Menu

Premium

Daniël

INLEIDING

I. Overzicht van de inhoud

a. Dit bijbelboek bestaat uit geschiedenissen en gezichten. Het begint met de geschiedenis van Daniëls wegvoering in ballingschap, hst. 1, en eindigt met een gezicht dat uitloopt op de belofte van zijn thuiskomst, hst. 12. Daniël is nog jong wanneer hij met drie vrienden wordt overgebracht van Jeruzalem naar Babel. Ze krijgen aan het hof een opleiding tot bestuursambtenaar. Religie en politiek zijn in deze antieke wereld niet van elkaar te scheiden. Daniël en de zijnen weigeren echter zich in godsdienstig opzicht te laten babyioniseren. Tijdens hun studie in dit centrum van wetenschap en cultuur houden zij vast aan het gebod: ‘Heilig zult gij zijn, want Ik, de HERE, uw God, ben heilig’, Lev. 19:2, 20:26, 21:8. Hoewel zij onder druk gezet worden, blijven ze de mozaïsche spijswetten respecteren. Juist de gehoorzaamheid aan de Tora maakt hen geschikt voor hun toekomstige functie. Bovendien ontvangt Daniël daardoor inzicht in allerlei gezichten en dromen, hst. 1.

b. Nebukadnessar heeft een droom. Hij kan niet vertellen wat hij heeft gezien, nog minder de betekenis ervan verstaan. De geleerden van Babel zijn niet bij machte hem te helpen. Dan wordt Daniël geroepen. Hèm openbaart God de droom en zijn uitleg. Nebukadnessar, de machtigste koning van het O.T., zag de komst van het Koninkrijk van God. Een steen die zonder toedoen van mensenhanden losraakt, verbrijzelt het beeld dat de koninkrijken der aarde symboliseert, hst. 2.

c. Daniëls vrienden belijden in het openbaar hun God als de Koning der koningen, worden daarom in de vurige oven geworpen, maar door God bevrijd als eens Israel uit Egypte, hst. 3.

d. Nebukadnessar wordt om zijn hoogmoed gestraft met waanzin, totdat hij erkent dat de Allerhoogste macht heeft over het koningschap der mensen, hst. 4.

e. Belsassar ziet tijdens een feest een raadselachtige tekst op de wand verschijnen. Geen geleerde die een verklaring kan geven. Weer wordt Daniël ontboden. Hij onthult de betekenis: het koningschap zal Belsassar worden ontnomen omdat hij God niet heeft verheerlijkt, hst. 5.

f. Ook Daniël belijdt in het openbaar zijn God. Hij bidt driemaal op een dag. Iedereen kan dat zien, want hij heeft open vensters naar Jeruzalem. Op dat punt wordt hij gepakt. Koning Darius wordt tegen zijn wil verplicht Daniël in de leeuwenkuil te werpen. God echter bevrijdt hem, hst. 6.

g. In het eerste jaar van Belsassar ontvangt Daniël een gezicht. Nu ziet hij in een visioen de komst van het Koninkrijk van God. Vier grote dieren stijgen op uit de zee. Ondertussen wordt alles in gereedheid gebracht voor het laatste gericht. Dan verschijnt de Zoon des mensen op de wolken des hemels. Van het vierde dier zal één horen uitgroeien tot een geduchte macht. Hij zal de strijd aanbinden tegen de Allerhoogste en de heiligen van de Allerhoogste. De laatste fase van de eindtijd zal een boze tijd zijn, hst. 7.

h. In het derde jaar van Belsassar heeft Daniël opnieuw een gezicht: de ram en de bok. Hoe de ene horen zich verheft tegen de Vorst der vorsten wordt nu verder uitgewerkt, hst. 8.

i. In het eerste jaar van Darius volgt op Daniëls smeekgebed voor zijn volk het derde gezicht: de laatste week. Daarin wordt het beeld van de laatste fase van de eindtijd verder ingekleurd, hst. 9.

j. In het derde jaar van Kores ontvangt Daniël het vierde, laatste, omvangrijkste, ook het meest schokkende gezicht: nog meer bijzonderheden over de strijd tegen de heiligen van de Allerhoogste met als inzet de openbare eredienst. Die strijd neemt kosmische afmetingen aan. Ook onzichtbare machten blijken daarin betrokken te zijn. Maar Daniël zal thuis komen, hst. 10-12.

II. De eenheid van het boek

a. Al bestaat het boek uit geschiedenissen en gezichten -geschiedenissen waarin Daniël wordt ingevoerd in de derde persoon en gezichten waarin Daniël zelf aan het woord is in de eerste persoon -, een globaal overzicht van de inhoud wekt reeds de indruk van een eenheid, zie par. I. Die indruk wordt niet verstoord als we letten op een andere indeling. De oorspronkelijke tekst is namelijk ten dele overgeleverd in het Hebreeuws, l:l-2:4aen 8.T-12:13, ten dele in het Aramees, 2:4b-7:28. Een tussenschrift accentueert in de geschiedenissen de overgang: Aramees, 2:4m. Tussenschriften markeren ook het enige in het Aramees gestelde gezicht, 7:2 en 7:28.

b. Men is vrij algemeen van gedachte dat de droom van Nebukadnessar uit hst. 2 en het visioen van Daniël uit hst. 7 met elkaar samenhangen. Het gaat in beide stukken om de komst van het Koninkrijk van God. Duidelijk is ook de parallel tussen de vier rijken en de vier dieren. Bovendien trof mij nog een ander punt van overeenkomst. Zowel in de droom van Nebukadnessar als in al de vier gezichten van Daniël valt – afgezien van het Koninkrijk van God – het meeste licht op het vierde rijk. Dat is zelfs het geval in het tweede gezicht, dat van de ram en de bok, hst. 8. Met de ram zijn de koningen van de Meden en de Perzen bedoeld en met de harige geitebok de koning van Griekenland, 8:21 v. Zij vertegenwoordigen resp. het tweede en het derde rijk. Het eerste rijk, dat van de Babyloniërs, waarvan nu Belsassar koning is, 8:1, telt al niet meer mee. Toch wordt Daniëls oog het sterkst getroffen door de laatste figuur van hetvierde rijk: een koning, hard van aangezicht en bedreven in listen, 8:23. De conclusie ligt voor de hand: de droom van Nebukadnessar en de vier gezichten van Daniël profeteren elk van de eindtijd waarbij telkens een ander aspect extra wordt belicht. Eenzelfde verschijnsel komen we ook tegen in de Openbaring aan Johannes. Wie zich een duidelijk beeld van het boek Daniël wil vormen, zou ik het volgende willen aanraden. Men neme een groot blad papier en verdeelt dat over zes kolommen. De eerste kolom is bestemd voor Dan. 2, de tweede voor Dan. 7, de derde voor Dan. 8, de vierde voor Dan. 9, de vijfde voor Dan. 10-12 en de zesde voor de verklaring. Dan vult men in elke kolom met een enkel woord in wat over elk van de vier rijken en over het Koninkrijk van God wordt gezegd. Men krijgt dan een even duidelijk als verrassend overzicht of synopse van dit bijbelboek. Aan deze commentaar ligt zo’n tabel ten grondslag, zie p. 567.

c. Misschien ligt hier ook de verklaring voor de tweetaligheid van dit bijbelboek. Meertaligheid kan op zichzelf reeds prediking zijn. We denken daarbij aan het opschrift van het kruis, Joh. 19:20, en vooral ook aan het heilsfeit van Pinksteren: Hoe horen wij hen dan een ieder in onze eigen taal waarin wij geboren zijn, Hand. 2:8. De droom van Nebukadnessar, hst. 2, en het eerste gezicht van Daniël, hst. 7, behoren tot het gedeelte dat in het Aramees geschreven is. Het Aramees is de wereldtaal van die tijd. Men zou kunnen zeggen: deze hoofdstukken zijn een woord voor de wereld. In de eindtijd worden alle mensen geconfronteerd met de komst van het Koninkrijk van God, Hand. 17:30. Daarover wordt in Dan. 2 en 7 gesproken in algemene bewoordingen. Dat gaat iedereen aan en dat moet ook iedereen kunnen verstaan. Het tweede, derde en vierde gezicht van Daniël zijn overgeleverd in het Hebreeuws. Dat is de taal van Israel. De verdere details zijn vooral belangrijk voor het volk van God, vgl. Mar. 13:14-23, met name vs 23. Dan. 8 laat zien: ln het verderf dat de laatste koning aanricht, heeft hij het gemunt op de Vorst der vorsten, 8:25 vgl. met 7: 25. Daarom wordt de komst van het Koninkrijk in dit gezicht als volgt getekend: doch zonder mensenhanden zal hij vernietigd worden, 8:25. Dan. 9 loopt uit op de beschrijving van de laatste week, 9:26v vgl. met 7:25. Nu wordt dan ook over de komst van het Koninkrijk gesproken als de voleinding, 9:27. In Dan. 10-12 gaat het vooral om de verachte, 11:21, zie verder bij 7:8. Hij keert zich tegen het volk van God als cultusgemeenschap, zie verder bij 1:2. De strijd concentreert zich rondom de openbare eredienst, 11:31, 12:11. De dood slaat toe, 12:1. Mi-chaël strijd in de hemel, 10:13; 12:1. Daar is de wederopstanding des vleses. De Uittocht gaat over in de Intocht. Daniël, in zijn jeugd weggevoerd uit Jeruzalem, wordt thuis gehaald. Dan is het Koninkrijk van God gekomen en is het geworden tot een grote berg die de gehele aarde vervult, 2:35. Voor altijd, 2:44; 7:14, 27.

Maar waarom zijn dan de geschiedenissen Dan. 3- het Aramees geschreven? Ook zij bevatten een boodschap voor alle mensen, 3:28v; 4:1; 5:21-23; 6:26-28. Dan. 1 is in het Hebreeuws gesteld: het respecteren van de mozaïsche wetten wordt alleen van de Joden gevraagd. Ook in ballingschap.

III. Het historisch karakter van de geschiedenissen

Vaak wordt het historisch karakter van de geschiedenissen in dit bijbelboek niet hoog aangeslagen. Meestal worden daarbij de volgende punten ter sprake gebracht:

a. van een offensief van Nebukadnessar in het derde jaar van Jojakim, 1:1, is niets bekend.

b. een babylonische koning met de naam Belsassar, 5:1, heeft nooit bestaan.

c. Nabonedus (556-539 v.Chr.) had wel een zoon die Belsassar heette, maar Nebukadnessar (604-562 v.Chr.) niet, 5:2, 11, 18 en 22.

d. in 6:1 en 29 wordt gesuggereerd dat Darius, de Meder (522-486 v.Chr.) voorafgaat aan Kores, de bijbelse naam voor Cyrus (559-525 v.Chr.).

e. de Chaldeeën zijn nu eens’ de aanduiding van een volk, nl. de Babyloniërs, 5:30; 9:1, dan weer van een bepaalde groep geleerden, 2:2, 4, 5, 10; 4:7; 5:7.

f. de proclamatie van Nebukadnessar waarin hij spreekt over zijn waanzin, hst. 4.

Hierbij zijn de volgende kanttekeningen te plaatsen:

a. de schrijver houdt zich in l.T aan de babylonische wijze van dateren waarbij het jaar van de troonsbestijging van een koning niet wordt meegeteld. Wat in Jer. 25:1 het vierde jaar van Jojakim is, is voor hem dus het derde jaar, Dan. 1:1.

b. Nabonedus was permanent afwezig. Hij had zijn handen vol met de oorlogvoering in de Arabische woestijn. Dat bleef zo tot de val van zijn rijk. Sinds 552 v.Chr. liet hij het bestuur van het land over aan zijn zoon Belsassar. Deze resideerde in Babel en werd ook aangesproken als koning.

c. Belsassar wordt de zoon van Nebukadnessar genoemd, niet alleen omdat hij mogelijk een afstammeling is van deze koning (zoon kan in afgeleide zin eveneens kleinzoon, achterkleinzoon of afstammeling betekenen), maar ook zijn tegenpool, zie bij 5:22. Bovendien kan men zeggen dat het gouden hoofd van Nebukadnessar, 2:38, zie ook de samenvatting van 8:1-27, pas definitief gevallen is met de dood van Belsassar, 5:30.

d. Darius, de Meder zou opgevat kunnen worden als de titel van Gubaru (Grieks: Grobryas) die Cyrus bij zijn afwezigheid verving als regent van Babel. Meer voor de hand ligt echter de mogelijkheid het woordje en in 6:29 onder het koningschap van Darius en onder het koningschap van Kores, de Pers op te vatten in de betekenis van en wel of namelijk (zoals in 1:3 het woordje en in het Hebreeuws door de SV is vertaald met te weten). In Babel zou Cyrus dan Darius, de Meder genoemd zijn. Dit kwam meer voor; zo droeg de assyrische koning Tiglatpileser 111 (745-727 v.Chr.) die ook eens Babel veroverd had, 2 Kon. 15:19 en 1 Kron. 5:26 als koning van Babel de naam Pul. ln deze richting wijzen de formuleringen van 6:1 ontving (Kores wés reeds koning van Perzië maar ontving nu ook het koningschap over Babel), 9:1 die koning geworden was over het koninkrijk der Chaldeeën (Darius wäs reeds koning; hij wordt ook de zoon van Ahasveros genoemd; Ahasveros (Grieks: Xerxes) is waarschijnlijk een oude koninklijke titel; zie verder bij Ester 1:1) en de verwisseling van Kores en Darius, de Meder in de vertaling die de Septuaginta van 11:1 geeft.

e. Chaldeeën als aanduiding van de bewoners van het Zee-land (Babylonië) komt voor sinds de tiende eeuw v.Chr. Priesters in de tempels van dit gebied hielden zich bezig met astrologie. Het Chaldeeuws (Babylonisch) werd de voertaal voor astrologen. Zo kon Chaldeeën een synoniem worden voor (priester-)geleerden. Bij de griekse schrijver Herodotus (overleden omstreeks 425) treffen we deze betekenis reeds aan. Hij maakt in III, 155 zelfs onderscheid tussen Babulonioi en Chaldaioi. Zie verder bij 2:11.

f. Nebukadnessars waanzin, 4:28-37, doet medici op grond van de beschreven symptomen denken aan ly-canthropie. Dit is een bepaalde vorm van krankzinnigheid, waarbij de patiënt bevangen is door de waan, dat hij een dier is. Deze ziekte kwam in vroeger tijden vaker voor. We hebben hierover berichten van de kerkvader Eusebius (265-339 n.Chr.). Hij citeert daarbij Abydenus (tweede eeuw v.Chr.) die zich op zijn beurt weer beroept op Megasthenes (300 v.Chr.). En verder van de joodse geschiedschrijver Flavius Josephus (37-100 n.Chr.). Hij noemt als bron Berossos (vierde eeuw v.Chr.). Dit verhaal moet gezien worden tegen zijn historische achtergrond. Voor óns is iemand die ooit psychisch gestoord is geweest op voorhand reeds ongeschikt voor het bekleden van een leidinggevende positie. Voor de mensen toen lag dat volstrekt anders. Wordt iemand genezen van waanzin, dan is dat een teken dat goddelijke krachten in hem werkzaam zijn. Met name het gezag van een koning wordt daardoor juist versterkt. Men denke in dit verband ook aan Antiochus IV. Was hij nu Epifanes (godheid is in hem openbaar) of Epimenes (de waanzinnige)?

IV. Het profetisch karakter van de gezichten

a. Vaak vatten de meer kritisch ingestelde uitieggers de gezichten van Daniël op als geschiedschrijving in de vorm van profetie. Dat deed ook al de heidense filosoof Porphyrius (t 304 n.Chr.). Voor hem was het boek Daniël niets anders dan een vervalsing. Hij zag daarin een sterk argument om tegenover de kerkvaders de waarheid van het christendom te bestrijden.

Men rekent dan de gezichten van Daniël tot de apocalyptische geschriften uit de intertestamentaire periode. De belangrijkste voorbeelden daarvan zijn 1 en 2 Henoch, 2 en 3 Baruch, 4 Ezra en de Testamenten van de Twaalf Patriarchen. Kenmerkend voor deze geschriften is hun pseudepigrafisch karakter: de auteur verbergt zich achter een bekend figuur uit het verleden. In dit geval is Daniël het pseudoniem voor een schrijver uit de tweede eeuw v.Chr. Hij is – zo meent men – slecht op de hoogte van de oudere geschiedenis. Hij heeft wel eens gehoord van Nebukadnessar, Kores en Darius, maar het preciese weet hij er niet van en daarom gooit hij hun namen door elkaar. Hoe dichter hij nu zijn eigen tijd nadert, des te betrouwbaarder wordt zijn berichtgeving, des te uitgebreider zijn informatie. Van de Perzen en Alexander de Grote weet hij nog niet zoveel te vertellen, 11:2-4. Dat wordt anders met de strijd tussen de Ptolemeeën en Seleuciden om het Sieraadland (Kanaän) in de derde en tweede eeuw tot de komst van Antiochus Epifanes (175-164 v.Chr.), 11:5-20. Dan is hij pas goed op dreef, 11:21-45. Men meent ook precies aan te kunnen geven waar de geschiedschrijving ophoudt en de ‘echte’ profetie begint. Dat is het geval in 11:40. Van een gecombineerde aanval van Antiochus IV op Egypte zowel te land als ter zee is het nooit gekomen. Ook heeft hij nimmer zijn hoofdkwartier opgeslagen ergens in de smalle strook tussen Jeruzalem en de kust. Het boek zou dan ontstaan zijn omstreeks 165 v.Chr. De schrijver wil daarmee de mensen aansporen ondanks al de gevaren en vervolgingen waaraan zij nu worden blootgesteld, toch te blijven bij het aloude geloof.

b. De eenheid van het boek Daniël, zie par. II, maakt een late datering uiterst problematisch. Uit het overzicht van par. I blijkt reeds hoe nauw de geschiedenissen en gezichten met elkaar zijn verweven. Dat geldt ook weer van de gezichten onderling. In alle vier valt alle nadruk op het vierde rijk, zie par. II. Men zou haast de vraag kunnen stellen of er juist daarom vier gezichten zijn en het vierde gezicht – het langste – ook het meest uitvoerig stilstaat bij het vierde rijk, 11:5-45. Het metrum van het klaaglied is ook terug te vinden in de opbouw van het boek Klaagliederen.

c. De gezichten bieden minder geschiedenis dan vaak wordt gesuggereerd, zie bij 8:9; 11:2 en 7, 10 en de samenvatting van 12:5-13. De strijd om het heilige land, de heilige stad en het heiligdom zijn bekende themata uit de profetie. Het vorstenhuwelijk als politiek instrument is bepaald geen nieuws onder de zon, evenmin als tempel-roof door koningen in geldnood.

d. De geschiedenissen zijn meer met de gang der gebeurtenissen verbonden dan men vaak bereid is aan te nemen, zie par. III. Het boek wekt de indruk geschreven te zijn in ballingschap met het oog op Jeruzalem, zie par. V. Centraal staat de erkenning van God als de Koning der koningen en de openbare belijdenis van zijn Naam, zie par. VI. De strijd van het geloof wordt echter niet uitgevochten met de wapens in de hand. Daniël staat dichter bij de stilheid en het vertrouwen van Jesaja, 30:15, dan bij het vurige, militante, religieus geladen ijveren uit 1 en 2 Makkabeeën, 1 Makk. 2:26, 54. Immers, wat vastbesloten is, geschiedt, Dan. 11:36. Van deze gezindheid is niets terug te vinden in het optreden van Mattatias en zijn zonen.

e. Het eerste, tweede en derde rijk worden geïdentificeerd. Het zijn Nebukadnessar, 2:38, de koningen van de Meden en de Perzen, 8:20, en de koning van Griekenland, 8:21. Maar wat is het vierde rijk? Wie is de kleine horen, zie bij 7:8? Of – zoals hij tenslotte genoemd wordt – de verachte (SV), 11:21? Nu blijft de verklaring open, want het boek wordt op Gods bevel gesloten, 12:4. Pas in de laatste fase van de eindtijd zal men het weten, de beelden herkennen, de situatie peilen. Met de bedoeling om niet in paniek te raken maar het geloof te bewaren. Het volk dat zijn God kent, zal sterk zijn en daden doen, 11:32. Wat voor daden? Volharden in de dienst des HEREN en in de belijdenis van zijn Naam, hst. 1, 3, 6 en 11.

Het vierde rijk is dus geen weerspiegeling van de geschiedenis van het heilige land in de eerste helft van de tweede eeuw v.Chr. Het is precies omgekeerd: in de gebeurtenissen van die periode beginnen de contouren van het vierde rijk zich al af te tekenen. In het optreden van AntiochusIV herkennen we duidelijk het beeld van de verachte. Dat moet hij zijn! Maar achteraf blijkt dat hij slechts het prototype van de antichrist was. Want steeds meer zal in andere figuren uit de eindtijd hetzelfde gedragspatroon zich gaan aftekenen, de ene keer sterker dan de andere, zie bij 11:21. Steeds meer ook zullen in de gemeente dingen gebeuren die ons doen denken aan de gruwel der verwoesting, opgericht op een plaats waar hij niet behoort, 9:27; 11:31; 12:11; Mar. 13:14. Evenzo vloeien de beelden van de vier dieren uit Dan. 7 samen in het visioen dat Johannes op Patmos zag: het beest uit de zee, Op. 13. Dit is geen geschiedenis-die-zich-herhaalt. Dit is profetiedie-in-vervulling-gaat. Daarom staan ook wij midden in dit gebeuren.

f. Een geschrift dat het volk zou moeten oproepen het juk van een vijandelijk overheerser van zich af te werpen, zou zeker geschreven zijn in de nationaal-religieuze taal van dat volk. Dat is het Hebreeuws en niet het Aramees, de taal waarin 2:4b-7:28 is overgeleverd.

g. Ook het argument van de pseudonimiteit keert zich tegen de ontkenning van het profetisch karakter van de gezichten. Pseudepigrafen verbergen zich achter mannen van naam: Henoch, Baruch, Ezra, Mozes, Adam, Abraham, de twaalf aartsvaders, enz. Maar wat is van Daniël bekend afgezien van het naar hem genoemde boek? Men zou eventueel nog kunnen wijzen op Ez. 14:14, 20 en 28: 3. Hij moet echter zeker niet verward worden met de Da-nel uit de teksten van Ras Sjamra. Welk gezag zou een mythologische figuur uit Ugarit kunnen verlenen aan een joods godsdienstig geschrift? Er is in dit opzicht slechts één parallel te noemen: de Sibyllijnse orakels, maar deze staan aan de uiterste rand van de joodse intertestamen-taire literatuur.

h. Het boek Daniël heeft gezag van zichzelf. Behoort het in de hebreeuwse canon tot de Geschriften, slaat Jezus Sirach, 185 v.Chr., in zijn ‘Lof der vaderen’, 44:1-50:21, Daniël nog over en laat hij op Ezechiël, 48:8v, onmiddellijk de twaalf profeten volgen, 49:10, in onze Bijbel heeft Daniël een plaats gekregen onder de profeten. In het N.T. wordt hij door de Here Jezus ook nadrukkelijk zo genoemd, Mat. 24:15 en Mar. 13:14 (SV) of geciteerd, Joh. 5:29.

i. Er zijn geen doorslaggevende redenen om het profetisch karakter van Daniëls gezichten te ontkennen. Hier wordt de geschiedenis – ónze geschiedenis – geplaatst in het perspectief van de komst van het Koninkrijk van God. Hier is méér aan de orde dan de vraag of mensen van Godswege zicht mogen ontvangen op wat in de toekomst zal gebeuren. Hier opent de profetie voor onze ogen het panorama van de theocratie. God regeert. Zijn Koninkrijk staat vast. Niemand in het O.T. heeft dat zo scherp gezien als Daniël, zelfs Jesaja niet, Jes. 6. Het heeft hem geschokt, verbijsterd, zie bij 7:15, zoals in het N.T. Johannes op Patmos, Op. 1:17. In de Openbaring tekent het panorama van de theocratie zich af in nog duidelijker contouren. Zo leeft het volk van God in ballingschap met het oog op Jeruzalem.

V. Tijd en plaats van ontstaan

De geschiedenissen spreken over Daniël in de hij-vorm, de gezichten en Daniëls reacties daarop in de ik-vorm.

Het boek veronderstelt de situatie van de ballingschap en de problemen waarvoor men dan komt te staan. Kan men dan nog gehoorzaam zijn aan de Tora? God belijden als de Koning der koningen? Een functie bekleden in het openbare leven? Wat heeft men dan nog voor toekomstverwachting?

De plaats van handeling is Babel. Daniël bleef daar tot het eerste jaar van Kores, 539 v.Chr., 1:21. Alleen het gezicht van de ram en de geitebok ontvangt hij in het veel oostelijker gelegen Susan, 8:2. In het derde jaar van Kores bevindt hij zich ergens aan de Tigris. Daar ontvangt hij het vierde gezicht, 10:4 en 12:5-7. Daniël spreekt over de mannen die bij hem waren, 10:7. Zijn deze vertrouwelingen ook geloofsgenoten? Misschien werden in deze kring de gezichten en geschiedenissen met elkaar verbonden, bewaard en overgeleverd. Deze kring geeft dan verder uitvoering aan de opdracht van 12:4. De totstandkoming van het boek zal niet lang na 537 zijn beslag hebben gekregen.

Het gebruik van de aramese taal in 2:4b-7:28 maakt een late datering onwaarschijnlijk, zie par. IVf, het gebruik van griekse woorden maakt een vroege datering niet onmogelijk, zie bij 3:4, het gebruik van het boek als heilige schrift in de gemeenschap van Qumran sluit een late datering zelfs uit. Het optreden van de leraar der gerechtigheid valt immers in 178 v.Chr., Codex van Damascus 1,5 en 10.

VI. De prediking

a. In de voorafgaande paragrafen zijn de hoofdlijnen van de prediking van dit bijbelboek reeds zichtbaar geworden. De literaire benadering van de tekst, de geschiedkundige beoordeling van de inhoud en de vraag naar de strekking van het boek als geheel hangen nauw met elkaar samen. Dat is altijd al het geval, maar zeker bij Daniël.

We hebben inmiddels gezien: dit bijbelboek kondigt de komst aan van het Koninkrijk van God. In dat perspectief wordt nu de wereldgeschiedenis gesteld. Te midden van de worsteling van de grote mogendheden om de wereldheerschappij bevindt zich het volk van God. Dat volk is het teken van Gods heerschappij. Want God is de Allerhoogste, 3:26; 4:2,17,24, 25, 32, 34; 5:18, 21; 7:25, de Vorst der vorsten, 8:25, de God des hemels, 2:37, 44; 4:37. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij en zijn koningschap van geslacht tot geslacht, 4:34. Daniël is het boek van de theocratie voor het volk in ballingschap. In de hebreeuwse Bijbel volgt het op Ester, staat dus vrij achteraan, bijna aan de rand van de canon. Met Ester heeft het de situatie van de ballingschap gemeen, met Groot Kronieken (Ezra, Nehemia en 1 en 2 Kronieken behoren bij elkaar) de gerichtheid op het heiligdom. De komst van het Koninkrijk van God maakt de geschiedenis tot eindtijd. En dat is onze geschiedenis. Daarmee is de actualiteit van dit bijbelboek reeds aangegeven.

b. Leven in de eindtijd wil nog niet zeggen dat het einde onmiddellijk voor de deur staat. Evenals in het boek Ester wisselen versnellende en vertragende elementen elkaar af. Dat verhoogt de spanning, zie bij Ester 5:5 en 5: 9. Het einde is in zicht, de vóleinding, 9:27. Toch is het laatst van de gramschap nog niet aangebroken, 8:19. Hetgezicht van de ram en de bok ziet op een verre toekomst, 8:26. Daarom moet het ook verborgen worden gehouden, 8:26; 12:4. De laatste week moet nog komen, 9:26v. Dezelfde spanning vinden we ook in het Evangelie. De tijd is vervuld en het Koninkrijk van God is nabij gekomen, Mar. 1:14. Maar Jezus zegt óók: Doch wanneer gij hoort van oorlogen en geruchten van oorlogen, weest dan niet verontrust. Dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet, Mar. 13:7. Die dagen, Mar. 13:19, moeten nog komen. Dat maakt het leven in de eindtijd tot een zaak van lange adem. Dat geldt zelfs van de laatste fase. Zullen dat duizend tweehonderd en negentig dagen zijn of misschien duizend driehonderd vijfendertig, zie de samenvatting van 12:5-13? Welzalig hij die blijft verwachten, 12:12; vgl. Mar. 13:37.

c. Het ontvangen van zicht op de toekomst is een gave van God. Hij openbaart ondoorgrondelijke en verborgen dingen, 2:22, 28. Maar Hij doet dat niet buiten het geloof als gehoorzaamheid aan de Tora om, hst. 1. Dat geloof maakt wijs, 1:17. Het maakt ook trouw, hst. 3 en 6. De vurige oven – een incident uit het eerste rijk – en de leeuwenkuil – een incident uit het tweede rijk – geven aan wat het volk van God te wachten staat onder het vierde rijk. Dit zijn slechts incidenten. Nebukadnessar en Darius de Meder erkennen tenslotte Gods opperheerschappij. Maar dat doet de koning van het vierde rijk niet meer. Hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, 7: 25 (het eerste gezicht). Tegen de Vorst der vorsten zal hij optreden, 8:25 (het tweede gezicht). Hij zal komen op een vleugel van gruwelen, 9:27 (het derde gezicht). Hij zal zich verheffen tegen elke god, zelfs tegen de God der goden zal hij ongehoorde woorden spreken, 11:36 (het vierde gezicht).

d. Middelpunt bij de komst van het Koninkrijk van God is de Zoon des mensen, hst. 7. Hij verschijnt – als God -op de wolken des hemels, 7:13. Toch is Hij van God die in dit gezicht de Oude van dagen, vss 9 en 12, wordt genoemd, te onderscheiden. Hem wordt heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, 7:14. De Zoon des mensen is de belichaming van de theocratie. Tegelijkertijd is Hij echter ook de representant van het volk van de heiligen des Allerhoogsten, vss 18, 22, 27. Dit volk zal in dezelfde glorie delen als Hij. De discussie over de vraag of met de figuur van de Zoon des mensen een persoon of een volk bedoeld wordt, heeft weinig zin. De Messias en zijn volk zijn in de eindtijd niet meer van elkaar te scheiden. Zo simpel is dat. Daar kunnen wij ‘t mee doen. Temidden van alle verwarring schenkt deze wetenschap rust. Wij mogen geloven en belijden: deze tijd komen wij door. Zo heeft Daniël een leven lang gestudeerd, gewerkt, getuigd. Tegen alle verwachtingen in een läng leven, 1:21.

VIII. Slotopmerking

Uit de inleiding blijkt, dat er over het boek Daniël veel verschil van mening bestaat, met name over het historisch karakter van de geschiedenissen (par. III) en over het profetisch karakter van de gezichten (par. IV). Bovendien behoren sommige teksten in dit boek tot de moeilijkste van het O.T., zoals 9:24-27; 11:22 en 12:llv. Het past niet in de opzet van deze verklaring de keuzen die men heeft gemaakt te motiveren. Wie hierover vragen heeft zou ik willen verwijzen naar Joyce G. Baldwin, Daniel (In The Tyndale O.T. Commentaries, 1979).

VERKLARING

In ballingschap gehoorzaam aan het Woord van God 1:1-21

Zie Inl., par. Ia. In het derde jaar der regering van Jojakim (1): zie inl. par. Ilia. Nebukadnessar (605-562 v.Chr.) is in macht en aanzien de grootste koning van het O.T., 2:38v; 4:22; 5:18v; 7:4 (de leeuw).Babel… Jeruzalem: staan tegenover elkaar als Babyion en het nieuwe Jeruzalem in Op. 18:lv en 21:2. Jeruzalem wordt in 605 v.Chr. wel in het nauw gebracht maar niet veroverd. De HERE (2) regeert, 5, 21: Hij geeft Jojakim in de macht van Nebukadnessar. Hij staat toe dat Nebukadnessar een deel van het tempelgera’ overbrengt naar Sinear – de bijbelse naam voor Babylonië, Gen. 10:10 – en plaatst in de tempel van zijn god, waarschijnlijk Marduk. Met dat tempelgerei kan men maar niet doen wat men wil, evenmin als destijds met de ark in het land van de Filistijnen, 1 Sam. 5 en 6: zie Dan. 5:3v. Dit incident is ook een signaal: in de eindtijd komt de openbare eredienst in het gedrang. Hier laat zich een zekere samenhang vermoeden tussen het eerste hst. en het laatste gezicht. Ook daarin presenteert het boek zich als een eenheid, zie inl. par. II. Chaldeeën (4): óf aanduiding van een volk óf aanduiding van een groep priestergeleerden, zie inl. par. Ille; van de keuze die men hier maakt hangt af of de geschriften, SV: de boeken, meer in algemene zin opgevat moet worden of als ‘vakliteratuur’ voor astrologen; vgl. daarbij vs 17; 7:10; 9:2; 12:1, 4. De volledige babylonisering van de studenten omvat niet alleen de overschakeling op een ander menu (5) maar vereist ook de verandering van hun namen (7). Daniël (letterlijk: God verschaft mij recht, zie bij 7:22; verder Ps. 43:1) zal voortaan Beltesassar (letterlijk: (Bel) beschermt het leven van de koning; 4:8) heten, Chananja (de HERE is genadig) wordt veranderd in Sa-drak (betekenis onduidelijk), Misael (wie is als God?) in Mesak (betekenis onduidelijk) en Azarja (de HERE helpt) in Abednego (dienaar van Nebo; de naam Nebo komt ook voor in Nebukadnessar). Voor God en zijn volk houdt Daniël – evenals zijn vrienden – vast aan zijn oude naam, 1:19; 2:26. Breekpunt wordt echter niet de verandering van naam maar de verandering van menu. Eten en drinken zijn de eerste levensvoorwaarden. Door zich te houden aan de mozaïsche spijswetten belijden zij hun afhankelijkheid van God. Vgl. hierbij vooral ook Gen. 2:17! Daniël wil zich niet verontreinigen (8): binnen de invloedssfeer komen van de macht der afgoden, zie 1 Kor. 8. Hij is hier duidelijk de leidende figuur. Toen schonk God (9): God is voor Daniël in ballingschap de gévende God, zie ook vs 17. De kamerdienaar (6) neemt zelf de verantwoordelijkheid. Daniël blijft ror het eerstejaar van Kores (21): 539 v.Chr. Koningen komen en gaan. Daniël blijft. De profetie blijft. Want het Koninkrijk van God kómt, hst. 2.

Nebukadnessar ziet in een droom de komst van het Koninkrijk van God 2:1-49

Zie inl., par. Ib.In het tweede jaar nu der regering van Nebukadnessar (): 603 v.Chr. In een droom wordt hem de komst van het Koninkrijk van God aangekondigd. Zijn rijk moet daarvoor plaats maken. Daarom is zijn geest verontrust en is het met zijn slaap gedaan. Hij ontbiedt de geleerden, de bezweerders, de tovenaars en de Chaldeeën (2): een dergelijke reeks met elkaar samenhangende woorden is een stijlfiguur om aan te geven dat iets of iemand imponeert, 3:2, 3, 5 en wordt verder gebruikt bij de titulatuur van koningen en – in de liturgie -voor de lofprijzing van God. De Chaldeeën: zie inl. par. Hie. Ik heb een droom gehad, en mijn geest is verontrust, zodat ik die droom wil verstaan (3): een herhaling van de woorden van vs 1, maar nu in de ik-vorm. Dat verhoogt de spanning. (Aramees) (4): zie inl. par. lie O koning, leef in eeuwigheid: de gebruikelijke manier om een koning aan te spreken, 3:9; 5:10; 6:7, 22; 1 Kon. 1: 31; Neh. 2:3. Als de koning de droom niet kan zeggen, kunnen zijn dienaren hem niet uitleggen. Het is een vi-cieuse cirkel die noch de koning noch de geleerden kunnen doorbreken. Het besluit staat bij mij vast (5): Toch komt het niet tot uitvoering. Nebukadnessar is een mens en geen God, Ps. 9:21. Alleen van God kan gezegd worden ‘wat vast besloten is, geschiedt’, 11:36. De geleerden kunnen niet anders dan herhalen (7) wat reeds gezegd is. Dat irriteert de koning. Hij draait de duimschroeven nog meer aan (8). Nu moet het hoge woord bij de geleerden eruit: geen méns vermag dit raadsel te ontwarren. Dit is een zaak van de goden (11). Zij wonen echter niet bij stervelingen. Er is geen communicatie. Daarom krijgt de koning geen antwoord op zijn vraag. Een opmerkelijke uitspraak’. De Chaldeeën kennen niet het kwalitatief onderscheid tussen Schepper en schepsel dat karakteristiek is voor het geloof van Israel. Hun wetenschap baseren zij op de verborgen samenhang tussen de wereld der goden en de wereld der mensen. Nu faalt dit principe.

Ook Daniël en zijn vrienden lopen gevaar (13). Zijn wijsheid helpt hem de juiste toon te vinden als hij contact opneemt met Arjok (een oud, sumerisch woord voor godsgeschenk; zie ook Gen. 14.T), de overste van de koninklijke lijfwacht (14). Deze man is belast met de opdracht om alle geleerden te doden. Daniël heeft zich inmiddels zo’n positie verworven aan het hof, dat hij zonder al te grote risico’s deze vertrouwensman van de koning weet te benaderen om te informeren naar de achtergrond van Nebukadnessars besluit (15). Ook tot de koning heeft hij toegang (16). Hij krijgt het uitstel dat de wijzen van Ba-bel werd geweigerd. De koning schenkt hem zijn vertrouwen. Daniël vraagt zijn vrienden om een bidstond te houden (18). Hier zijn al de open vensters naar Jeruzalem, 6:11. God des hemels: God in zijn overmacht over de koningen der aarde, Neh. 2:20, vgl. Ps. 2:4 met Ps. 2: 2; in het boek Daniël toegespitst op de eindtijd, zie 2:19, 37. Deze verborgenheid: de komst van het Koninkrijk van God; het hier gebruikte woord raz, vss 19, 27-30, vindt men ook vaak in de Dode-Zeerollen.

In een nachtgezicht (19): 7:7, 13; Job 4:12v; 33:15; Jes. 29:7; Zach. 1:7-6:8, openbaart God aan Daniël de inhoud en betekenis van Nebukadnessars droom. Wij krijgen daarvan pas te horen in het vervolg van het verhaal. De verteller blijft ons boeien. De compositie van zijn verhaal is fraai. Nu eerst de lofprijzing (20). Daarmee wordt de vlag van het Koninkrijk van God geplant in deze wereld. Zoals een koning beschikt over zijn onderdanen: hij verhoogt wie hij wil en hij vernedert wie hij wil, 5:19, zo beschikt de God des hemels over de koningen der aarde (21). Toch is er een principieel onderscheid. Verandert God tijden en stonden, di. grijpt Hij krachtdadig in het wereldgebeuren in, dan is dat geen pure willekeur. Hij trekt de lijnen die Hij in het verleden heeft uitgezet door naar de toekomst. Zijn plan staat reeds van eeuwigheid vast: Hij weet wat in het duister is en het licht woont bij Hem (22), zie ook vs 20. Voor Daniël is Hij de God mijner vaderen (23). De komst van Gods koninkrijk ligt verankerd in zijn eens gegeven beloften. De God des hemels is de God van het verbond.

Opnieuw neemt Daniël contact op met Arjok (24). Zijn optreden kenmerkt zich door vastberadenheid. De componenten daarvan zijn de wijsheid en de kracht die God hem verleent, vs 23. Arjok heeft in Daniël vertrouwen. Op zijn verzoek worden de wijzen van Babel niet ter dood gebracht (24) en mag Daniël tot de koning gaan (25). Op Nebukadnessars vraag of hij wel in staat is de droom en zijn uitlegging bekend te maken (26), antwoordt Daniël ontkennend (27). Geen enkele geleerde beschikt over deze kennis. Daarmee geeft Daniël geen algemene regel. Vaak kunnen dromen wel verklaard worden. Maar in dit geval ligt het anders. Deze droom is van God. Hier openbaart Hij verborgenheden. Ze hebben betrekking op de komst van Zijn Koninkrijk. Daar kan een sterveling, hoe geleerd ook, uit zichzelf niet bij, zie Joh. 18:37; 1 Kor. 2:14. Wat in de toekomende dagen geschieden zal (28) wordt blijkens het tekstverband gesteld in het perspectief van de komst van het Koninkrijk van God, vss 34v, 44v. Het beeld dat Nebukadnessar zag in zijn droom was hoog, even fascinerend als schrikaanjagend, een afgodsbeeld gelijk (31). Zonder toedoen van mensenhanden (34): dit is Góds hand, zie ook 5:5. Het thema ven een beeld dat valt voor Gods aangezicht vinden we ook in 1 Sam. 5:1-5; zie verder bij 1:2.

Na de beschrijving van het beeld volgt de uitlegging (36). Het beeld stelt vier elkaar opvolgende rijken voor. Het eerste rijk wordt geïdentificeerd: het is het babylonische (38). De identificatie van het tweede en derde rijk komt pas in het gezicht van de ram en de bok, 8:20v. Het zijn resp. het Perzische Rijk en het rijk van Alexander de Grote. Voor de profetie zijn ze echter al verleden tijd. Actueel is het vierde rijk. Dat omvat de laatste fase van de eindtijd. Als – eerste – kenmerken worden genoemd het vorstenhuwelijk als een politiek instrument en een permanente oorlogstoestand (43). Bij stukjes en beetjes wordt de waarheid onthuld. Daarin zit een pastoraal element, zie Joh. 16:12. In7:19-25; 8:22-26; 9:26v en 11:445 wordt dit beeld uitgewerkt en aangevuld, zie inl. par. II.In de dagen van die koningen (44), nl. van het vierde rijk, zal de God des hemels, zie bij vs 18, een koninkrijk oprichten dat in eeuwigheid niet te gronde zal gaan. Watdit koninkrijk inhoudt zal eveneens in het vervolg van dit boek steeds duidelijker worden getekend: 7:13v, 27; 8: 25; 9:27; 12:2v. Door zich neer te werpen voor Daniël, hem te aanbidden en reukwerk aan hem op te dragen (46) erkent Nebukadnessar Daniël als dienaar van God en accepteert hij zijn uitleg. Hij zegt dat ook met zoveel woorden (47). Welke waarde moeten wij daaraan toekennen? In hst. 3 wil hij dat iedereen – ook Daniëls vrienden -zich ter aarde zullen werpen voor het beeld dat zijn eigen koninkrijk symboliseert, 3:5, 7, 10, 12, 14. Hij bevordert Daniël tot heerser over het gehele gewest Babel en tot opperhoofd over alle wijzen van Babel (48). Bij zijn promotie vergeet Daniël zijn vrienden niet (49). Ook iets om even bij stil te staan.

Daniëls vrienden in de vurige oven 3:1-30

Zie inl. par. 1c. Koning Nebukadnessar (1): wordt direct aan het begin van dit hst. genoemd met zijn officiële titel, zie 4:1. Deze formulering wordt telkens herhaald, vss 2 (2x), 3, 5, 9 en 24. Dat gebeurt ook met andere woorden en reeksen van woorden. Dit herhalen is als stijlfiguur een middel om iets te onderstrepen, zie bij 2:2. Door de suggestieve, meesterlijke manier van vertellen zien we in gedachten het beeld verrijzen dat ‘Nebukadnessar, de koning’ voor zichzelf ‘opricht’. Dit beeld begint te wankelen op het moment dat hij uitbarst in toorn. Dan is het gewoon ‘Nebukadnessar’ en niet meer ‘Nebukadnessar, de koning’, vss 13 en 19. Een bemoediging voor de kerk in verdrukking. Vervolging en terreur zijn symptomen die juist wijzen op de ondergang van de anti-goddelijke machten. Het is ook gewoon ‘Nebukadnessar’ in vs 26, dan valt het beeld, en in vs 28, wanneer tenslotte God wordt geprezen, omdat Hij alleen bevrijdt. Een gouden beeld, waarvan de hoogte zestig ellen en de breedte zes ellen bedroeg: gelet op de verhouding van hoogte en breedte (10:1) is hier niet te denken aan een standbeeld maar aan een obelisk, waarschijnlijk opgetrokken van hout en afgedekt met gouden platen. Een el is ongeveer . Hij stelde het op: SV: ‘richtte het op’. Dit geeft beter het provocerend karakter van Nebukadnessars optreden aan. Hij wil geëerd worden als Gód. Ook dit woord wordt steeds herhaald, vss 2, 3, 5, 7, 12, 14 en 18.Dura: meerdere plaatsnamen in het babylonisch beginnen met Dura-, letterlijk ‘omringd door een wal’, hier wellicht een voorstad van Babel.De stadhouders… (2): de lange stoet hoogwaardigheidsbekleders, die tweemaal aan ons oog voorbijtrekt, zie ook vs 3, accentueert Nebukadnessars macht en majesteit. In vs 27, als het beeld figuurlijk gesproken gevallen is, is ook de reeks gehalveerd. Inwijding (3): hetzelfde woord wordt in Ezra 6:16 en 17 gebruikt voor de inwijding van de na de ballingschap herbouwde tempel; zie ook verder Ezra 6:13-22; beide verhalen zijn met elkaar te vergelijken: de verering van het beeld staat tegenover de openbare eredienst van het heiligdom te Jeruzalem; zie verder Dan. 8: 13 en 11:31. Gij volken, natiën en talen (4): zie vs 7 en 29. De herhaling onderstreept de massaliteit en de totaliteit. Zie verder Dan. 4:1; 5:19; 6:26; 7:14 en Op. 5:9; 7:9; 10: 11; 11:9; 14:4; 17:15. Hoorn…: de veelheid van muziekinstrumenten geeft aan hoe imponerend wel het geluid geweest moet zijn; bovendien ook hier weer de herhaling, vss 7, 10 en 15. De griekse namen in deze reeks (citer en harp, gr. psalterion) zijn geen argumenten voor een late datering van dit bijbelboek maar een aanwijzing voor vroege griekse invloed in Mesopotamië, met name in cultureel opzicht; zie inl. par. V. Anders dan bv. in Ps. 150 vinden we hier uitsluitend strijk- en blaasinstrumenten, geen slagwerk. Ook dat is typisch grieks, zie inl. par. V. Zult gij u ter aarde werpen en het gouden beeld aanbidden: herhaald, soms met andere woorden, in vss 5, 6, 7,10, 11, 12, 14,15, 18 en 28; zie Op. 13:14-18. Het’zich ter aarde werpen’ vormt een schrille tegenstelling met het ‘oprichten’ van het beeld door Nebukadnessar; ook met 2:47, zie aldaar. Dit verhaal wordt in de eindtijd opnieuw geactualiseerd: wij staan of komen voor soortgelijke beslissingen te staan. De brandende vuuroven (6): toch wel speciaal voor deze gelegenheid gebouwde crematorium-oven met een opening aan de onderkant om het vuur op te stoken en een opening van boven waardoor de ter dood veroordeelden in de vlammenzee werden geworpen, zie Jer. 29:22, vgl. ook Mat. 13:42. Het verblijf van Israel in Egypte wordt vaak vergeleken met een ijzeroven, 1 Kon. 8:51; Jes. 48:10; Jer. 11:4; Ez. 22: 18, 20 en 22. Het exodus-motief keert ook in dit verhaal terug: God ‘bevrijdt’, zie bij vs 15 en de samenvatting van 10:1-11:1 zodra (7): de grote massa is in de ban van het gebeuren en reageert daarom onmiddellijk. Een beangstigend verschijnsel. Chaldeeuwse mannen (8): in Dan. 2 zijn met ‘de Chaldeeën’ een bepaalde groep geleerden bedoeld. Het is de vraag of dat hier ook het geval is. De ‘Chaldeeuwse mannen’ vormen duidelijk een tegenstelling met de Judeeërs, zie ook vs 12. Misschien is het zo, dat deze geleerden in meerderheid tot de oorspronkelijke bevolking van de hoofdstad en het ‘gewest Babel’ behoorden. Zij hadden alle reden om zich gepasseerd te voelen, zie Dan. 2:48 en 49. Bevrijden (15): SV: ‘verlossen’. Dit kernwoord uit het verhaal van Israels uittocht uit Egypte wordt herhaald in vs 17 (2 x), 28; zie verder 6:15, 17, 21, en 28. Zowel aan het slot van Dan. 3 (vs 29) als van Dan. 6 (vs 28) wordt het woord ‘bevrijden’ verbonden met ‘redden’. SV en NBG vertalen echter de werkwoordstam n-ts- Dan. 3:29 niet met ‘redden’ maar met ‘verlossen’. Wij achten het niet nodig u hierop enig antwoord te geven… (16:18): een apologie: ze verdedigen niet zichzelf maar het geloof. Vrij wandelen (25): de touwen waarmee zij gebonden waren, vs 21, zijn van hen afgevallen. Het uiterlijk van de vierde gelijkt op dat van een zoon der goden: men heeft hier wel eens gedacht aan de Zoon van God. maar Hij is in dit bijbelboek ‘de Zoon des mensen’, Dan. 7:13. Daarom ligt het meer voor de hand te denken aan een engel. Zie Ps. 91:11. Zij zagen (27): de autoriteiten, opgeroepen om Nebukadnessar goddelijke eer te bewijzen, moeten nu vaststellen, dat er Eén is, machtiger dan hij: de allerhoogste God (26). Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abed-Nego… (28-29): voor een goed verstaan van deze lofprijzing is niet de vraag van belang of Nebukadnessar zich al dan niet oprecht bekeerd heeft tot God. Wel van betekenis is de erkènning van de God van Sadrach, Mesach en Abed-Nego, di. de God der Judeeërs, als God. Die erkenning is nog maar heel voorlopig. Dit thema komt in hst. 4 en 5 aan de orde. Bovendien mag de Judeeërs in de uitoefening van hun geloofspraktijk, Dan. 1:8, geenstrobreed in de weg gelegd worden, vs 29. God bevrijdt zijn volk uit de vurige oven van de diaspora. Bijzondere gunst (30): Nebukadnessar versterkt de positie van Sadrach, Mesach en Abed-Nego als bestuurders van het gewest Babel.

Nebukadnessars proclamatie: De erkenning van Gods heerschappij heeft mij van mijn waanzin gered 4:1-37

Zie inl. par. Id. Voor de kritiek op de historiciteit van dit bijbelgedeelte zie men inl. par Ulf. Koning Nebukadnessar (1): zie bij 3:1; men lette ook hier op de wisseling van ‘koning Nebukadnessar’ en ‘Nebukadnessar’: het is ‘koning Nebukadnessar’ in de aanhef van de proclamatie, vs 1, als tegenstelling tot Beltesassar, vs 18, op het toppunt van zijn macht, vs 28, als hij van Godswege wordt aangesproken op zijn hoogmoed, vs 31; het is gewoon ‘Nebukadnessar’ als hij in zijn droom de val ziet van zijn koninkrijksboom, vs 4; als hij zich opeens begint te gedragen als een dier, vs 33; als hij zijn ogen opslaat naar de hemel, vs 34; als hij de Koning des hemels prijst, vs 37, met denke bij dit laatste vs aan David in zijn eenvoud dansend voor de ark des HEREN, 2 Sam. 6:14, 20-22. De tekenen (2): hier zouden we vooral kunnen denken aan de val van de koninkrijksboom en bij de wonderen aan zijn herstel in het koningschap, zie inl. par. Ulf.De geleerden… (7): zie bij 2:2. Doch ten laatste (8): Daniël neemt een aparte plaats in, zie 5:llv. Naar de naam van mijn god Beltesasser genoemd: zie bij 1:7. In wie de geest der heilige goden woont: heidense omschrijving van Daniëls religiositeit, 5:11. Er stond een boom (10): de boom van het koninkrijk van Nebukadnessar; in de wereld van de Bijbel is de vergelijking van een koning of een koninkrijk met een boom algemeen gangbaar: Jes. 10:33 (Assyrië), Ez. 17 (de Messias), 31 (de farao), Zach. 11:1-3 (de wereldmacht); de koninkrijks- of koningsboom roept herinneringen op aan de Hof van Eden, Ez. 31:8v; evenals Gods goedertierenheid reikt zijn hoogte tot aan de hemel (11), zie Ps. 36:6; 108:5. Zijn loof en vrucht (12) bieden in overvloed voedsel voor allen: welvaart voor iedereen. Onder hem zocht het gedierte des velds schaduw…: veiligheid voor iedereen. De koninkrijksboom van Nebukadnessar is te vergelijken met de boom van het Koninkrijk van God uit de gelijkenis van het mosterdzaadje, Mat. 13:32. Een wachter (13): een engel op de uitkijk zoals schildwachten staan op de stadsmuur, Ps. 127:1; Jes. 62:6; Ez. 33:2, 6. Wat gebeurt op aarde blijft permanent onder controle van de hemel. God zelf is Israels wachter, Ps. 121:4; zie vss 17 en 23. Een heilige: eveneens aanduiding van een engel, zie 8:13; Job 5:1; 15:15; Ps. 89:6, 8. Houwt de boom om (14): Nebukadnessars hoogmoed breekt stuk op Gods almacht. Staat het getal zeven (16) tegenover het getal ‘zes’, de standaardmaat van de Babyloniërs, 3:1. Tijden: niemand kan zeggen hoe lang één periode duurt. Dit bevel berust op het besluit der wachters… (17): de heerlijkheid van het Koninkrijk van God komt hierin tot uitdrukking: de afwikkeling van de zaak-Nebukadnessar wordt – volgens de richtlijnen door God gegeven – in handen gelegd van de wachters. De levenden: alle mensen. Weten: erkennen; het gaat om de belijdenis van de theocratie, vss 25, 26, 32, het thema van dit hst. De Allerhoogste macht heeft: God is souverein in zijn welbehagen; dat blijkt vooral uit zijn goedheid voor de nederigste onder de mensen, zie bij vs 27. De geest der heilige goden (18): zie bij vs 8.

Vooreen ogenblik verbijsterd(19): Daniël zal van nu aan steeds emotioneler reageren op Gods openbaring, 7:28; 8:27. Wortelstomp (23): die blijft zitten. Nebukadnessar wordt nog de gelegenheid geboden om tot inkeer te komen. Totdat gij erkent (25): zie bij vs 17. Hemel (26): God. Mijn raad (27): de uitlegging van de droom gaat vergezeld van een persoonlijk advies; de erkenning van Gods heerschappij komt tot uitdrukking in het betonen van rechtvaardigheid en het bewijzen van erbarming jegens ellendigen; het Koninkrijk van God staat dus model voor elk aards koninkrijk, vs 17; 1 Sam. 2:8; Ps. 113:7v; Luc. 1:52. Is dit niet het grote Babel… (30): de ideale koning is niet alleen een groot veroveraar maar ook een groot bouwheer. Sloeg ik, Nebukadnessar, de ogen op naar de hemel (34): in dit hst. zijn hemel en aarde nauw op elkaar betrokken; in het eerste, hst. 7, en het vierde gezicht, hst. 10-12, zal dat nog veel meer het geval zijn; Nebukadnessar erkent God nu als de Allerhoogste, een kernwoord in dit hst.: zie vss 2, 17, 24 en 32; verder 3:26; 5:18, 21; 7:25 en de eeuwig Levende als tegenstelling tot de mens die alleen maar ‘de levende’ wordt genoemd, vs 17.

Gods proclamatie: het schrift op de wand. De verwerping van Gods heerschappij betekent Belsassars ondergang 5:1-30

Zie inl. par. Ie. Koning Belsassar (1): zie inl. par. IIIc. Een grote maaltijd voor zijn machthebbers: de afsluiting van een koninkrijksfeest? Zie de inl. op Ester par. I en Ille. Het feest heeft een religieuze geladenheid (4). Vingers van een mensenhand (5): in dit schrift op de wand is Gods hand. Tegenover de luchter: het licht valt erop, dit móet de koning zien; deze woorden zijn voor hem bestemd; zo voelt hij het ook aan, want hij verschiet van kleur (6) en roept met luide stem om de bezweerders. ..(7): zie bij 2:2 en 4:7. Nu blijkt voor de derde maal hun onmacht. Kan lezen: in het Aramees bestaan de geschreven woorden voornamelijk uit medeklinkers. Ze kunnen dus op verschillende manieren gelezen worden, als zelfstandige naamwoorden, maar ook als werkwoordsvormen. De koningin (10) komt op het idee om Daniël te ontbieden. Dat de koning er niet aan gedacht heeft, spreekt boekdelen. O koning, leef in eeuwigheid: zie bij 2:4. In wie de geest der heilige goden woont (11): zie bij 4:7. Ontwarring van knopen in hem gevonden wordt (12): SV: ‘één die knopen ontbindt’, raadsels oplost. Het verhaal gaat ook in die zin naar een climax toe dät de betekenis van Daniël – en dus van zijn boodschap – nog meer wordt onderstreept dan tot nu toe het geval was.

Daniël begint met te herinneren aan het verhaal van Nebukadnessars waanzin (18). Daarmee wijst hij al in een bepaalde richting: Uw vader erkende dat God, de Allerhoogste, macht heeft over het koningschap der mensen en daarin aanstelt wie Hij wil (21). Maar u, zijn zoon, hebt u niet verootmoedigd, hoewel gij dit alles wist (22): (groot)vader en (klein)zoon vormen een tegenstelling als het gaat om de erkenning van Gods heerschappij. Mene,mene, tekel ufarsin (25): in het schrift op de wand moet dus gelezen worden de boodschap van de theocratie, zie inl. par. Vla. Elke machthebber die zich niet buigt onder het gezag van God gaat ten onder. Dat wordt Belsassar aangezegd. Na de koning van het gehele rijk, Nabonedus, zie inl. par. IHb, en Belsassar die als onderkoning in Babel resideert, wordt Danielde derde man of heerser (29). De wereldheerschappij komt nu in handen van de Meden en de Perzen. Met de dood van Belsassar (30) blijkt definitief: het gouden hoofd is gevallen. Het eerste rijk is verleden tijd geworden.

Daniël in de leeuwenkuil 6:1-29

Zie inl. par. If. Darius, de Meder, ontving het koningschap, toen hij tweeënzestig jaar oud was (1): zie inl. par. Hid en bij 9:1 en 9:2. Opdat de koning geen schade zou lijden (3): Daniël was de vertrouweling van de koning. Geen enkele grond vooreen aanklacht (5): zie 1 Petr. 3: 13-17. O koning Darius, leef in eeuwigheid (7): zie bij 2: 4. De wet der Meden en Perzen (9): in de strijd om de belijdenis van de theocratie botsen ook twee typen van wet op elkaar. Bij het eerste type is de mens er om de wet en wordt haar eigen wetmatigheid tot absolute norm verheven. De humaniteit komt dan niet meer tot haar recht. Bij het tweede type is de wet er om de mens. Het is de wet ten leven. Daarom moeten de vensters naar Jeruzalem open (11) blijven. God troont in Sion. Bij zijn dagelijkse godsdienstoefeningen houdt Daniël zich aan een zekere orde wat de tijd betreft: driemaal daags, wat de vorm betreft: hij boog zijn knieën, en wat de inhoud betreft: hij bad en loofde zijn God; ‘zijn God’ is aanduiding van God als de God van het verbond, zie bij 2:23. Vonden hem biddende en smekende (12): het begin van zijn godsdienstoefening, zie bij vs 11. Uw God… bevrijde u (17): de herhaling van het woord ‘bevrijden’ onderstreept de machteloosheid van een machtige koning. Hij hoopt dat Daniëls God nu datgene zal doen waartoe hijzelf niet in staat is; zie verder bij vs 28. Steen en verzegeling bevestigen de onherroepelijkheid van het vonnis, zie ook Mat. 27:62-66. De koning ging inderhaast naar de leeuwenkuil (20): voor een koning als hier bedoeld wel een heel ongebruikelijke handelwijze. De levende God (21): wat Darius daaronder verstaan zal hebben is moeilijk te zeggen, het drukt in elk geval een tegenstelling uit tot de andere goden, vss 8, 13; zie verder bij 4:34. Volhardend: daar komt het op de eindtijd op aan, Op. 13:10. Bevrijden: zie bij vss 17 en 28. O koning, leef in eeuwigheid (22): zie bij 2:4. Mijn God heeft zijn engel gezonden (23): de engelen nemen in de eindtijd deel aan de strijd tegen de machten, zie de samenvatting van 10:1-11:1. Zijn God (24): zie bij vs 11; de belofte dat God ónze God wil zijn vraagt het vertrouwen van ons hart. De mannen die de aanklacht tegen Daniël ingebracht hadden (25) worden nu met hun familieleden in de leeuwenkuil geworpen; een duidelijk voorbeeld van de samenhang die dikwijls bestaat tussen de daden van mensen en hun lotgevallen, een samenhang die in de wijsheid van Israel reeds lang was onderkend: Spr. 11:3, 5, 8, 19, 21. Darius vaardigt een proclamatie uit waarin hij Gods heerschappij erkent (26-28). Opvallend is het gebruik van woordparen: telkens worden twee woorden, in vs 27 ook twee zinsneden, met elkaar verbonden waardoor hun zeggingskracht wordt versterkt. Hij bevrijdt en redt (28): ‘bevrijden’ is in dit verhaal het kernwoord: vss 15, 17, 21, 28 (2x); zie bij 3:15.

Het gezicht van de vier dieren en de Zoon des mensen 7:1-28

Zie inl. par. Ig. In het eerste gezicht ziet Daniël de zee van de wereldgeschiedenis in grote beroering raken. Vier grote dieren stijgen er uit op: een gevleugelde leeuw, een beer die tussen zijn tanden drie ribben houdt geklemd, een gevleugelde panter met vier koppen en een angstaanjagend monster. Dat monster heeft ijzeren tanden, poten met koperen klauwen en tien horens. Tussen die horens verheft zich een kleine horen met ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak. Daarvoor moeten die andere horens wijken. Dan verschijnt de Oude van dagen. Hij zet zich op zijn troon, omgeven door tienduizenden engelen. Nu begint het jongste gericht. Het vierde dier wordt gedood. Aan de overige dieren wordt de heerschappij ontnomen. De Zoon des mensen verschijnt op de wolken des hemels. Hij begeeft zich tot de Oude van dagen en ontvangt de heerschappij voor altijd. Dit gezicht verbijstert Daniël. Aan één van de engelen die hij zag staan vraagt hij om uitleg. De vier dieren zijn vier koningen. Daarna zullen de heiligen van de Allerhoogste de heerschappij ontvangen voor altijd.

De aandacht van Daniël richt zich vooral op het vierde dier, in het bijzonder op die éne horen met de ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak. Hij ziet die horen strijd voeren tegen de heiligen en hen overwinnen. Maar dan komt de Oude van dagen. Hij verschaft recht aan de heiligen van de Allerhoogste. De tijd nadert dat de heerschappij op hen zal overgaan.

De engel geeft van die ene horen de volgende verklaring. Deze horen is een koning. Hij zal de spot drijven met de Allerhoogste, zijn heiligen te gronde richten en erop uit zijn, tijden en wet te veranderen. Zij zullen in zijn macht zijn een tijd, tijden en een halve tijd. Bij het jongste gericht echter zal God hem de heerschappij ontnemen en hem vernietigen. Nu zal de heerschappij gegeven worden aan het volk van de heiligen van de Allerhoogste. Daniël is geschokt. Hij bewaart deze woorden in zijn hart.

In het eerste jaar van Belsassar, de koning van Babel (1), 552 v.Chr., wordt direct al duidelijk dat hij Babels laatste koning zal zijn; zie verder inl. par. IIIc. Op zijn legerstede: Daniëls droom is dus een nachtgezicht, vss 2, 7; vgl. hiermee de acht nachtgezichten van Zacharia, Zach. 1-6. Begin van het bericht (2): een tussenvoegsel, zie vss 28:2; 2:4 en de inl. par. IIa en c. De vier winden des hemels brachten de grote zee in beroering (3): door het gebruik van kosmische beelden neemt de profetie apocalyptische vormen aan; gezien in het perspectief van de eindtijd heeft de geschiedenis een stormachtig verloop, is deze wereld een kokende zee, Ps. 46:3v; 89:10; 93:3v; Luc. 21:25; Op. 21:1. De vier grote dieren symboliseren vier koninkrijken, zie 2:36-43; voor de vraag welke koninkrijken zijn bedoeld, zie inl. par IIb en de verklaring van 11:21. In het eerste gezicht van Daniël wordt de droom van Nebukadnessar geplaatst in een kosmisch kader. De kwaliteit van elk volgend rijk mindert: de leeuwmet adelaarsvleugels (A) correspondeert met het gouden hoofd; het heeft nog iets menselijks, zie 4:16; de beer (5) – in het bijbels spraakgebruik de mindere van de leeuw, Arnos 5:19 – met de borst en armen van zilver; de drie ribben in zijn muil illustreren zijn veroveringszucht; met de panter (6) de buik en lendenen van koper; de vogelvleugels wijzen op de snelheid waarmee hij de wereld verovert, zie 8:5; de vier koppen op de vier koninkrijken die uit zijn volk zullen ontstaan, zie 8:22. Met het vierde dier (7-8) dat het breedvoerigst wordt beschreven en waarop ook de uitleg wordt toegespitst, vss 19-26, corresponderen de benen van ijzer en de voeten deels van ijzer, deels van leem, zie inl. par. II, IVe en en VIc. De vier dieren zijn tot één beest samengevoegd in Op. 13.T-5. Tien horens: koningen of machthebbers, 1 Sam. 2:10; Ps. 92:11; Luc. 1:69. Een andere kleine horen: drie van de vorige horens worden daarvoor uitgerukt, dwz. hij brengt drie koningen ten val, vs die horen waren ogen als mensenogen: niemand kan zich voor hem verborgen houden; neutraliteit is niet langer mogelijk; iedereen moet nu beslissen of hij al of niet de heerschappij van God wil erkennen, zijn wet gehoorzamen en de vensters naar Jeruzalem wil openhouden. En een mond vol grootspraak: hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, vss 11, 20, 25; 11:36; Op. 13:5v; hij wordt ook bedoeld met ‘een ander’, vs 24, ‘een horen die klein begon maar zeer groot werd…’, 8:9; ‘een koning, hard van aangezicht en bedreven in listen’, 8:23; ‘een vorst die komen zal’, 9:26; ‘een veracht man’, 11:21; zijn optreden wordt getypeerd in vss 20-25; 8:23-25; 9:26v; 11:21-45. De wereldgeschiedenis loopt uit op het eindgericht (9). Er worden tronen opgesteld op de aarde, zie bij vs 13. God wordt genoemd een Oude van dagen omdat zijn heerschappij is van eeuwigheid tot eeuwigheid, Ps. 90: lv; 145:13. Hij zette zich neder: God verschijnt om recht te doen, Ps. 97:1-6, zie bij vs 22. Zijn kleed was wit als sneeuw en zijn hoofdhaar wit als wol: zo ziet Johannes Jezus in zijn heerlijkheid, Op. l:13v. Zijn troon bestond uit vuurvlammen, de raderen daarvan uit laaiend vuur: de hemelse troonwagen, zie Ez. 1; geen ‘gouden koets’ maar een wagen van vüür; vgl. ook 2 Kon. 2:11. Een stroom van vuur (10): ‘een menigte des hemelsen heerlegers’ (SV), Luc. 2:13. De vierschaar: (de leden van) het gerechtshof, zie Mat. 12:41v; Luc. 22:30; 1 Kor. 6:2v; verg. Mar. 10:40. De boeken werden geopend: Op. 20: 12. Er is ook nog een ander boek, nl. het boek des levens, zie 12:1. Toen keek ik toe vanwege het geluid der grote woorden… (11): de beelden schuiven in elkaar; terwijl de horen nog godslasterlijke woorden spreekt, wordt zijn vonnis al geveld en uitgevoerd. Tot tijd en wijle (12): God stelt de machthebbers van deze wereld een grens; tot hiertoe en niet verder! Nu verschijnt met de wolken des hemels – dus op de aarde, zie bij vs 9 – iemand gelijk een mensenzoon (13): de Zoon des mensen, dé Mens, de tweede Adam, 1 Kor. 15:45. Hij begeeft zich tot de Oude van dagen en ontvangt de heerschappij uit zijn hand. Tot dat moment kan Hij rechtens nog niets doen, zie Mar. 2: 10; 10:45; 14:62 en Mat. 28:18; en verder: inl. par. VId. Heerschappij… (14): vgl. de lofprijzing van het Onze Vader, Mat. 6:13.

De geest van mij, Daniël, was ontroerd (15): de gezichten zullen Daniël steeds sterker aangrijpen, vs 28; 8:27; 10:8-19. Hij nadert met schroom een van hen die daar stonden (16): een engel, zie Zach. 1:9, en vraagt hem om uitleg. De engel antwoordt: De vier grote dieren… zijn vier koningen, dat wil ook zeggen: vier koninkrijken, zie bij vss 7-8; daarna zullen de heiligen des Allerhoogsten het koningschap ontvangen (18): nu wordt niet over de Zoon des mensen gesproken maar over het volk van God, zie inl. par. VId.

Daniël wil nog meer weten van het vierde dier (19), met name van de ene kleine horen, vs 8, die er nu groter uitzag dan de andere. Wat van deze koning gezegd wordt is nog maar een begin. In de volgende gezichten worden de verschillende aspecten van zijn optreden steeds duidelijker aangegeven, zie inl. par. IIb, vgl. Joh. 16:12. Daniël ziet die horen strijd voeren tegen de heiligen (21) en hen zelfs overwinnen, zie het vierde gezicht, spec. 11:30-45. Recht verschaft werd aan de heiligen (22): de letterlijke betekenis van de naam Daniël, zie bij 1:7. De tijd naderde: zie het derde gezicht, spec. 9:26v. Dat vierde dier (23): zie bij vss 7-8 en 19. Hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste (25): zie het tweede gezicht, spec. 8:25 en verder bij vss 7-8. Hij zal er op uit zijn tijden en wetten te veranderen: proberen een einde te maken aan de openbare eredienst als een teken van Gods heerschappij op aarde, 8:1 lv, 9:27 en 11:31. Een tijd, tijden en een halve tijd: drieëneenhalve periode is een aanduiding van de laatste fase van de eindtijd, Op. 12:14. De vierschaar (26): zie bij vs 10. Hoe bewogen de geschiedenis ook mag zijn, ze staat in het perspectief van de komst van het Koninkrijk van God. Tot viermaal toe – vss 10,13v, 18, 26 -blijkt in dit ‘bericht’, vs 28, zowel in Daniëls droom als de uitleg die hij ontvangt, dat de machten van deze wereld daarop stuk breken, ja alle machten zullen het volk van God dienen en gehoorzamen (27), Rom. 8:28, 1 Kor. 3:22v; vgl. óók Mar. 10:45. De steen die zonder toedoen van mensenhanden losraakte en het beeld waarvan Nebukadnessar droomde, getroffen had, zal inderdaad worden tot een grote berg die de gehele aarde vervult, 2: 35.

Hier eindigt het bericht (28): een tussenvoegsel, zie bij vs 2. Mijn gedachten ontstelden mij zeer, zie bij vs 15. Met dit vs eindigt het gedeelte dat in het Aramees is overgeleverd, zie inl. par. IIa en c.

Het gezicht van de ram en de bok 8:1-27

Zie inl. par. Ih. Het tweede gezicht ontvangt Daniël drie jaren later. Belsassar regeert dan nog wel in Babel, maar Daniël bevindt zich nu in Susan, ln dit gezicht komt het eerste rijk niet meer voor. Voor de profetie bestaat het niet meer. Babyion is eigenlijk al gevallen, zie bij 5:29. Daniël ziet een bok in gevecht met een ram. De ram verliest, wordt tegen de aarde geworpen en door de bok vertreden. Met de ram is het tweede rijk bedoeld, dat van de Meden en Perzen. Daarom was de éne horen hoger dan de andere, want de macht van de Perzen, die later opkwam, was groter dan die van de Meden. De bok stelt het derde koninkrijk voor. Het heeft één grote horen tussen zijn ogen: de eerste koning. Daarmee wordt gedoeld op Alexander de Grote, die het Perzische Rijk veroverde. Die breekt opeens af. Daarvoor in de plaats rijzen vier horens op: de rijken der Diadochen, na Alexandersdood. Uit één daarvan komt dan een kleine horen voort. Hij begint klein maar wordt zeer groot. Deze horen beheerst het gezicht en staat centraal in de uitleg. Hij doet zijn macht gevoelen in het gebied rondom Israel. Ook het land van belofte brengt hij onder zijn gezag. Hij verbiedt de openbare eredienst, sluit de tempel en werpt de waarheid ter aarde. Zelfs keert hij zich tegen de Vorst der vorsten. Dat is zijn oogmerk.

In de hemel wordt sterk meegeleefd met wat op de aarde gebeurt. Een engel vraagt: hoelang zal dit kwaad voortduren? Het antwoord luidt: tweeduizend driehonderd avonden en morgens. Dat is in elk geval minder dan drieëneenhalf jaar, de symbolische aanduiding van de laatste fase van de eindtijd, zie bij 7:25. Eerder dan verwacht zal de horen zonder mensenhanden vernietigd worden. Daar is al het Koninkrijk van God! Die laatste fase is het thema van het derde gezicht, hst. 9.

Daniël is uitgeput en verbijsterd, maar laat het niemand merken.

In het derde jaar van de regering van koning Belsassar (1): 549 v.Chr., zie inl. par. IIIc, na het gezicht, dat mij eerder verschenen was: dit tweede gezicht wordt uitdrukkelijk in verband gebracht met het eerste dat in het Aramees is overgeleverd, hst. 7; opnieuw een aanwijzing voor de eenheid van het boek, zie inl. par. II; dit tweede gezicht laat een ander aspect zien van hetzelfde thema: de confrontatie van de koninkrijken der aarde met het Koninkrijk van God. Susan (2): de hoofdstad van Elam, toen een deel van het Perzische Rijk, ligt veel oostelijker dan Babel, ten noorden van de Perzische Golf. Bij de stroom de Ulat: een rivier ten oosten van Susan; waar stromend water is, kunnen Joden hun rituele wassingen verrichten en hebben zij vaak hun plaats van samenkomst, 10:4; Joh. 1:28; Hand. 16:13. Naar het westen, naar het noorden en naar het zuiden (4): het oriëntatiepunt is Israel, vs 9, zie bij 11:5-9; bij het westen is dan te denken aan Klein-Azië en Griekenland, bij het zuiden aan Egypte en bij het noorden aan Syrië. Zonder de aarde aan te raken (5): wijst op de snelheid waarmee de militaire operaties worden uitgevoerd. De grote horen (8): de koning van Griekenland, zie vs 21. Vier opvallende horens: vier koningen. Vier windstreken: zie bij vs 4. Een horen… die klein begon, maar zeer groot werd (9): deze koning staat in dit gezicht en zijn uitleg centraal, zie bij 7:7-8 en 7:19, inl. par. IVe en VIc. Het Sieraad: zie bij 11:16. Ja, zijn grootheid reikte tot aan het heer des hemels (10): de oerzonde van de mens: hij wil als God zijn, Gen. 3:5; zie vss 25; 7:25; 11:36; Op. 13:1 ven hij deed er van het heer, namelijk van de sterren, ter aarde vallen: zijn hiermee bedoeld engelen, Op. 12:4, koningen, Jes. 24:21, de leraren, 12:3, of de heiligen, 7:21, 25? M.i. verdient op grond van vs 25 een combinatie van de laatste twee mogelijkheden de voorkeur. Tegen de vorst van het heer (11): SV: ‘Vorst van dat heer’ en laat deze uitdrukking m.i. terecht op God slaan; op grond van het vervolg van de tekst heeft men ook aan de hogepriester gedacht, met name Onias III, zie bij 11:22. En Hem werd het dagelijks offer ontnomen: de oerzonde van deze koning in de laatste fase van de eindtijd komt tot uitdrukking in een regelrechte aanval op de openbare eredienst, 7:25; 9: 27; 11:31. Hij vervangt de tempeldienst door een andere eredienst (12), Op. 13:15, werpt de waarheid, het leven naar de Wet van Mozes, ter aarde, en kan schijnbaar straffeloos zijn gang gaan: wat hij ook deed, gelukte hem.

Een heilige (13): een engel, zie verder de samenvatting. Een menselijke stem (16): voor mensen verstaanbaar; het is de stem van God of van een engel die een opdracht van God doorgeeft aan Gabriël. Dat op dit moment déze engel in actie moet komen is een aanwijzing: het wordt advent! Het Koninkrijk van God kómt! Schrikte lk (17): zie 10:8-12, 15-19; Luc. l:12v; 2:9. Zie ik maak u bekend wat geschieden zal in het laatst van de gramschap; want het doelt op het tijdstip van het einde (19): in de profetie van het Oude Testament vallen de komst en de wederkomst van Christus nog samen.

De ram (20): het tweede koninkrijk. De harige geitebok (21): het derde koninkrijk. De eerste koning: Alexander de Grote. Vier koninkrijken (22): de rijken der zgn. Dia-dochen, waarin het rijk van Alexander de Grote na diens dood (323 v.Chr.) uiteen viel. Een koning, hard van aangezicht en bedreven in listen (23): zie bij vs 9. Tegen de Vorst der vorsten zal hij optreden (25): zie inl. par. II, IVe en VIc; met deze woorden worden zijn diepste bedoelingen blootgelegd. Zonder mensenhanden: door God, 2:34, 45. Zal hij vernietigd worden: omschrijving van de komst van het Koninkrijk van God, vgl. de lofzangen van Maria, Luc. 1:46-55, en Zacharias, Luc. 1: 68-79. Waarheid (26): nl. wat gebeuren zal, 10:1, 21; 11: 2, en heeft dus een andere betekenis dan in vs 12. Het ziet op een verre toekomst: zie inl. par. VIb.

De laatste week 9:1-27

Zie inl. par. Ii. Daniël ontvangt naar alle waarschijnlijkheid het derde gezicht als de Meden en Perzen de macht van de Babyloniërs hebben overgenomen. Dat is het jaar van de terugkeer uit de ballingschap, 539 v.Chr. Bij zijn bijbelstudie is hij gestuit op de profetie van Jeremia: de HERE zou zeventig jaar over de puinhopen vn Jeruzalem doen verlopen. Gerekend vanaf het jaar dat Daniël in ballingschap werd weggevoerd, komt het einde van deze periode in zicht. Zal nu Jeruzalem worden herbouwd, het heiligdom uit zijn as herrijzen en de eredienst weer als vanouds functioneren? Als dat gebeuren mocht, zou het een wonder van genade zijn. Daarom bidt hij tot God als een boeteling, in zak en as. Zijn smeekgebed kenmerkt zich door een pendelbeweging. Steeds weer gaat het pleiten op Gods verbond en goedertierenheid over in een schuldbelijdenis: een voortdurende wisseling tussen ‘Gij’ en ‘wij’, ‘bij U’ en ‘bij ons’. Het ‘Gij’ gaat daarbij steeds voorop.

Terwijl Daniël nog bidt – het is de tijd van het avondoffer – verschijnt aan hem de engel Gabriël. Hij zegt: bij het begin van uw smeekbede is er een woord uitgegaan, en ik ben gekomen om het u mede te delen, want gij zijt zeer bemind. Let dus op het woord en sla acht op het gezicht.

Dan volgt de openbaring van de zeventig weken. Het zijn jaarweken. Daarvan zijn nu de eerste zeven voorbij. Dat was de periode van de ballingschap. Met de komst van een gezalfde, een vorst, wordt Jeruzalem weer herbouwd en zal het ondanks de druk der tijden tot in lengte van jaren zijn zelfstandigheid kunnen bewaren: tweeënzestigweken. Dan breekt de laatste week aan. Deze begint met de moord op een onschuldige gezalfde. Het volk van een vorst zal de stad en het heiligdom te gronde richten. Overstroming! Verwoestingen waartoe vastbesloten is! In het midden van die week zal een einde worden gemaakt aan de openbare eredienst. Daar is de verwoester… Maar dän de voleinding! Want daar loopt de laatse week met alle schokkende gebeurtenissen die daarin te verwachten zijn op uit. Immers, wat vast besloten is zal zich uitstorten over wat verwoest is!

In het eerste jaar van Darius… (1): zie inl. par. Hid. In het eerste jaar van zijn koningschap (2): de herhaling dient om de betekenis van dit jaar te onderstrepen. Het is een kritiek moment: in politiek opzicht (het begin van het tweede rijk, zie de hst. 2 en 7); voor Daniël zelf (zijn openlijke trouw aan de dienst des HEREN wordt op de proef gesteld, zie hst. 6: Daniël in de leeuwenkuil); voor Daniëls vólk (de terugkeer uit de ballingschap); zelfs voor de onzichtbare wereld der machten (de hemelse boodschapper van hst. 10 was toen de engel Michaël tot een helper en toevlucht, 11:1). Wat moet men doen in zo’n onoverzichtelijke situatie? Lezen in de boeken en luisteren naar het woord des HEREN! In 539 v.Chr. zijn dus delen van het Oude Testament, ook al van de profeten, vs 6, niet alleen op schrift gesteld maar als ‘de boeken’ in aanzien om hun goddelijk gezag. Met het woord desHERENis hier bedoeld Jer. 25, vooral vs 1 lv, en 29: 1-23, met name vs 10. Jeruzalem: de stad en het heiligdom nemen in de in het Hebreeuws overgeleverde gezichten een belangrijke plaats in, zie inl. par. II.De HERE, mijn God (4): aanduiding van God als de God van het verbond, zie de samenvatting en bij 2:23 en 6:11. Wij hebben gezondigd… (5): veel in dit gebed herinnert aan teksten die eertijds gebruikt werden in de tempelliturgie: 1 Kon. 8:47; Ps. 106:6, zie ook vs 15. Uw geboden en verordeningen: we zouden hier, mede gelet op vs 2, kunnen denken aan de Wet of de vijif boeken van Mozes. Uw knechten, de profeten (6): we zouden hier kunnen denken aan een bundeling van de profeten (zie ook vs 2), het begin van de canonisering van het tweede hoofddeel van de hebreeuwse Bijbel. Bij de mannen van Juda (7): voor Daniël is en blijft Jeruzalem het oriëntatiepunt en niet de ballingschap, zie bij 6:11; 8:4 en 11:5-9; er is dan ook geen reden, dit gebed aan Daniël te ontzeggen; dat hij zich rekent tot degenen die veraf wonen, wijst op zijn ootmoed, Luc. 18:13; Ef. 2:13, 17. Waarheen Gij hen hebt verstoten: Daniël erkent de juistheid van Gods oordeel en betrekt dat ook op zichzelf. Bij de HERE, onze God, is barmhartigheid en vergeving (9): Gods verbond berust op zijn genade. De wetten die Hij ons heeft gegeven door de dienst van zijn knechten, de profeten (10): de wetten (van Mozes) volgens de uitleg van de profeten; ze maken deel uit van hetzelfde overleveringsproces. De met een eed bekrachtigde vloek (11): Deut. 28. Nu dan (15): het gebed om Gods ontferming over Jeruzalem, vss 15-19, volgt pas na de schuldbelijdenis. Op grond van (18): Daniëls pleitgrond is niet zijn gehoorzaamheid aan de Wet, ook niet zijn ootmoed, maar Gods grote barmhartigheden. Gabriël (21): zie bij 8:16. De tijd van het avondoffer: Daniëls dagindeling is georiënteerd op de tempeldienst, zie bij vs 7.

Zeventig weken (24): jaarweken, Lev. 25:8; 70 x 7 is een symbolisch getal; de zeventig zeventallen duiden aan ‘de volheid des tijds’: om de overtreding te voleindigen, de zonde af te sluiten, de ongerechtigheid te verzoenen: God heeft Israels zonde vergeven, Jes. 40:2; 61 :l-9; Luc. 4:17-21; Mar. l:14v; Rom. 6:14; Gal. 4:4; om eeuwige gerechtigheid te brengen: en daarmee de verbroken verhouding hersteld, Rom. 3:21-26; gezicht en profeet te bezegelen: Mat. 5:17, 12:38-42, 26:28; Mar. 1:14, 14: 24;Luc. 22:20; Hebr. 1:1-4; iets allerheiligst te zalven: SV ‘de heiligheid der heiligheden’, di. de tempel; daarom is Jeruzalem ‘uw heilige stad’; we denken dan verder aan het woord van dè Gezalfde, Mat. 12:6; zie ook Luc. 4: 18; Hand. 4:27; 10:38; Heb. 1:9; en dan ook aan de gemeente, 2 Kor. 1:21; 1 Joh. 2:20. Een gezalfde, een vorst (25): Kores of Cyrus, de koning bedoeld in vs 1, zie inl. par. Hid. Tweeënzestig weken: De periode tussen de eerste en de laatste week, de ballingschap en de eindtijd die overgaat in de voleinding; zie verder de samenvatting. Alle nadruk valt op wat hierna (26) gebeuren zal: de laatste week. De slotverzen van dit hst. zijn moeilijk te verklaren. M.i. kan men het beste de parallellie van de vier gezichten nemen als uitgangspunt, zie inl. par. IIb. Alle nadruk valt dan op het vierde rijk in zijn confrontatie met het Koninkrijk van God. Met een vorst die komen zal is dan dezelfde figuur bedoeld als de kleine horen in 7:8, zie bij 7:7-8; 7:19, 8:9 en 11, 21-45, verder inl. par. IVe en VIc. De gezalfde die zal worden uitgeroeid is zijn tijdgenoot. Daarmee kan dan niet in eerste aanleg dè Messias bedoeld zijn (SV). Misschien moeten we hier denken aan dezelfde persoon als de vorst van het verbond in 11:22, Onias III. Wel kan een hogepriester die onschuldig om het leven wordt gebracht, in afgeleide zin een type zijn van dè Messias, vgl. Mat. 23:35. De vervulling van deze profetie blijft niet beperkt tot een enkele persoon of een enkel feit. De overstroming: zie bij 11:10; Ps. 46:3v; 89:10; 93:3; Luc. 21:25; Op. 21:1. Het verbond (27): de uitoefening van de openbare eredienst, 11: 22, 30- de helft van de week: misschien ook weer figuurlijk bedoeld – zie bij vs 24 – in de betekenis van: het loopt uit op het doen ophouden van slachtoffer en spijsoffer: de sluiting van de tempel, 8:12; 11:31. Op een vleugel van verwoestingen: typering van het regime van de kleine horen. Voleinding: omschrijving van de komst van het Koninkrijk van God, Mat. 28:20. Waartoe vastbesloten is: grijpt terug op ‘zeventig weken zijn bepaald’, zie bij vs 24. Zal zich uitstorten over wat woest is: het herstel van Daniëls volk en stad, zie weer vs 24; Joël 2: 23-32. Dat is dan de voleinding.

De strijd om de openbare eredienst 10:1-12:13

De komst van de hemelse boodschapper 10:1-11:1

Zie inl. par. Ij. Daniël, aan het einde van zijn leven gekomen, is met grote zorg vervuld over de toekomst van zijn volk. Krijgt hij slecht nieuws uit Jeruzalem? Er worden weer offers gebracht, maar de herbouw van de tempel stagneert, Ezra 3:6. De Samaritanen werken tegen, Ezra 4:1-4.

Het is weer de eerste maand van het nieuwe jaar. Dan wordt het Pascha gevierd, Ex. 12:2. Dat is het feest van de Uittocht uit Egypte. Zal er nog verlossing zijn voor het volk van God in de eindtijd? Daniël brengt drie weken door in vasten en gebed. Dit keer moet hij de viering van het Pascha, 14-21 Abib (later: Nisan) overslaan. Op de 24ste verschijnt aan hem een engel. De heerlijkheid des Heren vindt zijn weerschijn in deze hemelse boodschapper. Er wordt een woord geopenbaard. Dat woord is waarheid. Het spreekt van grote nood: er ontbrandt een strijd op leven of dood om de openbare eredienst, 11:2-45. toch is dat niet het laatste. Het einde zal zijn een nieuwe exodus: in die tijd zal uw volk ontkomen, al wie in het boek geschreven wordt bevonden, 12:1. Daniëls metgezellen vluchten. Ze horen wel een geweldig geluid maar zien niet het gezicht. Daniël zelf verliest het bewustzijn, zo geschokt is hij. De engel legt zijn hand op hem en richt hem weer op. Hij stelt hem gerust met de woorden: Daniël, gij zeer beminde man… vrees niet. Dan legt hij uit waarom hij niet eerder had kunnen komen. Drie weken lang werd hij tegengehouden door een onzichtbare macht. Dit is één van de gevallen engelen. Hij zet de Perzen op tegen het volk van God. De strijd was zwaar. Gelukkig kwam Michaël, één van de voornaamste vorsten of aartsengelen, hem te hulp. Dat gaf de doorslag. Toen kon hij even weg. Daniël staat verstomd. Wie zou dat zijn? Er moet een tweede engel aan te pas komen om hem bij te staan. Hij raakt zijn lippen aan en opent daarmee zijn mond. Nu kan Daniël weer spreken. Ook deze tweede engel bemoedigt de profeet: Vrees niet, gij zeer beminde man, vrede zij u, wees sterk, ja, wees sterk! De hemelse boodschapper heeft nauwelijks tijd. Hij moet weer terug naar dat onzichtbaar front waar de strijd tegen de vorst der Perzen nog steeds niet is beslecht. Maar dan is hij er nog niet. Daarna moet hij opnieuw slag leveren. Ook de vorst van Griekenland, eveneens een gevallen engel, maakt zich op tegen het volk van God. Toch deelt de hemelse boodschapper aan Daniël mee wat geschreven staat in het boek der waarheid, 11:112:4. De strijd die hem nu wacht is zo zwaar, dat geen engel hem daarbij kan ondersteunen behalve Michaël. Op zijn beurt heeft hij Michaël geholpen in het eerste jaar van Darius, de Meder, het jaar van de terugkeer uit de ballingschap, 539 v.Chr., 11:1. Ook die exodus moest zwaar bevochten worden in de hemelse gewesten. Dat feit uit het verleden, op dit moment onthuld, is een belofte voor de toekomst. Dit Pascha is aan Daniël voorbij gegaan met rouw bedrijven. God stelt echter de definitieve exodus voor zijn volk in uitzicht. Het zal tóch Paasfeest worden!

In het derde jaar van Kores, de koning der Perzen (1): nadat de wereldheerschappij in zijn handen was overgegaan, 537 v.Chr., zie inl. par. Hid. Rouw bedrijven (2): Daniël is nu nog verdrietiger over het lot van zijn volk dan drie jaar geleden, 9:3. Terwijl ik mij aan de oever van de grote rivier, dat is de Tigris, bevond (4): zie bij 8: 2. Een man in linnen klederen gekleed (5): een engel, zie verder de samenvatting. Goud van Ufaz: goud van de hoogste kwaliteit. Alleen ik, Daniël, zag dat gezicht (7): Hand. 9:7. Bezwijmd (9): Op. 1:17. Vrees niet (12): zie bij 8:17. De vorst van het koninkrijk der Perzen (13): een gevallen engel, zie verder Rom. 8:38v; Ef. 6:10-20; Kol. 2:8; Judas 8-10. De strijd tegen de machten is één van de aspecten van de wonderen van Jezus, Mar. 3:7-30 en 4: 35-5:20. De hemelse boodschapper (zie vs 5) en Michaël hebben de grootste moeite om de beslissing te forceren.

Hoe heel anders de Here Jezus, Luc. 11:20! Michaël: vs 21; 12:1; Judas: 9; Op. 12:7-9. De vorst der Perzen (20): dezelfde gevallen engel als in vs 13. De vorst van Griekenland: eveneens een gevallen engel. Ik (11:1): de hemelse boodschapper. Hem: Michaël.

De inhoud van het boek der waarheid 11:2-12:4

Nog zijn de Perzen aan de macht. De ene koning zal opstaan na de andere. Een van hen zal zelfs Griekenland binnenvallen. Dan gaat de heerschappij over op de Grieken. Er zal een heldhaftig koning opstaan. Nauwelijks is hij aan de macht, of zijn rijk wordt verscheurd (2-4). Nu breekt er een strijd los tussen de koningen van het Zuiden en het Noorden. Het Sieraadland, Israel, wordt de inzet van die strijd. Eerst zijn de koningen van het Zuiden, di. Egypte, aan de winnende hand, daarna de koningen van het Noorden, di. Syrië. De ‘nieuwsberichten’ vermelden een aaneenschakeling van militaire operaties en politieke intriges. Daarin spelen vrouwen een belangrijke rol. Er breken ook overal binnenlandse onlusten uit. Onder de Joden ontstaat een militante messiaanse beweging. Haar aanhangers willen een gezicht verwerkelijken, zélf grijpen naar het heil dat God hun had beloofd. Maar hun actie mislukt. Er zal ook een vergeefse aanslag worden gepleegd op de tempelschat (520).

Dan zal een veracht man opstaan. Niemand dacht dat hij aan de macht zou komen. Juist daarom zag hij zijn kans schoon. Zijn legers zijn te vergelijken met een watervloed. Ze overstromen het land. Alles wordt weggespoeld en vernietigd. Zelfs een vorst van het verbond. Wie zou daarmee anders bedoeld kunnen zijn dan de regerende hogepriester? Het regime van deze koning hangt van leugen en bedrog aan elkaar. Hij zal het vooral gemunt hebben op het heilig verbond, di. het volk van God als cultusgemeenschap. Daarom zal hij het heiligdom ontheiligen, het dagelijks offer doen ophouden en een gruwel oprichten die verwoesting brengt. Tegenover afval en verval staat het volk dat zijn God kent. Dat zal sterk zijn en daden doen. Van betekenis zijn de leraren onder het volk. Zij zullen de ogen openen van velen. Ook van hen zullen sommigen struikelen vanwege de vervolgingen. Deze loutering is noodzakelijk. Er zijn ook lichtpunten: een kleine hulp. Het zal een beweging zijn, waarbij velen zich zullen aansluiten zonder daar met hart en ziel achter te staan. De koning zal zelfs tegen de God der goden ongehoorde dingen spreken. Hij zal voorspoedig zijn, totdat de maat van de gramschap vol is. Want wat vastbesloten is, geschiedt. Nu wordt heel het Sieraadland tot één strijdtoneel. Weer zullen velen struikelen. Israels vijanden blijven echter ongemoeid. De koning zal in verwarring raken door geruchten van oorlogen. Hij zal zijn tenten opslaan tussen de zee en de berg Sion. Dan komt hij aan zijn einde, zonder dat iemand hem helpt (21-45). Dat kan ook niet, want God grijpt in.

Hoe? De engel Michaël staat op! Nog zo kort geleden heeft hij in de onzichtbare strijd der machten voor Daniëls volk de terugkeer uit de babylonische ballingschap bevochten. Dat was een nieuwe exodus. Nu is het weer een tijd van grote benauwdheid, zwaarder dan ooit tevoren. Maar Michaël zal bijstand verlenen. Uw volk, Daniël, zal ontkomen! Een definitieve exodus voor al wie inhet boek geschreven wordt bevonden! En hoe.’ Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen. Het komt aan op de gehoorzaamheid aan de Tora, de heilige leer. Want de leraren zullen stralen als de glans van het uitspansel, als de sterren in de nacht. Laten de vensters naar Jeruzalem open blijven! Daniël mag dit alles horen, maar er niet over spreken, zie ook 8: 26. De eindtijd is nu nog niet aangebroken. Het boek der waarheid moet dus verzegeld worden. Velen zullen onderzoek doen. Dan zal de kennis vermeerderen (12:1-4). Perzen en Grieken (2-4). Ik (2): de hemelse boodschapper, zie 10:2-11:1. Nog drie koningen. ..ende vierde (2): het perzische Rijk telt na Cyrus nog minimaal negen koningen. De vierde koning is moeilijk de identificeren. Men heeft aan Xerxes (Ahasveros) gedacht, maar hij is de derde koning na Cyrus. Men kan drie… vier misschien het beste opvatten als een stijlfiguur. Dit komt meer voor in het Hebreeuws. Het duidt de dingen aan in hun totaliteit, zie bv. Amos 1 en 2. De geschiedenis wordt hier gezien in verkort perspectief. Dat wijst op het profetisch karakter van dit stuk, zie inl.jjar. lVa en c. Een heldhaftige koning (3): Alexander de Grote (334-323 v.Chr.), zie ook 8:21. ln’dit bijbelboek wordt Nebukadnessar getekend als de machtigste koning, die er ooit is geweest. Hij is het gouden hoofd, 2:38. Historisch gezien is Alexander van groter betekenis. Door zijn optreden worden West en Oost met elkaar in verbinding gebracht: het Hellenisme ontstaat, ln de profetie wordt hij echter met een enkel vers afgedaan. Hij zal doen wat hem goeddunkt. Maar dat kan van zoveel koningen worden gezegd, 8:4; 11:16, 36. Het zou zelfs een definitie kunnen zijn van het koningschap in de wereld van het oude Oosten, 5:19. In dat opzicht is hij naar bijbelse maatstaven geen opvallende figuur. Zijn koninkrijk zal verbroken worden en verdeeld… uiteengerukt (4): deze drie werkwoorden geven met elkaar verbonden de totale ondergang aan van dit koninkrijk. Na de dood van Alexander de Grote ontstaat de strijd om de opvolging (Gr.: diado-chè); vandaar: Diadochen-strijd.

Het Zuiden tegen het Noorden (5-9). Wat het Zuiden en het Noorden is, wordt bepaald door de ligging van het land van belofte, het Sieraadland, vs 16; zie 8:4. Daniël heeft open vensters naar Jeruzalem, 6:11; oriëntatiepunt voor deze profetie is het geheel van Gods beloften aan Israel.De koning van het Zuiden (5): Ptolemeüs I Soter (323-285 v.Chr.). Een van zijn oversten: Seleucus, aanvankelijk als veldheer in dienst van Ptolemeüs I Soter, verovert met behulp van egyptische troepen Babylonië en sticht daarmee een rijk dat in omvang nog groter is dan dat van Egypte. Zullen zij zich verbinden (6): van oudsher worden de machtsverhoudingen tussen de volken bepaald door oorlogen en diplomatie. Het vorstenhuwelijk is daarbij een riskant maar toch vaak toegepast middel, 1 Kon. 11:1; 16:31;2Kon. 8:18. De dochtervan de koning van het Zuiden: Ptolemeüs II Filadelfus (285-246 v.Chr.) geeft zijn dochter Berenice ten huwelijk aan Antiochus II Theos (261-246 v.Chr.) van Syrië. Daarom verstoot deze zijn vroegere vrouw Laodice met haar zonen. Beide koningen sterven in hetzelfde jaar. Ptolemeüs III Euergetes (246-221 v.Chr.) trekt met een leger op naar Syrië om de belangen van zijn zuster (en dus ook de zijne!) veilig te stellen. Door een opstand in Egypte moet hij vroegtijdig terugkeren. Berenice en haar zoontje worden vermoord. Een spruit uit haar wortels (7): men denkt op grond van de buitenbijbelse bronnen aan Ptolemeüs III Euergetes. Hij is echter de broer van Berenice, niet een spruit uit haar wortels in de eigenlijke zin van het woord; zie voor deze uitdrukking Jes. 11:1. Berenice’s spruit werd tegelijk met haar om het leven gebracht. Onder Ptolemeüs UI heeft Egypte overwicht over Syrië. Hij weet door te dringen tot de Eufraat. De op een mislukking uitgelopen veldtocht van de koning van het Noorden (8), Seleucus II Callinicus (246-226 v.Chr.) zal daarin geen verandering brengen.

Het Noorden tegen het Zuiden (10-20). Het hierboven geschetste beeld wijzigt door het optreden van de zonen (10) van Seleucus 11 Callinicus, met name Seleucus III Soter (226-223 v.Chr.) en vooral Antiochus III de Grote (223-187 v.Chr.). Als een overstroming: de oorlogen nemen beangstigende vormen aan, zie ook vss 22 en 9:26. Zijn vesting: onverwacht lijdt Antiochus 111 bij Rafia een nederlaag. De koning van het Zuiden (11): Ptolemeüs IV Filopator (221-205 v.Chr.) ziet kans Antiochus III terug te dringen maar is te gemakzuchtig om zijn overwinning uit te buiten. Zal zijn hart zich verheffen (12): volgens 3 Makkabeeën betreedt hij bij zijn bezoek aan Jeruzalem het heilige der heiligen. De koning van het Noorden (13): Antiochus 111 slaat terug. Tegen hem: let men op het tekstverband, dan zou men denken aan de koning van het Zuiden, vs 11. Op grond van de buiten-bijbelse bronnen moet de toen nog vierjarige Ptolemeüs V Epifanes (204-180 v.Chr.) bedoeld zijn. Velen zullen opstaan (14): er breken opstanden uit in Egypte. Ook: het vuur van de revolutie slaat over naar Judea. Gezicht: (een) profetie als beeld van of visie op de eindtijd. Het is niet uit te maken of de hemelse boodschapper hier doelt op ware of valse profetie, ln het boek Daniël wordt duidelijk een verband gelegd tussen ‘geschiedenis’ en ‘gezicht’, 2:19, 28; 7:2; 8:2; 10:1,7,8, 14, 16. Niet de mens maar God verwerkelijkt dit gezicht, vs 36. Nooit de profetie in eigen hand nemen, zie Zach. 4:6. Van het volk wordt niet anders gevraagd dan gehoorzaamheid aan de Tora en – zolang het mogelijk is – trouwe deelname aan de openbare eredienst. Gewelddadige mensen: liggen hier de wortels van het Zelotisme, dat naast het Saddu-ceïsme, Farizeïsme en Essenisme behoort tot de vier belangrijkste stromingen van het Jodendom? Zie Mar. 14: 48 en Hand. 5:37. De koning van het Noorden (15): Antiochus 111 verovert Sidon. Hij verkrijgt nu vaste voet (16) in het Sieraadland, 8:9; 11:41, 45. Al is Israel bezet gebied, het blijft het land van belofte, zie Mat. 24:35. Zo blijft ook de aarde het eigendom des HEREN, Ps. 24:1. Een vergelijk: Antiochus III geeft zijn dochter Cleopatra (I) ten huwelijk aan Ptolemeüs V Epifanes. Hij bereikt daarmee niet het door hem gestelde doel. Weer blijkt hoe riskant het vorstenhuwelijk is als diplomatiek instrument, zie vss 6-7. Cleopatra kiest voor de zaak van Egypte.

Haar vader zendt een vloot naar de kustlanden (18): de Westkust van Klein-Azië, de eilanden in de Egeïsche Zee en Griekenland. Deze behoren tot de invloedssfeer van Egypte. Nu roept Cleopatra de Romeinen te hulp. De troepen van haar vader worden vernietigend verslagenbij Magnesia (190 v.Chr.). Bij de bevelhebber denkt men aan Lucius Cornelius Scipio. Het wordt Antiochus’ ondergang (19). In zijn plaats (20) komt Seleucus IV Filo-pator (187-175 v.Chr.). Hij zendt een afperser rond. Men denke aan Heliodorus, zie 2 Makkabeeën 3:7-21. De Romeinen hadden de Syriërs een zware schatting opgelegd. Om die te kunnen betalen probeert de koning beslag te leggen op de zeer aanzienlijke vermogens van de heiligdommen in zijn rijk. Het heerlijkste deel van het koninkrijk: dit is Israel bij het licht van de profetie, zie vs 16. Het is dus niet de plaats waar Daniël zich bevindt, 10:4, niet de diaspora, Jeruzalem blijft het middelpunt, 6:11.

Een veracht man in de eindtijd (21-45). Een veracht man (21): dezelfde als ‘een andere kleine horen’, 7:8, ‘een ander’, 7:24, ‘een daarvan’, 8:9, ‘een koning, hard van aangezicht en bedreven in listen’, 8:23-25, ‘een vorst die komen zal’, 9:26-27. Hij domineert in het perspectief van de profetie als Gods grote tegenstander. Het zal een tijd van grote benauwdheid zijn, 12:1. Het volk moet zich daarop voorbereiden om niet te ‘struikelen’, vss 33, 34, 35, 41, maar stand te houden, ‘sterk te zijn en daden te doen’, vs 32. Deze man moet veracht worden, omdat hij zich keert tegen het heilig verbond, vs 30, het dagelijks offer, vs 31, daarmee de openbare eredienst verbiedt, en een andere cultus invoert, vs 31. Men denke daarbij in de eerste plaats aan Antiochus IV Epifanes (175-164 v.Chr.). Hij is een ‘verachte’ (SV). Iemand, wie men de koninklijke waardigheid niet had toegedacht: hij bevond zich als gijzelaar te Rome, was geen kroonprins, toch vecht hij zich een weg naar de syrische troon. Alles overstromende strijdkrachten (22): zie bij vs 10. Een vorst van het verbond: dezelfde als ‘een gezalfde’, 9, 26, nl. de hogepriester Onias III. Hij werd in 175 door zijn broer Jason verdrongen en in 171 v.Chr. vermoord, zie 2 Makkabeeën 3 en 4 en 1 Henoch 90:8. De woorden bedrog (23) en onverhoeds (24) kenmerken het verraderlijk optreden van de ‘verachte’. Noch met zijn offensief tegen de koning van het Zuiden (25), Ptolemeüs VI Filo-metor (180-145 v.Chr.) noch met zijn vredesonderhandelingen zal hij enig resultaat bereiken (27). Zijn machteloosheid zal hij wreken op het heilig verbond (28), di. het volk van God als cultusgemeenschap, zie 9:27. Opnieuw zal hij in het Zuiden binnenvallen (29), maar tevergeefs. De schepen der Kittieten (30) schrikken hem af. Een romeinse vloot bedreigt de syrische kust. Men denkt aan de romeinse legaat Popil(l)ius Laenas. Hij overhandigt Antiochus een ultimatum. De koning vraagt bedenktijd. Met een stok trekt de romeinse afgezant een cirkel om zijn voeten. De koning moet daar net zo lang blijven staan totdat hij z’n antwoord heeft gegeven. Hij zwicht. Hij moet zich met zijn troepen terugtrekken uit Egypte, zie ook bij vs 18. Weer moet Jeruzalem het ontgelden. De zwaarte van de beproeving zit in de herhaling. Komt er ooit een einde aan? De koning zoekt contact met hen die het heilig verbond verzaken, Deut. 29:18; 31:16; de verering van de enige ware God vervangen door de verering van andere goden of machten. In de eindtijd gaat de aanval op de gemeente van buiten af gepaard met afval van binnen uit, zie Hand. 4:27. Nu wordt ook het heiligdom zelf het doelwit (31). Het wordt ontheiligd, di. onttrokken aan God en zijn dienst. Het verbod van het dagelijks offer betekent het einde van de openbare eredienst. Afgoderij komt er voor in de plaats: gruwel is de aanduiding van een afgodsbeeld, Deut. 29:17; 2 Kon. 23:24; Jes. 66:3; Jer. 4:1; 7:30; 13:27; 16:18; 32:34; Ez. 5:11; 7: 20; 11:18, 21; 20:7, 8, 30; Hos. 9:10; 2 Kron. 15:8. Antiochus IV bouwde in 167 op het brandofferaltaar een altaar gewijd aan Zeus Olympius, 1 Makk. 1:54. Verwoesting: de afgoderij heeft een verwoestende werking op het geloof van de gemeente, zie 9:27; Mat. 24:15; Mar. 13: 14. Dan geldt het parool: vluchten, Op. 12:6. Zich misgaan tegen het verbond (32) is iets anders dan het verbond verlaten zoals in vs 30. Wel kan het verval van het geloof door ongehoorzaam te zijn aan (de geboden van) het verbond gemakkelijk leiden tot afval, zeker als dat gestimuleerd wordt door vleierijen, dwz. de mensen naar de mond te praten, Gal. 1:11. Daarentegen zal het volk dat zijn God kent, di. zijn gemeenschap zoekt en bewaart in het geloof, sterk zijn en daden doen: de polarisatie van de eindtijd, Op. 22:11. Een belangrijke taak hebbende verstandigen (33): SV ‘de leraars’. Ze komen op uit het volk, zijn dus leken, geen priesters, evenmin als Daniël en zijn vrienden, 1:3. Ze zijn van betekenis voor velen: men heeft hier gedacht aan een parallel met Jes. 53:11, zie vooral ook vs en 12:3, 10. De ‘verstandige’ en ‘de velen’ komen in geïnstitutionaliseerde vorm voor in de gemeenschap van Qumran. Tot inzicht brengen: in het geloof een open oog hebben voor wat in de eindtijd gebeurt en gebeuren zal, Op. 1:1. Niettemin zullen ook de leraren een tijdlang struikelen: door een zware crisis heengaan als gevolg van velerlei verzoekingen. Bij een kleine hulp (34) kan men denken aan de opstand der Makkabeeën (Calvijn: ‘zonder de minste twijfel’). Hun betekenis wordt wel sterk gerelativeerd. De boeken der Makkabeeën slaan een heel andere toon aan. Dat sommige leraren in een crisis raken heeft ook een positief aspect: het brengt loutering, schifting en zuivering (35). De eindtijd düürt. De koning (36) zal steeds meer de trekken vertonen van de antichrist: zelfs tegen de God der goden zal hij ongehoorde woorden spreken: 7:25; 2 Tes. 2:4; Judas: 16; Op. 13:5, 6. Totdat de maat van de gramschap vol is: Ps. 92:8. Er is een ‘totdat’, nl. het jongste gericht, 7:22. Immers wat vastbesloten is, geschiedt: geen paniek! Alles verloopt volgens Gods plan. Zie de Openbaring des Heren aan Johannes.De lieveling der vrouwen (37): Tammuz (Grieks: Adonis), de god van de vruchtbaarheid, werd vooral vereerd door de vrouwen, zie Ez. 8:14. De god der vestingen (38): Zeus als oorlogsgod, de Jupiter-van-het-Capitool. Volgens sommige uitleggers heeft Antiochus zichzelf met deze godheid geïdentificeerd. De versterkte vestingen (39): de citadel van Jeruzalem, vs 31, zie 1 Makkabeeën 1:20-40. De vreemde god: de god der vestingen, vs 38. Ieder die deze erkent: Op. 13:15-17. (40-45): Volgens de uitleggers die de vss 239 opvatten als een historische terugblik ingekleed in de vorm van een profetie houdt nu, 166 v.Chr., het verhaal op en begint met vs 40 de eigenlijke profetie. Voor de bezwaren tegen deze opvatting zie inl. par. IVa-e. In botsing komen (40): ‘Ook zult gij horen van oorlogen en van geruchten van oorlogen. Ziet toe, weest niet verontrust; want dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet’, Mat. 24:6. Vss 40v doet denken aan het offensief van Gog, de koning van Magog, tegen Israel, Ez. 38 en39, en van Gog en Magog tegen de kerk, Op. 20:8. Als een overstroming: zie bij vss 10 en 22. Het Sieraadland (41): zie bij vs 16. Edom: zie hierboven de samenvatting. Hij zal zijn hand uitstrekken tegen de landen (42): de ‘verachte’ gedraagt zich als almachtige, de tegenhanger van de messiaanse Koning, Ps. 72:8-11. Om velen te verdelgen (44): zijn koninkrijk brengt dood en verderf, het is het tegenbeeld van het Koninkrijk van God, zie ook 7: 20, 21 en 25 over de ‘ene hoorn’. Zijn staatsietenten (45): hij richt een indrukwekkend hoofdkwartier in vlakbij Jeruzalem en snijdt daarmee alle verbindingslijnen tussen de zee en de stad af. Op de berg ligt het heiligdom geïsoleerd. Wat blijft van het heilig Sieraad, zie bij vs 16, over als Gods vijand hier zijn tenten opslaat? Kan de tempel .dan nog een tent zijn voor God? Maar dan komt hij aan zijn einde: Op. 20:7-10 en 21:3.

De onzichtbare strijd (12:1-4). In die tijd (1): als de ‘verachte’, 11, 21-45, toeslaat. Michaël: zie bij 10:13. De grote vorst: de aartsengel, Judas: 9. Staat de zonen van uw volk terzijde: de eindstrijd woedt niet alleen op de aarde maar ook in de hemelse gewesten, 10:13, 14, 20; Rom. 8:38; Ef. 6:12. Ontkomen: de nieuwe exodus. Al wie in het boek geschreven wordt bevonden: er zijn tweeërlei kinderen des verbonds, Jes. 4:3; Luc. 10:20; Filp. 4: 3; Heb. 12:23; Op. 3:5; 13:8; 17:8; 21:27. Dit woord van de verkiezing bedoelt niet ‘het volk dat zijn God kent’ onzeker te maken, maar is een opwekking, nu het erop aankomt, ‘sterk te zijn en daden te doen’, 11:32. Het boek: nl. het boek des levens, zie bij 7:10. Velen (2): kan, gelet op 8:25; 11:33, 34, niet de betekenis hebben van ‘allen’. De beperking heeft niet betrekking op de algemene geldigheid van de opstanding maar blijkens het tekstverband op Israel, zie ook inl. par. IIa en c, en op de situatie van de voleinding: niet allen zullen in de eindtijd sterven, 1 Kor. 15:51 v; 1 Tess. 4:17. Dezen… en genen: er is ook tweeërlei toekomst: een waarschuwing voor hen ‘die zich misgaan tegen het verbond’, 11:32. Over de opstanding ten leven en ten oordeel: Mat. 25:46; Joh. 5:29; Hand. 24:15; 2 Kor. 5:10; Op. 20:13.De verstandigen (3): zie bij 11:33, 35. Tot gerechtigheid hebben gebracht: staat parallel met het rechte ‘inzicht’, 11:33, dat tot uitdrukking komt in gehoorzaamheid aan de Tora en trouw in de dienst des HEREN. Als de sterren: Op. 1:20. Houdde woorden verborgen (4): zie 8:26 en de samenvatting. In Op. 22:10 is de heilshistorische situatie inmiddels gewijzigd. Nu ‘is de tijd nabij’ en hebben wij te verkondigen ‘hetgeen weldra moet geschieden’, Op. 1:1. Inmiddels is ook de kennis vermeerderd: ‘Dit heb Ik tot u gesproken, terwijl Ik nog bij u verblijf; maar de Trooster, de Heilige Geest, die de Vader zenden zal in mijn naam, die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb’, Joh. 14:25, 26.

De voleinding 12:5-13

Nu ziet Daniël nog twee engelen, een aan deze kant en een aan de overkant van de rivier. Een van hen vraagt aan de engel die Daniël zo bemoedigend had toegesproken en zich inmiddels verplaatst heeft tot ergens boven het midden van de rivier: Hoe lang nog blijft het wonder van de voleinding uit? Het antwoord is een eed, waarbij de twee engelen blijkbaar dienen als getuigen: Een tijd, tijden en een halve tijd. Dit is een aanduiding van de eindtijd, 7:25, de symbolische periode van VA jaar, 42 maanden of 1260 dagen.

Het einde aller dingen nabij? Hoe ras of traag de tijd verdwijnt, die dag zal zeker komen! Daniël zou graag meer details willen vernemen, maar God vindt het zo genoeg. Iedereen kan nu weten, waar hij aan toe is. Er komt nu ook steeds meer duidelijkheid. Velen zullen zich laten reinigen, zuiveren en louteren. De goddelozen daarentegen zullen zich verharden. Daarmee beroven zij zich van de kennis der waarheid.

Zo grijpt het slot van dit bijbelboek terug op het begin. Alleen de gehoorzaamheid aan de Tora opent de bron van de wijsheid. Dan wordt het juiste inzicht geschonken op de tijd waarin we leven. De leraren zullen het verstaan en… verklaren.

Voor ons gevoel moeten we misschien langer wachten dan 1260 dagen. Misschien zijn het 1290 dagen. Misschien wel 1335 dagen. ‘Doch dit ene mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Here is als duizend jaren en duizend jaren als één dag. De Here talmt met met de belofte, al zijn er die aan talmen denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen’, 2 Petr. 3:8, 9. Nu kan Daniël heengaan in vrede: Maar gij, ga het einde tegen, en gij zult rusten en opstaan tot uw bestemming aan het einde der dagen.

De eed (5-7). Het boek der waarheid (zie vs 4; de inhoud wordt omschreven als ‘de waarheid’, 11:2) waarvan de inhoud in dit gezicht aan Daniël wordt meegedeeld door de hemelse boodschapper, draagt deze naam terecht. De eindtijd loopt inderdaad uit op de voleinding. Deze belofte wordt bekrachtigd door een eed. De rivier (5): de Tigris, 10:4. Hoe lang (6): de engelen hebben dezelfde vraag als de gelovigen op aarde, Ps. 6:4; 13:2, 3; 35:17; 79:5; 89:47; 90:13; 94:3, en in de hemel, Op. 6:10. Bij Hem die eeuwig leeft (7): vgl. Op. 1:18. Terwijl hij zijn rechter- en zijn linkerhand ten hemel hief: bij het afleggen van een eed zijn verschillende gebaren mogelijk: men legt de hand onder iemands heup, Gen. 24:2, 9, het aanbieden van een geschenk, Gen. 21:30, of het opheffen van de rechterhand naar de hemel, Deut. 32:40; Ps. 106: 26. Hier worden beide handen opgeheven: een extra bekrachtiging. Dit heilig verbond zal niet wankelen, Jes. 54:10.

Op weg naar het land van belofte (8-13). Eens werd Daniël als balling weggevoerd naar Babel, 1:3-7. Nu mag hij terug. Nieuwtestamentisch gezegd: niet naar het aardse maar het hemelse Kanaän.Begreep het niet (8): veel blijft nog voor Daniël verborgen, voor hem meer dan voor ons, 1 Petr. 1:10-12. Verborgen en verzegeld (9): gelet op de heilshistorische situatie krijgt Johannes op Patmos een andere opdracht, Op. 22:10. Velen (10): zie bij 11:33. Reinigen en zuiveren en louteren: zie 11:35. Het dagelijks offer wordt gestaakt en een gruwel wordt opgericht (11): 8:11-13,9:27, 11:31. De openbare eredienst is in het geding. 1260,1290 (12), 1335 dagen: over de preciese betekenis van deze getallen tasten we in het onzekere. In de samenvatting hierboven wordt een suggestie gedaan voor een mogelijke verklaring. Meer waarde moet men daaraan niet hechten. Hoe het ook zij, het zijn dagen waarop voor ons de belofte van de Here Jezus van toepassing is: ‘En zie, Ik ben met u al de dagen totaan de voleinding der wereld’, Mat. 28:20, zie daarom ook Op. 11:1, 2. Ga het einde tegen (13):Luc.2:29. Rusten en opstaan: sterven en opstaan. Bestemming: SV ‘lot’. Het land Kanaän werd onder Israel verdeeld door het werpen van het lot, Joz. 13-19. Daarom kon het ‘erfdeel’ dat men ontving ook gemakkelijk het ‘lot’ genoemd worden. Deze en de hiermee samenhangende woorden geven in overdrachtelijke zin de zaligheid weer van de geloofsgemeenschap met God, vgl. Ps. 16:6.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken