijst op de grote dag van de wederkomst van Christus. De morgenster is de ster, die aan het aanbreken van de dageraad voorafgaat. Anderen brengen deze woorden in verband met het licht van Gods openbaring in het bewustzijn van de gelovigen, omdat het gaat over het aanbreken van de dag in uw harten, in het hart van Gods kinderen. Het hier in het Grieks gebruikte woord voor morgenster (phosphoros) komt elders in het Nieuwe Testament niet voor. In de griekse literatuur wordt deze ster wel met een vorst of een goddelijke figuur vergeleken. Om het licht van het profetische woord te ontvangen is Schriftonderzoek nodig, maar daarbij moet wel bedacht worden dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat (20). Het profetische Woord, de Heilige Schrift mag niet eigenmachtig uitgelegd worden. Voor uitleg gebruikt Petrus een woord, dat letterlijk betekent: het ontrafelen van een probleem. De Schrift mag niet willekeurig, volgens eigen gedachten, wensen of begeerten verklaard worden. Het natuurlijke verstand is niet voldoende. De lezers hebben de Heilige Geest nodig en moeten daarom bidden om de verlichting van de Heilige Geest. Het profetische Woord moet ook in vergelijking met het Evangelie van Christus en de leer van de apostelen uitgelegd worden. Want de profetie is niet voortgekomen uit de wil van een mens (21), mensen hebben het profetische Woord niet uitgedacht, maar de Heilige Geest is de Auteur. Hij heeft daartoe mensen aangedreven, geïnspireerd, en daarom hebben zij van Godswege gesproken, letterlijk: van God uit gesproken (vgl. Joh. 7:17, 18).

De bestrijding van de dwaalleraars 2:1-22

Zoals er in het Oude Testament naast de ware profeten ook valse profeten waren, zo voorziet de schrijver, dat er ook nu valse leraars zullen komen (1). In grote lijnen schetst hij hun beeld (1-11) en hij tekent het oordeel, dat hen zal treffen. Tegenover de ware profetie (1:19-21) tekent de schrijver de valse profetie van de dwaalleraars.

Het beeld van de valse leraars 2:1-3

De dwaalleraars zullen verderfelijke ketterijen doen binnensluipen (1). Ze worden leraars genoemd, omdat ze zich zullen uitgeven als evangelieverkondigers, maar ze komen met een valse leer, ketterijen, die verderfelijk zijn, die de mensen naar de afgrond van het verderf leiden.

Het doen binnensluipen wijst op de slinkse manier waarop ze te werk zullen gaan. Voorzover zij christenen waren, gold van hen, dat Christus, die hier heerser, iemand, die volstrekte heerschappij heeft, genoemd wordt, hen met zijn bloed gekocht heeft. Maar zij hebben Hem verloochend door hun goddeloze leven en de theoretische rechtvaardiging daarvan en daarom brengen ze een haastig verderf over zichzelf , ze brengen het oordeel van God over zich en dat zal zoals bij de zondvloed plotseling geschieden. Hun verderfelijke leer wordt vergezeld van een leven vol van losbandigheden (2), uitspattingen, een schandelijk leven, dat helaas bij velen navolging zal vinden. Het is hun schuld, dat velen de weg der waarheid (vgl. Hand. 9:2), het evangelie lasteren. Uit hebzucht (3), gedreven door winstbejag, zullen ze de mensen als koopwaar behandelen. Ze beweren het heil der mensen te zoeken, maar het gaat hun om hun geld. Ze doen dit met verzonnen redeneringen, schijnbaar vrome woorden. Maar het oordeel houdt zich reeds lang met hen bezig (3), het gericht van God maakt zich gereed om hen te treffen en hun verderf sluimert niet, hun eeuwig verderf ligt al gereed om hen te overvallen.

Drie waarschuwende voorbeelden uit het verleden 2:4-9

De schrijver wijst op drie vreselijke oordelen, die erop wijzen hoe zwaar God de zondaren straft. Eerst wijst de schrijver op Gods gericht over de gevallen engelen (4). Zij hebben gezondigd door van God af te vallen. God heeft hen niet gespaard, er was geen verzachting van het oordeel. Ze zijn in de afgrond geworpen, letterlijk: in de Tartarus, de onderwereld geworpen, de duistere afgrond waar ze aan de krochten der duisternis overgegeven zijn, ten prooi zijn aan grote ellende. Een andere lezing heeft: met banden van duisternis in de afgrond gestort. Dan wijst dit op de pijnlijkste gebondenheid, die zij ondervinden. Zij worden bewaard voor het oordeel, ze zijn reeds gevangen en nu wachten zij op hun definitieve vonnis en veroordeling. Het tweede voorbeeld is de wereld van de voortijd (5), de oude wereld van de oorspronkelijke schepping. God heeft de tijdgenoten van Noach ook niet gespaard. Alleen Noach, de prediker der gerechtigheid, de heraut, die Gods straffende en verlossende gerechtigheid gepredikt heeft is met zeven anderen, zijn huisgezin, gered. Maar over de goddelozen, die met God geen rekening wilden houden, heeft God het oordeel van de zondvloed gebracht. In de derde plaats wijst Petrus op het verschrikkelijke gericht van God over Sodom en Gomorra (6). Deze steden zijn door het gericht van vuur tot as verbrand en ondersteboven gekeerd, volkomen verwoest. Zij zijn ten voorbeeld gesteld. Deze steden wijzen in Gods oordeel over haar hoe verschrikkelijk God de zonde vindt en hoe erg Hij die straft. Maar Lot, is gered omdat hij rechtvaardig (7) was, wandelende in de wegen des Heren (vgl. Luc. 1:6). Hij had zwaar te lijden onder de losbandige wandel dier zedelozen. Het vermoeide en benauwde hem om de teugelloze, ontuchtige levenswandel van de bewoners van Sodom en Gomorra te moeten aanschouwen, want hij als een rechtvaardig man (8), iemand, die volgens Gods wet en recht begeert te leven, heeft onder hen wonende, dus in nauw contact met zijn medeburgers, zijn rechtvaardige ziel dag aan dag gekweld. Het griefde hem innerlijk en het deed hem pijn om elke dag deze gruwelijke goddeloosheid en wetsovertreding te moeten aanschouwen.

De godvruchtigen (9), zoals Noach en Lot, zij, die de Here van harte vrezen, worden door God uit de verzoeking, uit de verleiding van de hen omringende goddeloze wereld gered, maar de onrechtvaardigen, zij, die het door God gestelde recht niet willen erkennen en eerbiedigen, worden door God bewaard om op de dag van het oordeel de eeuwige straf te ontvangen.

De zondige verwatenheid der dwaalleraars 2:10-11

Petrus wijst erop hoe de dwaalleer samengaat met een zondige levenspraktijk. De dwaalleraars zullen vooral (10) door het oordeel getroffen worden, want ze zijn begerig naar onreinheid, er is bij hen een begeerte het vfees te volgen. Vlees is hier de persoon door zinnelijkheid beheerst. Hun leven wordt beheerst door perverse hartstochten (vgl. Judas 7; Rom. 1:26-27). Ze verachten wat heerschappij heet, alles wat door God met autoriteit bekleed is, wordt met minachting bejegend. Hoe schril steken de dwaalleraars af bij de heilige engelen, die in sterkte en kracht hun meerderen zijn (11). Petrus gebruikt twee woorden voor kracht om de volle omvang daarvan tot uitdrukking te brengen. Hoe ver overtreffen de heilige engelen deze zondige dwaalleraars. Toch hebben ze het niet gewaagd om bij de Here een smadelijk oordeel tegen deze in te brengen (11). Hoewel zo hoog in eer en macht wagen de engelen het niet een krenkend woord over deze grote zondaars uit te spreken (vgl. Zach. 3:2; Judas :9), hoewel ze dit terecht zouden kunnen doen. Hoe scherp tekent de heilige behoedzaamheid van de engelen zich af tegenover de verwatenheid van de dwaalleraars.

