Recensie van Amsterdamse Cahiers: Jesaja
Als predikant heb je je vaak te buigen over fragmenten uit het complexe Bijbelboek Jesaja. De bekendste flarden keren jaarlijks terug, vaak in combinatie met het Nieuwe Testament. Tekstfragmenten die ‘iedereen’ kent, roepen vaak allerlei beelden en herinneringen wakker (‘je hebt me bij de naam geroepen/ je bent de mijne’; ‘het volk dat in duisternis ronddoolt’; ‘zwaarden, ploegscharen…’). Tegelijkertijd blijft het grootse deel van de profetie doorgaans gesloten. Natuurlijk, soms kun je je complexere, langere profetenteksten veroorloven en wie weet, is er dan tijd en ruimte voor wat gedegener studie. Maar ook dan verdwaal je al snel in de veelheid van onderzoek en commentaren. De nieuwe aflevering van de Amsterdamse Cahiers met een aantal korte artikelen, is daarom meer dan welkom. Vooral omdat in de Amsterdamse Cahiers vanouds het verband tussen tekstonderzoek en ‘verkondiging’ wordt gezocht. Zo sluit tenminste de redactie ook het voorwoord af: ‘Er wil iets gezegd worden: bevrijding en kritiek, oordeel en hoop’. Juist dat ‘iets’ vraagt gedegen tekstonderzoek.
Al met al lijkt het erop dat de literaire leestraditie waar ‘Amsterdam’ ooit beroemd om was, in deze bundel niet meer prominent aanwezig is
Het cahier opent met twee overzichtsartikelen waarin de pogingen tot eenheid (deutero trito Jesaja etc.) en de Joodse interpretaties van het Bijbelboek nog eens op een rij worden gezet. Daarop volgt het meer gedetailleerde woord- en perikooponderzoek. Zo daalt Klaas Spronk af tot in de diepten van een specifiek Bijbelvers (14:12), houdt Panc Beentjes een fragment van Sirach tegen het licht en plaatst Nico Riemersma Jesaja 65:17 ‘in context’. Liefhebbers van gedegen tekst-onderzoek kunnen hun hart ophalen. Spannender wordt het wat mij betreft in de bijdrage van Haposan Cornelis Sinaga en Marjo Korpel. Zij onderzoeken het kernwoord ‘eved’ met het oog op taal- en woordgebruik rond tot-slaaf-gemaakten en kolonialisme. Hoe kunnen we in het licht van de Jesaja teksten goed over de eved JHWH spreken? Als dienaar, gezant of ‘zelfs’ ambassadeur? Ook het artikel over de retorische vragen van JHWH van Pieter Lugtigheid houdt het ‘er wil iets gezegd worden’ in ere. In een voetnoot verwijst hij naar het werk van Eep Talstra die net als hij zoekt naar ‘de rol van JHWH in de tekst’; ‘hoe laat Hij zich kennen?’ Het tekstonderzoek is mede als gevolg van die benadering misschien wat minder gedegen dan dat van de andere artikelen, maar op hun beurt komen díe amper tot dergelijke vragen. Tot slot onderzoekt Wim Weren het gebruik van Jesaja in het evangelie van Matteüs. Belangrijk om dat nog eens goed tegen het licht te houden want, of we willen of niet, het evangelie klinkt in onze Jesajalezing nu eenmaal altijd mee.
Al met al lijkt het erop dat de literaire leestraditie waar ‘Amsterdam’ ooit beroemd om was, in deze bundel niet meer prominent aanwezig is. Ik weet niet of dat erg is. In ‘De Amsterdamse School’ werden op basis van vaak wat suggestieve tekstverbanden soms wel heel snelle conclusies getrokken. Onderzoek naar de wereld ‘achter het verhaal’ bleef vaak onderbelicht. Maar de grotere nadruk op het traditionele tekstonderzoek maakt wel dat dit Jesajacahier vooral een bundel voor specialisten is geworden. Zulk gedegen onderzoek leidt niet tot veel nieuwe inzichten in het grotere verband van het ‘profeten boek’. Ook verrast het niet met creatieve literaire verbanden of dogmatische uitstapjes. Dit waarschijnlijk tot vreugde van de ware Bijbelwetenschapper. De predikant in mij had eerlijk gezegd toch op iets meer gehoopt.
Werner Pieterse is theoloog en predikant van de Haarkem-Noord & Spaarndam PKN gemeente.
