Menu

Basis

Sjema

Deuteronomium 6:4 in het Hebreeuws

In het boek Deuteronomium is de hoogste joodse geloofsbelijdenis te vinden: “Hoor, Israël, de Heer onze God, de Heer is één!’, in het Hebreeuws uitgesproken als ‘Sjema Jisraël, Adonai Elohénoe, Adonai echád’ (Deuteronomium 6:4). Zonder dit vers, dat naar het eerste woord bekendstaat als het sjema, is het hele joodse monotheïsme ondenkbaar. Dit vers ‘leeft’ als geen ander. De gelovige staat ermee op en gaat ermee naar bed. Met dit vers op de lippen blaast hij ook de laatste adem uit. Het is dan ook niet voor niets dat juist deze tekst als een soort vademecum te vinden is in de mezoeza en de tefilien.

Nu zien we in de handschriften bij dit vers iets opvallends: bij lezing van rechts naar links blijkt de laatste letter van het eerste woord (vooral sinds de middeleeuwen) altijd extra dik en groot geschreven te worden, en de laatste letter van het laatste woord eveneens. En dit gegeven beperkt zich niet tot de handschriften; ook in de gedrukte versies van de Hebreeuwse bijbel zien we dat deze letters altijd groter en vetgedrukt zijn. De illustratie toont de bovenste regel het handschrift en de onderste regel van hetzelfde vers in de gedrukte versie, waarbij de letters waarom het gaat, gemarkeerd zijn.

Deze grotere letters zijn bepaald geen toeval. Wie de tekst leest, moet zich namelijk terdege bewust zijn van wat hij precies leest, juist omdat dit kernvers ook verkeerd gelezen en gehoord zou kunnen worden. In plaats van in het Hebreeuws te lezen: ‘Hoor, Israël, de Heer onze God, de Heer is één!’ is het mogelijk hetzelfde vers in het Aramees te lezen als: ‘Misschien, Israël, is de Heer onze God een andere god!’ De eerste vette letter kan op klank namelijk gemakkelijk verwisseld worden (van ajin naar alef), waardoor ‘hoor’ opeens ‘misschien’ wordt. En de laatste vette letter kan op vorm gemakkelijk verwisseld worden (van dalet naar reesj), waardoor het woord ‘één’ opeens ‘een andere’ wordt. Dat mag natuurlijk niet en nooit gebeuren. En het gebeurt dus ook niet, doordat de twee vette letters ieder misverstand uitsluiten.

Het verschijnsel van vette letters komt overigens vaker voor in de Hebreeuwse bijbel, maar nergens zo inhoudelijk als hier. In andere gevallen gaat het om de eerste letter van het hele boek (Genesis 1:1), de middelste letter van de Tora (Leviticus 11:42), het middelste vers van de Tora (Leviticus 13:33) of een passage (Prediker 12:13).

Tot slot blijken de woorden van het sjema niet slechts een mededeling, maar een program. De mens die ze uitspreekt, zal in heel zijn doen en laten ook zelf getuige zijn van Gods eenheid. Tekenend is dan ook nog dat de twee uitvergrote letters samen het woord éd (getuige) vormen.

Met dank aan dr. Wim Delsman voor de nabijbelse gegevens.

Gerard van Broekhuizen is theoloog en kunstenaar. Hij is sinds het begin van Schrift betrokken geweest als redactielid, beeldredacteur en auteur.

Eerder gepubliceerd in Schrift 279 (2015), 180


Alle goeds van Gerard

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken