Bijdrage van Wim van Vlastuin over het boek Het experiment van broeder Juniper
Op 4 november 2025 reageerden tijdens een studiedag aan de VU verschillende wetenschappers op Het experiment van broeder Juniper, het nieuwe boek van Gijsbert van den Brink. Hieronder kun je de reactie van Wim van Vlastuin nalezen.
Dank je wel Gijsbert voor dit boek,
– Je hebt een toegankelijk boek geschreven over een complexe materie. Je hebt de bijzondere gave om helder en eenvoudig te schrijven en complexe verhoudingen tot eenvoudige inzichten terug te brengen.
– Je bent ook een eerlijke auteur. Je maakt het jezelf niet gemakkelijk, maar je legt vragen en verlegenheden eerlijk op tafel en je diept het thema van alle kanten uit. Je laat de consequenties zien evenals de verhouding tot het christelijke geloof en de interpretatie van de Bijbel.
– Je bent ook een uitdagende auteur. Daarom heeft het voorbereiden van deze reflectie mij de nodige hoofdbrekens gekost. Daar zeg ik je ook dank voor, want ik word graag uitgedaagd.
– In mijn bijdrage richt ik mij op het zevende hoofdstuk, enerzijds omdat hoofdstuk zeven mij al genoeg stof bezorgde om over door te denken en anderszijds omdat je betoog in het achtste hoofdstuk over de transhumane mens voor mij minder spannend is. Ik kan je betoog eigenlijk wel meemaken. Met jou deel ik de reserve.
– Je oppert in dit hoofdstuk dat het werk van de Geest verbonden kan worden met het begrip broeden. Zoals vogels broeden op eieren (en daarmee nieuw leven voortbrengen) zo zou de Geest zwevend over de wateren (Genesis 1:2) ook leven kunnen wekken uit levenloze materie. Je betrekt het niet alleen op het ontstaan van leven uit dode materie, maar ook op het ontstaan van nieuwe levensvormen. In plaats dat God op onmiddellijke wijze leven en levensvormen voortbrengt, zou het concept van de levendmakende Geest het concept zijn waarmee er emergentie in de natuur plaatsheeft. Als spits van het zevende hoofdstuk formuleer ik als kernvraag: kan emergentie de weg van de Heilige Geest zijn om leven en nieuwe levensvormen te ontwikkelen? Al tastend kom je tot een positief antwoord op deze vraag.
– Ik snap je intentie: Gods voorzienigheid is 100% Gods werk en 100% mensenwerk/natuurlijk/immanent. Als we dit niet zeggen, wordt God een God van de gaten. Waar natuurlijke processen eindigen, begint het werk van God. Hoe meer zicht op natuurlijk proces, hoe minder plaats voor God. Ik deel je intentie om Gods werk en schepselmatige processen niet in concurrentie tegenover elkaar te plaatsen.
– In jouw benadering hoor ik de verwerking van het klassiek christelijke onderscheid tussen eerste en tweede oorzaak. De eerste en de tweede oorzaak vullen elkaar niet aan, ze sluiten elkaar evenmin uit. Beide oorzaken opereren op een verschillend ontologisch level, zodat je kunt zeggen met Jonathan Edwards: โGod doet alles, en wij doen alles.โ
– Je bouwt ook voort op Jaap Klapwijk, Heeft de evolutie een doel? Over schepping en emergente evolutie. Zijn boek roept de vraag op hoe hij de doelgerichtheid van de evolutie kan verantwoorden. Is er empirisch bewijs voor of is het een filosofische speculatie? Omdat jij de pneumatologie inbrengt als eerste oorzaak van de emergente evolutie, kun je zowel de evolutie handhaven als de doelgerichtheid. Terwijl evolutie als zodanig een proces is dat strijdig is met de tweede hoofdwet van dethermodynamica die stelt dat een aan zichzelf overgelaten systeem tot grotere entropie/chaos vervalt, verantwoord jij pneumatologisch dat deze tweede hoofdwet van de thermodynamica niet het laatste woord heeft. De Schepper-Geest weet immers nieuwe wendingen te geven die niet binnen het kader oorzaak-gevolg vallen.
– Ik constateer dat je met de inbreng van de pneumatologie een dimensie inbrengt die alleen voor christen-wetenschappers overtuigingskracht zal hebben. Een materialistische evolutionist zal niets kunnen met deze dimensie.
