Menu

Premium

Gestorven

Gestorven. Een klein woordje is het maar. Voor wie de apostolische geloofsbelijdenis leest of zingt, valt het niet eens op. Het klinkt gewoon mee in heel die reeks van woorden. Opgenomen in de litanie van geleden, gekruisigd en begraven. Zo van: o ja, gestorven, dat ook nog. Maar eigenlijk zouden we de adem in moeten houden. Zo adembenemend is dat kleine woordje.

Gestorven, ja, want kruisigen en sterven horen bij elkaar. Je werd gekruisigd tot de dood erop volgde. Zo was die straf. Een heel barbaarse straf. Wreed. Gruwelijk. Bloederig. Een film als ‘The Passion of the Christ’ is er vol van. Heel veel kijkers hebben zich dan ook afgevraagd: moet dat nu zo? En toch. Ja, zo moest dat wel. Dat is de realiteit.

Niet voor niets schrijft de apostel Paulus daar met zoveel nadruk over in zijn eerste brief aan de gemeente in Korinte. De boodschap over het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan, stelt hij, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God (1 Korintiërs 1: 18). Ja, wij verkondigen een gekruisigde Christus (1 Korintiërs 1: 23). Sterker nog: Ik had besloten u geen andere kennis te brengen dan die over Jezus Christus – de gekruisigde (1 Korintiërs 2: 2).

Geen digitale foto

Waarom de klemtoon zo gelegd op de gekruisigde Christus? Omdat Zijn lijden en sterven aan dat barbaarse martelwerktuig allesbepalend is. Voor nu en straks. Voor tijd en eeuwigheid. Kracht van God voor wie worden gered. Leven voor wie geloven. Dit sterven maakt de incarnatie – de menswording Gods – als het ware onomkeerbaar. Hier wil God never nooit meer achter terug. Alsof er wezenlijk iets in God veranderd is. Beter gezegd: omdat zo pas goed zichtbaar wordt wie God in wezen is. Peilloos diepe, zichzelf wegschenkende en de ander volkomen opzoekende liefde.

Paulus spreekt met nadruk van Jezus Christus als de gekruisigde. Hij legt het accent op het lijden en de pijn van de Messias, op het menselijke van Jezus, op Zijn lichaam vol littekens. Op de bodem van Gods hart ligt geen onbewogen, levenloos plaatje van de kruisiging. Geen digitale foto van Jezus of zo. Nee, op de bodem van Gods hart zien we wat er werkelijk gebeurde. Diep in Gods hart is het één en al beweging. Daar heerst bewogenheid. Daar leeft de pijn van Zijn liefde.

De hemelse Vader heeft Zijn Zoon zo totaal anders teruggekregen, dan Hij Hem naar de aarde liet gaan. Hij kreeg Hem terug met een menselijk lichaam dat de sporen van het lijden met zich meedraagt. De Zoon heeft in een weg van diepe vernedering een menselijk lichaam gekregen, dat gemarteld en geslagen werd, om zo heel de zonde en schuld met hun gevolgen te dragen. Zo heeft de Zoon nu naast Zijn Vader plaatsgenomen. Met doorboorde handen.

Live verslag

Paulus is heel sober. Een enkel woord is genoeg. De gekruisigde – dat zegt voldoende. Zijn lezers weten wat kruisigen is. Ze kennen de details. Een dvd waar het bloed af spat is overbodig. Daarom is het Nieuwe Testament uiterst sober. Zelfs de ooggetuigenverslagen van de vier evangelisten vertellen weinig of niets van dat lijden en sterven. Er wordt je alleen meegedeeld dat het gebeurt, maar het hoe blijft verborgen.

Voor een beschrijving van het lijden bij een kruisiging zou je er een boekje bij moeten pakken. Bijbelse Tijdgenoten van prof. dr. Bob Smalhout, bijvoorbeeld. Om te lezen, hoe heel je lichaam uit zijn verband getrokken wordt, hoe het vocht zich ophoopt in je longen en je hart in de problemen komt. Langzaam stik je en de enige manier om nog adem te halen is je af en toe met je benen omhoog te drukken, weg uit die adembenemende houding. Eén eindeloze marteling. Tot ook dat niet meer kan, omdat men aan het einde van de dag de botten van je benen breekt. Zo sterf je.