Het zonderegister van de dwaalleraars 2:12-22

Petrus vergelijkt de dwaalleraars met redeloze wezens (12), dieren, die geen verstand hebben, zonder rede zijn. Zij zijn van nature voortgebracht om gevangen en verdelgd te worden, zij zijn geboren om te vangen en te verderven (in actieve zin) zoals redeloze dieren doen. Bij hun verderven richten ze zichzelf te gronde, zoals blijkt uit het slot van 2:12. Ze lasteren datgene, namelijk wat betrekking heeft op de kennis van God en zijn dienst, waarvan ze volslagen onkundig zijn en ze zullen in hun verdelging ook verdelgd worden, een hebraïsme, terwijlzij bezig zijn om te verderven, zullen ze zelf verdorven worden, te gronde gaan. Geboren om te verderven (begin van vs 12), worden ze zelf verdorven (einde van vs 12). Onrecht ontmoetend tot loon voor hun onrecht (13), zij ontvangen juist het tegendeel van wat ze gehoopt hadden. In plaats van genieting ontmoeten ze verderf en ondergang. Ze dachten zichzelf met hun zonde te bevoordelen, maar hun ongerechtigheid bezorgde hun het verderf. Zij genieten ervan om op klaarlichte dag, schaamteloos bij daglicht (vgl. hier tegenover Rom. 13:13; 1 Tess. 5:7) te zwelgen, zich aan brasserij over te geven. Zij zijn een bezoedeling voor de gemeente waar deze dwaalleraars zich bij de maaltijden te buiten gaan, terwijl ze u bedriegen, met leugenachtige voorstellingen komen als zij met u feesten, als zij overdadig met u eten en drinken. Bij hun gulzigheid worden ze tevens beheerst door de hartstocht, wat blijkt uit de blik van hun ogen (14), waar ze onophoudelijk mee lonken en verleiden. Onstandvastige zielen, mensen, die wijfelachtig of dubbelhartig zijn (vgl. Jak. 1:8) worden gemakkelijk verleid. De dwaalleraars zijn volleerd in hebzucht, goed geoefend en bedreven in het al meer willen hebben en genieten.

Ze zijn kinderen der vervloeking, hebraïsme, vervloekte mensen. Hen wacht de volle vloek van God. Zij hebben de rechte weg, de weg van het ware geloof verlaten (15) en daarom zijn zij verdwaald, een dwaalpad opgegaan, namelijk de weg van Bileam. Zij hebben de handelwijze van Bileam gevolgd. In Judas: 11 worden drie typen van zondaren genoemd. Petrus wijst alleen op Bileam. Hij is het type van de valse leraar. Door God gedwongen het volk Israel te zegenen, gaf Bileam uit hebzucht aan Balak het boze advies om Israel te doen zondigen (vgl. Num. 31:16). Hij kreeg een bestraffing voor zijn overtreding, zijn ingaan tegen de wil van God. Het stomme lastdier, het rij- of lastdier, dat geen gearticuleerde klanken kon voortbrengen sprak door een wonderwerking van God met een mensenstem waardoor de dwaasheid van de profeet, het dwaze optreden van de profeet, verhinderd werd. Hoe beschamend: een profeet terecht gewezen door een dier. De dwaalleraars zijn te vergelijken met opgedroogde waterbronnen (17), wolken, die geen regen brengen. Voor hen is de donkere duisternis, de volslagen, eeuwige duisternis van het oordeel van God weggelegd. De dwaalleraars verlokken met holle, hoogdravende klanken (18). Zij spreken hoogdravende woorden zonder werkelijke inhoud, maar daarmee verleiden zij door vleselijke begeerten en ongebondenheid, door uitspattingen waaraan zij zich bandeloos overgeven, hen, die zich ternauwernood aan degenen, die in dwaling verkeren onttrekken. Er zijn mensen, die nog in dwaling verkeren, die zich niet geheel van de dwaling van het heidendom konden losmaken. Zij hebben nog geen besliste keus voor het geloof gedaan. Petrus kan hier ook doelen op de onvaste zielen, de pas bekeerden uit 2:14. Zij zijn een gemakkelijke prooi voor deze dwaalleraars. Het kost hun grote moeite zich aan hun verleidingen te onttrekken. De dwaalleraars spiegelen hun een valse vrijheid (19) voor, een ongebreideld zondeleven zal hun geest niet beschadigen. Dit is de dwaling van de libertinistische gnostiek, die leert, dat voor de ‘volmaakten’ alles geoorloofd is. De dwaalleraars zijn zelf slaven van het verderf, volkomen onderworpen aan zonde en bandeloosheid en daarom slaven (vgl. Joh. 8:34). Deze slaven beloven nu vrijheid. Het lot van deze dwaalleraars zal vreselijk zijn. Zij hebben vroeger tot de gemeente behoord (vgl. 2:15). Zij hebben erkend, dat Jezus Christus, Here en Zaligmaker (20), Heerschappijvoerder en Verlosser is, zij het niet met hun hele hart. Ook zijn zij door het behoren bij de gemeente aan de bezoedeling der wereld ontvloden, los van de bezoedelende invloed van het heidendom. Toch zijn zij weer in het zondeleven van de wereld verstrikt, verstrengeld geraakt en erdoor overmeesterd geworden. De zonde is ook een macht, die de mensen in haar greep houdt. Daarom is hun laatste toestand erger dan de eerste; tevoren konden zij nog tot bekering en verlossing gebracht worden, maar nu zijn zij zo vastgestrengeld in de zonde, dat er geen hoop meer is (vgl. Mat. 12:45; Luc. 11:26; Heb. 6:4-6). Het zou voor hen beter geweest zijn wanneer zij nooit met het evangelie in aanraking gekomen waren, want zij hebben de weg der gerechtigheid (21), de weg van verlossing (vgl. Mat. 21:32) verlaten. Het heilig gebod (21), het evangelie met zijn eis om afstand te doen van een leven in de zonde (2 Tim. 2:19) is aan hen overgeleverd, meegedeeld, zij hebben er kennis van gekregen, maar zij hebben zich met die kennis van God, van de weg der gerechtigheid afgekeerd. Wie in de lichtkring van het evangelie geleefd heeft en dus weet van de weg van verlossing, maar zich van het evangelie afwendt, is er erger aan toe dan zij, die niet tot de gemeente behoord hebben en de weg van verlossing niet gekend hebben. Beter een heiden dan een afvallige. Wat zich in zo’n leven afspeelt, kan in de dierenwereld gezien worden. Wie het evangelie gehoord heeft en het dan verwerpt, komt tot dezelfde weerzinwekkende daden als soms een hond (22) en een zwijn (vgl. Spr. 26:11).

De wederkomst van Christus 3:1-13

In zijn tweede brief (1), de voorafgaande was waarschijnlijk 1 Petrus, wil de schrijver het zuiver besef van de gelovigen door herinnering trachten wakker te houden. Het verstand of het gemoed van de lezers is niet zoals bij de dwaalleraars vertroebeld. Door te herinneren aan wat reeds vroeger gesproken of geschreven is, wil de schrijver zijn lezers wakker roepen als uit een geestelijke indommeling. Hij noemt hierbij de geadresseerden geliefden (vgl. 3:14, 17). De apostel weet zich door de liefde met hen verbonden. De lezers moeten gedurig denken aan de woorden door de heilige profeten gesproken (2), zij, die door Gods Geest gedreven gesproken hebben (vgl. 1:21), de profeten van het Oude Testament. Ook moeten de lezers blijven denken aan het gebod uwer apostelen, het gebod of te wel het evangelie van de Here Jezus, die Verlosser, is wat door hun eigen apostelen aan hen overgeleverd is. Het evangelie wordt gebod genoemd, want het komt met een belofte en met een eis tot een heilige levenswandel. De lezers moeten vooral weten (3), bedenken en voor ogen houden, dat er in de laatste dagen, de dagen vanaf Jezus’ komst naar de aarde tot Zijn wederkomst, spotters met spotternij zullen komen. Hier worden de dwaalleraars uit hoofdstuk 2 spotters genoemd. Ze spotten met spotternij, dat wil zeggen, het is hun levenswijze, hun aard. Hun spotten gaat samen met een onheilige levenswandel. Zij wandelen naar hun eigenbegeerten, volgens een zondige maatstaf van vleselijke begeerten. Hun spot is gericht op de belofte van zijn komst (4), de wederkomst van Christus, die toch duidelijk voorzegd is. De dwaalleraars bestreden niet dat die belofte gegeven was, maar zij geloofden niet aan de waarheid van deze belofte. Sedert de vaderen, de vorige generatie van gelovigen, ontslapen zijn, is alles zó gebleven als het van het begin der schepping af was. De wereld als geheel blijft onveranderd. De dwaalleraars nemen Gods Woord niet ernstig. Willens en wetens, want het staat in de bijbel (Ps. 33:6) is het voor deze spotters onbekend dat God door Zijn Woord de hele schepping in stand houdt (5). De aarde bestaat uit en door water, water is een zeer belangrijk bestanddeel van de schepping. Door het woord van God, door Gods spreken bij de schepping was het water boven, in de wolken gescheiden van het water onder, onder het aardoppervlak en in de zeeën en oceanen. Maar toen de zondvloed kwam, het oordeel van de grote watervloed, is door het spreken van God in Zijn oordeel deze scheiding opgeheven. Daardoor is de toenmalige wereld (6), de wereld van toen vergaan, verzwolgen door het water. Daarom regende het zo verschrikkelijk en opende de aarde zich en braken de kolken der grote waterdiepte open (Gen. 7:11). Zoals er water in de lucht en water onder de aardkorst is en God door Zijn spreken die watermassa’s van elkaar gescheiden houdt (5), zo is er ook vuur in de lucht en vuur onder de aardkorst. Door het Woord van God worden deze twee vuurmassa’s van elkaar gescheiden gehouden tot de dag van het oordeel. De tegenwoordige hemelen en de aarde (7), de tegenwoordige wereld, hemel en aarde zoals zij nu bestaan, zijn door hetzelfde woord, hetzelfde spreken van God als een schat weggelegd, veilig in bewaring gehouden zoals een schat bewaard wordt, voor de dag van het gericht, wanneer de aarde door vuur zal vergaan (1 Kor. 3:13). Dat