Menu

None

Meganck – God

Dit is een fragment uit hoofdstuk 1 (p. 47-50):

We beginnen dus nu aan een boekje over denken over God, over de Naam. Goed, maar is dat nog wel nodig? Kan dat zelfs nog wel? Niet dat het taboe zou zijn, nee, merkwaardig genoeg loopt de boekenmarkt over van titels over God en godsdienst. Iedereen schrijft over God tegenwoordig. Sinds kort bestaat het prestigieuze Journal for Continental Philosophy of Religion (Brill). Dat betekent dat er in elk geval interesse wordt getoond in dat filosofische terrein. Theologen, natuurlijk, maar ook filosofen, wetenschappers, politici, kunstenaars en nog anderen kunnen er niet over zwijgen.

Ironisch genoeg pennen de ‘platte’ atheïsten enthousiast – in het Grieks betekent dit trouwens: door de godheid bezocht – mee. Kijk maar naar de zelfverklaarde ‘ruiters van de apocalyps’. Zoals hun naam aangeeft, staan ze zelf volop in de openbaring, de – letterlijk – publicatie van de Naam. Wat die niet over God publiceren onder de vorm van boeken, artikels, voordrachten, debatten, tv-optredens, YouTube-gedoe… Doodzwijgen, doodschrijven, doodpraten, niks werkt. Hoe meer God doodgaat, hoe levendiger die Naam maar blijft circuleren. De Naam blijft, ziedaar wat ons staat te overdenken. De filosofie kan en mag hier niet omheen. Ze móét die Naam omarmen, de levende Naam van een dode God. Daarvan heeft het vorige deel u hopelijk overtuigd en zo kunnen we dan verder.

Het beeld ‘dood’ past bij God

Van de dood weten we totaal niets, behalve dat die ooit komt, daarvan kunnen en moeten we zeker zijn. Ook al is onze dood dan ook ons meest eigene, het is tegelijk ook voor elk van ons het totaal andere. Het hoort onlosmakelijk bij het leven terwijl het zich er toch weer radicaal van distantieert. Die ambivalentie raakt niet opgelost door leven en dood biologisch, of juist níét biologisch te bekijken. We geraken er niet uit, en misschien hoort het wel zo. Vooraleer over het hiernamaals te gaan denken, moeten we hierdoorheen.

Negatieve theologie

Het beeld ‘dood’ past bij God. Elke theologische, filosofische, politieke bepaling, of welke bepaling dan ook, glijdt zo van Hem af. Dat had de negatieve theologie al begrepen. Dat is een vorm van over God denken en spreken die gemeenzaam wordt toegeschreven aan Dionysios de Areopagiet – ook de Pseudo-Dionysios genaamd, lang verhaal. Die negatieve theologie vervangt of ontkent de positieve, gangbare theologiebeoefening niet, maar frustreert haar aspiraties.

In het kort komt het hierop neer: telkens wanneer iemand iets over God beweert of poneert – vandaar: positieve theologie – moet dat tegelijk worden ontkend. Wie bijvoorbeeld beweert dat God goed is, moet daar onmiddellijk op laten volgen dat de categorie ‘goed’ eigenlijk amper geschikt is om aan God toe te dichten, omdat we God daarmee tussen de dingen gooien die we ook ‘goed’ noemen. En dat gaat zomaar niet. God ligt nu eenmaal voorbij de categorieën, staat ‘hors catégorie’. Zo belooft de dood van God ons een levende God, maar niet daar waar we die verwachten. Van een Naam kan niets worden geëist, zeker geen (fysieke) aanwezigheid.

Ethiek

Trouwens, wie wéét zeker wat nu goed of kwaad is? Wie daarop zou reageren met een wijsneuzig ‘Ja, maar niets is eenduidig goed of kwaad’ kan dan wel gelijk hebben, maar het ontslaat ons niet van een steeds voorlopig moreel oordeel. Ethiek – of moraal, het onderscheid is in deze context niet relevant – heeft haar eigen bereik, ongetwijfeld, maar ons samenleven vraagt nu eenmaal om morele posities. Uiteraard gelden die posities nooit absoluut omdat alleen de liefde dit zou kunnen, ware het niet dat die onverzoenbaar blijkt met ‘absoluut’ en ‘gelden’. Met dat laatste raak ik ineens aan wat een centraal thema van dit boek en, wat mij betreft, van de godsdienstfilosofie kan worden: de ‘externe referentie’. De wetenschapsfilosoof Nagel noemt dat een ‘view from nowhere’.

Moraal wijst op de ontoereikendheid van de liefde, of beter: het menselijk tekort aan liefde

Een morele positie kan in de wereld pas op absolute en dus niet-onderhandelbare wijze gelden, wanneer die positie kan worden gelegitimeerd door een ongenaakbare instantie buiten de wereld, dus niet gebonden aan een positie of conditie. Als nu zou blijken – en dat zal zo zijn – dat die instantie filosofisch ontoegankelijk wordt verklaard, kan niemand zijn morele positie nog absoluut doen gelden. Er kan dan hooguit worden verwezen naar een levensbeschouwelijke motivatie die zich presenteert in een ruimte waarin vanuit verschillende posities wordt onderhandeld. Zo blijkt bijvoorbeeld uit onderzoek dat protestanten en joden het minder moeilijk hebben met abortus en euthanasie dan katholieken en moslims. Maar dat betekent dus nog niet dat een prolifeactivist een abortusdokter (George Tiller, David Gunn, John Britton, Barnett Slepian) mag vermoorden.

Moraal wijst op de ontoereikendheid van de liefde, of beter: het menselijk tekort aan liefde. Daarom verklaart Caputo zelf tegen ethiek te zijn. Het zich verplicht weten doet het inderdaad beter dan een ethica, more geometrico demonstrata (Spinoza). Dit betekent zoveel als een ethiek, op axiomatische wijze uitgewerkt. Morele recepten en precepten zijn te nemen of te laten, maar de verplichting grijpt u bij uw nekvel en laat niet los. Uiteraard hoort u hier duidelijke echo’s van Levinas die juist heel erg voor ethiek was, zij het dan ook op eigen wijze. Daarover later meer onder Dekardinalisatie (3.3).

Zei Augustinus niet: ‘Bemin, en doe dan wat u wil!’? Daarmee bedoelt hij dat in de geest van de liefde niets slechts kan gebeuren. En rangschikt de zelfverklaarde atheïst Comte-Sponville in zijn Kleine verhandeling van de grote deugden de liefde niet hoger dan die deugden? Is dan de liefde niet de Naam voor de oproep om telkens weer onze morele handel en wandel te bevragen? En dat heeft niets te maken met het afwegen aan een of ander logisch consistent model. Misschien moeten we het morele eerder zoeken in waar het rationele wordt opgeschort – en niet: afgeschaft of ontkend. Misschien kunnen we het beste Comte-Sponville als aanknopingspunt nemen en dan de paden volgen die Levinas en Caputo openen, met gijzeling en verplichting als morele basisfiguren.

Dat strookt dan in elk geval met mijn intentie om het denken, die filosofie en theologie, voorbij de dood van God te tillen. Wanneer het Hoogste morele Zijnde is uitgewerkt, ‘moeten’ we naar een andere vorm van normativiteit zoeken die niet logisch-deductief, more geometrico werkt. Dan herinneren we ons terecht het woord van Christus: ‘Alleen God is goed!’ (Mat. 19:17; Marc. 10:18; Luc. 18:19) Dit is morele versie van het mono(-a-)theïsme. Maar, opnieuw, wat betekent dat dan precies?

Van God kunnen we dus helemaal niets zeggen met stellige zekerheid. Of toch wel? Als we dan zoeken naar een vertrekpunt, iets waarover we ons aangaande God kunnen verwonderen – want daar, bij de verwondering, vertrekt toch elke filosofie? – dan is dat wel het feit dat die Naam circuleert, publiceert, persisteert, insisteert, resisteert. Vandaar nogmaals het motief voor en van dit boek: de Naam God blijft doorgaan, doe er dan tenminste iets mee.

Erik Meganck is theoloog en doctor in de filosofie.


Erik Meganck, God. Naar een andere filosofie. Uitgeverij: Utrecht, KokBoekencentrum Uitgevers, 2025. 192 pp. € 22,99. ISBN 9789043544429

Wellicht ook interessant

None

Nicea voor Nu; hoe een oude belijdenis ons vandaag kan helpen

Drie initiatiefnemers – Jelle Huismans, Margriet Westes en Arnold Smeets – hebben ervoor gezorgd dat 32 schrijvers samen 47 korte, puntige bijdragen schreven over de Geloofsbelijdenis van Nicea. Steeds namen de auteurs een paar woorden uit de belijdenis voor hun rekening, waarover zij twee à drie pagina’s schreven. Dat maakt het tot een zeer toegankelijk boek. Met dank daarvoor: ik heb het met plezier gelezen en hier en daar zinnen onderstreept en smileys of kruisjes gezet bij uitspraken die mij boeiden of juist tegenstonden.

Basis

Boekrecensie Verblijven in de ziel van Esther Stoorvogel door Ludy Fabriek

Het boek Verblijven in de ziel van Esther Stoorvogel is een geweldige uitdaging om je innerlijke relatie met God als je hemelse Vader meer en meer te verdiepen. Het beeld van de ziel als een burcht met zeven verblijven spreekt heel erg tot de verbeelding. Zeker om de ontwikkeling van je geestelijke leven te zien als een reis door die verblijven op weg naar het hart van de burcht: de troonzaal. Het uiteindelijke doel van een kind van God is om zó dicht bij Hem te zijn, dat we volkomen één met Hem zijn. Vandaar dat de subtitel van het boek ook treffend gekozen is: De innerlijke reis naar het hart van God.

Nieuwe boeken