Recensie: Is de Bijbel echt gebeurd?
Ruben van Wingerden bespreekt Is de Bijbel echt gebeurd?
Is de Bijbel echt gebeurd? Die vraag onderzoekt Jirska van Hooijdonk in haar gelijknamige boek. Bijbelwetenschapper Ruben van Wingerden las het met veel interesse maar vraagt zich ook af: voor wie is dit boek geschreven?
Is de Bijbel echt gebeurd? heeft een bewust provocatieve titel. Jirska van Hooijdonk betoogt dat de Bijbel niet als geschiedenis gelezen hoeft te worden, zonder dat daarmee het geloof verloren gaat. Daarbij leunt zij sterk op Paul Ricoeurs idee van de ‘tweede naïviteit’: na het loslaten van bepaalde historische claims kan geloof opnieuw, maar anders, vruchtbaar worden (Van Hooijdonk schreef haar masterscriptie daarover, maar in de bibliografie lijkt het, ten onrechte, een gepubliceerd boek). Zo schetst zij een vorm van geloof die door de historisch-kritische methode is heengegaan en niet afhankelijk is van historische betrouwbaarheid.
Maar voordat zij daar komt, gaat Van Hooijdonk ‘vol op het orgel’. In het eerste deel van het vierdelige boek zet zij scherp het onderscheid neer tussen het Bijbelse narratief en geschiedenis. Die vallen niet samen: de Bijbel is geen doorlopende geschiedschrijving, maar een verzameling van uiteenlopende genres, elk met een eigen ontstaansgeschiedenis. Toch lezen we de Bijbel vaak alsof alles historisch gebeurd moet zijn om geloofwaardig te zijn – een leeshouding die sterk is gevormd door negentiende‑eeuws historisch denken, vooral in protestantse en evangelische contexten. Daar wringt het: over veel Bijbelteksten weten we eenvoudigweg niet of – en zo ja, hoe – ze historisch zijn gebeurd. Van Hooijdonk benadrukt terecht het verschil tussen wat we historisch kunnen weten en wat we theologisch geloven.
Over veel Bijbelteksten weten we eenvoudigweg niet of ze historisch zijn gebeurd
Geen blad voor de mond
Deel 1 (vijf hoofdstukken) gaat verder met de-historisering van een groot deel van het Oude Testament. De rode draad door deze hoofdstukken is: geschiedenis is per definitie bij benadering, en we kunnen niet helemaal terug naar die tijd, (buiten-)Bijbelse bronnen of niet.
De Bijbel wordt beschreven als een ‘mythisch’ verleden, dat wil zeggen dat het oorsprongsverhalen zijn over het bestaan. Over hoe de wereld is ontstaan, hoe er kwaad in de wereld is gekomen, ofwel: ‘om betekenis te geven aan het leven’ (p.89). Diverse boeken, zoals Jona, Job, Ester en Daniel, zijn fictief en bevatten anachronismen en onjuiste historische informatie (60-67). Bovendien zijn ze echt als literatuur geschreven. Van Hooijdonk neemt geen blad voor de mond en laat goed zien hoe de historische wetenschap kritisch omgaat met de Bijbelse verhalen: vaak kunnen we historisch gezien gewoon weinig bevestigen.
Een andere gerichtheid
Deel 2 (drie hoofdstukken) laat goed zien hoe verhalen uit de oudheid verschillen van hedendaagse geschiedschrijving. Van Hooijdonk gaat vooral in op de verschillen tussen de boeken van het Oude Testament en niet zozeer op die van het Nieuwe Testament. Ten eerste is de gerichtheid heel anders in de literatuur van het oude Nabije Oosten: ‘de antieke mens was volop bezig met de godenwereld’ (74). Het tweede dat van belang is, is chronologie. Wij zijn gewend om chronologisch te denken. Geschiedenis moet een logische tijdlijn volgen, maar in de evangeliën bijvoorbeeld is dat niet het geval. De verhaallijn is belangrijker dan chronologie. Een derde punt is feitelijkheid; dat is wat we verwachten van geschiedschrijving. Maar als je historisch onderzoek serieus neemt, komen we bij veel Bijbelverhalen niet uit. En dat kan lastig zijn. Voor gelovigen kan het dan voelen alsof de Bijbelse betrouwbaarheid instort óf dat de historische wetenschap in het verdomhoekje geplaatst wordt. Ook zien we dat de Bijbel in gesprek is met zichzelf. Er zijn meerdere stemmen te vinden, heel duidelijk zie je dat bij de boeken Samuel, Koningen en Kronieken.
Wij zijn gewend om chronologisch te denken
Godservaringen
Deel 3 (vijf hoofdstukken) gaat in op: wat nu als de Bijbel geen geschiedenisboek is? Van Hooijdonk is ervan overtuigd dat het een weerslag is van godservaringen. En die hoeven niet per se in geschiedschrijving uitgedrukt te worden. Mensen gebruiken symbolische taal om die godservaringen uit te drukken: ‘God verschijnt in beelden, die niet letterlijk moeten worden opgevat, maar die in de leefwereld van de mensen betekenis geven aan wie Hij is’ (122). God wordt verbeeld, zegt Van Hooijdonk. En: ‘God manifesteert zich in de Bijbel vooral indirect, via natuurverschijnselen, visioenen, stemmen en boodschappers’ (133).
Uiteindelijk mondt dat uit in het feit dat we het genre van ieder geschrift serieus moeten nemen. Een wetstekst leest heel anders dan een brief, en een visioen anders dan een kroniek. Nu zijn er wel Bijbelboeken die geschiedenisachtig zijn, maar die dienen vooral voor inspiratie (149). Van Hooijdonk stelt dat we in profetieën op directe wijze te maken hebben met godservaringen en in verhalen op indirecte wijze. Ik zou hier willen opmerken dat profetieën ook interpretaties van de profeten zijn, opgeschreven bovendien, dus indirect. Het zou overigens ook nog zo kunnen zijn dat de profetie een literair genre is waar profeten of anderen gebruik van kunnen maken. Van Hooijdonk ‘vergeet’ dat.
Het Nieuwe Testament
In het laatste hoofdstuk gaat Van Hooijdonk eindelijk in op de verhalen rondom Jezus. Van Hooijdonk laat het verhaal grosso modo zien, een soort samenvatting, maar Van Hooijdonk generaliseert (en harmoniseert?) het verhaal van Jezus.
Zo vinden we bij Marcus geen verschijningen van Jezus (tenzij ze 16:9-20 rekent tot het originele einde van Marcus en dat niet als latere toevoeging ziet zoals de meerderheid van de bijbelwetenschappers) en bij Johannes lezen we niet dat Jezus naar de hemel ging. Opvallend is dat Van Hooijdonk maar enkele verschillen tussen de evangeliën laat zien; wat mij betreft past ze de historisch-kritische methode daardoor niet volledig toe op het Nieuwe Testament zoals ze dat wel doet met het Oude Testament. Zo noemt ze bijvoorbeeld de auteur van 1 Timotheüs Paulus, terwijl daaromtrent nogal veel twijfel is (118). Aan het einde van het hoofdstuk concludeert ze:
‘Hoe ziet het verhaal over Jezus eruit ná een alles-echt-gebeurd-geloof (…) Het eerlijke antwoord is voor nu: we weten het niet precies. Grosso modo is het levensverhaal van Jezus bekend, maar de details verschillen en bovendien houdt de historische methode rekening met het feit dat de schrijvers van de evangeliën het verhaal op hun eigen manier hebben ingevuld.’ (197)
Dit klopt in grote lijnen, maar het is ook wat grof geformuleerd. We weten inderdaad niet alles precies, omdat de evangeliën later zijn geschreven en duidelijk gekleurd zijn door geloof en interpretatie. Tegelijk weten we wél een aantal dingen vrij zeker, zoals dat Jezus een Joodse prediker was en gekruisigd is, over andere zaken zoals chronologie en welke woorden Jezus precies heeft gezegd zijn we minder zeker. En de verschillen tussen de evangeliën zijn niet alleen details: er zitten behoorlijke verschillen tussen de evangeliën, de schrijvers hebben hun materiaal actief gevormd om hun eigen boodschap over Jezus over te brengen. Het is dus niet simpelweg ‘invullen’, maar eerder een mix van herinnering, interpretatie en theologie.
Misschien is de ‘historische Jezus’ niet volledig te kennen vanuit deze teksten, maar dat hoeft ook niet. Steeds moet ik daarbij denken aan Kants idee van het Ding an sich: we kennen de ‘historische Jezus’ niet omdat er een ‘naakte’ werkelijkheid achter onze interpretaties zou liggen die we eenvoudigweg nog moeten ontdekken, maar omdat we geen toegang hebben tot een werkelijkheid los van de voorwaarden van ons eigen kenvermogen. Wat wij van Jezus kunnen begrijpen, is altijd al bemiddeld door perspectief, taal en interpretatiekaders, net zoals volgens Kant alle kennis betrekking heeft op verschijnselen zoals die zich aan ons voordoen en niet op het ding-op-zichzelf. In die zin is waarheid niet iets wat achter interpretaties verborgen ligt, maar iets wat zich juist in en door interpretatie aandient. Als we ons blindstaren op de historische juistheid van de bronnen over Jezus, alsof het een ‘naakte’ werkelijkheid is die ontmaskerd kan worden, dan gaan we voorbij aan die subjectiviteit.
Zwart-wit
Als geïnformeerd Bijbellezer blijf ik met vragen zitten. Van Hooijdonk zet sommige kwesties te zwart‑wit neer. Zo stelt zij dat Lucas veertig jaar na Paulus Handelingen schreef (53), terwijl het boek in de wetenschap breder wordt gedateerd (ca. 60-130). Ook duidt zij de profetie van Jezus over de val van Jeruzalem als een anachronisme (46) – een zogenaamd vaticinium ex eventu – terwijl andere Joodse tijdgenoten die verwoesting wél hebben voorspeld. Hetzelfde geldt voor het ‘uit de synagoge werpen’ in Johannes: dat wordt anachronistisch genoemd op basis van een datering die juist mede op die passage rust – een cirkelredenering. Dat is haar niet uniek aan te rekenen, maar het benadrukt wel de zwart-witte presentatie.
Als geïnformeerd Bijbellezer blijf ik met vragen zitten
God als vader
Elders wordt besproken hoe God wordt uitgebeeld in symbolische taal, een waardevolle discussie en tegelijk lastig. Namelijk: volgens de evangeliën spreekt Jezus over God als Zijn Vader – zoals meer Joden deden in Zijn tijd. Van Hooijdonk bekritiseert het geloof dat God iets met de verwekking van Jezus te maken heeft gehad, dat God de biologische vader van Jezus is geweest: ‘Het gaat om het idee. Het gaat erom dat de lezer begrijpt hoe God is. Niet alleen voor Jezus, maar voor alle mensen. Iedereen die weet hoe een goede vader met zijn kinderen omgaat, weet wat je van God kunt verwachten’ (121). Het is geen ‘historische taal’. Maar daar verwart Van Hooijdonk historische met biologische taal.
Er is inderdaad geen biologische taal, maar we vinden wel taal over de oorsprong van Jezus. In het Johannesevangelie is Gods vaderschap geen algemeen beeld dat mensen herkennen vanuit hun eigen ervaring, maar een term die Johannes gebruikt om Jezus’ unieke verhouding tot God te typeren. Jezus spreekt over ‘mijn Vader’ op een manier die hem met God vereenzelvigt (Joh. 5:18; 10:30), wat juist aanleiding geeft tot conflict. Hoewel gelovigen ‘kinderen van God’ worden genoemd (Joh. 1:12), gebeurt dit alleen via Jezus. Bij Johannes leer je wie God als Vader is dus niet vanuit een algemeen vaderbeeld, maar doordat de Zoon God openbaart (Joh. 1:18).
Natuurlijk is dat theologische taal, zoals Van Hooijdonk zou tegenwerpen, maar het punt is dat er wel degelijk iets wordt gezegd over de ontologische relatie tussen Vader en Zoon. Of we dat moeten geloven en hoe we ons dat voor moeten stellen, ook met conceptie enzovoort, is een tweede.
Voor wie geschreven?
Wat mij blijft bezighouden is de vraag voor wie Van Hooijdonk dit boek heeft geschreven. Voor lezers die serieus Bijbellezen willen verbinden met stevige historische wetenschap lijkt het ongeschikt. Wie worstelt met vragen rond historiciteit, is niet geholpen met zo’n ‘vol op het orgel’-benadering; dat proces vraagt meer tijd en nuance dan dit boek biedt, en pastoraal gezien is het twijfelachtig of de boodschap van Van Hooijdonk zo überhaupt landt. Helpt het de zoeker echt? Voor de theoloog voegt het daarentegen weinig toe: die kent deze discussies doorgaans al en heeft een eigen manier ontwikkeld om om te gaan met de niet‑moderne geschiedschrijving van veel Bijbelse teksten.

Dr. Ruben van Wingerden is specialist exegese & vertalen bij het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap en docent Bijbelwetenschappen aan de Christelijke Hogeschool Ede.
Bestel nu Is de Bijbel echt gebeurd?
In Is de Bijbel echt gebeurd? laat theoloog en historica Jirska van Hooijdonk zien dat de Bijbel niet bedoeld is om volledig letterlijk te nemen. De verhalen en mythes die we erin vinden laten zien dat de bijbelse werkelijkheid veel meer lagen kent dan alleen de historische. God wordt daarin vooral verbeeld en als verhaal verteld. Jirska van Hooijdonk laat vervolgens zien hoe je ook ná een alles-echt-gebeurd-geloof aangehaakt kan blijven bij deze werkelijkheid. Een intrigerend boek dat uitnodigt om ruimte te maken voor de historische wetenschap en voor de geloofservaring in het hier-en-nu.
Schrijf je in voor de nieuwsbrief
Wil je op de hoogte blijven van Theologie.nl? Schrijf je dan in voor onze wekelijkse nieuwsbrief. Daarin selecteren we de mooiste, nieuwste en scherpste artikelen van de week. Ook houden we je op de hoogte van nieuwe boeken, speciale events en De theologie podcast.
Word lid van Theologie.nl
Wil je meer artikelen kunnen lezen over boeken, levensvragen, maatschappelijke thema’s en spiritualiteit? Word dan lid van Theologie.nl en sluit een basisabonnement af vanaf €5,83 per maand.