oordeel zal zijn de ondergang van de goddeloze mensen (Ps. 92:8, 10). Op één ding moeten de lezers goed letten (8): Gods tijdsrekening is anders dan de onze. Eén dag is bij Hem als duizend jaar en omgekeerd (vgl. Ps. 90:4). Wat lang is naar onze menselijke tijdmaat, is het voor de Here niet. De Here talmt niet met Zijn belofte. Zijn voorzegging dat Hij zal terugkómen om te oordelen (9) wordt door sommigen betwijfeld. Sommige leden van de gemeente verdenken God van traagheid. God talmt niet, maar Hij is lankmoedig, geduldig wachtend, jegens u, er is ook een andere lezing: om uwentwil. De tweede lezing geeft een rijkere gedachte: uit barmhartigheid, om gelegenheid tot bekering te geven, heeft God de oordeelsdag nog niet doen aanbreken. Hij wil niet, dat sommigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen. Allen slaat hier terug op u. Allen ter wille van wie God lankmoedig is moeten gered worden en God wil niet dat sommigen van hen, door een voortijdig gericht, terwijl zij nog niet tot bekering gekomen zijn, verloren gaan. Wel komt de dag des Heren, de dag van het oordeel (10) onverwachts, als een dief (Mat. 24:43; 1 Tess. 5:2). De hemelen, zon, maan en sterren (Mat. 24:29; Op. 6:12-14) zullen met gedruis voorbijgaan, als in het geluid van vlammen of met het gesnor van een voorbijvliegende pijl verdwijnen. De elementen zullen door vuur vergaan, de hemellichamen of de grondbestanddelen van het heelal zullen door de hitte smelten. Dit betekent niet de vernietiging van de aarde, maar loutering, reiniging. Maar de aarde en de werken daarop zullen overblijven. Alle dingen die de mensen gedaan hebben, zullen overblijven, letterlijk: zullen gevonden worden, in het licht gesteld worden en beloond of gestraft worden (1 Kor. 3:14, 15). In verband met het komende gericht spoort de schrijver zijn lezers aan om toch grote ernst te’maken met de heiliging van het leven. Daar al deze dingen aldus vergaan (11), omdat de hele zichtbare schepping te gronde gaat, hoedanig behoort gij te zijn in godsvrucht. Wandel wijst op het levensgedrag en godsvrucht op het beginsel van de vreze des Heren. Beide woorden staan in het meervoud waarmee gewezen wordt op de verschillende levensuitingen en de onderscheiden handelingen. Met het oog op de wederkomst van Christus moet er bij de gelovigen een onberispelijke levenswandel zijn vanuit de persoonlijke gemeenschap met God. De geadresseerden moeten vol verwachting ernst maken met deze dag (12). Letterlijk: zij moeten deze dag verwachten en bespoedigen. Het kan betekenen, dat de gelovigen zich ten aanzien van of met betrekking tot die dag moeten haasten. Ook is de verklaring mogelijk, dat de gelovigen de komst van die dag moeten bespoedigen, namelijk door een heilig en godvruchtig leven waardoor de reden voor de vertraging van de komst van die dag vervalt (vgl. 3:9). Op deze dag zullen de hemelen brandende vergaan enz. (19) (vgl. 3:7, 10). De gelovigen verwachten naar zijn belofte enz. (vgl. Jes. 65:17; 66:22). Nieuwe heeft hier de betekenis van vernieuwd. Het meervoud: hemelen ziet op zon, maan en sterren. Op de vernieuwde aarde zal de gerechtigheid wonen (13), Gods wil zal daar wonen, zich duurzaam daar vestigen, altijd gedaan worden. Daarom moeten de geadresseerden zich beijveren in deze verwachting (14), met inspanning en toewijding moeten zij zich richten op de dag van de wederkomst van Christus.

