Ga mee!
Tegen mij heeft nog niemand ooit kortweg ‘Ga’, gezegd, zonder enige context, boodschap of opdracht. ‘Hoepel op’ hoor ik weleens, of ‘Ga effe naar de Aldi’, maar ‘Ga’, en dat je dan niet weet wat je moet doen, nog nooit.
Tegen mij heeft nog niemand ooit kortweg ‘Ga’, gezegd, zonder enige context, boodschap of opdracht. ‘Hoepel op’ hoor ik weleens, of ‘Ga effe naar de Aldi’, maar ‘Ga’, en dat je dan niet weet wat je moet doen, nog nooit.
De zon heeft vermoedelijk tienduizenden jaren een goddelijke status genoten, tot een bijbelauteur haar door God zelf als een licht aan het uitspansel deed bevestigen. Vanaf dat vernederende moment heeft de tot hemellichaam teruggebrachte godheid een sterk wisselende carrière gehad. Eerst een lange poos als ordinaire lamp annex tijdwijzer, toen eeuwenlang gepromoveerd tot centrum van het universum en met haar warmte de bron van al het leven, en ten slotte een diepe val gemaakt als zomaar een ster tussen ontelbare sterren. En die warmte van de zon is óók niet meer zo gezien, door het broeikaseffect.
De meest sacrale momenten in mijn leven zijn wanneer ik de liefde bedrijf met mijn vrouw. Ik zeg het maar gewoon zoals het is, zonder nader in details te treden, want er lezen kinderen mee, weet ik. Ook het aansteken van een kaars op de geboorteen sterfdagen van mijn ouders hoort bij mijn sacrale momenten evenals de keren dat ik aan het eind van een kerkdienst de zegen mag ontvangen.
Om een beetje mee te tellen dezer dagen moet je, zeker als geprivilegieerde witte oude man, beschikken over een slavernijverleden. Dan kun je tenminste meepraten over de plaatsvervangende schuldgevoelens waar je mee worstelt.
Bij ‘op verhaal komen’ stel ik me een treinreizigster voor die, terwijl de trein zich in beweging zet, hijgend en puffend, gehuld in een tentvormige regencape, de coupé binnenvalt en tegenover me neerploft. Ik ben nog van de generatie die geen last heeft van medereizigersvrees, dus ik zorg altijd dat die plaats vrij is, in plaats van die preventief vol te stouwen met tassen die ook in het bagagerek passen.
Omdat mijn moeder nogal ongeduldig was bij het afwassen, brak er bij ons thuis regelmatig een bord of kopje. Schoteltjes nooit trouwens, zodat daar altijd een overschot aan was. En omdat mijn vader een zuinig mens was (en zelfs een poos geabonneerd op de ‘Vrekkenkrant’) lijmde hij die scherven weer aan elkaar. Dat was uiteraard ook de chemicus in hem, die met grote interesse de werking van tweecomponentenlijm bestudeerde. Het aangelijmde oortje bleek vaak zelfs steviger vast te zitten dan het origineel.
Het zal vast te maken hebben gehad met mijn gevoel van veiligheid thuis dat ik als kind nooit bang was als het buiten stormde. Sterker nog, ik vond het juist spannend; zeker als het dan ook nog eens onweerde, die disco van de Heer. Naarmate ik ouder werd, kon ik me steeds meer voorstellen bij de gevaren van een storm, zoals omvallende bomen (wat dóén die dingen dan ook in de stad), wegwaaiende dakpannen en rukwinden in het algemeen.
‘Het land wars van betutteling, geen uniform is heilig, een zoon die noemt z’n vader Piet, een fiets staat nergens veilig’ werd liefkozend gezongen over de Nederlandse volksaard, in een tv-reclame voor een bank nota bene. Want o wat is het toch leuk, dat eigenwijze karakter van ons. En toegegeven: als we altijd maar blijven wachten tot het rode licht gedoofd is, zullen we nooit verder komen dan de brave middelmaat. Maar dat is nog geen pleidooi tegen gehoorzaamheid, laat staan voor een antiautoritaire opvoeding waarbij een zoon zijn vader ‘Piet’ noemt.
‘Weet je wat ik nou wel eens zou willen?’ ‘Jazeker, een reisje langs de Rijn op zo’n boot en dan lekker met een glaasje moezelwijn tijdens een zoele avond op het dek zitten. Dat zeg je namelijk al jaren.’ ‘Nee, ik zou willen dat het overal ter wereld vrede en gerechtigheid was.’ ‘O dat is weer eens iets anders. Maar dat willen we allemaal wel, hoor.’