< Terug

De bekering van Franck Ribéry

Voetbal, islam en mannelijkheid in het nieuwe Frankrijk

Om te onderzoeken hoe sport, religie en gender zich tot elkaar verhouden volgt dit artikel de levensloop de Franse voetballer Franck Ribéry, die zich in 2004 tot de islam bekeerde. Welke aannames over religie en gender gaan er schuil achter de wijze waarop zijn bekering in de media besproken wordt?

Inleiding: sport, gender en religie

Sport, gender en religie zijn nauw met elkaar verbonden. In landen als Nederland, waar voetbal sport nummer één is, worden op en rond het voetbalveld de normen bepaald voor wat Raewyn Connell ‘hegemonische mannelijkheid’ noemt. Hiermee wil hij aangeven dat er in een gegeven samenleving weliswaar altijd meerdere vormen van mannelijkheid mogelijk zijn, maar dat sommige vormen proberen andere te domineren en zichzelf als ideale mannelijkheid voor te stellen. De sportwereld is bij uitstek een domein waar die dominante mannelijkheid tot uitdrukking kan komen (Connell 2005 [1995], 37). Bekende voetballers fungeren bijvoorbeeld als ‘iconische mannen’ (Cashmore & Parker 2003) die laten zien wat het betekent om te sporten als een ‘echte man’: ‘competitief, succesvol, dominerend, agressief, stoïcijns, doelgericht en fysiek sterk’ (Messner & Sabo 1994, 38). Daarmee bepalen ze niet alleen het beeld van ‘echte mannelijkheid’, maar zijn ze ook bepalend voor een hiërarchie in wat als ‘echte sport’ gezien wordt, waarbij sporten die op fysiek duel en dominantie gericht zijn (bijvoorbeeld rugby, basketbal of hockey) meer aan het ideaalbeeld van ‘echte sport’ voldoen dan sporten die meer op schoonheid en intellect zijn gericht (bijvoorbeeld synchroonzwemmen, voltige of schaken).

Het is deze dominante vorm van sportieve mannelijkheid die het gedrag op pleintjes en veldjes dicteert waar kinderen leren voetballen én leren om zich te voegen naar, of op zijn minst te verhouden tot, de dominante normen van mannelijkheid (Renold 1997; Swain 2000; Van den Bogert 2018). Overigens is hierin wel een verschuiving op te merken: in Nederland kunnen kinderen sinds het succes van de ‘Oranjeleeuwinnen’ op het WK van 2019 (verliezend finalist) zich ook met bekende vrouwelijke voetballers identificeren en zie je hen shirtjes dragen met namen als Miedema, Martens of Van de Sanden op de rug.

In dit artikel wil ik onderzoeken wat er gebeurt wanneer de constructie van mannelijkheid in het domein van sport (in het bijzonder voetbal) verweven raakt met die in een ander domein, namelijk religie. Daarbij vormt de bundel With God on Their Side: Sport in the Service of Religion (Magdalinski & Chandler 2002) voor mij een belangrijk uitgangspunt. Zoals de titel al aangeeft is het de redacteurs en auteurs er vooral om te doen nader te onderzoeken hoe religieuze groepen via sport bepaalde doelen nastreven. Een klassiek voorbeeld is de notie van muscular Christianity, het gespierde, sportieve christendom dat in het negentiendeeeuwse Engeland ontwikkeld werd als tegenhanger voor wat velen waren gaan beschouwen als gefeminiseerd christendom. Sport moest mannen weer de kerk in krijgen, waarbij goede sportieve prestaties symbool kwamen te staan voor een gezonde moraal (Magdalinski & Chandler 2002, 5).

Een dergelijke koppeling tussen sport en religie is niet voorbehouden aan het christendom. In de Verenigde Staten zorgden de successen van de tot islam bekeerde bokser Muhammad Ali ervoor dat de organisatie Nation of Islam tijdelijk haar bezwaren tegen sport als ‘werelds’ opzij kon zetten (Smith 2002). De idealen van mannelijkheid die binnen verschillende sportwerelden dominant zijn kunnen blijkbaar soms moeiteloos aansluiten bij idealen die door religie worden aangereikt, en op andere punten ook botsen.

Op dit soort snijvlakken borduur ik in dit artikel verder, maar ik wil ervoor waken om de ‘ontmoeting’ tussen sport en religie bij voorbaat in een utilistisch kader te plaatsen, waarbij de nadruk ligt op hoe religie sport kan ‘gebruiken’ (of andersom). Wat mij interesseert is voornamelijk hoe het wel of juist niet kunnen samengaan van religie en sport berust op maatschappelijke aannames over beide domeinen. Wordt sport gezien als het belangrijkste identificatiemiddel? Of religie? En welke sport of religie? Is het misschien zo dat—denkend aan het belang van de ‘protestantse’ voetbalclub Glasgow Rangers voor het Schots nationalisme—vooral een specifieke mix van religie en sport goed ligt binnen een bepaalde regionale of nationale context?

Exemplarische grensoverschrijders

Om te onderzoeken hoe sport, religie en gender zich tot elkaar verhouden volg ik de levensloop van een bekende bekeerling, de Franse voetballer Franck Ribéry. De aanvallende middenvelder, op moment van schrijven onder contract bij Fiorentina, bekeerde zich in 2004 tot de islam. In zijn (publieke) persoon komen enkele interessante zaken samen: Ribéry is moslim en wit, speelde lang voor het Franse nationale elftal en voor het Duitse Bayern München, is rijk geworden als voetballer maar wordt ook vaak aangesproken op zijn ch’ti-achtergrond (een term voor de Noord-Franse, achtergestelde arbeidersklasse).

Door me te richten op Ribéry spits ik me dus toe op ‘publieke bekering’: de bekering die een plek krijgt in een levensloop die bij het grotere publiek min of meer bekend is. Ik denk dat juist in de berichtgeving over publieke bekeerlingen aannames over religie, sport en mannelijkheid aan het licht kunnen komen. Hierboven noemde ik al de publieke bekering van Muhammad Ali. Zijn bekering tot islam gebeurde tegen de achtergrond van de strijd regen rassensegregatie en werd door velen gezien als een aanklacht tegen de rol van het christendom in de onderdrukking van mensen van kleur. Het voorbeeld van Ali laat zien dat bekering vrijwel altijd politiek is (Özyürek 2015), zeker wanneer het beroemdheden betreft. Publieke bekeerlingen als Ali zijn als het ware exemplarische grensoverschrijders die de samenleving niet alleen bevragen op heersende opvattingen over religie en sport, maar ook op alles wat daar aan vast is komen te zitten, zoals ideeën over gender, ras en nationale identiteit.

Om de beeldvorming rond de bekering van Ribéry te kunnen onderzoeken heb ik via de zoekmachine Nexis Uni de Franse pers doorzocht op relevante berichtgeving in de periode januari 2005, wanneer er voor het eerst mediaberichten over zijn bekering verschijnen, en oktober 2019. De zoektocht leverde in eerste instantie 411 artikelen op. Na selectie van de relevante artikelen (door het verwijderen van dubbele artikelen en berichten die eigenlijk ergens anders over gaan) bleven daar 107 van over. Bij dit materiaal stel ik de volgende vragen: op welke momenten wordt de bekering van Ribéry noemenswaardig geacht? Hoe wordt er over zijn bekering gesproken? Welke aannames over religie en gender gaan er schuil achter de wijze waarop zijn bekering in de media besproken wordt?

Ribéry’s bekering in de media

Figuur 1 geeft een goed beeld van ontwikkelingen in de beeldvorming rond de bekering van Franck Ribéry. Duidelijke pieken zijn er in 2006 en 2010, met daartussenin periodes waarin zijn bekering wel genoemd wordt, maar minder prominent het beeld rond zijn persoon bepaalt. Hieronder zal ik eerst deze pieken duiden. Daarna bespreek ik vier scripts, exemplarische manieren van spreken, over publieke bekering die zijn terug te vinden in de berichtgeving over Ribéry en laat ik zien hoe deze scripts steeds een eigen samenhang van sport, religie en mannelijkheid veronderstellen.

Referenties bekering Franck Ribéry Franse pers 2005-2019

In zijn in 2014 verschenen biografie wordt gesteld dat Ribéry zich bekeerde in 2004, voorafgaand aan zijn huwelijk met zijn vrouw Wahiba, die van Algerijns-Franse afkomst is (Menuge 2014). Dat de bekering van Ribéry pas vanaf 2005 en 2006 genoemd wordt in de berichtgeving over hem, heeft veel te maken met zijn doorbraak als profvoetballer. In 2005 maakt Ribéry een overstap van de Franse middenmoter Metz naar het Turkse Galatasaray, waarna hij terugkeert naar Frankrijk (Marseille). In de pers wordt, onterecht dus, gesuggereerd dat hij in Turkije met de islam in aanraking is gekomen en zich daarna heeft bekeerd (24 Heures, 23 april 2010). Hoe het ook zij: op het moment dat Ribéry een bekendheid wordt, vinden journalisten zijn bekering een noemenswaardig feit.

De andere piek in de bekeringscarrière heeft te maken met twee opvallende gebeurtenissen in 2010. De eerste vond plaats in april van dat jaar toen Ribéry, samen met voetballer Karim Benzema, beschuldigd werd van seks met een minderjarige prostituee. In de rechtszaak die volgde zouden beiden worden vrijgesproken omdat volgens de rechter niet bewezen kon worden dat zij er van op de hoogte waren dat de prostituee, Zahia Dehar, minderjarig was. De tweede gebeurtenis, of eigenlijk meer reeks van gebeurtenissen, betrof de tegenvallende prestaties van het Franse nationale elftal op het wereldkampioenschap in Zuid-Afrika. Nadat er gelijkgespeeld werd tegen Uruguay verloor Frankrijk van Mexico en gastland Zuid-Afrika en werd zodoende al in de groepsfase uitgeschakeld. Niet alleen waren de sportieve prestaties niet wat veel Fransen ervan gehoopt hadden; er ontstond ook onenigheid tussen sommige spelers en coach Raymond Domenech. Na een ruzie tussen Domenech en speler Nicolas Anelka, waarbij laatstgenoemde uit de selectie werd gezet, liepen de spanningen zo hoog op, dat het hele team weigerde uit de bus te komen om te gaan trainen. Dit riep weer verontwaardigde reacties op bij het Franse publiek. Zoals hieronder duidelijk zal worden speelde de bekering van Ribéry en enkele andere spelers tot de islam een belangrijke rol in de beeldvorming rond hemzelf en het Franse nationale elftal.

Vier scripts van publieke bekering

Op basis van de berichtgeving onderscheid ik vier meer algemene ‘scripts’ die de bekering van Ribéry elk op een andere manier voorstellen. Hieronder bespreek ik achtereenvolgens het script van de bekeerling Ribéry als deugdzame atleet, als maatschappelijke voorbeeldfiguur, als onderwerp van spot, en als Ander. Zoals zal blijken zijn deze scripts sterk verbonden aan het bevestigen of betwijfelen van Ribéry’s aanspraak op hegemonische mannelijkheid en daarmee zijn geschiktheid om zijn land of zijn regio te kunnen vertegenwoordigen.

Deugdzaamheid

Het script van deugdzaamheid heeft veel weg van de hierboven genoemde notie van muscular Christianity. Binnen dit script wordt bekering gezien als een keuze die een voetballer kan helpen om een betere sportman te worden. De bekering geeft bijvoorbeeld rust, concentratie en discipline. Dit script is vooral terug te vinden wanneer Ribéry zelf over zijn bekering spreekt:

‘[Islam] is erg belangrijk voor me. Ik bid op het veld zodat ik niet geblesseerd raak, (…) zodat niemand geblesseerd zal raken.’ (Agence France Presse, 2 september 2007)

‘Ik bid vijf keer per dag, ik eet geen varkensvlees’, aldus de speler, die bidt voor elke wedstrijd ‘omdat het me bevrijdt, omdat ik me daarna goed voel.’ (Agence France Presse, 15 februari 2008)

Vooral in de eerste jaren van zijn carrière als profvoetballer beantwoordt Ribéry op deze manier vragen van journalisten. Zoals zal blijken raakt zijn bekering later meer gepolitiseerd, zal hij er überhaupt veel minder over spreken en gaan benadrukken dat zijn religie een privéaangelegenheid is.

Binnen het script van deugdzaamheid is er ruimte voor bekering en religiositeit als ondersteunend aan atletische mannelijkheid, of in ieder geval bepaalde aspecten ervan. Hoewel de bekering niet per se in verband wordt gebracht met dominerend, competitief en agressief spel, wordt de bekering wel betrokken op zaken als concentratie en een sportieve houding. Een bekering volgens de principes van muscular Christianity vormt dus, ook in relatie tot islam, geen belemmering voor het claimen van hegemonische mannelijkheid en het thuishoren in en vertegenwoordigen van de gemeenschap. Het ideaal van gezonde, fitte mannelijkheid veronderstelt binnen dit script ‘gezonde’ (acceptabele) religie—en omgekeerd.

Voorbeeldfiguur

Zeker in de eerste jaren van zijn carrière wordt Ribéry gezien als de opvolger van Zinedine Zidane, de immens populaire voetballer van Algerijnse afkomst die met het Franse team in 1998 wereldkampioen werd. Het gaat dan om sportieve prestaties en atletische potentie, maar zeker ook om het vervullen van een voorbeeldfunctie buiten het veld. Ribéry wordt omschreven als iemand die snel stijgt op de sociale ladder waarbij zijn doorbraak als professionele voetballer de scheiding markeert tussen de ‘oude’ en de ‘nieuwe’ Ribéry.

Het verschil is bijvoorbeeld op te maken uit de verschuiving in bijnamen die voor hem gebruikt worden: van ‘Scarface’ of ‘Franckenstein’ in zijn vroege voetbaljaren wordt hij steeds meer ‘Ferraribéry’. Deze bijnamen slaan op verschillende aspecten van zijn leven, namelijk het auto-ongeluk dat er voor zorgde dat hij al op jonge leeftijd een onherstelbaar litteken opliep in zijn gezicht, en zijn latere sportieve en daarmee ook financiële succes. Van tegenslag, via doorzettingsvermogen en een dikke huid ontwikkelen, naar een goed presterende en goedbetaalde voetballer: dit is het verhaal dat over Ribéry verteld wordt en dat in zichzelf natuurlijk ook weer elementen heeft van een bekeringsverhaal.

Opvallend binnen het script van de voorbeeldfiguur is dat zijn religieuze bekering het verhaal van zijn sociaal-maatschappelijke ‘bekering’ vooral lijkt te versterken, of daar in ieder geval naadloos in lijkt te passen, zoals in onderstaand portret:

Clubs verslijtend (Metz, Galatasaray en Marseille in één seizoen), bekeerd tot islam, soms een ruziemaker, maar altijd zwierend, leeft deze jonge vader het leven ten volle. Ongrijpbaar gaat hij recht op zijn doel af. Zonder om te kijken. (Le Parisien, 30 mei 2006)

Zijn bekering krijgt binnen dit script een sterk symbolische functie: juist vanwege zijn bekering naar de islam wordt Ribéry gezien een speler die mede de veelkleurigheid in het Franse team waarborgt en daarmee de waarde laat zien van diversiteit in de Franse samenleving als geheel. Zoals in het volgende citaat, waarin voetbalfan Patrick terugblikt op een in zijn thuisstad Marseille gespeelde wedstrijd van het nationale elftal:

‘Het eerste doelpunt wordt gemaakt door een blanke bekeerling, Ribéry. Het tweede doelpunt door een zwarte katholiek, Vieira, en het derde door Zizou [Zidane], een atheïstische moslim … Ik vind dat leuk omdat het op Marseille lijkt: divers, maar solidair.’ (Le Parisien, 29 juni 2006)

Naast een voorbeeldfiguur voor de Franse samenleving als geheel, zoals in bovenstaande uitspraak, wordt Ribéry in het bijzonder gezien als een idool voor islamitische jongeren in Frankrijk. In de berichtgeving uit de beginjaren van zijn carrière komen we geregeld journalisten tegen die op voetbalveldjes in Boulognesur-Mer, waar Ribéry is opgegroeid, jongeren vragen naar hun mening over hun idool:

Faisal spreekt het liefst over Ribéry. ‘Hij is een moslim, zijn vrouw is van Algerijnse afkomst. (…) Hij speelt heel, heel goed en hij is de opvolger van Zidane.’ (Le Télégramme, 14 juni 2006)

Ribéry komt hier naar voren als een gelaagde voorbeeldfiguur voor deze jongeren: als zelf afkomstig uit een achterstandsbuurt, als moslim, en als partner van een vrouw van Algerijnse afkomst.

Binnen het script van de voorbeeldfiguur wordt atletische mannelijkheid aan sociaal en maatschappelijk succes gekoppeld. Daarbij wordt duidelijk dat Ribéry niet zonder meer aanspraak kan maken op alle aspecten van de hegemonische mannelijkheid van de profvoetballer. Zijn geschonden gezicht levert hem bijnamen op waar een speler als Christiano Ronaldo zich nooit druk om hoeft te maken. Aan de andere kant is er juist door het gebrek aan een vanzelfsprekende ‘celebrity-factor’ wel ruimte voor andere aspecten van hegemonische mannelijkheid, zoals het ontwikkelen van doorzettingsvermogen bij tegenslag.

Wellicht doordat zijn maatschappelijke ‘bekering’ tot deugdzaam mens resoneert in zijn religieuze bekering, wordt die laatste op geen enkele manier gezien als bedreigend voor zijn plaats binnen de Franse samenleving. Zijn bekering is eerder een pluspunt omdat deze het zelfbeeld van een goed functionerend multicultureel Frankrijk mogelijk maakt (‘divers en solidair’), waarin mensen met verschillende achtergronden kunnen slagen in het leven. Dat Ribéry in deze periode op sportief gebied vooral successen boekt en dus steeds ‘scorend’ kan worden opgevoerd, zoals in het citaat van voetbalfan Patrick, zal daarbij niet onbelangrijk zijn.

Spot

Zoals hierboven al duidelijk werd kantelt het beeld rond Ribéry in 2010 vanwege de aanklacht tegen hem en vanwege de snelle uitschakeling van het Franse team op het WK. Met name het eerste voorval leidt ertoe dat de bekering van Ribéry onderwerp wordt van spot. De oprechtheid van zijn bekering wordt in twijfel getrokken: journalisten vragen zich af of het niet van hypocrisie getuigt dat hij zichzelf moslim noemt maar zich niet houdt aan het ideaal van huwelijkse trouw (opvallend genoeg ging de aandacht van de pers meer daarnaar uit dan naar het feit dat hij seks had met een minderjarige).

Onderliggend aan de ‘grappen’ die naar aanleiding van de affaire over hem gemaakt worden zijn bepaalde stereotype beelden van islam:

Om het hart van zijn vrouw te veroveren, bekeerde deze goalgetter zich in 2006 tot islam. Ongetwijfeld had zij niet verwacht dat de ijver die de aanvallende middenvelder gewoonlijk laat zien ook polygamie zou inhouden. (Les Echos, 23 april 2010)

Het beeld van islam als een religie die polygamie goedkeurt of aanmoedigt komt meermaals naar voren. Op cynische wijze beargumenteren journalisten dat Ribéry in die zin juist niet hypocriet is, maar overeenkomstig zijn religie heeft gehandeld (Le Berry Républicain, 23 april 2010).

In het script van spot wordt er een verband verondersteld tussen religie en mannelijkheid, maar op een andere wijze dan binnen het ideaal van muscular Christianity. Religieuze en sportieve mannelijkheid worden hier seksueel ingevuld, waarbij prestatiedrang op het veld zich vertaalt in seksuele veroveringsdrang. Daarbij wordt de islam enerzijds gezien als een religie die dergelijk gedrag zou moeten afkeuren (seks hoort binnen het huwelijk thuis) en anderzijds juist legitimeert (polygamie). Het script heeft gevolgen voor Ribéry’s positie als vertegenwoordiger van de Franse natie. Men vindt dat deze affaire een slechte weerslag heeft op de beeldvorming rond het nationale team (Le Monde, 20 april 2010). Terwijl religieuze en sportieve mannelijkheid zich in de voorgaande scripts juist goed lenen voor het inpassen van zijn publieke persoon in een vertoog over wat Frankrijk zou moeten zijn, komt zijn functie als vertegenwoordiger binnen het script van spot ter discussie te staan. Het script maakt daarmee de weg vrij voor het vierde script, dat van ‘de Ander’.

Ander

Binnen het script van ‘de Ander’ wordt de bekering van Ribéry structureel gezien als iets dat hem buiten de gemeenschap plaatst: buiten de imagined community van het team, van de Franse natie of de Duitse deelstaat Beieren. Zijn identiteit als nieuwe moslim wordt vooral gezien als een belemmering om cultureel gezien te ‘passen’ binnen deze contexten.

Om met Beieren te beginnen: in 2013 werd hij onderwerp van discussie vanwege een ‘biercontroverse’ bij zijn club Bayern München. Na afloop van de kampioenswedstrijd, de wedstrijd waarin duidelijk werd dat Bayern dat jaar de Bundesliga zou winnen, werd Ribéry tot zijn ontstemming door ploeggenoot Jerome Boateng overgoten met bier. Vooraf had hij aangegeven niet te willen meedoen aan een bierfeest, vanwege het islamitische verbod op alcoholgebruik, en op tv was te zien dat hij hard bleef wegrennen voor Boateng. Veel journalisten vonden het echter vooral een grappig voorval en een foto van dat moment werd gekozen tot sportfoto van het jaar. De Ierse journalist Conor Heneghan (ik maak hier even een uitstapje naar berichtgeving buiten Frankrijk) leverde het volgende commentaar op de schuimende bierdouche: ‘Kijk eens naar zijn prachtige blonde pruik, is hij geen mooie Fräulein?’ (Heneghan, geen datum). De biercontroverse plaatste Ribéry buiten het team van Bayern en de Beierse biercultuur. Dit moment van apart zetten (dat overigens aanhikt tegen het script van spot) wordt elk jaar herhaald, omdat het team dan samen op een ‘Lederhosenfoto’ gaat ten behoeve van de hoofdsponsor, brouwerij Paulaner. Ribéry is elk jaar de uitzondering (met soms nog een of twee andere islamitische spelers) die dan geen bierpul vasthoudt. Dat heeft gevolgen voor zijn anders-zijn als moslim, maar ook als man: in het Beierse ideaal valt mannelijkheid samen met wit en christelijk zijn, en stevig door kunnen drinken.

Het Beierse bierincident is nog een mild voorbeeld van hoe Ribéry vanwege zijn bekering vooral als Ander wordt gezien. Veel dieper gaat de afkeer van zijn moslim-identiteit die zichtbaar werd in de Franse pers na het mislukte WK van 2010. Nationale teams worden niet zelden gezien als een afspiegeling van hoe ‘fit’ een land als zodanig is (Magdalinski & Chandler 2002, 4). Ook in het geval van het WK van 2010 ontstond hierover debat: wat betekende het falen van het nationale team voor de Franse samenleving? Marine le Pen, op dat moment enkele maanden in de running voor het leiderschap van Front National, beschuldigde sommige spelers ervan een ‘andere nationaliteit van het hart’ te hebben dan de Franse (Le Parisien, 21 juni 2010). De kritiek van Le Pen is kenmerkend voor een breder gedeeld vermoeden van ‘kliekjesvorming’ binnen het nationale elftal op basis van etnische afkomst en religie. In Rue89 wordt een blog van essayist Jacques Thomet aangehaald die in het bijzonder de bekeerlingen in het Franse elftal de schuld geeft van wat hij als de ‘islamisering van de sport’ ziet:

‘Ribéry, Anelka en Abidal doen hun mond niet open als het volkslied klinkt. Bij alle drie valt op dat ze zich bekeerd hebben tot de islam. Verbiedt deze religie het zingen van ‘La Marseillaise’? Wie kan ons uitleggen waarom deze tot de islam bekeerde voetballers zo’n minachting hebben voor ons volkslied?’ (Jacques Thomet geciteerd in Rue89, 14 januari 2011)

Waar het succesvolle team van Zidane in 1998 nog gezien werd als exemplarisch voor de multiculturele samenleving, is de beeldvorming rond het nationale team na 2010 180 graden gedraaid. De groeiende problematisering van de islam in Frankrijk wordt geprojecteerd op het nationale team, waarbij vooral de bekeerlingen ter verantwoording worden geroepen: als niet-geboren moslims, lijkt de veronderstelling, hebben zij er zelf voor gekozen een anti-Franse religie aan te hangen. Aan hen, ook Ribéry, worden nu allerlei eigenschappen toegeschreven die hen ongeschikt maken als voetballer en als Fransman. Ribéry wordt neergezet recalcitrant, op zichzelf gericht en—na een opstootje met teamgenoot Yoann Gourcuff—als agressief en gekant tegen de niet-islamitische spelers in het team (Le Parisien, 30 november 2010).

Binnen het script van de Ander leidt de bekering tot de islam ertoe dat Ribéry vooral gezien wordt als iemand die niet langer geschikt is om de regio of het land te vertegenwoordigen. Zijn religieuze opvattingen vormen een bedreiging voor zijn deelname aan de vanzelfsprekende biercultuur van Beieren en voor zijn Franse patriottisme. Dit ‘tot Ander maken’ van de bekeerling Ribéry gaat gepaard met een paradoxale ‘aanval’ op zijn mannelijkheid. Aan de ene kant wordt hij voorgesteld als feminien: als Fräulein met een blonde pruik is hij ongeschikt geworden voor het team van Bayern München. Aan de andere kant wordt hij bijna als hypermasculien voorgesteld: als te agressief en op zichzelf gericht om een goede teamspeler te kunnen zijn.

Dit verwijt om te veel het één of te veel het ander te zijn is overigens kenmerkend voor de representatie van etnische en religieuze minderheden in het algemeen en wordt hier dus toegepast op Ribéry.

Conclusie

In 2020 is Franck Ribéry twintig jaar profvoetballer. Er is veel gebeurd tussen de start van zijn carrière in 2000 bij Boulogne en zijn huidige ‘nadagen’ bij Fiorentina, zowel in het leven van Ribéry zelf als in het Frankrijk dat hij jarenlang heeft vertegenwoordigd op het veld. Door de beeldvorming over Ribéry te volgen komen we veel te weten over hoe in Frankrijk in de afgelopen twintig jaar de samenhang tussen voetbal, mannelijkheid en islam is verschoven.

De controverse rond het nationale team uit 2010 laat zien dat wanneer islam in Frankrijk steeds meer verdacht wordt en als on-Frans of zelf anti-Frans gezien wordt, deze verdachtmaking zich deels uit in aannames over islamitische mannelijkheid. Agressie, (seksuele) veroveringsdrang en het zich terugtrekken in islamitische subculturen zijn beelden van islamitische mannelijkheid die steeds vaker naar voren komen. Franck Ribéry is een van de prominente moslims op wie deze beelden geprojecteerd worden.

Wat de veranderingen in de beeldvorming bovendien laten zien is dat hegemonische mannelijkheid nooit vanzelfsprekend is en ook meestal kwetsbaar is. Zelfs een bekende en succesvolle voetballer als Ribéry kan niet zomaar aanspraak maken op hegemonische mannelijkheid.

Of de beeldvorming rond zijn persoon en zijn mannelijkheid positief of negatief uitvalt, heeft hij deels zelf in de hand. Hij kan de beeldvorming positief beïnvloeden door middel van interviews, of negatief door middel van een strafbare actie (want dat was het) zoals in 2010. Maar deze invloed is beperkt, want ook Ribéry krijgt te maken met (bijvoorbeeld) vooroordelen over klasse en met schoonheidsidealen.

De sportieve mannelijkheid die op brede instemming kan rekenen in de media berust bovendien op een precair evenwicht tussen meer ‘macho’ kenmerken, zoals competitie en agressie, en meer sociale kenmerken, zoals sportiviteit en teamgeest. Wanneer een speler zich bekeert, wordt religie een factor in deze balans. Religieus zijn of worden kan prima in het voordeel van een speler zijn, in die zin dat religie de balans kan ondersteunen. Zeker in het geval van een christelijke identiteit geldt vaak dat voetballers probleemloos hun religie zichtbaar kunnen uitdragen door bijvoorbeeld een kruisje te slaan wanneer zij het veld op gaan, of door religieuze tatoeages. En in de beginjaren van zijn carrière kon Ribéry duidelijk maken dat dit ook opgaat voor de islam en dat zijn religieuze overtuiging hem steunt in zijn sportieve prestaties.

Uit de casus Ribéry blijkt echter ook dat het publiek uiten van islam doorgaans anders wordt beoordeeld en dat het Frankrijk van nu er wat dat betreft anders voorstaat dan het Frankrijk van 2000. Het Frankrijk van Zidane is nu het Frankrijk van Le Pen.

Mariecke (prof.dr. C.A.M.) van den Berg is bijzonder hoogleraar Feminisme en christendom aan de Radboud Universiteit Nijmegen en universitair docent Interreligieuze studies aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Literatuur

Bogert, C.E. van den (2018). Playing Gender, Religion and Ethnicity. Girls’ Football and Public Playgrounds in the Schilderswijk, The Hague, The Netherlands. Universiteit Utrecht: dissertatie.

Cashmore, E. & Parker, A. (2003). One David Beckham? Celebrity, masculinity, and the soccerati. Sociology of Sport Journal 20(3), 214-231.

Connell, R.W. (2005 [1995]). Masculinities. Second Edition. Cambridge: Polity Press.

Magdalinski, T. & Chandler, J.L. (red.) (2002). With God on Their Side. Sport in the Service of Religion. Londen/New York: Routledge. Menuge, A. (2014). Franck. München: Riva Verlag. Messner, M.A. & Sabo, D.F. (red.) (1994). Sport, Men and the Gender Order: Critical Feminist Perspectives. Champaign: Human Kinetics Publishers.

Özyürek, E. (2015). Being German, Becoming Muslim: Race, Religion, and Conversion in the New Europe. Princeton en Oxford: Princeton University Press.

Renold, E. (1997). ‘All They’ve Got on Their Brains is Football’. Sport, Masculinity and the Gendered Practices of Playground Relations. Sport, Education and Society 2(1), 5-23.

Smith, M. (2002). Muhammad Speaks and Muhammad Ali. Intersections of the Nation of Islam and Sport in the 1960s. In: Magdalinski, T. & Chandler, J.L. (red.) (2002). With God on Their Side. Sport in the Service of Religion. Londen/New York: Routledge, 177-196.

Swain, J. (2000). ‘The Money’s Good, the Fame’s Good, the Girls Are Good’: The Role of Playground Football in the Construction of Young Boys’ Masculinity in a Junior School. British Journal of Sociology of Education 21(1), 95-109.

Geciteerde krantenartikelen

Agence France Presse (2 september 2007). ‘Allemagne – Bayern Munich. ‘Je peux encore mieux jouer,’ previent Ribéry’.

Agence France Presse (15 februari 2008). ‘A Munich, Franck Ribéry cultive dans la simplicité son statut d’idole’.

Le Berry Républicain (23 april 2010). ‘Nicolas Canteloup a fait vibrer les 2.400 spectateurs du Phénix’.

Les Echos (23 april 2010). ‘Franck Ribéry’.

Heneghan, Conor. ‘Franck Ribery with what looks like a wig made of beer is one of the football pictures of the year’. Gepost op de website Joe.ie, geen datum. https://www. joe.ie/uncategorized/franck-ribery-with-what-looks-likea-wig-made-of-beer-is-one-of-the-football-pictures-ofthe-year-48489 Bezocht op 5 november 2018.

24 Heures (23 april 2010). ‘Comment Franck Ribéry s’est mis dans de beaux draps avec Zahia’.

Le Monde (20 april 2010). ‘L’Affaire Ribéry conforte le côté un peu ridicule des Bleus’.

Le Parisien (30 mei 2006). ‘Il a une vraie gueule’.

Le Parisien (29 juni 2006). ‘A Marseille, l’air est plus léger’.

Le Parisien (21 juni 2010). ‘Comment elle s’impose’.

Le Parisien (30 november 2010). ‘Le Mondial, la France, «La Marseillaise»: Anelka vide son sac’.

Rue89 (14 januari 2011). ‘Abidal, Ribéry… Allah est-il devenu le Dieu des stades?’.

Le Télégramme (14 juni 2006). ‘Algérie. Ribéry, l’idol les jeunes’.

< Terug