– Na deze laudatio verwacht je natuurlijk een kritische insteek. Stel je gerust, ik heb een drietal overwegingen waar ik verder over wil doordenken.
1. Definitie van emergentie
Ik begrijp dat emergentie gaat om niet-reduceerbare innovaties en niet-herleidbare niveauverschillen, zodat 1+1 > 2. Of: het geheel is meer dan de som van delen.
Ik begrijp dat er in filosofie en biologie onderscheid wordt gemaakt tussen zwakke en sterke emergentie. Jouw voorbeelden van het kokende water en de ontwikkeling van een kruising naar een rotonde lijken mij voorbeelden van zwakke emergentie te zijn. Is hier echt sprake van een hoger niveau?
Het komt mij voor dat bijvoorbeeld het ontstaan van zout uit Natrium en Chloor al een sterkere vorm van emergentie is. Of een huis dat meer is dan de optelsom van stenen en kozijnen, enz. Of een huwelijk dat meer is dan een optelsom van twee losse individuen. Maar ook deze innovaties zijn beperkt en begrensd.
Dit brengt mij tot de vraag van welke orde emergentie kan zijn: kan alles uit alles emergeren of zijn er wetmatigheden voor emergentie die dan ook tot grenzen van emergentie leiden? Met andere woorden: is er alleen zwakke of ook sterke emergentie?
Herman Dooyeweerd stelde Darwin onder kritiek omdat hij dacht vanuit een platoons essentialisme waarin sprake is van harde grenzen bij de soorten: fysisch, biotisch, vegetatief, sensitief en mentaal. De tijd kan potenties ontsluiten, maar deze potenties zijn wel van meet af opgesloten in het ontwerp. We kunnen hier van alles van vinden, maar zouden we niet van deze VU-filosoof kunnen leren dat emergentie begrensd is? Kan het zijn dat emergentie van het ene totaalconcept naar het andere niet aan de orde is? Kan de intrinsieke activiteit van de Geest ook niet zijn dat Hij/Zij โgewoonโ de bestaande orde in standhoudt en doorademt? Ook als we natuurwetten niet deterministisch opvatten, kunnen we zeggen dat deze een orde in de schepping aangeven. Het is nu juist deze orde die de Geest werkt en bewaart.
De ontwikkeling van de iPhone 15 kun je zien als emergentie van de iPhone 10. Dit vindt plaats in een immanent kader binnen bestaande natuurkundige patronen en wetmatigheden. De emergentie van een Nokia tot een iPhone past hier ook in. Naar mijn besef is hier sprake van zwakke emergentie, maar sterke emergentie lijkt mij veel problematischer, omdat hierbij natuurwetten worden doorbroken. Is de overgang van de ene naar de andere soort, van dode materie naar leven, van dier naar mens niet een overgang van een andere orde?
De kruiwagen die ik op zaterdagmiddag nogal eens tevoorschijn haal heeft een wiel, een vliegtuig heeft ook wielen, maar is een vliegtuig een emergentie van de kruiwagen of hebben we het hier toch over een ander totaalconcept? De totaalstructuur van een vliegtuig is dusdanig anders dan van een kruiwagen, dat ik mij afvraag of hier nog emergentie te zien is.
Ik kan me voorstellen dat filosofen en natuurwetenscheppers deze sterke emergentie metafysisch problematisch vinden, omdat het indruist tegen de idee dat de natuur volledig fysisch causaal gesloten is. Nu geloof ik niet in een fysisch causaal gesloten wereld en ik geloof wel in contingentie, maar ik kan me toch dit probleem wel voorstellen. Natuurwetenschappers zoeken naar toetsbaarheid, naar het inzicht in de structuren van de werkelijkheid, maar dat vervalt bij emergentie. Leidt het concept van emergentie niet tot vaagheid in de natuurwetenschap? Als we alles aan de Heilige Geest toeschrijven wat niet door natuurwetenschappelijke wetmatigheden beschreven kan worden, komen we dan niet uit bij een variant van de god-van-de-gaten? Wat boven de fysica uitstijgt, noemen we Gods werk? Juist als ervan uit willen gaan dat Gods Geest 100% via natuurlijke processen werkt, doet zich hier een probleem voor.
Dan heb ik het nog niet over de vraag naar de geestelijke werkelijkheid. Ik denk aan het transcendentiebesef van de menselijke ziel: wij denken over onze oorsprong en over de zin van ons leven. Wij zijn ontvankelijk voor waarheid, het goede en schoonheid. Er is een ontvankelijkheid voor het heilige en het oneindige. We zijn als persoon in staat tot relatie en verbond. In onze seksualiteit gaat het om de persoon van de ander en niet om dierlijke behoeftebevrediging. Is dit emergentie van een materieel brein? Het is zoโn ander totaalconcept, zoโn andere dimensie van ons bestaan, dat emergentie mij een ongeschikt begrip lijkt.
Wat betekent de zinsnede in Nicea dat God ook de Schepper van de onzichtbare dingen is? Hoe duid je het bestaan van engelen? En als je het bestaan van engelen aanvaardt, is het dan vreemd om dualistisch te denken ten aanzien van de menselijke ziel? Wat mij betreft, is de spirituele leegte die Jonathan Haidt bij onze jongeren ziet een bevestiging dat mensen niet terug te leiden zijn tot fysica, eventueel non-reductieve fysica. Verdient het inzicht van Thomas Nagel geen serieuze overweging, namelijk dat de werkelijkheid ontspringt aan โmindโ in plaats van aan materie?
2. Theologische categorieรซn
Als ik het goed zie, versta je Gods scheppen als een groots evolutionair proces in de tijd waarbij steeds nieuwe sprongen worden gemaakt. Wordt schepping op deze manier niet tot voorzienigheid gereduceerd? Is schepping niet een andere categorie dan voorzienigheid? Van Augustinus leerde ik het onderscheid tussen scheppen en maken. Scheppen gebeurt van buiten de tijd zonder materiaal en zonder gereedschap, terwijl iets maken in de tijd gebeurt met materiaal en gereedschap.
Om opgescherpt te worden, las ik nogmaals het hoofdstuk van John Webster โCreation out of nothingโ.1 Het viel mij op dat hij schepping โ in onderscheid met Gods voorzienigheid โ definieert als een onmiddellijk werk van God dat door het spreken van God tot stand komt en dat ook een โcompleted actโ is. Zonder micro-evolutie uit te sluiten, hoor ik hierin dat schepping leidt tot de vorming van bepaalde basisstructuren en โ vormen. Hoe verhoudt je je hiertoe?
Als je het scheppende werk van de Heilige Geest kunt duiden als emergentie, heb je dan de scheppende Geest nog over? Is het nu niet juist eigen aan het geloof in de schepping dat dit geheimenis niet te duiden valt als wetmatigheden in de natuur? Of anders geformuleerd: we kunnen het onderscheid tussen eerste en tweede oorzaken toepassen op Gods voorzienigheid, maar kunnen we het ook toepassen op de schepping? Is de schepping als zodanig niet een onmiddellijk werk van God dat natuurwetten overstijgt, omdat natuurwetten aan de Schepper te danken zijn?
Het lijkt mij helemaal terecht om zolang mogelijk harmonie te zoeken tussen geloof en wetenschap, mits we aanvaarden dat de geloofsbelijdenis van de Schepper wetenschappelijke kaders en grenzen overstijgt. โDe dingen hebben hun geheimโ, om met de vorige week overleden Van Beukel te zeggen.
Bovendien: als de Geest schept door emergentie moet er sprake zijn van een eindeloze keten van emergenties. Met andere woorden: de evolutie komt nooit ten einde. Leidt dat ook niet tot een tegenstelling met het christelijke scheppingsgeloof? Het komt mij voor dat jij vanuit jouw kritiek op de transhumane mens ook hier kritisch tegenover staat.
Een andere overweging bij de theologische categorieรซn: je past noties van het werk van de Heilige Geest uit de verlossing toe op het werk van de Geest in de schepping. Kun je de categorie van de verlossing toepassen op de schepping? Wordt schepping zo niet รฉรฉn groot verhaal van verlossing en is dat nu juist in de christelijke traditie niet anders verstaan? Christelijke theologie maakt onderscheid tussen enerzijds de schepping van de mens en anderzijds de verlossing van de mens en de schepping. Hiertussen ligt het kwaad van de zonde. Jij wilt blijven uitgaan van een historische zondeval. Hoe verhoudt deze zondeval zich met emergentie door de Geest? In dit verband een exegetische vraag: kun je vanuit Psalm 104.29 zeggen dat de Geest ook doodt? Is de Geest op dezelfde manier bij het kwaad (van de dood) betrokken als bij het levend maken? Wat betekent hier de klassieke notie van permissio?
Verlossing heeft alles te maken met de verzoening van de zonde en de overwinning van het kwaad. Als de geschiedenis een geschiedenis van emergentie wordt, verdwijnt enerzijds het kwaad van het kwade en anderzijds wordt verlossing van de mens tot verbetering van de mens.
Je wilt het onderscheid tussen het universele en soteriologische werk van de Geest doorbreken, maar is dat wel mogelijk? Gaat het onderscheid (van Calvijn) tussen de Geest van de Logos als Schepper en de Geest van de geรฏncarneerde Zoon niet terug op diepe Bijbelse grondstructuren? Bijvoorbeeld het onderscheid tussen kerk en wereld, geloof en ongeloof? De kerk kan een tempel van de Heilige Geest heten waar de Geest inwoont, zodat daar anders over het werk van de Geest gesproken kan worden dan daarbuiten. De overgrote meerderheid van de teksten over de Heilige Geesthebben betrekking op de door Christus verworven Geest, Zijn eschatologische verlossingswerk.
Om het nog meer toe te spitsen: als we geen onderscheid maken tussen het universele werk van Christus en Zijn reddende werk, is Zijn reddende werk dan wel nodig? Waarom zou een universele emergerende werking van de Geest mens en kosmos niet kunnen bevrijden van kwaad en sterfelijkheid?
Het verlossende werk van de Geest komt op uit de mystieke unie met Christus, de gekruisigde en opgestane Zoon van God. Daarom zijn de trekken van kruis en opstanding herkenbaar in de gelovigen. Je verwijst naar Romeinen 7 om te laten zien dat de overwinning van de Geest in het kader van de worsteling staat. Maar is de clash tussen oude en nieuwe aeon niet veel principiรซler, veel definitiever: Gelovigen zijn aan de wereld gekruisigd en de wereld aan hen.2 Om met de Heidelbergse Catechismus te spreken: het gaat om het afsterven van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens. Er is niet alleen een grote beweging van progressie, maar het oude gaat onder het oordeel door. Moeten we het โdonkereโ werk van de Geest niet in dit kader van de overwinning op de zonde plaatsen?3
Omdat Christus en de Geest eschatologisch bepaald zijn, verandert dit ook de richting van emergentie en verlossing. Terwijl emergentie vanuit het heden naar de toekomst is gericht, is de verlossing eschatologisch van aard, zodat de blikrichting vanuit de toekomst naar het heden is: we worden dagelijks jonger. Het betekent ook dat de nieuwe schepping niet gezien kan worden als een emergentie van de schepping, maar als een eschatologische werkelijkheid die op de geschiedenis toekomt en haar in bezit neemt.
3. Het christologische perspectief
De voorgaande twee overwegingen spitsen zich toe naar de kwestie van de onmiddellijkheid. Ik begrijp goed dat je onmiddellijkheid zolang mogelijk buiten je denken wilt houden, maar kunnen we er in de theologie van Gods koninkrijk buiten?
Het soteriologische werk van de Heilige Geest voltrekt zich geheel langs psychologische en fysiologische processen, maar het heeft ook iets onmiddellijks als de Schrift ons spreekt over het wel of niet ontvangen van de Geest.4 De bekering van de drieduizend op de pinksterdag voltrok zich onmiddellijk, evenals de bekering van Paulus.
Je typeert de lichamelijke opstanding van de gelovigen als emergentie evenals de doorbraak van de nieuwe aarde.5 Daarmee is Gods koninkrijk een voltooiing van het evolutieproces. Bewegen we ons dan niet in een geheel andere orde dan het koken van water of de vervanging van een kruising door een rotonde? Vooral de notie dat het nieuwe Jeruzalem uit de hemel neerdaalt, onderstreept mi dat het niet in het verlengde kan liggen van pneumatologische processen in de geschiedenis.
Zo ook de incarnatie. Gods Zoon is in deze wereld gekomen.6 Hij heeft ons vlees en bloed aangenomen. Deze noties onderstrepen een interventie van boven. Het sluit ook aan de woorden in 1 Korinthe 15 dat Jezus de eschatologische Adam is in onderscheid met de eerste Adam als de aardse mens, uit de aarde.7 Dit geldt ook voor Christusโ lichaam: vlees en bloed zullen het koninkrijk van God niet beรซrven.
In de vroege kerk is diep nagedacht over het mysterie van de incarnatie. Men vroeg zich af welke natuur Christus heeft aangenomen toen Hij de menselijke natuur aannam. Men dacht hierover na vanuit de diepe overtuiging dat hetgeen niet was aangenomen, ook niet verlost kon worden. Daarom nam men afstand van Apollinaris. Daarom benadrukte men dat Gods Zoon de ware menselijke natuur had aangenomen. Dit roept de vraag op of we over de ware menselijke natuur kunnen spreken als deze door emergentie in ontwikkeling is.
Als Jezus vanuit het eschaton naar ons toekomt, lijkt het mij voor de hand liggen dat we ook Zijn wonderen in dit licht duiden. Zijn wonderen zijn dus geen emergenties van de natuur, maar eerstelingen van het eschaton. Ze zijn niet contra naturam, ze komen niet van beneden, maar van boven, omdat ze contra peccatum zijn. De wonderen van de Heiland zijn een anticipatie van Zijn rijk.
Vanuit het christologisch perspectief zijn incarnatie en opstanding ingrepen van God die niet uit het bestaande zijn af te leiden. Dat is de relevantie en de actualiteit van het oude debat tussen Arius en Athanasius. Als we bij het schepsel beginnen, komen we nooit bij de Schepper uit. We moeten niet van beneden naar boven denken, maar van boven naar beneden.
En nog een stapje spiritueler: als gelovigen in de unio mystica cum Christo participeren, en zo deel hebben aan het eeuwigheidsleven in de Zoon8, geeft dit dan geen vrijmoedigheid om uit de werkelijkheid van Christus te leven? Ligt hier ook niet een relativering van wetenschap en van het consonantiemodel? Wetenschap is prachtig, maar begrensd. Om met Augustinus te spreken: er is onderscheid tussen sapientia en scientia. Zou het jou, Gijsbert, helpen om vanuit de sapientia over schepping en voorzienigheid, christologie en soteriologie te leven, te spreken en te schrijven in plaats vanuit de scientia naar het geloof toe te bewegen? Juist omdat het geloof het eerste is, en de rede volgt: Fides quaerens intellectum.
Met een schuin oog naar de bekende reclamezin van de belasting sluit ik af: leuker kon ik het niet maken, kritischer evenmin.
Wim van Vlastuin (1963) is een Nederlands theoloog en dominee. Hij is rector van het Hersteld Hervormd Seminarie en hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam en predikant binnen de Hersteld Hervormde Kerk.
- John Webster, โCreation out of nothingโ, in M. Allen and S.R. Swain (eds.), Christian Dogmatics. Reformed Theology for the Church Catholic, 126-147. โฉ๏ธ
- Gal. 6.14. โฉ๏ธ
- Ps. 104.29; Rom. 8.13. โฉ๏ธ
- Hand. 2.38; Rom. 8.9. โฉ๏ธ
- G. van den Brink, Juniper, 222-223. โฉ๏ธ
- SimonโฏJ.โฏGathercole, The Preexistent Son: Recovering the Christologies of Matthew, Mark, and Luke; M.J. Kater, Kom en zie โ Deel I: De plaats en betekenis van de pre-existentie van de Zoon; Kom en zie โ Deel II: De pre-existentie van de Zoon belicht vanuit de existentie van Jezus, de Christus. โฉ๏ธ
- 1 Kor. 15.45-50 โฉ๏ธ
- 2 Kor. 5.17; Joh. 5.24. โฉ๏ธ
Gijsbert van den Brink, Het experiment van broeder Juniper. Opstellen over geloof en wetenschap. Uitgeverij: KokBoekencentrum Uitgevers, Utrecht, 2025. 320 pp. โฌ 29,99. ISBN 9789043542456
