Menu

Premium

De geboorte van een hymne

Kerstdag (Johannes 1:1-14)

Het moet nog Pasen worden op het moment dat ik dit schrijf. Een leeg Pasen, althans wat betreft de vele kerkruimten die niet door opgewekte christenen worden bevolkt; zij allen moe(s)ten dit jaar het lijden, het sterven en de verrijzenis van hun Heer aan huis gebonden vieren. Je zou bijna zeggen: zo leeg als dit jaar is het graf van Christus – waarvan de liturgische ruimte ook symbool is – nog nooit geweest.

Wat het Paasfeest verbindt aan de geboorte van Christus? Dat wordt vandaag hoorbaar in het Evangelie. Want Hij die is opgestaan, het licht dat het einde is van alle denkbare duisternis, wordt geboren, beter: wordt present gesteld. Hij is degene die zegt: ‘van voordat Abraham er was, ben Ik’ (Johannes 8:58). Hij is degene die zich tot zevenmaal toe tooit met de namen van de Eeuwige: Ik ben (…) de deur, de goede herder, de weg, de waarheid, levend water, brood van het leven, het leven zelf. Hij is bij God, is God. Van voor de schepping reeds is IK-BEN het licht van de wereld. Maar wie is die ‘Hij’?

Voor de exegese, en voor de prediking (!), is het van belang te blijven beseffen dat de evangelist van achteren naar voren denkt. Hij wil, hij móet iets schrijven over de kern van zijn leven, van het leven überhaupt. En hij doet dat voor concrete mensen, ter ondersteuning en bemoediging. Zelf is hij aangeraakt door de gestalte van een mens die hij alles, het leven, ja, God toedicht. In Hem, volgens de evangelist, gaat het over alles, over hemel en aarde, licht en donker, leven en dood, God en mensen, over de kosmos en het levenwekkende beginsel van dat alles. Johannes houdt er niet over op: de hoorder, de lezer moet overtuigd worden van dit uitgangspunt: die ‘Hij’ is beginsel, oorsprong en begin van alles. Er was nog ‘geen sprake’ over de wereld (Psalmen 104), maar Hij was er. Wie? Het Woord.

Tora-beginsel

De eerste vijf, kort en krachtig geschreven verzen van het Johannesevangelie lezen als evenzovele Tora-rollen. Vol verwondering, vol concentratie. In dit bijzondere, het Woord, is de totaliteit van het bestaan betrokken: het aangezicht van God, het leven, het licht dat overwint waardoor de duisternis er geen vat op kan krijgen. Geen naam wordt hier genoemd. Maar voor de auteur is het volkomen duidelijk wie hij bedoelt. Het is iemand, een mens. En daarom vertaalt Marie van der Zeyde hier ook met: ‘Hij die het Woord is’ (en geen onzijdig ‘het’). Natuurlijk doelt de evangelist hier op Jezus, de Christus. Maar de naam ‘Jezus’ klinkt pas in vers 29. Ben je door het begin heen, ben je door het uitgangspunt heen, de eerste vijf verzen, heb je gehoord ‘Wat altijd is geweest, het Woord’ (zoals Van der Zeyde 1,1 vertaalt), dan verwacht je vanaf 1:6 dat de identificatie, de naamgeving van ‘iemand’, van de man met het Woord plaatsvindt. Het Woord, iemand die door God was gezonden, heet: … Maar dan valt de naam ‘Johannes’ (God is genadig). Niet het Woord, Christus zelf, maar een getuige. Gekomen, gezonden om te getuigen van het Woord, van het licht. Natuurlijk herkent de auteur zichzelf in deze Johannes. Ook hij is een stem die roept (1:23).

Mensgeworden Woord

Sinds dit Woord met een hoofdletter geschreven wordt – en waarom zouden we dat niet doen? – wordt het woord ‘Mens’ met een hoofdletter geschreven. En God, want het Woord is God. Niets aan God en Mens is gewoon. Schrijf je dit Woord met een hoofdletter, en heb je gehoord dat dit Woord Mens is geworden, dan schrijf je sindsdien het woord Mens met een hoofdletter. Vervolgens lees je dit hele bijzondere vierde Evangelie anders. Na die ouverture, waarin alle thema’s van het vervolg al zijn opgenomen, inclusief de misverstanden, het niet begrijpen, hoor je, lees je de ogenschijnlijk zo gewone opmerkingen anders, zoals: ‘Jezus nam opnieuw het woord. Hij zei: ‘Ik ben het licht voor de wereld’ (8:12), of: ‘Blijf bij wat Ik jullie gezegd heb, het zijn niet mijn woorden, maar die van mijn Vader’ (14:23-26). Niet voor niets staat dit Evangelie vol conflicten over woorden. Dat begint al in hoofdstuk 3, met Nikodemus – alsof Genesis 3 wordt herhaald. Maar alle grote toespraken en ontmoetingen in dit Evangelie staan vol misverstanden, er is herhaaldelijk sprake van een miscommunicatie. Ook de leerlingen begrijpen vaak eenvoudige gelijkenissen niet, zoals bijvoorbeeld ‘Ik ben de deur van de schaapskooi’ (10:6).

De stal van Johannes

Is er van de geboorte van de ziel van ons bestaan sprake, is er van het Een en Al sprake, is er van Christus Jezus sprake, en die geboren, gekruisigd, gestorven en begraven en ten derde dage opgestaan en verschenen, dan kan het niet anders, schrijft Johannes, dan te beginnen bij het begin. Ja, ook het begin van het Woord, zoals dat in de traditie van Israël uit de doeken is gedaan, het begin van de Tora. Maar het beginsel ligt ook nog daarvoor. Bij God. Het Woord dat God is. En Mens. Want wie God zegt, zegt Ecce Homo, zie de Mens. En die Mens, de meest uitzonderlijke gestalte van de mens van deze God, is Jezus, de Messias. Schrijft Johannes. Want die Mens, die Zoon des mensen, is (de Zoon van) God. Dat is de conclusie van de auteur (20:31). En het begin van deze Mens, van dit Woord, lag niet in Judea, niet in Galilea, niet in Betlehem, niet in Nazaret, niet in de velden van Efrata, niet in de stal, niet in de rotsholte. Maar zijn verwekking en zijn geboorte in het menselijk bestaan ligt besloten in het Woord. Dat bij God, dat God is.

Deze exegese is opgesteld door Nico Vlaming.

Wellicht ook interessant

None

In Echo’s van het goede nieuws weerklinken de historische evangeliën in een nieuw geluid

Theologen en wetenschappers buigen zich al eeuwenlang over de betekenis van de evangeliën. In duizenden naslagwerken en commentaren voorzien ze de verhalen over het leven en de missie van Jezus van context. Het lijkt daardoor lastig om nog met vernieuwende en originele perspectieven te komen. Toch weet Geurt-Henk van Kooten met zijn boek Echo’s van het goede nieuws de evangeliën opnieuw te laten spreken. Door ze in hun historische context te plaatsen, brengt hij hun boodschap op een verrassend actuele en relevante wijze dichtbij.

Deuteronomium 6:4 in het Hebreeuws
Deuteronomium 6:4 in het Hebreeuws
Basis

Sjema

In het boek Deuteronomium is de hoogste joodse geloofsbelijdenis te vinden: “Hoor, Israël, de Heer onze God, de Heer is één!’, in het Hebreeuws uitgesproken als ‘Sjema Jisraël, Adonai Elohénoe, Adonai echád’ (Deuteronomium 6:4). Zonder dit vers, dat naar het eerste woord bekendstaat als het sjema, is het hele joodse monotheïsme ondenkbaar. Dit vers ‘leeft’ als geen ander. De gelovige staat ermee op en gaat ermee naar bed. Met dit vers op de lippen blaast hij ook de laatste adem uit. Het is dan ook niet voor niets dat juist deze tekst als een soort vademecum te vinden is in de mezoeza en de tefilien.

Nieuwe boeken