Menu

Premium

‘Allerheiligen’ – wie zijn zij?

Allerheiligen (Jesaja 60,1-11.17-22, Psalm 138, Openbaring 7,2-4.9-17 en Matteüs 5,1-12)

Allerheiligen is al sinds de vierde eeuw een feestdag in de kerk waarop alle martelaren worden herdacht. Sinds de negende eeuw valt die op 1 november. Op 2 november wordt Allerzielen gevierd; dan wordt gebeden voor alle overledenen. Dat feest dateert uit de tiende eeuw. In de katholieke kerken is Allerheiligen een hoogfeest, de viering ervan wordt tegenwoordig meestal naar de dichtstbijzijnde zondag verplaatst. Soms worden beide feesten op dezelfde dag gevierd, maar de heiligen gaan altijd voorop.

Wie zijn toch die heiligen die we vandaag herdenken? De schriftlezingen vertellen het. Jesaja ziet in zijn profetie over Sion ‘volken gaan naar uw licht en koningen naar uw stralende glans’ (Jes. 60,3) en hij vraagt: ‘Wie zijn dezen, die als een wolk komen aangevlogen en als duiven naar hun til?’ (60,8). Het antwoord komt aan het einde van de lezing: ‘Van geen onrecht zal nog gehoord worden in uw land, noch van geweld of verwoesting in uw gebied. (…) Uw volk zal geheel uit rechtvaardigen (Hebr.: tsaddiqim) bestaan, voor altijd zullen zij het land bezitten’ (60,18a.21a).

Een grote menigte

Johannes spreekt in zijn visioen van ‘de slaven van onze God’ (Gr.: tous doulous tou theou hèmoon) die door de vier engelen op hun voorhoofd moeten worden verzegeld met het zegel van de levende God, voordat de aarde en de zee schade moet worden toegebracht (Op. 7,2-4). Hij ziet er wel honderdvierenveertigduizend uit alle stammen van Israël (7,4-8), en daarnaast een ‘grote menigte’ (Gr.: ochlos polus) die niemand tellen kon uit alle volken en stammen en natiën en talen. Ze zijn bekleed met witte gewaden en staan voor de troon en voor het Lam met palmtakken in hun handen (7,9).

Ook hier wordt de vraag gesteld: ‘Wie zijn dezen, die bekleed zijn met de witte gewaden, en vanwaar zijn zij gekomen?’ (7,13). Het antwoord luidt: ‘Dezen zijn het, die komen uit de grote verdrukking; en zij hebben hun gewaden gewassen en wit gemaakt in het bloed van het Lam’ (7,14, NBG51).

De scharen en Jezus

Het woord ‘menigte’ of ‘schare’ (Gr.: ochlos) horen we opnieuw bij Matteüs, zowel aan het begin als aan het einde van de Bergrede samen met de naam ‘Jezus’: ‘En Hij de scharen ziende, ging de berg op, en toen Hij was neergezeten kwamen zijn leerlingen tot Hem, en Hij opende zijn mond en leraarde hun, zeggend: …’ (Mat. 5,1-2, vert. Thomas Naastepad1).

Jezus ziet de scharen, Hij ziet ze aan, met een partijdige, selectieve blik. Hij ziet niet naar iedereen, zoals van God zelf geschreven staat: ‘De Heer is hoog, nochtans ziet Hij de lagen aan; de verhevene kent Hij van verre’ (Ps. 138,6). De ‘verhevene’(Hebr.: gabhoah, ook: ‘hoge’, ‘hoogmoedige’) kent Hij slechts
voor zover Hij diens slachtoffers op het oog heeft. In Matteüs 9,36 lezen we wat er met Jezus gebeurt als Hij de scharen ziet: ‘En de scharen ziende werd Hij in het ingewand ontstoken over hen omdat ze vermoeid waren en terneergeslagen als schapen die geen herder hebben’ (9,36). Naastepad vertaalt hier het Griekse splanchnizomai (‘zich ontfermen’, ‘medelijden hebben’) meer letterlijk, als een lijfelijk gevoel. Vanuit dit gevoel, met het oog op deze scharen houdt Jezus zijn lange leerrede voor zijn leerlingen, die Hij begint met acht zaligsprekingen.

Vervolgden omwille van de gerechtigheid

‘Welzalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen’ (Mat. 5,3). Volgens Naastepad doelt Jezus met deze ptoochoi tooi pneumati (Gr.) niet op onnozele zielen, maar op hen die niet meetellen, geen goederen bezitten, het erkende recht niet aan hun zijde hebben, ook geen machtsmiddelen hebben om dat te doen gelden. Het zijn de scharen die de dupe zijn van de heersers, zoals in onze tijd de slachtoffers van de toeslagenaffaire en de oorlogen. Voor hen is het Koninkrijk der hemelen bedoeld, zij zijn de enige subjecten in Gods geschiedenis.

In de volgende zeven zaligsprekingen werkt Matteüs deze ene allesomvattende zaligspreking nader uit. Allereerst gaat het om de ‘treurenden’, die erbij zullen worden geroepen (Gr.: parakaleoo) in Gods rechtszaak (5,4). Zij zijn de ‘zachtmoedigen’ (Gr.: praeis; Hebr.: ‘anawim); in het Hebreeuws is dit woord verwant aan een woord dat ‘arm’, ‘ellendig’, ‘onderdrukt’, ‘neergebogen’ betekent: juist zij zullen het land beërven (5,5). Zij zijn ‘de hongerigen en dorstigen naar de gerechtigheid’ (5,6) die verzadigd zullen worden. En zij zijn ‘de barmhartigen die barmhartigheid zullen ondervinden’ (5,7).

Zij zijn ook de ‘zuiveren van hart’ die God zullen zien (5,8). Die zijn niet zoiets als vergeestelijkt, maar die zijn integer, hebben geen bijbedoelingen, willen de wereld niet naar hun eigen hand zetten, stichten geen chaos. Zij zijn de vredestichters, die Gods zonen zullen worden genoemd (5,9). Zij blijken degenen te zijn die worden vervolgd omwille van de gerechtigheid: ‘Want hunner is het Koninkrijk der hemelen’ (5,10, vgl. 5,3). Zij zijn dezelfde armen van geest, inmiddels gerijpt tot heiligen en martelaren.

Profeten en heiligen

Het eerste woord dat Jezus bij Matteüs spreekt is: ‘Laat nu af, want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen’ (3,15). Die gerechtigheid wordt niet vervuld zonder vervolging. De heersende orde haat de gerechtigheid. Daarom voegt Jezus aan de zaligsprekingen toe: ‘Welzalig zijn jullie als ze jullie haten en vervolgen, en liegend alle boosheid over jullie zeggen, omwille van Mij’ (5,11). Hier spreekt Hij de scharen, die met Hem in de vervolging bij de vervulling van de gerechtigheid verbonden zijn, direct aan. Zij worden als de profeten die vóór hen vervolgd werden, wier loon groot is in de hemelen (5,12). Zij dragen de last van de geschiedenis, de toekomst van de Heer, zij zijn ‘alle heiligen’.

Deze exegese is opgesteld door Lidwien van Buuren.

  1. Vgl. Th.J.M. Naastepad, Gewaagde woorden. Uitleg van Mattheüs 5-9, Baarn 2002, 1-13 ↩︎

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken