De wenk van de Godsnaam
‘God is nooit echt verdwenen,’ schrijft de filosoof Erik Meganck tegen het einde van zijn onlangs verschenen boek God: Naar een andere filosofie. ‘Die Naam is zo weerbarstig…’.
Inderdaad hoef je niet lang te wachten voordat je terloops de naam ‘God’ hoort vallen. Niet alleen als verwijzing naar Bijbelverhalen of kerkelijke riten, maar ook, alledaagser, als uiting van opluchting (Goddank) of hoop (Godweet), van verbazing (Gossiemijne) of ontsteltenis (Godsamme), vertederd (Gossie), op hoop van zegen (in Godsnaam), als vloek (G.v.d.) of simpelweg als korte verzuchting: God! – door Amerikanen meestal uitgesproken als Gawd!
Zo banaal als die vaststelling mag lijken, zo fundamenteel is ze voor Megancks poging in dit boek de naam ‘God’ opnieuw betekenis te geven voor de filosofie. Hoe rigoureus deze daaruit verdwenen was, heeft hij enkele jaren eerder laten zien in zijn boek Religieus atheïsme: (Post)moderne filosofen over God en godsdienst (Damon, 2021). Voor filosofen als Feuerbach, Nietzsche, Russell, Wittgenstein, Sartre, Derrida en anderen bleek de traditionele Godsidee als het absolute sluitstuk van ieder denken en als bekroning van de wereld niet langer geloofwaardig.
In deze klassieke opvatting was ‘God’ de theologische uitdrukking geworden van wat Heidegger in de filosofie ‘de metafysica’ noemde: een denken dat meende in de vorm van een systeem de hele werkelijkheid te kunnen omvatten, begrijpen en doorzien. Door een dergelijk ‘theïsme’ wordt niet alleen de wetenschap maar ook een deel van de filosofie (volgens Meganck vooral van Angelsaksische inslag) nog altijd beheerst. God is daaruit weliswaar met kracht verwijderd, maar diens plaats is nu ingenomen door de menselijke pretentie diens werk voortaan te kunnen overnemen.
In dit simplistische ‘gehaktbaldenken, zoals Meganck het noemt (‘Er bestaat geen God, punt!’), is er volgens hem eigenlijk niets veranderd. Hoe militant het zichzelf ook atheïstisch mag noemen, in de hardnekkige voortzetting van het ‘metafysische’ wereldbeeld betoont dit denken zich veeleer naïef hyper-theïstisch. Het miskent hoezeer de dood van de (metafysische) God het denken heeft opengelegd en ontworsteld aan de dictaten van een logica waarin elke uitspraak letterlijk ‘sluitend’ moet zijn – al is het nu de menselijke en niet de goddelijke rede die dit systeem sluit.
Vandaar dat Meganck al aan het eind van Religieus atheïsme teruggrijpt op de naam van God als iets dat circuleert maar niet verwijst naar een (hoogste) wezen in de zijnsorde. God is er niet, zo geeft hij het ‘gehaktbaldenken toe, maar wel ‘[be]noemt [zijn naam] de wereld als opening en meaning’. Op die manier kan juist het atheïsme in niet-banale zin bij uitstek religieus worden. Het vormt de actieve bevestiging van een denken dat de oren niet sluit voor het ‘ongehoorde’ en alles wat buiten de orde van het berekenbare en beheersbare valt.
In God: naar een andere filosofie zet Meganck deze gedachtengang voort, aan de hand van de vraag wat de vocabel ‘God’ wijsgerig nog kan betekenen. Uitdrukkelijk blijft hij daarbij binnen de grenzen van de filosofie, die niet langer de dienstmaagd wil zijn van de theologie, maar ook niet van de wetenschap, waartoe zij in de 20ste eeuw werd gereduceerd. Tegenover die laatste bewaart zij een kritische distantie en de eerste beschouwt zij eerder als vriendin dan (zoals de moderniteit wilde) als tegenstander. Daarin lijkt zijn positie enigszins op die van Kant, die binnen de filosofie de plaats openhield voor het Godsgeloof dat door de theologie nader moest worden gearticuleerd maar waarover de wijsbegeerte verder niets had mee te delen.
In het voetspoor van vooral Nietzsche, Heidegger en Derrida beschrijft Meganck in steeds bredere cirkels hoe het denken wel móet falen wanneer het zichzelf tracht te funderen en rechtvaardigen. Een dergelijke poging loopt altijd uit op een Münchhausen-kapriool waarin de filosofie zich aan de eigen haren uit het moeras van het ongedachte omhoog trekt om zichzelf vervolgens triomfantelijk tot een zelfdragend absolutum uit te roepen. In deze opvatting bestaat er uiteindelijk niets buiten het denken; de hele werkelijkheid wordt in de theoretische beschouwing omvat en begrepen.
Geen wonder dat het ‘platte atheïsme’ ervan, zoals Meganck het noemt, het vervolgens zonder God kan stellen; het is immers zijn eigen God geworden – en dus ‘hyper-theïstisch’. Een doordacht atheïsme kan alleen ontstaan wanneer men dergelijke absoluutheidsaanspraken verwerpt. In de erkenning van het onreduceerbaar ‘andere’ dat voor het metafysische denken steeds weer een steen des aanstoots vormt, kan men dat, volgens de terminologie die Meganck in dit boek hanteert, pas werkelijk ‘religieus’ noemen.
Zo draaien alle sleuteltermen uit het godsdienstdebat een keer om hun as. ‘Plat’-atheïsme wordt hyper-religieus, want een vorm van blind geloof in de zichzelf funderende rede. En een atheïsme dat elke bodem en elk sluitstuk in denken én kosmos ontkent, wordt in de ware zin godsdienstig omdat de naam ‘God’ (waaraan geen ‘ding’ in de werkelijkheid beantwoordt) de altijd op de loer liggende zelfverzekerdheid van het ‘gehaktbaldenken’ voortdurend uit de hengsels licht. Elke keer wanneer die naam valt, moet de geïrriteerde rede vaststellen dat ze niet alles beheerst, al was het maar omdat dit onbegrijpelijke woord conform het emancipatiediscours van de moderniteit al lang uitgewist had moeten zijn.
Inderdaad kan men de hardnekkigheid waarmee de godsdienst weigert uit te sterven opvatten als een praktische weerlegging van de idee dat de Verlichting vanzelf op het afsterven daarvan uitloopt. Nog afgezien van de interne contradictie daarin (de Hegeliaanse idee dat de geschiedenis een noodzakelijke logica volgt staat haaks op het Verlichtingspositivisme dat elke historische noodzaak loochent) blijkt de ‘naam (van) God’ steeds weer sterker dan elk vooruitgangsdenken dat slechts in een (om met Yuval Noah Harari te spreken) ‘Homo deus’ gelooft.
Wel kun je je afvragen of de filosofie deze omweg over de hardnekkigheid van Gods naam nodig heeft om te begrijpen dat het gesloten wereldbeeld van de klassieke metafysica niet houdbaar is. Geen van de drie denkers die ik als de leidsterren van Megancks gedachtengang genoemd heb, viel daarop terug. Zelfs Nietzsche gebruikt de idee van de dood van God in zijn veelgeciteerde fragment 125 uit De vrolijke wetenschap eerder als illustratie van zijn anti-metafysica dan als argument daarvoor.
Kun je Megancks filosofische positie enerzijds vergelijken met die van Kant, zoals ik boven heb gedaan, hier lijkt een nog steviger in het christendom gewortelde filosofie door te schemeren. Wanneer Meganck tegenover het metafysisch-positivistisch denken wijst op de onontkoombare opening daarin, die het denken pas een ware betekenis (meaning) kan geven, lijkt bij hem een echo door te klinken van de godsbewijzen van Thomas van Aquino, waar deze vaststelt dat in wat zuiver filosofisch beschreven is nu onverwacht de theologische naam van God oplicht: ‘en dit is wat wij God noemen’, zoals Thomas zegt na elk bewijs. Bij hem is dat de orde van de wereld, de Eerste Oorzaak, etc; bij Meganck is het de bres (opening) die in het gesloten denken geslagen wordt en waarin een meaning oplicht die aan de eigenmachtigheid daarvan ontsnapt.
Op dat moment wordt de brug van de filosofie naar de theologie geslagen en mogen beide als ‘amicae’ vriendelijk naar elkaar wuiven. Uitdrukkelijk stelt Meganck immers vast dat de God die hij in zijn filosofische bespiegelingen op het spoor is niet dezelfde is als die waartoe wij bidden. Hoe vriendschappelijk wijsbegeerte en theologie met elkaar ook mogen omgaan, zij zijn evenmin aan elkaar gelijk als het wijsgerig leven dat is aan het geloofsleven. Meganck maakt de Godsnaam binnen de wijsgerige speculatie opnieuw respectabel, maar niet onontkoombaar. Ook buiten elk religieus register om is de filosofie bij machte het gesloten denken te doorbreken, om in die nieuwe opening (post-metafysisch) betekenis te laten oplichten.
Toch lijkt Meganck tegen het eind van zijn boek verder te willen gaan dan dit. Dan gaat het niet langer alleen om de rehabilitatie van de naam van God als een mogelijke articulatie van post-metafysische ‘meaning’, maar krijgt deze naam ook inhoudelijk betekenis voor de zich openende filosofie. Louter wijsgerige ontvankelijkheid is dan niet meer genoeg. De wijsbegeerte zelf vraagt om een verdergaande houding van beschikbaarheid, die Meganck uitgedrukt ziet in de theologale deugden geloof, hoop en liefde.
Inderdaad zijn dat geen termen die tot de klassieke filosofische habitus behoren. Meer dan tot de afstandelijkheid die daarin de toon zet, roepen deze deugden op tot een openheid en overgave die Meganck in het voetspoor van Derrida met gastvrijheid verbindt. Dat is het moment waarop theoretische wijsbegeerte kantelt naar een levenskunst die ook de beschouwing zelf niet ongemoeid laat. Niet het andere-dan-de-wereld is voor deze nieuwe religiositeit het focuspunt, zo zegt hij Nancy na, maar het andere-van-de-wereld, waarin deze zich toont als een voorwerp van verwondering, dat niet (allereerst) vraagt om begrip maar om ontvankelijkheid.
Heel uitdrukkelijk voeg ik aan die laatste zin het woord ‘allereerst’ toe. Terwijl wijsbegeerte nooit mag ontaarden in een loutere geestelijke toeëigening die alles tot de eigen rede terugbrengt, zo mag ze zich – zou ik zeggen – ook niet overgeven aan een spiritualiteit die oplost in gestemdheid en ervaring. Als ik Meganck goed begrijp, is ook hij erop gespitst deze twee uit elkaar te houden, zonder een wederzijdse invloed uit te sluiten. Hier wordt het terrein onzeker, omdat scherpe scheidslijnen niet te trekken zijn. Zelfs het meest rationele denken wordt altijd óók door het ongedachte geraakt.
Was het alleen maar dit besef dat Erik Meganck in God: naar een andere filosofie gearticuleerd had, dan zou elke filosoof zich het boek ter harte moeten nemen. Meganck trekt die lijnen echter verder door en provoceert daarmee bewust een denken dat van religie niets weten wil. Die provocatie is terecht; met de godsdienst is men, ook wijsgerig, nooit werkelijk klaar. ‘God’ tart het denken, maar juist aan die aanstoot ontleent het zijn kracht.
In die spagaat houdt dit boek zich op. Het drijft de filosofie tot op haar eigen rand, maar hoezeer deze zich ook moet laten beleren door het ‘andere’ dat nooit geheel het hare zal worden, zij blijft – daarop zou ik willen insisteren – een denkdiscipline, gestreng en rigoureus. Zij hoort de naam ‘God’ circuleren als iets wat wenkt in zijn vreemdheid – misschien zelfs als een filosofisch schandaal. Maar verder gaat zij niet. Haar God blijft altijd een ‘God van filosofen en geleerden’, om het met Pascal te zeggen, ‘niet de God van Abraham, Isaac en Jacob’. Hij is niet ‘de God tot wie men bidt en voor wie men danst,’ zegt stelt ook Meganck terecht vast. De overgave aan hem ligt buiten de reikwijdte van wat wijsbegeerte vermag.
Ger Groot was bijzonder hoogleraar Filosofie en Literatuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen en doceerde wijsgerige antropologie en cultuurfilosofie aan de Erasmus Univerisiteit Rotterdam. Hij publiceert veelvuldig beschouwingen, boekbesprekingen en opiniestukken in dag- en weekbladen en culturele tijdschriften.
Erik Meganck, God. Naar een andere filosofie. Uitgeverij: Utrecht, KokBoekencentrum, 2026. 287 pp. € 22,99. ISBN 9789043544429