Maar in het Nieuwe Testament vinden we daar weinig of niets van terug. Wie het lijden en sterven aan een kruis beschreven wil zien van binnenuit, als een live verslag door de ogen van de gekruisigde heen, moet daarvoor gek genoeg naar het Oude Testament. Daar wordt dat duizend jaar van tevoren beschreven, inclusief het doorboren van handen en voeten, het verdobbelen van de kleding van het lijdende voorwerp en de spottende woorden die hem toegeroepen worden. En de woorden die onze gekruisigde op het dieptepunt van zijn lijden op de lippen neemt, vinden we daar terug in de openingszin.

Of Psalm 22 echt van David is of niet, doet niet ter zake. Wie vraagt daarnaar, als hij door de koortsige ogen van de gekruisigde stieren en buffels met opengesperde muilen om zich heen ziet? Wie vraagt daar nog naar, als hij dat uitgestort worden als water en de ontwrichting van de beenderen meevoelt: het hart gesmolten in je binnenste, de kracht verdroogd, je mond klevend aan je gehemelte? Hoe duidelijk merk je hier trouwens niet dat het geestelijk lijden – dat zien opvlammen van de hel om je heen, die afwezigheid van Gods nabijheid – duizend keer zwaarder weegt, dan heel dat afschuwelijke lichamelijke lijden zelf?

De lijdende dienaar

Onverklaarbaar lijden en een even onverklaarbare omslag halverwege de Psalm. Gods antwoord komt. Dat lijdende en stervende slachtoffer staat ineens weer levend en wel tussen zijn vrienden, tot zegen voor Israël en al de andere volken van deze wereld. Een mogelijke verklaring voor dit lijden en sterven wordt er niet gegeven, en evenmin voor die merkwaardige overgang vanuit de diepte van dat lijden en sterven terug naar het land der levenden.

Opnieuw moeten we dan niet allereerst in het Nieuwe Testament zoeken. Nee, de verklaring die de betekenis van dit lijden, van dit sterven en van de heerlijkheid die volgt – de geestelijke betekenis – het mooiste omschrijft vinden we ook nu weer in het Oude Testament.

Zevenhonderd jaar voor de geboorte van Christus wordt de betekenis van dat lijden en sterven haarfijn uit de doeken gedaan – inclusief het dood tussen misdadigers hangen en dat dan toch terechtkomen in het graf van een rijke. Weer gaat het over lijden en sterven, over doorboren en verbrijzelen, over wat Psalm 22 zo aangrijpend beschreven heeft. Maar nu wordt aan elk onderdeeltje van dat lijden en sterven een verklaring gekoppeld. Onze ziekten op zich genomen, lezen we, onze smarten gedragen, om onze overtredingen doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld, de straf die ons de vrede aanbrengt op hem en door zijn striemen is er voor ons genezing!

Nee, dat deze man van smarten hier als een lam ter slachting geleid wordt, is geen toevallige samenloop van omstandigheden of het resultaat van zinloos geweld: Gods wil is hier in het geding. Het behaagde God om Zijn lijdende dienaar zo te verbrijzelen. Zelfs al zouden de woorden niet van Jesaja zijn en evenmin zevenhonderd jaar van tevoren zijn opgeschreven, dan nog maakt dat drieënvijftigste hoofdstuk diepe indruk. Hoewel de profeet zelf denkt dat niemand hem zal geloven. Zo uitermate onwaarschijnlijk lijkt de gedachte aan een lijdende en stervende Messias – zo huiveringwekkend en ongelofelijk ook.

Geen zinloos lijden

Toch ligt hier de verklaring wel zomaar voor je. De beloofde Messias moest lijden en sterven. Gods lijdende en stervende dienaar is volstrekt zonder zonde en toch wordt Hij op die ene Goede Vrijdag – overigens is Jezus hoogstwaarschijnlijk op een woensdag gestorven – door God tot zonde gemaakt. Jesaja profeteert dat dit plaatsvindt met een doel, namelijk: voor ons. Niemand lijkt het te willen geloven en toch is dit de enige zo plausibel mogelijke verklaring van de dingen die elke Bijbellezer waarneemt. De opstanding is er niet later bij bedacht om van dat bittere en ogenschijnlijk zo zinloze lijden toch nog iets moois te maken. nee, de opstanding en het eeuwige leven horen er vanaf het begin wezenlijk bij: zowel in Psalm 22, als in Jesaja 53.

Zo alleen komen de twee lijnen uit het Psalmboek bij elkaar: de lijn van de lijdende Messias en die van de triomferende. En zoals we in Psalm 22: 22 totaal onverwacht die omslag krijgen van dat antwoord van God, die de lijn van de vernedering ombuigt tot een lijn van verhoging en verheerlijking, zo vinden we dat ook in Jesaja 53. Lijden en sterven gaan over in opstanding en eeuwig leven. Het gaat van lijden tot heerlijkheid. Het lijden van nu weegt inderdaad niet op tegen de heerlijkheid die Gods kinderen straks zullen ontvangen. En dat allemaal enkel en alleen vanwege die ene lijdende dienaar.

En als dan later het Evangelie de vervulling van deze beide profetieën beschrijft, hoeft het ons niet te verwonderen dat het allemaal in lijn blijft met wat eeuwen eerder al was opgeschreven. Dat lijden en dat sterven op Golgota zijn helemaal niet zinloos. Integendeel, ze zijn juist heel rijk aan zin. Ze brengen het Lam van God voor het voetlicht, zoals het de zonde van de hele wereld op zich neemt.

Ze halen ook de kinderen van God in beeld. Ze plaatsen hen in het ontzagwekkende licht dat uitstraalt van dat kruis, dat daar ten behoeve van hen wordt opgericht. Het licht van de opstanding omringt hen. Ze ontvangen veel meer, dan ze durfden dromen – boven bidden en denken uit zelfs.

Wonder van verzoening

Ja, boven bidden en denken uit. Jesaja en David spreken namelijk over een wonder. Ze bezingen beide het wonder dat wij verzoening noemen. Als we menen dat het nu eenmaal Gods vak is om te vergeven, dan helpen Jesaja en David ons wel uit die droom. Ze laten je het wonder van de verzoening zien, waar al die offers uit de Tora van Mozes al op preludeerden.

Niets spreekt bij God vanzelf, zeker dat wonder van de verzoening van onze zonden niet. Wie zo redeneert, heeft Psalm 22 en Jesaja 53 nooit goed gelezen. Zo iemand heeft zich er nog nooit rekenschap van willen geven wat het betekende, toen de Messias tot zonde gemaakt werd voor ons, of hoe heel de schepping – inclusief de engelen – de adem inhield op dat ogenblik, waarop de lijdende dienaar die woorden uit Psalm 22 op de lippen nam.

En daarom is het precies andersom met dat lijden en sterven, dan iedereen dacht. De opstanding en het eeuwige leven – die er op die prille Paasmorgen in Jeruzalem bijna tweeduizend jaar geleden ineens zijn – worden er niet later bij bedacht. Nee, Pasen en Goede Vrijdag zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. En dat gebeurde niet pas in het Nieuwe Testament, maar al veel eerder wordt die verbinding gelegd – middenin het Oude Testament. Dankzij het wonder van de verzoening kon het Pasen worden – sterker nog: moest het wel Pasen worden!

Daarom is er nu ook het wonder van de dood, die een doorgang tot het eeuwige leven is geworden – voor iedereen die gelooft. Het bloed van het Lam reinigt immers van alle zonde. Er blijft niets over waar de dood nog houvast aan zou kunnen hebben. Zoals de dood de Messias mocht vastgrijpen aan het kruis om Hem daarna direct weer los te moeten laten, zo zal hij dat met Gods kinderen ook moeten doen. Zelfs de dood wordt gedwongen om mee te werken ten goede. Hij mag Gods kinderen vastpakken en uit dit leven wegnemen, maar dan moet hij ze ook dadelijk en direct loslaten om hen het eeuwige leven binnen te laten gaan. Daar zingen David en Jesaja van!

Verwondering over Gods dwaze liefde

Zeker, bewijzen kunnen we niets. Geloven mogen we des te meer. In en door de Heere Jezus Christus ontvangen we van de Heilige Geest immers veel meer dan zomaar een bewijs. Met Goede Vrijdag en Pasen zet een hemelse Vader Zijn handtekening onder Zijn Evangelie. Als een uitroepteken achter die laatste woorden van het laatste Bijbelboek: de genade van de Heere Jezus zij met u allen!

Inderdaad, de Vader kreeg de Zoon totaal anders terug, dan Hij Hem eenmaal had laten gaan. Met littekens die voor altijd zichtbaar zijn. Verkregen in een weg van diepe vernedering. Bewijs van zijn eindeloos diepe liefde. Een Zoon met doorboorde handen.

Dat kan je enkel maar klein en beschaamd maken. Dat het nodig was en is. Het brengt je tot verwondering over die dwaze liefde van God. Over die nooit aflatende poging om je te bereiken. Diep in Zijn hart schijnt mijn hemelse Vader onbegrijpelijk veel liefde voor mij te koesteren. Kostbare liefde. Liefde, waarmee Hij Zijn Zoon voor mij gaf en waarmee die Zoon Zich voor mij geven liet. Gekruisigd, gestorven en begraven. Maar die nu als de Levende de sleutels heeft van de dood en het dodenrijk (Openbaring 1: 18).

Wellicht ook interessant

None

Studiemiddag op 4 juni naar aanleiding van publicatie ‘Gods slaafgemaakten’

De beroemde voormalige slaafgemaakte en abolitionist Frederick Douglass (1818-1895) was christen én buitengewoon kritisch op het christendom van vele slaveneigenaren in de Verenigde Staten. Die laatste vorm van christendom noemde hij “slaveholding religion” en die plaatste hij tegenover wat hij zag als het ‘echte christendom’ – de “Christianity of Christ”. In zijn recente boek Gods slaafgemaakten laat historicus en theoloog Martijn Stoutjesdijk zien dat beide interpretaties van het christendom eigenlijk altijd al aanwezig zijn geweest in de Bijbel en geschiedenis van het christendom.

None

Recensie van Amsterdamse Cahiers: Jesaja

Als predikant heb je je vaak te buigen over fragmenten uit het complexe Bijbelboek Jesaja. De bekendste flarden keren jaarlijks terug, vaak in combinatie met het Nieuwe Testament. Tekstfragmenten die ‘iedereen’ kent, roepen vaak allerlei beelden en herinneringen wakker (‘je hebt me bij de naam geroepen/ je bent de mijne’; ‘het volk dat in duisternis ronddoolt’; ‘zwaarden, ploegscharen…’). Tegelijkertijd blijft het grootse deel van de profetie doorgaans gesloten.

None

Thema: Medische verrassingen in de Bijbel

In de Bijbel staat verrassend veel informatie over gezondheid en ziekte, vanuit het oude testament komen veel regels naar voren om ziekte en de verdere verspreiding van ziekte te voorkomen. Veel van deze regels zijn nog steeds actueel. Van oud-testamentische narcose tot het nut van de reinheidswetten. Tom Mikkers gaat in deze aflevering in gesprek met Alie Hoek-van Kooten die het boek Medische verrassingen in de Bijbel schreef. Zij gaat in het gesprek ook in op de manier waarop mensen in de Bijbelse tijden met ziekte omgingen en welke rol hun geloof daarin speelde. Een nieuwe invalshoek op bekende materie, toegankelijk en verrassend.

Nieuwe boeken