Slotvermaning en groet 3:14-18

Zij moeten vooral zich inspannen om onbevlekt en onberispelijk te zijn voor Hem in vrede. Tegenover de vlekken en smetten van de zonde bij de dwaalleraars (vgl. 2: 13), moeten de geadresseerden zich inspannen om onbesmet en onberispelijk bevonden te worden in vrede, bij het gericht dat komt, zodat zij God niet als straffende Rechter, maar als Verlosser in vrede mogen begroeten. De lezers moeten ook de lankmoedigheid van hun Here (15), Zijn geduld met de goddeloze wereld voor zaligheid houden, zodat zijzelf en velen tot zaligheid, tot redding kunnen komen. In verband hiermee wijst Petrus op de brieven van Paulus, die ook over deze dingen geschreven heeft. Petrus noemt hem: onze geliefde broeder Paulus, waaruit blijkt dat het conflict tussen hen in Antiochië geheel uit de weg geruimd is (vgl. Gal. 2:1 lw). De brieven van Paulus waren dus reeds bekend en ook al aan kritiek onderhevig (vgl. 3:16). Paulus heeft op zijn manier ook reeds met de hem geschonken wijsheid in zijn brieven aangedrongen op een heilige levenswandel en ook gedurig gewezen op de wederkomst van Christus (vgl. Gal. 5: 13vv; 6:5; Ef. 5:5vv). Evenals in alle brieven, wanneer hij over deze dingen spreekt (16). Er was waarschijnlijk reeds een verzameling van de brieven van Paulus. Petrusplaatst deze brieven naast de overige schriften (16), die van het Oude Testament. Petrus erkent het Oude Testament als canon en hij stelt de brieven van Paulus daarmee op één lijn. Wel erkent hij, dat in deze brieven een en ander moeilijk is om te verstaan (16), diepzinnig, geestelijk van aard en dus vatbaar voor misverstand, bijvoorbeeld de verhouding van de souvereiniteit van God en de verantwoordelijkheid van de mens (Rom. 9:14vv). Onkundige en onstandvastige lieden verdraaien, letterlijk: leggen wat Paulus geschreven heeft op de pijnbank. Deze mensen zijn onkundig, ongeleerd, niet onderlegd in de waarheid van Gods Woord en onvast, niet gegrond in de waarheid. Zij verdraaien, geven een andere uitleg aan Paulus’ brieven tot hun eigen verderf, tot hun eigen eeuwige ondergang.] In een slot waarschuwing roept Petrus zijn lezers op om nu zij er zo ernstig op gewezen zijn, daar gij het nu van te voren weet (17), op hun hoede te zijn om niet meegesleept te worden door de dwaling van de zedelozen. De uitdrukking: dwaling der zedelozen wijst erop dat de valse leer samengaat met een zedeloos leven. De lezers moeten zich niet laten verleiden en niet van hun eigen vastheid afvallen. Vastigheid is hier zowel objectief het evangelie of het heil in Christus als ook subjectief de geloofszekerheid. Maar wast op in de genade en in de kennis van onze Here en Heiland, Jezus Christus (18). Petrus sluit hier aan het einde van zijn brief aan bij het begin (vgl. 1:2), waar hij ook geschreven heeft over de vermeerdering, de vermenigvuldiging van de genade en de vrede door de kennis. Geloofsgroei is nodig om tegen de dwaalleer bestand te zijn. Deze geloofsgroei bestaat in een dieper inzicht in Gods genade en een rijkere kennis, geloofskennis van Jezus Christus, die Here, Heerschappijvoerder en Heiland, Zaligmaker is. Geestelijke groei is volgens Petrus geconcentreerd op de gemeenschapsoefening met de persoon van de Here Jezus Christus (vgl. Filp. 3:10). Waar geestelijke groei is, daar wordt God verheerlijkt. Dit komt Hem toe. Daarom eindigt de apostel zijn brief met een lofprijzing: Hem zij de heerlijkheid, zowel nu als tot de dag der eeuwigheid. Heerlijkheid moet aan Hem, die lofwaardig is, toegebracht worden, zowel nu, in het persoonlijke leven van elke dag en dan voortdurend tot de dag der eeuwigheid. De brief begint met de heerlijkheid van God (1:3) en hij eindigt ermee (3:18). De dwaalleraars beroven God door hun verkeerde leer en hun zondige levenswandel van Zijn eer, maar in een godvruchtige levenswandel wordt God geprezen.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken